Ga verder naar content

Parket bij de Hoge Raad, 15-11-2018, ECLI:NL:PHR:2018:1292, 18/01584

Parket bij de Hoge Raad, 15-11-2018, ECLI:NL:PHR:2018:1292, 18/01584

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15 november 2018
ECLI
ECLI:NL:PHR:2018:1292
Zaaknummer
18/01584

Inhoudsindicatie

A-G IJzerman heeft conclusie genomen naar aanleiding van het beroep in cassatie van belanghebbende tegen de uitspraken in verzet van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2018, inzake een aantal naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting.

Het gaat hier om de vraag of een natuurlijk persoon of een rechtspersoon de belanghebbende is die beroep bij de Rechtbank heeft ingesteld. Belanghebbende stelt dat hij degene is die beroep heeft ingesteld, zodat hij, inzake twaalf naheffingsaanslagen, terecht het (lagere) griffierecht voor natuurlijke personen heeft betaald. De Rechtbank is daarentegen van oordeel dat het beroep is ingesteld door, althans namens, een rechtspersoon, zodat het (hogere) griffierecht voor rechtspersonen verschuldigd is. Omdat belanghebbende volgens de Rechtbank aldus te weinig griffierecht heeft betaald, zijn de beroepen inzake de opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting niet-ontvankelijk verklaard.

Het inhoudelijke geschil is door de niet-ontvankelijk verklaring in deze procedure nog niet goed uit de verf gekomen, maar het lijkt volgens de A-G te gaan om een discussie over parkeren dan wel personen laten in- en uitstappen. In het beroepschrift van belanghebbende staat dat belanghebbende is benadeeld nu hij o.a. van mening verschilt over de vraag of er al dan niet werd geparkeerd. Hij is immers taxichauffeur en laat geregeld mensen in en uitstappen. Hieruit kan naar de mening van de A-G in redelijkheid worden afgeleid dat belanghebbende heeft gesteld dat hij de feitelijke parkeerder van de auto’s was.

Op 4 augustus 2017 heeft de griffier van de Rechtbank aan de gemachtigde van belanghebbende laten weten dat in het beroepschrift weliswaar is vermeld dat de beroepen door [X1] (belanghebbende) worden ingesteld, maar dat uit de overgelegde machtiging blijkt dat het beroepschrift door ‘[X1] h.o.d.n. [X2] B.V.’ is ingesteld, dat [X2] B.V. een rechtspersoon is en dat daarom in elke zaak het tarief voor een rechtspersoon in rekening is gebracht. [X2] B.V. heeft in geen van de dertien zaken het verschuldigde griffierecht betaald.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de griffier er terecht vanuit is gegaan dat de beroepen zijn ingesteld door een rechtspersoon, ondanks dat in het beroepschrift is vermeld dat het beroepschrift door belanghebbende wordt ingediend. In de bijbehorende volmacht staat namelijk dat ‘[X1] h.o.d.n. [X2] B.V.’ de gemachtigde heeft gemachtigd om beroep in te stellen. Dit betekent volgens de Rechtbank dat het beroep door [X2] B.V. is ingesteld, zodat per zaak griffierecht voor rechtspersonen is verschuldigd. De Rechtbank heeft bij uitspraken buiten zitting van 7 november 2017 de dertien beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraken in verzet gekomen. Het verzet is door de Rechtbank ongegrond verklaard. Daartegen komt belanghebbende op in cassatie.

In cassatie is weer in geschil namens wie het beroepschrift is ingediend, een natuurlijk persoon (belanghebbende), of een rechtspersoon ([X2] BV waar belanghebbende de aandeelhouder van was). Het processuele belang is dat in 2017 ten aanzien van het beroep van een natuurlijk persoon in belastingzaken een griffierecht kon worden geheven van € 46 en van een rechtspersoon ten bedrage van € 333. Omdat belanghebbende ter zake van het instellen van beroep volgens de Rechtbank ten onrechte het lagere tarief voor een natuurlijk persoon heeft voldaan, zijn de beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

De A-G meent dat de Rechtbank terecht voor de uitleg van de vertegenwoordiging vooral belang heeft gehecht aan de inhoud van de ter zake van de vertegenwoordiging overgelegde machtiging. Daarbij tekent de A-G aan dat de overige omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van de namens belanghebbende ingediende processtukken, nader licht kunnen werpen op de uitleg van de machtiging.

