Home

Parket bij de Hoge Raad, 25-01-2022, ECLI:NL:PHR:2022:59, 20/03317

Parket bij de Hoge Raad, 25-01-2022, ECLI:NL:PHR:2022:59, 20/03317

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 januari 2022
Datum publicatie
25 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:PHR:2022:59
Formele relaties
Zaaknummer
20/03317

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Beklag ex art. 552a Sv. OM-cassatie wegens de afwijzing van een aanhoudingsverzoek van de officier van justitie om informatie aan te vullen. Cassatie klaagster vanwege de ontoereikende en onbegrijpelijke motivering van de gedeeltelijke ongegrondverklaring. De AG is van oordeel dat beide middelen slagen en adviseert de Hoge Raad de beschikking te vernietigen en de zaak terug te wijzen.

Conclusie

,

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 20/03317 B

Zitting 25 januari 2022

CONCLUSIE

T.N.B.M. Spronken

In de zaak

[klaagster] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

hierna: de klaagster.

1 De cassatieberoepen

1.1.

De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, heeft bij beschikking van 10 september 2020 het klaagschrift van de klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het beslag en teruggave aan de klaagster van de daarin genoemde op 18 september 2018 in beslag genomen voorwerpen, deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

1.2.

Tegen deze beschikking hebben zowel het openbaar ministerie als de klaagster cassatieberoep ingesteld.

Het cassatieberoep van het openbaar ministerie

1.3.

Mr. W.J.V. Spek, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Noord-Holland, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel houdt in dat de rechtbank – voor zover het klaagschrift gegrond is verklaard – een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans de beslissing tot gegrondverklaring onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat de rechtbank niet heeft aangegeven waarom aan het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie geen gevolg kon worden gegeven en wel heeft overwogen dat bij gebrek aan nadere onderbouwing de titel en wettelijke grondslag voor het beslag onduidelijk zijn.

Het cassatieberoep van de klaagster

1.4.

Mr. W.S. de Zanger, advocaat te Amsterdam, heeft namens de klaagster één middel van cassatie voorgesteld. Het middel houdt in dat de beslissing tot de gedeeltelijke ongegrondverklaring van het klaagschrift, mede gelet op de namens de klaagster ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunten onbegrijpelijk, althans onvoldoende is gemotiveerd.

2 Waar het in deze zaak om gaat

2.1.

Op grond van de kernstukken kan in deze zaak – voor zover van belang – de procesgang als volgt worden samengevat.

(i) Op 18 september 2018 heeft in het kader van een strafrechtelijk onderzoek dat initieel tegen de partner van de klaagster liep, een doorzoeking plaatsgevonden op het verblijfadres van de klaagster. Bij deze doorzoeking is een aantal goederen in beslag genomen, waaronder een auto, geld, diverse sieraden en merkkleding en -schoenen. Naar aanleiding van deze doorzoeking is de klaagster aangemerkt als verdachte van witwassen.

(ii) Op 26 maart 2020 is namens de klaagster een klaagschrift ingediend met het verzoek tot opheffing van het beslag op en last tot teruggave van de daarin genoemde (kennelijk) in beslag genomen goederen.

(iii) Op 20 augustus 2020 is het klaagschrift in raadkamer behandeld. Uit het proces-verbaal van de raadkamerzitting maak ik op dat de raadsvrouw van de klaagster voorafgaand aan de zitting meermalen aan het openbaar ministerie heeft verzocht om kenbaar te maken op welke voorwerpen precies beslag is gelegd en onder welke titel en dat de verdediging beschikte over verschillende beslaglijsten, maar dat de rechtbank over slechts één beslaglijst beschikte waarop niet alle voorwerpen stonden die in het klaagschrift waren genoemd. De voorzitter heeft daarom aan de officier van justitie gevraagd duidelijkheid te verschaffen over de omvang, de titel en de status van het beslag. De officier van justitie heeft contact gezocht met de zaaksofficier van justitie, maar deze kon op dat moment geen antwoorden verschaffen. De officier van justitie heeft toen verzocht om aanhouding van de behandeling om meer helderheid te verschaffen over welke voorwerpen in beslag zijn genomen en wat de titels daarvan zijn. De rechtbank heeft dit aanhoudingsverzoek ‘als tardief’ afgewezen, gelet op het tijdsverloop sinds de inbeslagneming en sinds het indienen van het klaagschrift en de herhaaldelijke pogingen van de verdediging om meer duidelijkheid te verkrijgen van het openbaar ministerie omtrent het beslag. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gelegenheid geweest voor het openbaar ministerie om helderheid te verschaffen.

