Parket bij de Hoge Raad, 07-02-2023, ECLI:NL:PHR:2023:151, 21/01878
Parket bij de Hoge Raad, 07-02-2023, ECLI:NL:PHR:2023:151, 21/01878
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 7 februari 2023
- Datum publicatie
- 9 februari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:151
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:479
- Zaaknummer
- 21/01878
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Veroordeling voor o.m. medeplegen van poging tot invoer van cocaïne (art. 2.A Opiumwet). 1. Klacht over verwerping van verweer strekkend tot bewijsuitsluiting van de in de woning van de verdachte opgenomen OVC-gesprekken. 2. Klacht over ’s hofs oordeel dat sprake is van een begin van uitvoering. 3. Bewijsklacht over de hoeveelheid cocaïne. 4. Bewijsklacht over medeplegen. Conclusie strekt tot vernietiging van de beslissingen inzake de tenlastegelegde poging tot invoer van cocaïne en de strafoplegging en tot verwerping van het beroep voor het overige. Samenhang met 21/01721, 21/01795, 21/01874, 21/01722, 21/01747 en 21/01895.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/01878
Zitting 7 februari 2023
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,
hierna: de verdachte
-
De verdachte is bij arrest van 16 april 2021 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch wegens 1 primair ‘medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod’, 2 primair ‘medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod’ en 4. ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde lid, vierde lid en vijfde lid, en 10a, van de Opiumwet’ veroordeeld tot 5 jaren en 6 maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest als bedoeld in artikel 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts de teruggave van in beslag genomen voorwerpen gelast.
-
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01721, 21/01795, 21/01874, 21/01722, 21/01747 en 21/01895. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
-
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte.1 De schriftelijke bijzondere volmacht hield in dat ‘het cassatieberoep enkel gericht is tegen de bewezenverklaringen van het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde, alsmede de tussenbeslissingen (op de onderzoekswensen van de verdediging), maar uitdrukkelijk niet tegen de vrijspraken van het onder 3 en 5 tenlastegelegde’. Nadat aanvankelijk (op 30 april 2021) een akte was opgemaakt waarin zonder beperking cassatieberoep was ingesteld, is op 11 mei 2021 een akte opgemaakt waarin overeenkomstig de schriftelijke bijzondere volmacht beperkt cassatieberoep is ingesteld.2 N. van Schaik, advocaat te Utrecht, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. Alle vier middelen betreffen het onder 2 primair bewezenverklaarde. Voordat ik de middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering ten aanzien van dit feit weer. Ook citeer ik uit de pleitnota.
Bewezenverklaring en bewijsvoering van feit 2 primair, pleitnota
5. Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 primair bewezenverklaard dat:
‘hij in de periode van 1 november 2012 tot en met 14 april 2013, in Europees en/of Caribisch Nederland en/of in België en/of in de Dominicaanse Republiek, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door hem, verdachte en zijn, verdachtes, mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen een hoeveelheid van (ongeveer) 550 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, met voornoemd oogmerk meermalen (telefonische) contacten en/of ontmoetingen heeft gehad en/of besprekingen heeft gevoerd en/of afspraken heeft gemaakt met een of meer (mogelijke) leverancier(s) en/of transporteur(s) en/of tussenperso(o)n(en) en/of verlener(s) van hand- en spandiensten en/of ander(en) met betrekking tot de hoeveelheid en/of levering en/of betaling en/of vervoer en/of verpakking en/of opslag van voornoemde hoeveelheid cocaïne, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;’
6. Het hof heeft de bewezenverklaring op de Promis-wijze gemotiveerd. De relevante bewijsoverwegingen luiden als volgt (met weglating van voetnoten):
‘Bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen
(...)
Feiten 1, 2 en 4 (zaaksdossier 2)
Inleiding
Het onderzoek Wolf Beretta is een zeer omvangrijk onderzoek waarbij een aantal verdachten over langere tijd door de politie in de gaten is gehouden. Dit in de gaten houden bestond onder andere uit het tappen van vele telefoonlijnen, het plaatsen van OVC-apparatuur (Opname Vertrouwelijke Communicatie) in de diverse auto’s in gebruik bij verdachten en in de woning van [verdachte] , het observeren van verdachten en het opnemen van vertrouwelijke communicatie tussen verdachten tijdens besprekingen in horecagelegenheden. In het proces-verbaal is door middel van pv’s stemherkenning en pv’s bevindingen met betrekking tot de bijnamen van verdachten aangegeven op basis van welke feiten en omstandigheden de politie de conclusie trekt dat een bepaald telefoonnummer door een bepaalde verdachte wordt gebruikt, wie er spreekt en wie met een bepaalde bijnaam bedoeld wordt. Na de inbeslagname van een aantal BlackBerry telefoons onder verdachten is ook herleid kunnen worden welke verdachte gebruik maakte van welk BlackBerry e-mailadres.