In de onderhavige zaken is alleen in de machtiging bij de naam van belanghebbende toegevoegd ‘h.o.d.n. [X2] B.V.’. Kennelijk heeft de Rechtbank de afkorting h.o.d.n. aldus opgevat dat belanghebbende namens [X2] B.V. zich tot de gemachtigde heeft gewend om beroep in te stellen. Met andere woorden: dat sprake is van vertegenwoordiging door [X1] van [X2] B.V.

Nu is na te gaan of de Rechtbank aldus een juiste uitleg heeft gegeven aan de afkorting ‘h.o.d.n.’, oftewel voluit: ‘handelend onder de naam’. Dat ziet volgens de A-G op de situatie dat een natuurlijk persoon in het handelsverkeer optreedt onder een handelsnaam. Dat is echter niet de situatie in casu.

De A-G heeft in de rechtspraak noch in de literatuur steun gevonden voor het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat onder ‘h.o.d.n.’ hier namens een rechtspersoon, [X2] B.V., dient te worden verstaan. Die term is daarvoor zijns inziens juridisch niet geschikt. Het is volgens de A-G een ongelukkig gekozen term, omdat die niet past in dit kader van vertegenwoordiging, maar ziet op het gebruik van een handelsnaam.

Overigens blijkt, naar de A-G meent, uit de namens belanghebbende ingediende processtukken dat belanghebbende pro se procedeert, als natuurlijk persoon. Dat strookt zijns inziens met de wil van belanghebbende als bestuurder, chauffeur, op te komen tegen de naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting.

Een en ander betekent dat de A-G het niet eens is met de uitleg die de Rechtbank hier heeft gegeven aan de term ‘h.o.d.n.’ Naar zijn mening is belanghebbende pro se, als natuurlijk persoon, in beroep gekomen. In zoverre treffen de klachten van belanghebbende doel.

Na verwijzing zal volgens de A-G nog een en ander moeten worden uitgezocht, zoals wie de kentekenhouder(s) van de auto’s is/zijn, door welke natuurlijke of rechtspersoon bezwaar is gemaakt en of belanghebbende inderdaad de feitelijke bestuurder was.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard.

Conclusie

mr. R.L.H. IJzerman

Advocaat-Generaal

Conclusie van 15 november 2018 inzake:

Nrs. Hoge Raad: 18/00498 en 18/01584

[X1]

Nrs. Rechtbank: AMS 17/3358, AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378 AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383, AMS 17/3384, AMS 17/3718, AMS 17/3719, AMS 17/3720, AMS 17/3721 en AMS 17/3722

Derde Kamer B

tegen

Parkeerbelasting 2017

College van B & W van de gemeente Amsterdam

1 Inleiding

1.1

Heden neem ik conclusie in de zaken met nummers 18/00498 en 18/01584, naar aanleiding van de beroepen in cassatie van belanghebbende, tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam (hierna: de Rechtbank) van 23 januari 2018,1 op het verzet van belanghebbende tegen de eerdere uitspraken van de Rechtbank van 7 november 2017, 2 respectievelijk tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 5 maart 2018,3 op het verzet van belanghebbende tegen de eerdere uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 22 december 2017.4 Zowel de oordelen van de Rechtbank als de klachten in cassatie in de twee zaken zijn inhoudelijk gelijkluidend. In deze conclusie wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden in de zaak met nummer 18/00498.5

1.2

Het gaat hier om de vraag of een natuurlijk persoon of een rechtspersoon de belanghebbende is die beroep bij de Rechtbank heeft ingesteld. Belanghebbende stelt dat hij degene is die beroep heeft ingesteld, zodat hij terecht het (lagere) griffierecht voor natuurlijke personen heeft betaald. De Rechtbank is daarentegen van oordeel dat het beroep is ingesteld door, althans namens, een rechtspersoon, zodat het (hogere) griffierecht voor rechtspersonen verschuldigd is. Omdat belanghebbende volgens de Rechtbank aldus te weinig griffierecht heeft betaald, zijn de beroepen inzake de opgelegde naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting niet-ontvankelijk verklaard.