(iv) De rechtbank heeft vervolgens in haar beschikking beslist dat de in het klaagschrift genoemde voorwerpen die niet op de zich in het dossier van de rechtbank bevindende beslaglijst of beslagformulier voorkomen, dienen te worden teruggegeven aan de klaagster (voor zover er beslag op rust) en dat een aantal voorwerpen die wel op de beslaglijst voorkomen niet worden teruggegeven, ‘in verband met de verdenking van witwassen en het (kenbare) geldende conservatoir beslag met het oog op een eventuele ontnemingsvordering’.

3 Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel

3.1.

Het middel houdt als gezegd in dat de rechtbank – voor zover het klaagschrift gegrond is verklaard – een onjuiste maatstaf heeft toegepast, althans de beslissing tot gegrondverklaring onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat de rechtbank niet heeft aangegeven waarom aan het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie geen gevolg kon worden gegeven en wel heeft overwogen dat bij gebrek aan nadere onderbouwing de titel en wettelijke grondslag voor het beslag onduidelijk zijn.

4. Het proces-verbaal van de behandeling in de raadkamer van 20 augustus 2020 houdt – voor zover van belang – het volgende in:

“De raadsvrouw voert het woord overeenkomstig de inhoud van een als bijlage [I] aan dit proces-verbaal gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd. De raadsvrouw voegt daaraan toe dat zij al meermalen met het OM heeft gecorrespondeerd over het beslag. Onduidelijk is op welke voorwerpen precies beslag is gelegd en onder welke titel. Er zijn verschillende beslaglijsten en niet duidelijk wat de status en de waarde is van het beslag. Ondanks herhaalde verzoeken heeft het OM daar geen duidelijkheid over gegeven en daarom heeft de verdediging al eerder verzocht om een standpunt van het OM en een overzicht van het beslag. In reactie op het klaagschrift is op 10 maart 2020 weer een andere beslaglijst ontvangen.De officier van justitie voert als volgt het woord: Ik verwijs naar het eerder ingenomen schriftelijke standpunt en verzet mij vanwege de daarin genoemde redenen tegen teruggave van de in het klaagschrift genoemde goederen. De voorzitter merkt op dat in het DIVOS dossier uitsluitend genoemde beslaglijst van 10 maart 2020 te zien is en merkt op daar niet alle voorwerpen op staan die volgens de raadsvrouw onder beslag zouden zijn. Verder volgt uit het mailbericht van 18 augustus 2020 dat er kennelijk een machtiging conservatoir beslag is afgegeven, maar niet duidelijk is op welke voorwerpen dit betrekking heeft. De tenlastelegging maakt melding van een verdenking van het witwassen van euro’s, dollars en Zwitserse franken en van merkschoenen en -tassen. De voorzitter vraagt of het mogelijk is om duidelijkheid te verschaffen over de omvang, de titel en de status van het beslag. De officier van justitie voert als volgt het woord: Het is lastig hier een antwoord op te geven. Ik wist niet dat er nog meer aan de orde zou komen, dan alleen de spullen die op de beslaglijst staan. De raadsvrouw merkt op dat zij al heel vaak gevraagd heeft om een overzicht van het beslag en dat zij de daartoe gevoerde correspondentie eventueel kan overleggen. De officier van justitie verzoekt om een korte onderbreking zodat zij de gelegenheid heeft om de zaaksofficier van justitie te raadplegen. De voorzitter onderbreekt desgevraagd het onderzoek in raadkamer. Na de onderbreking hervat de voorzitter het onderzoek in raadkamer. De officier van justitie geeft aan dat zij op dit moment geen antwoord heeft op de vragen van de raadsvrouw en de rechtbank. Om die reden verzoekt zij om aanhouding van behandeling van de zaak. Dit teneinde de zaaksofficier van justitie alsnog in de gelegenheid te stellen, meer helderheid te verschaffen omtrent hetgeen in beslag is genomen en de titel van die beslagen. De raadsvrouw reageert op het aanhoudingsverzoek als volgt: Ik heb moeite met dit verzoek, omdat het openbaar ministerie de hand niet in eigen boezem steekt. Ik heb duizend keer gezegd, hoe kan ik een raadkamerzitting als deze doen, als het dossier een zooitje is. Derhalve persisteer ik bij mijn primaire verzoek tot teruggave. Subsidiair sluit ik aan bij het aanhoudingsverzoek, teneinde alsnog de mogelijkheid te bieden aan de officier van justitie om duidelijkheid te verschaffen.De voorzitter onderbreekt het onderzoek in raadkamer voor beraad. Na de onderbreking hervat de voorzitter het onderzoek in raadkamer. De rechtbank wijst het aanhoudingsverzoek als tardief af, gelet op het tijdsverloop sinds de inbeslagneming en de sindsdien gevoerde correspondentie tussen de verdediging en het openbaar ministerie over het beslag en ook gezien de datum waarop het rekest is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende gelegenheid geweest voor het openbaar ministerie om helderheid te verschaffen.”