Daar waar een en ander door de verdediging niet betwist wordt, neemt het hof, in navolging de rechtbank, de conclusie van de politie, dat een bepaalde verdachte de gebruiker is van een bepaald telefoonnummer of dat een bepaalde verdachte met een bepaalde bijnaam wordt aangeduid of dat een bepaalde verdachte de gebruiker is van een onder hem inbeslaggenomen BlackBerry, over en maakt deze tot de zijne.
Daar waar de verdediging in dit kader iets betwist heeft, gaat het hof hierop nader in in zijn bewijsoverwegingen.
[betrokkene 1] BlackBerry de [betrokkene 1]
[betrokkene 6]
[betrokkene 2] BlackBerry Hoekje, Compressor, Kompre, Compre, Kompressor
[verdachte] Kerstman, Ouwe, Opa
(...)
Zaaksdossier 2: de poging tot invoer van 550 kg cocaïne en de criminele organisatie ( [betrokkene 1] , [betrokkene 7] , [betrokkene 13] , [verdachte] , [betrokkene 2] , [betrokkene 8] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 15] , [betrokkene 16] en [betrokkene 17] ; feit 2)
Op de bij de doorzoeking van de woning van [betrokkene 8] inbeslaggenomen BlackBerry is, voor zover van belang, de volgende emailwisseling van 5 oktober 2012 tussen [betrokkene 8] en [betrokkene 1] aangetroffen:
[betrokkene 1] De oude firma gaan we niet meer geb
[betrokkene 1] Hey dit is mn nieuwe bb. Ik heb je gister er zelf een bezorgd. Oude bb is weg. Die was kapot. Dus deze even opslaan in contacten.
[betrokkene 8] Dag vriend vergeet niet om die fot en nog belangrijker de info van ons eigen want dat moet ik hebben zo snel mogelijk. Gr.
[betrokkene 1] Wordt vandaag later. Geefje tijd door. Kan je om 1745 uden zijn?
[betrokkene 1] Ok. Mijn vriend komt usb enz brengen. Jij kent hem wel. Wij zien elkaar maandag voor instructies. Ok? Hij zit in frituur. Alles ontvangen? Ik leg je de usb stick nog uit.
[betrokkene 8] Ok ja heb hem al gezien dan zie ik je maandag voor uitleggen goie weekend.
Voorts volgt uit een berichtenwisseling in de BlackBerry van [betrokkene 8] dat er een ontmoeting is tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 8] op 9 oktober 2012.
Vervolgens is op 15 november 2012 tussen 8.54 uur en 10.18 uur een ontmoeting geobserveerd in de woning van [betrokkene 13] tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 13] .
Binnen een uur nadat [betrokkene 2] wegreed bij het huis van [betrokkene 13] vond er bij de Ikea te Son een ontmoeting plaats tussen [betrokkene 13] , [betrokkene 1] en [betrokkene 8] . Tijdens deze ontmoeting bij Ikea is onder meer het volgende besproken:
[betrokkene 8] Die man, die man, with the stift, begrijp je wat ik bedoel met de stift, tegels, sorry. Die man, wie heeft er daar... mee,.. [naam] .
[betrokkene 13] Ja, ja, ja, moeten poetsen.
(...)
[betrokkene 1] Vijfhonderd.
[betrokkene 8] Ja. Niet dat ik.. uh... niet moet bijbetalen.
(...)
[betrokkene 8] en dan ga ik weg, weg, daarheen. Vijftiende kan je sturen.
[betrokkene 13] Ik zou er scheel op slaan, als het allemaal weer verpest wordt.
Op 14 december 2012 is, voor zover van belang, het volgende OVC-gesprek afgeluisterd in de BMW van [betrokkene 1] , waarbij het woord enkel wordt gevoerd door [betrokkene 1] :
“Ik zal jou eens wat vertellen ik geloof helemaal niet dat er een Petje is.. ik denk dat het dat ie wel wat kan.. [betrokkene 18] kan wel wat maar niet met een petje er bij.. hmm.. nee. Kijk die twee boxen die wij hebben gedaan daar zat geen controle op.. dinges dat was gewoon invoer dus kon dus gewoon doorgaan.. hoeven niet door de scanner niks.. kan gewoon doorgaan.. hij met een verhaal van de twee Paultjes iemand aan de praten.. het is gewoon.. het is gewoon bullshit. Het is gewoon.. Zo werkt het niet.. nee.. zo werkt het namelijk niet nee.. dus wat ik dadelijk aan het doen ben is vrienden van mij gek maken om te betalen omdat Petje ontevreden is omdat er een hele club om Petje heen hangt.. en dat is de case niet dat is de zaak niet nee. Hij moet met Petje praten. Kijk weet je wat die vriend van mij zegt die lange zei.. die zegt ja das lekker.. die mensen zijn de enige die verdienen.. is de enige die verdienen.. kijk dat werkt niet.. wordt toch niks.. Apro.. vertel jij hem.. ja.”