1.3

Meer in het bijzonder rijst hier de vraag of ter bepaling van wie de indiener van een beroepschrift is moet worden aangesloten bij de inhoud van het beroepschrift of bij de inhoud van de aan de feitelijke indiener, als procesvertegenwoordiger, verleende machtiging en de uitleg van de hierin vermelde term ‘h.o.d.n’ (handelend onder de naam). In het door de gemachtigde ingediende beroepschrift is vermeld dat het beroepschrift is ingediend door belanghebbende. Echter, in de door de gemachtigde overgelegde machtiging tot het instellen van beroep, is vermeld dat de machtiging is verleend door: ‘ [X1] h.o.d.n. [X2] B.V.’

1.4

In casu gaat het in de zaak met nummer 18/004986 om naheffing van parkeerbelasting wegens het begin februari 2017 niet hebben voldaan van parkeerbelasting op dertien verschillende plaatsen in Amsterdam alwaar op grond van de parkeerverordening van de gemeente Amsterdam parkeerbelasting verschuldigd is. Door de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam (hierna: de Heffingsambtenaar) zijn aan de kentekenhouder(s) van de betreffende geparkeerde auto’s dertien naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd.7, 8

1.5

Belanghebbende is chauffeur bij taxibedrijf [X2] B.V. Tegen de dertien naheffingsaanslagen is door de gemachtigde van belanghebbende bezwaar ingesteld.9 De bezwaarschriften zijn niet in het fysieke procesdossier terug te vinden, zodat onduidelijkheid bestaat of namens belanghebbende dan wel namens [X2] B.V. bezwaar is gemaakt.10

1.6

De Heffingsambtenaar heeft bij uitspraken op bezwaar van 21 april 2017 de bezwaren ongegrond verklaard en de verzoeken om proceskostenvergoeding afgewezen.

1.7

Tegen de dertien uitspraken op bezwaar heeft belanghebbende beroep11 ingesteld bij de Rechtbank.12 In het beroepschrift van 2 juni 2017 stelt belanghebbende onder meer dat ten onrechte door de Heffingsambtenaar geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn toegezonden in de bezwaarfase, dat hij onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaar naar voren te brengen en dat de hoorplicht is geschonden.

1.8

Het inhoudelijke geschil is door de niet-ontvankelijk verklaring in deze procedure nog niet goed uit de verf gekomen, maar het lijkt te gaan om een discussie over parkeren dan wel personen laten in- en uitstappen. In het beroepschrift van belanghebbende staat: ‘[Belanghebbende] is benadeeld nu hij o.a. van mening verschilt over de vraag of er al dan niet werd geparkeerd. Hij is immers taxichauffeur en laat geregeld mensen in en uitstappen’. Hieruit kan naar mijn mening in redelijkheid worden afgeleid dat belanghebbende heeft gesteld dat hij de feitelijke parkeerder van de auto’s was, alhoewel hij dat in eerste aanleg niet letterlijk heeft gesteld, maar dat lijkt mij zo wel voldoende naar voren gebracht. Pas in cassatie heeft belanghebbende expliciet gesteld dat hij als chauffeur rechtstreeks belanghebbende bij de opgelegde naheffingsaanslagen is.

1.9

Door de Rechtbank is bij uitspraak van 7 november 2017 vastgesteld dat de griffier van de Rechtbank [X2] B.V. in de zaak AMS 17/3358 bij brief van 8 juni 2017 een betaaltermijn van vier weken heeft gesteld en daarna bij brief van 7 juli 2017 een tweede betaaltermijn van vier weken heeft gegeven. Het griffierecht is in deze zaak niet betaald.

1.10

Voorts heeft de Rechtbank vastgesteld dat de griffier in de andere twaalf zaken bij brief van 10 juni 2017 een betaaltermijn van vier weken heeft gesteld en bij brief van 9 juli 2017 een tweede betaaltermijn van vier weken heeft gegeven. Verlangd is de betaling van griffierecht naar het tarief geldend voor een rechtspersoon, ten bedrage van € 333. In elk van deze twaalf zaken is van de kant van belanghebbende griffierecht betaald ten bedrage van € 46, zijnde het tarief voor een natuurlijk persoon.13

1.11

De gemachtigde van belanghebbende14 heeft vervolgens bij brief van 1 augustus 2017 de Rechtbank bericht dat in alle zaken ten onrechte het griffierecht voor een rechtspersoon in rekening is gebracht, nu het beroep is ingesteld door een natuurlijk persoon (belanghebbende).