4.1.

In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de beslissing tot gedeeltelijke gegrondverklaring van het klaagschrift aan een motiveringsgebrek lijdt. De overwegingen van de rechtbank komen erop neer dat een deugdelijk overzicht van inbeslaggenomen voorwerpen ontbreekt, dat niet duidelijk is wat de titel en de wettelijke grondslag van het beslag zijn en dat het openbaar ministerie deze niet nader heeft onderbouwd. Dat heeft de rechtbank volgens de steller van het middel onvoldoende gemotiveerd. Hij beroept zich daarbij op jurisprudentie over de eigen verantwoordelijkheid van de beklagrechter voor de deugdelijkheid en volledigheid van het onderzoek in raadkamer en de verplichting te (doen) onderzoeken welke strafvorderlijke bepaling aan het beslag ten grondslag ligt. Gesteld wordt dat de afwijzing van het aanhoudingsverzoek van de officier van justitie vanwege het tijdsverloop onvoldoende is gemotiveerd.

4.2.

Mijn voormalig ambtgenoot Knigge heeft in een conclusie van 28 augustus 20121 over de vraag hoe de rechter in een beklagprocedure dient om te gaan met het ontbreken van relevante stukken het volgende opgemerkt:

“4.7. Ik stel voorop dat - zoals uit art. 23 lid 1 Sv blijkt - aan de beslissing van de beklagrechter een onderzoek vooraf dient te gaan. Voor de deugdelijkheid van dat onderzoek is de beklagrechter verantwoordelijk. Dat wordt onderstreept door het genoemde artikellid, dat bepaalt dat de rechter bevoegd is de nodige bevelen te geven dat het onderzoek "overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek zal plaats vinden". Tot die bepalingen behoort hetgeen art. 23 lid 4 (thans lid 5, AG TS) Sv in zijn eerste volzin voorschrijft, namelijk dat het openbaar ministerie de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de raadkamer overlegt. Met die overlegging wordt de rechterlijke oordeelsvorming gediend. Zonder de relevante stukken is de rechter immers niet goed in staat zich een oordeel te vormen over de ontvankelijkheid van het beklag en over de rechtmatigheid van het (voortduren van het) beslag. Dat betekent dat de beklagrechter gezien zijn verantwoordelijkheid voor de deugdelijkheid van het onderzoek ambtshalve op de naleving van het voorschrift moet toezien. Met incomplete stukken kan hij geen genoegen nemen om de eenvoudige reden dat hij anders zijn taak niet kan vervullen. Hij zal dus zo nodig op grond van art. 23 lid 1 Sv de overlegging van de ontbrekende stukken moeten bevelen. Het kan daarbij ook gaan om stukken waarover het openbaar ministerie op dat moment ook niet beschikt. Het aan de beklagrechter opgedragen onderzoek vertaalt zich in de praktijk dan ook niet zelden in een aan het openbaar ministerie verstrekte onderzoeksopdracht.2