Vervolgens is op 30 december 2012 een OVC-gesprek afgeluisterd tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 15] , in of in de directe nabijheid van de auto van [betrokkene 1] . Onderweg naar deze ontmoeting vraagt [betrokkene 1] zich het volgende hardop af:
“Zou [betrokkene 18] een menselijke fout zijn, wat een mietje. [betrokkene 18] je bent niet eerlijk.. [betrokkene 18] jij bent niet eerlijk. Ik maak geen meter meer, die overmaat moeten we nog regelen.
Tijdens dit gesprek met [betrokkene 15] is, onder meer, het volgende besproken:
[betrokkene 1] “Maar ik wou je gelukkig nieuwjaar alvast wensen, even een lekkere fles champagne, zitten er 2 in. Ja, hebben we nog geluk mee hoor, dit jaar, maar d’r kan in ieder geval 1 persoon blij gemaakt worden, wie niet blij gemaakt zal worden, want dat zal niet gebeuren denk ik, dat is Petje. Ik ga nou, ik ben aan het wachten. Je moet 1 ding tegen [betrokkene 18] zeggen, eh.. dat het eigenlijk door [betrokkene 18] ’s eigen schuld is dat we een beetje ook in de problemen zitten, hij dan met Petje he.. als hij zijn zaken goed had gedaan.. maar goed, dat maakt niks uit, maar dat moet jij maar uit mijn mond tegen hem zeggen.. ik doe mijn best wel hoor.”
[betrokkene 15] “Ja, wat wij moeten doen nou...”
[betrokkene 1] “Dit is 2 ton, briefjes van 100, 2 ton.”
[betrokkene 15] “Kan je misschien morgen die andere geven of niet?”
[betrokkene 1] “Denk het niet, eerlijk gezegd denk het niet, wordt pas woensdag. Ja, ik kan er niks van zeggen, op het moment dat er bij mij geld binnenkomt.. van morgenvroeg is er bij geld gebracht, dat heb jij nou. Ik heb toch echt een beetje druk gezet hoor, maar morgen weet ik niet, morgen laatste dag van het jaar, het is moeilijk Jozef, het is moeilijk.”
[betrokkene 15] “Morgen niet en dinsdag ook niet.”
[betrokkene 1] “Dinsdag januari, nee nooit, 1 januari nooit, nooit. Laten we in ieder geval voor woensdag afspreken, heb ik ook een beetje meer lucht en het is toch afhankelijk van wat de verkoop is, daar is het afhankelijk van. Nou ok in ieder geval, beter iets dan niets voor Petje. Maar [betrokkene 18] geeft weer niks aan Petje. Je moet slim zijn, moet goed opletten. Maar je tegen [betrokkene 18] zeggen, [betrokkene 18] heeft ook een aandeel in dat iets niet heeft gelopen he? En ik vraag ook geen geld van [betrokkene 18] , snap je? Een beetje, hoe noem je dat, een beetje ja meeleven met een ander moet [betrokkene 18] ook een beetje doen.”
Voorts blijkt uit opgenomen vertrouwelijke communicatie en afgeluisterde telefoongesprekken dat [betrokkene 8] van medio december 2012 tot medio januari 2013 in Spanje en de Dominicaanse Republiek heeft verbleven.
Bij het beluisteren van een OVC-gesprek op 27 januari 2013 in of naast de Opel Astra (kenteken [kenteken 1] ) is tussen [betrokkene 8] en een onbekend gebleven vrouw onder meer het volgende besproken:
[betrokkene 8] “Ik moet daar om half elf zijn... Nou, we hebben elkaar een maand niet gezien. Dus zij willen weten wat ik van daarginds voor hen heb meegenomen.”
Op 28 januari 2013 is rond 13.50 uur een ontmoeting geobserveerd tussen [betrokkene 8] en [betrokkene 2] bij de Burger King te Son en Breugel. Beiden rijden erna weg in de Opel Astra van [betrokkene 8] . Tijdens deze autorit is onder meer (vanaf 13.55 uur) het volgende besproken:
[betrokkene 8] “Ik was daar toch in ons land”
[betrokkene 2] “Ik ben al 2, 3 weekenden hier gebleven omdat er van alles weer te doen is.”
[betrokkene 8] “Ja natuurlijk. Ik contacteer die ouwe met bril, die [betrokkene 1] .”
(...)
[betrokkene 8] “Die [betrokkene 1] heb ik gesproken via dat apparaatje. Dus jij zegt om twee uur. Dan jou om half twee dan kunnen we samen.”
[betrokkene 2] “Hij weet toch dat ik erbij ben?”
[betrokkene 8] “nee”
(en vanaf 14.08 uur)
[betrokkene 8] “Hoe moet die met die papieren. Als alles weg is dan hebben wij geen hoofdpijn, snap je. Dat is voor een keer.”