1.12

Op 4 augustus 2017 heeft de griffier van de Rechtbank aan de gemachtigde van belanghebbende laten weten dat in het beroepschrift weliswaar is vermeld dat de beroepen door [X1] (belanghebbende) worden ingesteld, maar dat uit de overgelegde machtiging blijkt dat het beroepschrift door ‘ [X1] h.o.d.n. [X2] B.V.’ is ingesteld, dat [X2] B.V. een rechtspersoon is en dat daarom in elke zaak het tarief voor een rechtspersoon in rekening is gebracht. [X2] B.V. heeft in geen van de dertien zaken het verschuldigde griffierecht betaald.15

1.13

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de griffier er terecht vanuit is gegaan dat de beroepen zijn ingesteld door een rechtspersoon, ondanks dat in het beroepschrift is vermeld dat het beroepschrift door belanghebbende wordt ingediend. In de bijbehorende volmacht staat namelijk dat ‘ [X1] h.o.d.n. [X2] B.V.’ de gemachtigde heeft gemachtigd om beroep in te stellen. Dit betekent volgens de Rechtbank dat het beroep door [X2] B.V. is ingesteld, zodat per zaak griffierecht ad € 333 is verschuldigd.

1.14

Dat in het beroepschrift wordt gesteld dat namens een natuurlijk persoon beroep wordt ingesteld, maakt dit volgens de Rechtbank niet anders.16 De Rechtbank heeft voorts geen redenen gezien om te oordelen dat het niet betalen van griffierecht belanghebbende niet kan worden verweten, gelet op het niet reageren van belanghebbende op vragen van de griffier.17

1.15

De Rechtbank heeft bij uitspraken buiten zitting van 7 november 2017 de dertien beroepen kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.18 Belanghebbende is tegen die uitspraken in verzet gekomen.

1.16

De Rechtbank heeft bij uitspraken op verzet van 23 januari 2018 overwogen dat voor de beantwoording van de vraag door wie het beroep is ingesteld ‘niet leidend is degene wiens naam genoemd is in het door (…) [de gemachtigde, A-G] opgestelde beroepschrift, maar degene die (…) [de gemachtigde, A-G] heeft gemachtigd om het beroep in te stellen’.

1.17

Volgens de Rechtbank is aldus het ‘uitgangspunt’ de machtiging, nu het ‘niet aan (…) [de gemachtigde, A-G] is om te bepalen wie het beroep instelt’. Naar het oordeel van de Rechtbank bepaalt degene die de gemachtigde machtigt (in dit geval [X2] B.V.) dat namens hem/haar beroep mag worden ingesteld. Het verzet is in alle zaken ongegrond verklaard.

1.18

In cassatie klaagt belanghebbende dat op grond van art. 6:5 lid 1 aanhef en onder a, van de Awb het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en ten minste de naam en het adres van de indiener bevat. Belanghebbende leidt uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010 (ECLI:NL:HR:2010:B07505) af dat onder 'indiener' wordt verstaan degene die voor zichzelf beroep instelt, respectievelijk namens wie door een gemachtigde beroep is ingesteld.

1.19

Volgens belanghebbende is het beroepschrift het vertrekpunt voor de beantwoording van de vraag namens wie het beroep moet worden geacht te zijn ingesteld en had de Rechtbank moeten vragen om een toereikende volmacht. Dat uitsluitend doorslaggevende betekenis is toegekend aan een de volmacht acht belanghebbende in strijd met het recht en overigens onvoldoende gemotiveerd. De Rechtbank heeft volgens belanghebbende ten onrechte geweigerd het verschuldigde griffierecht te corrigeren, omdat de beroepen volgens belanghebbende zijn ingesteld door een natuurlijk persoon.

1.20

Tot slot betoogt belanghebbende dat de Rechtbank een in verzet aangevoerde grond onbesproken heeft gelaten, te weten dat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in strijd is met artikel 6 EVRM en artikel 47 van het EU-Handvest.

1.21

Deze conclusie is verder als volgt opgebouwd. In onderdeel 2 worden de feiten en het procesverloop weergegeven, gevolgd door een beschrijving van het geding dat nu in cassatie voorligt in onderdeel 3. Onderdeel 4 omvat een overzicht van relevante wet- en regelgeving en jurisprudentie.19 In onderdeel 5 wordt de klacht van belanghebbende beoordeeld, gevolgd door de conclusie in onderdeel 6.