4.8. De beklagrechter is voor een behoorlijke taakuitoefening dus tot op zekere hoogte afhankelijk van de medewerking van het openbaar ministerie. De beklagrechter heeft echter een stok achter de deur. Als het openbaar ministerie in gebreke blijft de verlangde stukken over te leggen, kan de beklagrechter daarin reden vinden het beklag gegrond te verklaren. Dat blijkt uit HR 24 november 1998, LJN ZD1433, NJ 1999/153. In deze zaak was de behandeling al twee keer tevergeefs aangehouden om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen om door middel van het overleggen van stukken opheldering te verschaffen. De Rechtbank vond het toen welletjes, weigerde de zaak een derde keer aan te houden en verklaarde het beklag gegrond omdat zij op basis van de voorhanden stukken niet kon beoordelen of het beslag rechtmatig was gelegd en rechtmatig voortduurde. De Hoge Raad ging daarmee akkoord. Hij overwoog dat de Rechtbank "kennelijk [heeft] geoordeeld dat het niet langer strookte met beginselen van een goede procesorde als een beslissing op het beklag nog langer zou uitblijven (...)". Volgens de Hoge Raad gaf "dit zowel op het belang van een goede strafvordering als op dat van klaagster afgestemde oordeel, de weging en waardering van welke belangen is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt", geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was dat oordeel "in het licht van de vorenweergegeven feiten en omstandigheden" niet onbegrijpelijk.

4.9. De conclusie die uit het voorgaande kan worden getrokken, is dat het enkele feit dat een beoordeling van het beklag op grond van de voorhanden stukken niet goed mogelijk is, geen reden oplevert om het beklag gegrond te verklaren. De onderzoekstaak van de beklagrechter brengt in een dergelijk geval mee dat hij zich aanvullend laat informeren, in het bijzonder door het geven van een bevel aan het openbaar ministerie om stukken over te leggen. Pas als dat geen resultaat heeft, komt er een moment waarop op grond van een afweging van belangen kan worden geoordeeld dat verder uitstel zich niet verdraagt met beginselen van een goede procesorde.”

4.3.

Aan deze beschouwingen van Knigge, die ik (nog steeds4) graag onderschrijf, kan nog worden toegevoegd dat uit rechtspraak van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat in het geval de officier van justitie verzoekt de behandeling van het klaagschrift aan te houden teneinde het dossier te kunnen aanvullen met ontbrekende informatie, de rechter er bij de beoordeling van het beklag blijk van zal moeten geven bij dat oordeel te hebben betrokken dat en waarom die gelegenheid aan de officier van justitie niet kon worden geboden.5Bovendien heeft de beklagrechter een eigen verantwoordelijkheid te (doen) onderzoeken welke strafvorderlijke bepaling aan het betreffende beklag ten grondslag ligt.6

4.4.