[betrokkene 2] “Staat alles wel klaar?”
[betrokkene 8] “Bijna”
[betrokkene 2] “Ja maar ze zijn nu allemaal veel aan het verkopen. Ze zitten nu rond de 3, 34.”
[betrokkene 8] “Lekker”
[betrokkene 2] “Ja het werd tijd he. Het heeft lang genoeg geduurd. Zoals de laatste keer 29, 28.”
[betrokkene 8] “Niet normaal he.”
[betrokkene 2] “Hoofdpijn.”
Op 28 januari 2013 wordt er omstreeks 14.24 een ontmoeting geobserveerd tussen [betrokkene 2] , [betrokkene 8] en [betrokkene 1] in een horecagelegenheid te Uden. Door een van de leden van het observatieteam werd gehoord dat [betrokkene 1] zei: “iets verifiëren” en “moeten we nakijken”. Daarna rijden [betrokkene 2] en [betrokkene 8] weer weg in de Opel Astra.
Daarna op 28 januari 2013 (vanaf 15.05 uur) heeft in of direct naast de Opel Astra met het kenteken [kenteken 1] een gesprek plaatsgevonden tussen [betrokkene 8] en [betrokkene 2] . Tijdens dit gesprek is onder meer het volgende besproken:
[betrokkene 8] Die [betrokkene 1] is wel goed hoor. Die [betrokkene 1] .. hij heeft een paar jongens die altijd bij hem. Heb je hem gezien af en toe die donkere jongen. Hij heeft een paar jongens die altijd voor hem klusjes doen en zo.
[betrokkene 2] Ja
[betrokkene 8] Die die hebben wel goed met die [betrokkene 1] .
[betrokkene 2] Oh maar hij is wel in orde.
[betrokkene 8] jawel.
[betrokkene 2] Hij is in orde. Die andere is was nerveus die met die bril.
[betrokkene 8] Die is een beetje para. Maar zulke mensen moet je ook hebben he... Die houden jou ook een beetje eh eh...
[betrokkene 2] Alert
[betrokkene 8] Ja alert.
Wij moeten zowiezo zien te krijgen van hun ok.. (ntv) want dan kunnen we goed verdienen.
[betrokkene 8] Ik heb met die [betrokkene 1] afgesproken dat ik ook hun deel krijg. Om te verkopen. Dus die krijgen wij ook voor een jongen... als het goed is kunnen wij van tevoren of een paar dagen van te voren die die jongen die Albanees op de hoogte.
[betrokkene 2] Ja ja die zie ik nou ook geregeld. Die kunnen wij nou alles verkopen voor 33 weet ik zeker.
[betrokkene 8] Stel je voor dat die [betrokkene 1] ... dat wij aan die [betrokkene 1] 32 betalen. Dan hebben wij ook aan hun verdiend. (...) Plus die andere van daar plus die vijf procent snap je?.
[betrokkene 2] Ja.
[betrokkene 8] Dan hebben we leuke winst. Vorige keer was weinig, heel weinig.
[betrokkene 2] Alle begin is moeilijk
[betrokkene 8] Ja ja. Dan hebben we die plan van daar gezien dat het kan. En deze kant het ook gezien dat het daar ook kan snap je.
(...)
[betrokkene 8]
[betrokkene 2]
[betrokkene 8] Maar is die altijd zo geweest of... want normaal gesproken was die gewoon goed.
[betrokkene 2] Ja nee hij altijd zo geweest.
[betrokkene 8] Hij wil altijd meer trekken naar zijn kant.
[betrokkene 2] Ja ja. En ze zijn er nu achter dat die eh.. vaker zo’n dingen gedaan heeft. Daarom is sterk ook niet meer zo blij met hem.
[betrokkene 8] Dat is niet netjes want je moet altijd eerlijk zijn snap je. Of tenminste iedereen moet verdienen wat die moet verdienen. Niet dat jij gewoon gaat pikken of wat dan ook.
[betrokkene 2] Iedereen moet hetzelfde.
[betrokkene 2] Die op de uitkijk staat moet net zoveel krijgen als die wat naar binnen loopt. Vind ik. Want die heb ik net zo hard nodig. Want als die daar niet staat ga ik niet naar binnen.
[betrokkene 8] Nee plus als problemen gebeuren gaat die dezelfde straf krijgen als die van ons.. jou...
Vanuit Uden, waar [betrokkene 1] de afspraak met [betrokkene 2] en [betrokkene 8] had, rijdt [betrokkene 1] 28 januari 2013 om 15.00 uur naar 't Oude Wandelpark in Valkenswaard, alwaar hij een ontmoeting heeft met [betrokkene 15] . Tijdens deze ontmoeting is onder andere het volgende besproken:
[betrokkene 1] “Ok, ik kan je Bill ophalen en de vraag is of dat het morgen is. (...) Hmm weet je wie ik vandaag gezien heb? Dormingro. Ja met hem heb ik gegeten. Nu net, kom ik net vandaan.”