2 Het geding in feitelijke instantie

Rechtbank 7 november 2017

2.1

De Rechtbank heeft in haar uitspraak buiten zitting van 7 november 2017 het procesverloop als volgt weergegeven:

De rechtbank heeft op 6 juni 2017 een beroepschrift ontvangen gericht tegen 14 uitspraken [bedoeld zal zijn 13 uitspraken, A-G] op bezwaar van de heffingsambtenaar van 21 april 2017 (de bestreden uitspraken) waarin de heffingsambtenaar heeft beslist op de bezwaren die [X2] heeft ingediend tegen de naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

De rechtbank heeft de beroepen geregistreerd onder de zaaknummers AMS 17/3358 AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378 AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383 en AMS 17/3384.

2.2

In haar uitspraak buiten zitting van 7 november 2017 heeft de Rechtbank overwogen:

1. De wet, dat is in dit geval de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geeft de rechter de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen. Een voorwaarde is dat de zaak al zo overduidelijk is dat er niet getwijfeld kan worden aan het eindoordeel. De rechtbank vindt dat hier het geval en doet uitspraak zonder zitting.

(artikel 8:54 van de Awb)

2. In de wet staat dat iemand die beroep instelt griffierecht moet betalen. In een zaak als deze is het griffierecht € 333,-. De griffier geeft de indiener van het beroep voor het betalen van het griffierecht een termijn. Het griffierecht moet op tijd worden betaald. Dat betekent dat het hele bedrag op tijd, dus binnen die termijn, op de bankrekening van de rechtbank staat of dat op tijd op de griffie is betaald. Het betalen van het griffierecht kan bij de Centrale Balie in het rechtbankgebouw in Amsterdam.

Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald moet de rechtbank het beroep niet- ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk wordt behandeld. De enige uitzondering is als het niet tijdig betalen van het griffierecht de indiener van het beroep niet kan worden verweten (artikel 8:41 van de Awb).

3. Is de laatste dag van de betaaltermijn op een zaterdag, zondag of op een algemeen erkende feestdag, dan wordt de termijn verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag valt (artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet (ATW)).

4.1

De griffier heeft in AMS 17/3358 [X2] bij brief van 8 juni 2017 een betaaltermijn van vier weken gesteld. In een per aangetekende post verzonden brief van 7 juli 2017 heeft de griffier [X2] een tweede betaaltermijn van vier weken gegeven. Dat betekent dat het griffierecht uiterlijk op 4 augustus 2017 door de rechtbank moet zijn ontvangen.

4.2

De griffier heeft in de overige zaken (AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378, AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383 en AMS 17/3384) [X2] bij brief van 10 juni 2017 een betaaltermijn van vier weken gesteld. In een per aangetekende post verzonden brief van 9 juli 2017 heeft de griffier [X2] een tweede betaaltermijn van vier weken gegeven. Dat betekent dat het griffierecht uiterlijk op maandag 7 augustus 2017 door de rechtbank moet zijn ontvangen.

5. [X2] heeft in zaak AMS 17/3358 het griffierecht niet betaald.

De rechtbank heeft op 2 augustus 2017 een bedrag van € 46,- ontvangen voor de betaling van het griffierecht in de zaken AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378, AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381 AMS 17/3382, AMS 17/3383 en AMS 17/3384. [X2] heeft het verschuldigde griffierecht niet volledig op tijd betaald.

6.1

[X2] heeft bij brief van 1 augustus 2017 de rechtbank bericht dat in alle zaken ten onrechte het griffierecht voor een rechtspersoon in rekening is gebracht. [X2] heeft gevraagd om het verschuldigde griffierecht te verlagen omdat de beroepen zijn ingesteld door een natuurlijk persoon.

6.2

De griffier heeft [X2] op 4 augustus 2017 bericht dat in het beroepschrift weliswaar staat vermeld dat de beroepen door [X1] , een natuurlijk persoon wordt ingesteld, maar dat uit de overgelegde machtiging blijkt dat het beroepschrift door “ [X1] h.o.d.n. [X2] B.V” wordt ingesteld. [X2] is een rechtspersoon. Om die reden heeft de griffier in elke zaak het tarief voor een rechtspersoon in rekening gebracht. In de brief van 4 augustus 2017 is [X2] gewezen op de mogelijkheid om aan te geven het niet eens te zijn met de inhoud van de brief van 4 augustus 2017.