In het onderhavige geval heeft de rechtbank de afwijzing van het verzoek om de behandeling van het klaagschrift aan te houden teneinde meer informatie te verschaffen wel gemotiveerd. De rechtbank heeft verwezen naar het tijdsverloop sinds de inbeslagneming, de gevoerde correspondentie tussen de verdediging en het openbaar ministerie over het beslag (die zich niet in het dossier bevindt, maar die de rechtbank kennelijk heeft aangenomen op grond van de mededelingen van de raadsvrouw in raadkamer) en naar de datum waarop het klaagschrift is ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank was er daarom reeds voldoende gelegenheid geweest voor het openbaar ministerie om helderheid te verschaffen.

4.5.

Het is de vraag of de rechtbank de afwijzing van het verzoek om aanhouding toereikend heeft gemotiveerd en gelet op het ontbreken van een deugdelijk overzicht en/of nadere onderbouwing door het openbaar ministerie van de titel en wettelijke grondslag voor (voortduring van) het beslag (zie 5.2 hierna), kon bevelen dat een aantal niet op de beslaglijst van de rechtbank voorkomende voorwerpen teruggegeven dienen te worden aan de klaagster.

4.6.

Ik heb hierover geaarzeld omdat ten tijde van de behandeling van het klaagschrift reeds twee jaren waren verstreken sinds de inbeslagneming en tussen de indiening van het klaagschrift en de behandeling ervan ook nog eens vijf maanden waren verlopen. In die periode heeft de raadsvrouw kennelijk meermalen gerappelleerd om duidelijkheid te verkrijgen. Daar komt bij dat in het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie van 8 juni 2020 niet is gereageerd op de in het klaagschrift genoemde onduidelijkheid over de status van het beslag. Toch meen ik dat de rechtbank het verzoek om aanhouding van de officier van justitie had moeten honoreren. Daarbij neem ik in aanmerking dat de rechtbank, zoals hiervoor in de conclusie van AG Knigge is uiteengezet, een zelfstandige verantwoordelijkheid draagt voor de volledigheid en deugdelijkheid van het onderzoek en zich er ambtshalve van moet vergewissen waar het beslag op is gebaseerd.

4.7.

Een van de middelen die de beklagrechter tot zijn beschikking heeft als het openbaar ministerie in gebreke blijft in dergelijke informatie te voorzien, is het bevelen de benodigde stukken boven water te halen. Pas als een bevel tot het overleggen van stukken geen resultaat heeft, komt er mijns inziens een moment waarop op grond van een afweging van belangen (dat van een goede strafvordering enerzijds en dat van de klaagster anderzijds) kan worden geoordeeld dat verder uitstel van een beslissing op het beklag zich niet langer verdraagt met beginselen van een goede procesorde. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. De zaak werd voor het eerst in raadkamer behandeld. Dat de rechtbank het in dit geval, gelet op de veronderstelde correspondentie tussen het openbaar ministerie en de raadsvrouw, het tijdsverloop sinds de inbeslagneming en de indiening van het klaagschrift, welletjes vond, is zeker invoelbaar. Maar gelet op de omstandigheid dat de behandeling van het klaagschrift nog niet eerder was aangehouden en de beklagrechter nog had kunnen (of eigenlijk moeten) bevelen tot de overlegging van de benodigde stukken, ben ik van oordeel dat de afwijzing van het verzoek om aanhouding ontoereikend is gemotiveerd.

4.8.

Tot slot merk ik op dat de klacht van het openbaar ministerie zich blijkens het middel beperkt tot de beslissing van de rechtbank tot gegrondverklaring van het beklag en niet is gericht tegen de gedeeltelijke ongegrondverklaring van het klaagschrift. Ik meen dat de ontoereikend gemotiveerde afwijzing van het aanhoudingsverzoek het gehele oordeel van de rechtbank over het klaagschrift raakt, zodat de gehele beschikking dient te worden vernietigd en het klaagschrift in zijn geheel opnieuw moet worden behandeld in raadkamer.

4.9.

Het namens het openbaar ministerie voorgestelde middel slaagt.

5 Het namens de klaagster ingediende middel

6 Conclusie