[betrokkene 15] “Ow?”
[betrokkene 1] “Die hebben, die zijn ook klaar. Die hebben, drie honderd, in hun handen, stuks. Ze moeten nog twee honderd innen om te krijgen, dit weekend, ze staan in containers, alles klaar, en ze zweren dat ze vertrekken aanstaande week tussen 1 en 7 februari.”
Op 29 januari 2013 treffen [betrokkene 1] en [betrokkene 15] elkaar wederom bij restaurant 't Oude Wandelpark in Valkenswaard. Ook [betrokkene 7] is aanwezig. Het volgende wordt besproken:
[betrokkene 1] “Hier, maar je komt wel voor 500.. onverstaanbaar.. heb ik verstuurd.”
[betrokkene 15] “Ja.”
[betrokkene 1] “We kunnen wel blijven zeuren dat er 300 misschien 300.. Hij zei gisteren wel 320.. onverstaanbaar.. 200 bij hebben, 180.. officieel..”
[betrokkene 15] “Ja.. moeten we op zoek.”
[betrokkene 1] “Maar maar maar kijk ook naar 500 of 520 want dat... is vrij stuk dus... uh.”
[betrokkene 7] “Want?”
[betrokkene 1] “Maar dat is niet het belangrijkste. Hun zeggen alweer met gemak.. uh.. 12 mei begint zeg maar in juli dat is nu februari he, dat is ook alweer juni, is in januari, afblijven.”
[betrokkene 15] “Ja?”
[betrokkene 1] “We hebben geld.”
[betrokkene 1] “Kijk en hij zei gisteren gewoon... zitten 4200 stuks in de Dom.. jaren op pad. En daarna is nog eens een keer 8 miljoen twintig gulden.”
(...)
[betrokkene 1] “Nee nee nee nee, niemand praat over Blackberry, niemand praat over de onze.”
In een OVC-gesprek gehouden in of direct naast de Opel Astra met het kenteken [kenteken 1] op 30 januari 2013 is door [betrokkene 8] onder meer (omstreeks 14.02 uur) het volgende gezegd. [betrokkene 8] is daarbij onderweg naar een bespreking met [betrokkene 1] en [betrokkene 13] en bereidt kennelijk deze bespreking voor:
“Dit hebben zij, pap!... Dit komen wij tekort, pap!..., Dus ik ga nu naar deze man toe, want dat is onze man vandaag, die is net... hierheen gekomen... Hij heb, om die 350... achter mij om 50 erbij gebracht, plus hij is nu... ntv... met andere mensen om de tafel... Maar ik wil zo snel mogelijk dus ik moet naar deze man... Met hem om de tafel komen, dat hij gewoon die 150 die ik tekort kom erbij gooit.. klaar! Dan moet ik daar naartoe gaan... Hij kan het niet eerder dan na het weekend doen... veel tijd. Het moet van mij deze week afgerond zijn... Klaar!... Snappie?!...”
Uit de vergelijking van de peilbakengegevens van de Opel Astra van [betrokkene 8] , de VW Polo [kenteken 2] in gebruik bij [betrokkene 1] en de Audi A6 [kenteken 3] in gebruik bij [betrokkene 13] is af te leiden dat er die dag rond 14.30 uur een ontmoeting is geweest tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 8] op de Leeuweriksweg te Uden en dat vervolgens [betrokkene 8] bij [betrokkene 1] in de auto is gestapt en dat ze in de VW Polo van [betrokkene 1] naar de Kornetstraat te Uden zijn gereden, alwaar een ontmoeting heeft plaatsgevonden met [betrokkene 13] .
Later die dag (omstreeks 18.14 uur), voeren [betrokkene 1] en [betrokkene 8] , in de Opel Astra een gesprek, waarbij onder meer het volgende wordt besproken:
[betrokkene 1] “Je moet die man een ding zeggen want we hebben er nog even over zitten praten... met die 500... ik wil echt niet moeilijk doen..: maar als het zo is dat we... dat hij er bijvoorbeeld maar 350 doet...”
[betrokkene 8] “Nee nee nee ik...”
[betrokkene 1] “Of dat er iets gebeurt waardoor dat er toch...”
[betrokkene 8] “Nee neen nee.”
[betrokkene 1] “Dan willen we gewoon op basis van 500 25%. Dat is gewoon een extra waarschuwing van doe het goed.”
[betrokkene 8] “Nee ik heb dit heb ik allang gezegd.”
[betrokkene 1] “Ok ok ok.”
[betrokkene 8] “Dat wat je nu zegt heb ik al lang gezegd. Doe er vijf want zij rekenen toch van vijf...”
(...)
[betrokkene 1] “Je moet echt 500, (...)...