7.1

De griffier heeft in alle zaken apart een griffierecht geheven. De rechtbank stelt vast dat de beroepen zijn gericht tegen naheffingsaanslagen parkeerbelasting waarbij sprake is van parkeren door steeds verschillende kentekens op verschillende locaties. Dat betekent dat de griffier in elk zaaknummer terecht een griffierecht heeft geheven.

7.2

Van [X2] is geen reactie op de brief van 4 augustus 2017 ontvangen. De rechtbank zal dan ook ingaan op de door [X2] aangevoerde argumenten.

De rechtbank is van oordeel dat de griffier er terecht van uit is gegaan dat de beroepen zijn ingesteld door een rechtspersoon. In het beroepschrift staat weliswaar vermeld dat het beroepschrift door [X1] wordt ingesteld, in de bijbehorende volmacht staat vermeld dat [X1] h.o.d.n. [X2] B.V. (…) [de gemachtigde, A-G] heeft gemachtigd om beroep in te stellen. Dat betekent dat het beroep door [X2] is ingesteld. De omstandigheid dat in het beroepschrift wordt gesteld dat namens een natuurlijk persoon beroep wordt ingesteld maakt dit niet anders.

7.3

De rechtbank heeft geen reden kunnen vinden om in alle redelijkheid vast te kunnen stellen dat [X2] het niet betalen (AMS 17/3358) en te weinig betalen (AMS 17/3362 AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378 AMS 17/3379 AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383 en AMS 17/3384) van het griffierecht niet kan worden verweten. De rechtbank komt tot die conclusie omdat [X2] niet heeft gereageerd heeft op de vraag van de griffier van 25 september 2017 om de reden van het niet betalen en te weinig betalen van het griffierecht op te geven. Het niet betalen en te weinig betalen van het griffierecht kan [X2] dan ook worden verweten.

8. De beroepen zijn daarom kennelijk niet-ontvankelijk. De rechtbank komt hierdoor niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepen. Omdat [X2] in de zaken AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378 AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383 en AMS 17/3384 te weinig griffierecht heeft betaald, zal het bedrag van in totaal € 598 - (13 x € 46,-) worden teruggestort.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Rechtbank 23 januari 2018

2.3

De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 23 januari 2018 op het verzet van belanghebbende overwogen:

1. De rechtbank heeft in de beroepszaken uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft de beroepen kennelijk niet-ontvankelijk geacht. Dit betekent dat de rechter heeft besloten de zaken niet inhoudelijk te beoordelen.

De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat opposante het griffierecht niet heeft betaald in de zaak met procedurenummer AMS 17/3358. In de overige genoemde procedures heeft opposante het griffierecht niet volledig betaald.

2. Als iemand tegen zo'n buiten-zittinguitspraak verzet instelt, moet de rechtbank beoordelen of zij in de beroepszaak terecht heeft geoordeeld dat het eindoordeel buiten redelijke twijfel stond. Het gaat er in deze verzetzaken dus om of buiten redelijke twijfel is dat de beroepen niet-ontvankelijk zijn. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak niet toe.

3. De Awb schrijft ter bescherming van de rechtszekerheid en ter voorkoming van rechtsongelijkheid voor dat, alvorens de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, aan een aantal in de wet genoemde eisen moet zijn voldaan, waaronder het tijdig betalen van het griffierecht.

Iemand die beroep instelt, moet op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Awb griffierecht betalen. In een zaak als deze bedraagt het griffierecht € 333-. De griffier stelt op grond van artikel 8:41, vierde en vijfde lid, van de Awb een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank.

Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de rechtbank op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.

4. De griffier heeft in AMS 17/3358 [X2] bij brief van 8 juni 2017 een betaaltermijn van vier weken gesteld. In een per aangetekende post verzonden brief van 7 juli 2017 heeft de griffier [X2] een tweede betaaltermijn van vier weken gegeven. Dat betekent dat het griffierecht uiterlijk op 4 augustus 2017 door de rechtbank moet zijn ontvangen.

5. De griffier heeft in de overige zaken (AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378, AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383 en AMS 17/3384) [X2] bij brief van 10 juni 2017 een betaaltermijn van vier weken gesteld. In een per aangetekende post verzonden brief van 9 juli 2017 heeft de griffier [X2] een tweede betaaltermijn van vier weken gegeven.

Dat betekent dat het griffierecht uiterlijk op maandag 7 augustus 2017 door de rechtbank moet zijn ontvangen.

6. [X2] heeft in zaak AMS 17/3358 het griffierecht niet betaald.