Ja ja ja maar weet je wat je doet je gaat eerst naar daar. Je doet afspraken maken wat je doet en je komt terug, toch?”
[betrokkene 8] “Ja ja”
[betrokkene 1] “Je komt hier terug”
[betrokkene 8] “Maandag ben ik terug. Maandag spreken, zitten we gewoon weer met koffie te drinken.”
In de BlackBerry van [betrokkene 8] is een bericht van [betrokkene 1] van 30 januari 2013 aangetroffen waarin [betrokkene 1] [betrokkene 8] een goede reis wenst. [betrokkene 8] bericht terug: ‘Mandaag of uitstelijk dinsdag maar ik neem bb mee om je op de hoogte te houden’.
Op 6 februari 2013 is een ontmoeting geobserveerd tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 13] en [betrokkene 8] bij ’t Nardje te Uden, waarbij onder andere het volgende is besproken:
[betrokkene 8] “Woensdag komt ie aan..”
(...)
[betrokkene 1] “Dus 26, tussen 26ste en 27ste.. want dat zal misschien wel lukken...”
(...)
[betrokkene 13] “Petje nog gesproken..”
[betrokkene 1] “Petje is terug. Daarvoor.. met Petje besproken, klopt.”
(...)
[betrokkene 1] “Het spul op zich, is mooi.”
[betrokkene 8] “Meer kunnen we niet zeggen. Ze willen niet geloven dat Petje problemen geeft.”
(...)
[betrokkene 1] “(...) Bumblebee”
(...)
[betrokkene 1] “Ik zeg jou, bijvoorbeeld, goed is goed met 750 kilo, exact.”
[betrokkene 13] “Ja maar wij vragen hun 100.”
[betrokkene 1] “Dan maar 55.”
[betrokkene 8] “Besteld.”
[betrokkene 13] “Dan nog, die hou maar. Wat is er niet zoveel dan?”
[betrokkene 1] “Is heel veel.”
[betrokkene 8] “Kan er moeilijk tussenuit.”
[betrokkene 1] “Inderdaad.”
(...)
[betrokkene 1] “Dat ie nog, ja, oke. Ik moet het geloven, als proef uit, uit, volgens mij Peru. Hebben vier gedaan, deze week?”
[betrokkene 1] “Klanten willen doen, heel veel willen dan wit..”
(...)
[betrokkene 13] “Als jullie man, het is maar een voorstel... maar andere dingen, ... cocaïne.”
(...)
[betrokkene 8] “Maar ik denk dat het gewoon, bankroet.. [medeverdachte 3] .”
[betrokkene 1] “Ja”
[betrokkene 8] “Daarna..., is een tegel verdwenen...”
[betrokkene 1] “In de tegel zit coke.”
[betrokkene 8] “Bananen... die komt nog.”
[betrokkene 1] “Ja”
(...)
[betrokkene 8] “... containers.”
[betrokkene 1] “Het is die [betrokkene 15] die zegt ook hoe moeilijk met fruit, ik heb fruit, vis, dus jullie wat er in kan, kan mee.”
(...)
[betrokkene 8] “500... 500..”
[betrokkene 1] “Met 500 1% en niet meer vragen.”
[betrokkene 8] “Doe ik niet 500%”
[betrokkene 1] “Die moet je delen door een half procent.”
[betrokkene 8] “Jaa, oke. Jaa, oke.”
[betrokkene 1] “Nu heb je 1%, dat is 100 stuks. 560 zo’n 600 kilo coke. Want anders heb je rond de 500 stuks, onze kant op.”
[betrokkene 8] “Ja, oke”
[betrokkene 1] “Die jij doet, die koopt jou.. leverancier kan niet meer stoppen nou.. Oom, oom, je oom jij hebt liever samen, dus die is eruit, die hebben de...”
(...)
[betrokkene 8] “Ik denk, ik ben baan bij zetten, ik één keer in de coke.”
Op 11 februari 2013 zit [betrokkene 8] tussen ongeveer 13.00 en 13.45 uur in de Opel Astra met het kenteken [kenteken 1] . Hij praat waarschijnlijk hardop in zichzelf:
“Wat ik doe bij ons, zij zetten alleen bij ons, dus wij honderd, drie honderd vijftig plus vijftig is vierhonderd.
Die oude man zegt... ga om tafel met jou mensen. Zeg maar tegen hem hebben alleen vierhonderd. Als ze mee akkoord gaan doen wij vierhonderd minimaal want wij hebben nog een week... dan de tijd om misschien toch die vijfhonderd te doen. Tot dat tot dat die ding vertrekt. Als die ding vertrekt met vierhonderd hebben we... hebben jullie dan als jullie mee akkoord gaan groen licht gegeven voor minimaal vier in plaats van vijf. Maar het kan de vijf komen want hebben nog niet de tijd voor dat die ding vertrekt om om wat nog meer te verzamelen. Maar hij gaat niet meer... Hij zegt van jongens ik heb al vier dinges gedaan. Ik heb met mensen gepraat... normaal gesproken doe ik om jullie toch vijf te doen maar het is.. mij... met deze vrienden lastig om te lastig. Poging niet gelukt wij hebben... zij hebben ook hun eigen dinges dus ik ga niet meer met mensen praten. Als jullie mee akkoord gaan met die vier doen we anders ja. Ja dan moeten we gewoon kappen.”
Uit de peilbakengegevens van de Opel Astra [kenteken 1] van [betrokkene 8] en de BMW [kenteken 4] van [betrokkene 1] blijkt dat deze auto’s op 11 februari 2013 tussen ongeveer 13.45 uur en 15.15 uur aanwezig zijn in de omgeving van de Markt te Sint Oedenrode. Hieruit leidt het hof met de rechtbank af dat er een ontmoeting heeft plaatsgevonden tussen [betrokkene 8] en [betrokkene 1] en dat [betrokkene 8] op weg daar naar toe in zijn auto het gesprek hardop heeft voorbereid.
Uit de peilbakengegevens van de BMW [kenteken 4] van [betrokkene 1] blijkt dat dit voertuig op 12 februari 2013 omstreeks 14.48 uur stilstond op de Nieuwstraat te Best in de omgeving van ‘De Bestse Snackbar’. Uit onderzoek van de camerabeelden van deze snackbar bleek dat [betrokkene 1] en [betrokkene 13] elkaar daar om 14.50 uur ontmoeten en omstreeks 15.06 uur samen weggingen.
Uit de zendmastgegevens van de BlackBerry van [betrokkene 1] blijkt dat deze op 12 februari 2013 om 15.22 uur een zendmast in Best aanstraalde en meteen daarna en om 16.45 een zendmast in Sint Oedenrode en om 16.45 uur weer een zendmast te Best. Om 16.47 uur vertrok de BMW [kenteken 4] van [betrokkene 1] van de Nieuwstraat te Best.
De Opel Astra [kenteken 1] in gebruik bij [betrokkene 8] is op 12 februari tussen 15.41 en 16.35 uur in de omgeving van de Markt te Sint Oedenrode.
Uit het voorstaande leidt het hof met de rechtbank af dat [betrokkene 1] en [betrokkene 13] na hun bespreking in de snackbar in de auto van [betrokkene 13] naar Sint Oedenrode zijn gereden en aldaar [betrokkene 8] hebben ontmoet.
Op 15 februari 2013 wordt wederom een ontmoeting tussen [betrokkene 8] , [betrokkene 13] en [betrokkene 1] geobserveerd.
Op 16 februari 2013 wordt in de haven van Antwerpen een partij van 3.000 kilogram hasjiesj in beslag genomen. Deze hasjiesj zat verstopt in een container met als deklading handdoeken en was bestemd voor het bedrijf [C] . [C] had [D] met als zaakvoerder [betrokkene 17] gevolmachtigd voor alle formaliteiten met betrekking tot de aankomst en levering van goederen. Op 19 februari 2013 wordt bekend dat de container niet wordt vrijgegeven.
Op 20 februari 2013 ontmoeten [betrokkene 1] , [betrokkene 16] en [betrokkene 15] elkaar bij Hotel Golden Tulip Jagershorst, waar zij onder andere het volgende met elkaar bespreken:
(...)
[betrokkene 1] “Petje is zijn batch afgenomen. Je kan het er niet meer inkletsen zoals je vroeger deed.
(...)
[betrokkene 16] “En. Ik heb gezegd, weet je wat, doe al het mogelijke forceren, weet je. Doe gissingen voor coke uit. Uh.. hij is rechtstreeks naar de kade gegaan en hoofdkwartier, hoofdkwartier. Hij zegt: “Hey man, het is al de 2e keer dat je zit te hameren op die container en te zeuren over”, hij is daar dus ambtenaar he, hij zegt: “Ja, hij kon het wel weten”, hij zegt “maar ik weet niet verder wat er gezegd is geweest weet ik niet”.
Uh.. het zou niet goed afgelopen hebben want anders hebben ze, zouden ze de Federale zo ver weggelopen bij ondervragen, eigenlijk nog niet gehoord, niet gezien.”
[betrokkene 1] “Bij jou, jou Petje stond die dus ingelogd zeg maar?”
[betrokkene 16] “Ja”
[betrokkene 1] “Die is ondervraagd, vandaag?”
[betrokkene 16] “Ja.”
[betrokkene 1] “Maar hij staat daar... Hij staat in, hij staat in beschermd gebied, waar ik niet bij kan zelf? Daar staat ie?”
[betrokkene 16] “Ja spijtig.”
[betrokkene 1] “En hij is inmiddels gecontroleerd en hij is leeg? Ik ga er mee kappen.”