De rechtbank heeft op 2 augustus 2017 een bedrag van € 46,- ontvangen voor de betaling van het griffierecht in de zaken AMS 17/3362, AMS 17/3368, AMS 17/3371, AMS 17/3373, AMS 17/3376, AMS 17/3378, AMS 17/3379, AMS 17/3380, AMS 17/3381, AMS 17/3382, AMS 17/3383 en AMS 17/3384. [X2] heeft het verschuldigde griffierecht niet volledig op tijd betaald.

7. Het verzetschrift van opposante komt er in de kern op neer dat nu uit het beroepschrift duidelijk blijkt dat [X1] , zijnde een natuurlijk persoon, beroep heeft ingesteld, de hoogte van het griffierecht berekend diende te worden op basis van het tarief dat geldt voor een natuurlijk persoon (de rechtbank begrijpt € 46,-). Wat in de machtiging vermeldt staat, maakt dat niet anders aldus opposante. Nu oppossante de bedragen die gelden voor een natuurlijk persoon tijdig heeft voldaan, heeft de rechtbank ten onrechte de ingestelde beroepen niet-ontvankelijk verklaard.

8. De rechtbank volgt oppossante in het gestelde niet en overweegt daartoe als volgt.

Het beroepschrift, dat is opgesteld en ondertekend door (…) [de gemachtigde, A-G], namens [C] B.V., houdt onder andere het volgende in:

“Hierbij stel ik namens [X1] te [Z] tijdig beroep in tegen dertien samenhangende besluiten op bezwaar (...)”.

De machtiging houdt onder andere het volgende in:

“(naam) [X1] h.o.d.n. [X2] B.V.

(Adres) [a-straat 1]

(postcode en woonplaats) [Z]

Machtigt hierbij [C] B. V en haar medewerkers (...) om hem/haar te vertegenwoordigen in bestuursrechtelijke procedures (...) ”.

De rechtbank is van oordeel dat voor de beantwoording van de vraag door wie het beroep is ingesteld, - anders dan opposante kennelijk meent - niet leidend is degene wiens naam genoemd is in het door (…) [de gemachtigde, A-G] opgestelde beroepschrift, maar degene die (…) [de gemachtigde, A-G] heeft gemachtigd om het beroep in te stellen. Uitgangspunt is dus de machtiging. Het is immers niet aan (…) [de gemachtigde, A-G] om te bepalen wie het beroep in stelt. Degene die (…) [de gemachtigde, A-G] machtigt, in dit geval [X2] B.V., bepaalt dat namens hem/haar beroep mag worden ingesteld.

9. In wat opposante heeft aangevoerd, ziet de rechtbank dus geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 7 november 2017. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld.20 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam heeft geen verweerschrift ingediend.21

3.2

Ter inleiding heeft belanghebbende geschreven in het cassatieberoepschrift:

Belanghebbende als procespartij

[X1] (hierna: belanghebbende) is als chauffeur rechtstreeks belanghebbende bij de opgelegde naheffingsaanslagen. Belanghebbende heeft tegen meerdere naheffingsaanslagen op eigen titel bezwaar gemaakt. Tegen de besluiten op bezwaar heeft belanghebbende vervolgens beroep ingesteld, eveneens als natuurlijk persoon. De rechtbank heeft vervolgens het griffierecht geheven voor rechtspersonen.

In geschil bij de rechtbank was wie als procespartij te gelden heeft en welk griffierecht er geheven diende te worden. De rechtbank is van oordeel dat er uitsluitend beroep is ingesteld namens een rechtspersoon en heeft het bijbehorende hogere griffierecht geheven.

Belanghebbende is van oordeel dat er beroep is ingesteld namens hem als natuurlijk persoon, niet namens enig rechtspersoon.

Namens belanghebbende is het griffierecht voor een natuurlijk persoon in alle zaken voldaan. Belanghebbende heeft dit ook kenbaar gemaakt aan de rechtbank en de rechtbank verzocht het juiste griffierecht te heffen en de facturen te corrigeren.

De rechtbank heeft dit geweigerd en heeft de beroepen niet-ontvankelijk verklaard en het verzet daartegen vervolgens ongegrond verklaard.

3.3

Belanghebbendes klacht en de toelichting daarop luidt:

Cassatiegronden

In de bestreden uitspraak is het recht geschonden en de motivering, oordelen en de beslissing zijn onbegrijpelijk. Dit blijkt uit de hierna te bespreken rechtsoverwegingen van de bestreden uitspraak.

De rechtbank heeft de beroepen van belanghebbende niet-ontvankelijk en het verzet daartegen ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank is terecht het griffierecht voor een vennootschap in rekening gebracht nu als procespartij niet een natuurlijk persoon maar een rechtspersoon moet worden aangemerkt, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank komt geen enkele betekenis toe aan de enige met naam genoemde procespartij in het beroepschrift, zijnde een natuurlijk persoon.

Belanghebbende kan de rechtbank in haar overwegingen niet volgen, deze vloeien niet voort uit enige rechtsregel of beginsel. Op grond van art. 6:5 lid 1 aanhef en onder a Awb wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de naam en het adres van de indiener. Onder 'indiener' wordt volgens uw Raad verstaan degene die voor zichzelf beroep instelt, respectievelijk namens wie beroep wordt ingesteld (HR, 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:B07505).

Het beroepschrift is derhalve en anders dan de rechtbank meent het vertrekpunt voor de vraag namens wie het beroep moet worden geacht te zijn ingesteld.

Dat uitsluitend betekenis zou toekomen aan de volmacht zoals de rechtbank dat meent is in strijd met het recht, onbegrijpelijk en ook overigens niet afdoende gemotiveerd.

Het maakt ook de weg vrij voor nogal absurde situaties.

Indien er geen volmacht wordt meegezonden is er dan volgens de rechtbank helemaal geen procespartij aan te wijzen, ondanks dat de beroepsinsteller in het beroepschrift is genoemd? Indien beroep wordt ingesteld namens X maar een volmacht wordt bijgevoegd van Y, is er dan beroep ingesteld namens Y zoals de rechtbank kennelijk meent nu aan de volmacht doorslaggevende betekenis zou toekomen, of is er sprake van een verzuim en dient de rechtbank juist om een nieuwe volmacht te vragen? Voor uw Raad is het wel duidelijk welk punt ik hier tracht te maken.

In de voorliggende zaak was de identiteit van de beroepsinsteller onmiskenbaar duidelijk, het betrof een natuurlijk persoon namens wie beroep is ingesteld. Ook voor de rechtbank was dit duidelijk nu wordt erkend door de rechtbank dat in het beroepschrift uitsluitend een natuurlijk persoon is genoemd (vgl. r.o. 7.2 van de uitspraak buiten zitting). Een vennootschap is niet genoemd in het beroepschrift zodat er ook geen reden was om de vennootschap als enige procespartij aan te merken en vervolgens het griffierecht te heffen op basis van een niet-natuurlijk persoon.

Voor het 'stuivertje wisselen' zoals de rechtbank dat gedaan heeft bestond dan ook geen enkele aanleiding. De rechtbank heeft derhalve ook ten onrechte geweigerd het verschuldigde griffierecht te corrigeren, immers waren de beroepen ingesteld door een natuurlijk persoon. Door belanghebbende is in alle zaken het griffierecht voor een natuurlijk persoon (in totaal 13 x EUR 46,- = EUR 598,-) betaald. Aan de formele vereisten was derhalve voldaan. De rechtbank had nooit tot niet-ontvankelijkheid mogen concluderen.

Bovendien is er sprake van een kennelijke schending van het Unierecht. Gelet op de consequenties van een niet-ontvankelijk verklaring heeft belanghebbende gesteld dat de niet-ontvankelijk verklaring op de gronden die de rechtbank heeft aangevoerd in strijd is met art. 6 EVRM en art. 47 van het Handvest. De rechtbank heeft deze grond evenwel geheel onbesproken gelaten. Ook hierom kan de uitspraak op verzet niet in stand blijven.

Mitsdien heeft de rechtbank het verzet ten onrechte ongegrond verklaard.

Conclusie

De uitspraak de rechtbank getuigt gelet op het vorenstaande, van het een onjuiste rechtsopvatting, althans is deze in strijd met het geschreven dan wel ongeschreven recht. Ik verzoek uw Raad daarom de aangevallen uitspraak te vernietigen en de zaak voor verdere behandeling terug te wijzen naar de rechtbank, althans een zodanige voorziening te treffen die uw Raad juist acht, met veroordeling van de wederpartij in de proceskosten.

4 Wet- en regelgeving en jurisprudentie

5 Beoordeling van de klachten

6 Conclusie