[betrokkene 16] “Vandaag, ja, ja”
[betrokkene 1] “Dus hij is verdacht? Maar die zijn verdacht? Zou hij intussen al met die fruit.. met de box?”
[betrokkene 16] “Welke rij heb jij over nou? Tomaten, die bok openmaken?”
[betrokkene 1] “Dan vraagt ie...”
[betrokkene 16] “Hoofddouane?”
[betrokkene 1] “Gaat die hoofddouanier, die zitten, die zeggen: ‘Hey hier zit een collega van mij en die vraagt naar die box waar ze onderzoek op doen.. net zoals ons”.”
[betrokkene 16] “Die die, die zal alle stukjes niet doorvertellen of wel?”
[betrokkene 1] “Gaat ie dat zeggen?”
[betrokkene 16] “Want zij ondervragen alleen, en dan halen ze er nog een, wacht even ze zijn altijd met twee.. “
[betrokkene 1] “Links en rechts halen ze erbij dus alles zelf informeren naar die box. Ja, Petje zit bij de baas liever niet. Die baas vindt dat raar. Gaat die baas dat doen, echt? Hier zit een douanier en vraagt altijd naar die box, kom.. eens voor.”
[betrokkene 16] “Waarom moet dat? Dat hij vorig jaar vier, vier containers, acht containers in zijn gebied heeft gehad. Veel gehad, vier, heeft niets met die te maken.”
[betrokkene 1] “Heeft dat met deze route iets te maken?”
[betrokkene 16] “Nee nee nee..”
(...)
[betrokkene 1] “Dus Petje is besmet?”
[betrokkene 16] “Daarom hebben ze die badge ook afgenomen, hij mag zijn dienst nog doen. Daarom gaan wij ook verder via mijn.. uh.. bronnen, weet je.”
[betrokkene 1] “Wat we hieruit leren is... dat we hieruit leren is één. De douanier die in het systeem niet kan, het systeem laat jou niet zien dat we serieus in de problemen komen.”
[betrokkene 16] “Nee, en besmet lekken, en weg.”
[betrokkene 1] “Nog 19 avonden bedoel ik.. uh..”
[betrokkene 16] “Ja, want het werkt niet.. enne.. vroeger toen.. uh.. Petje lieten ze rechtstreeks weten dat de positie, (...). Dat klopte zij in. Hij tikte een code in en hij zei: “oh shit... hey een alarm, ja oke zullen we oplossen”, maar daaruit sinds dat ze zijn badge afgekomen hebben, gingen Petje zeggen dat hij niet in het systeem mag.”
(...)
[betrokkene 1] “Ja. Weet je, weet je wat je je zelf nou moet afvragen met dat gedoe, heeft voor jou Petje nog waarde?”
[betrokkene 16] “Nu?”
[betrokkene 1] “Ja.”
[betrokkene 16] “Vandaag wat er gebeurd is dat..?”
[betrokkene 1] “Heeft hij je.. heeft hij vanaf nu nog waarde?”
[betrokkene 16] “Ik heb mijn uh... Mijn twijfels. Zijn advies kan ik gebruiken. Maar intern daar kan ik.. uh.. er niet bij, nee, als ik eerlijk mag zijn niet nee, maar waarom, daarvan was de vraag, als hij vandaag niet.. uh.. was vernomen dan had ik nog.. uh.. Dan had ik gezegd, het is goed, we kunnen nog verder. Maar wat vandaag gebeurd is, met die bevraging, natuurlijk niet, echt niet wat er gezegd is, is er niet gezegd. Ik weet niet wat er gezegd is geweest. Ik heb hem nog niet kunnen zien dus, hetzelfde.”
[betrokkene 16] “En als ie niet meer blijft alleen.. uh.. die die nieuwe contact, als.. uh.. van waar komt die?”
[betrokkene 1] “Het winkeltje.”
[betrokkene 16] “Uit Engel...”
[betrokkene 1] “Zak pillen. Wat gebeurt er nu, als dit verkeerd gaat.. strepen trekken. We moeten iets gaan doen, die het van te voren weg kunnen zetten.”
[betrokkene 16] “Kijk, wat ik ga doen is.. uh.. zo ie zo niet.. uh.”
[betrokkene 1] “Oke, termijn op.. met dat spul op korte termijn of niet. Ik weet dat niet, jij moet, jij moet het weten.”
[betrokkene 16] “Uh... in welke richting, dat ik weet dat het schip er aan komt en de container kost, hij moet weten.. uh.. staat er code aan ja of nee maar niet altijd. Soms gebeurt het weleens dat ze niet doorgeven dat daar een code.. uh.. alarm op zit.. uh.. om te kunnen weten.. uh.. dat ie, hij speelt overal ja of nee, zoals het is, in deze situatie. Dus uh.. zij zagen [betrokkene 19] heeft de bevoegdheid om in het systeem te komen.”
[betrokkene 1] “Waarom?”
[betrokkene 16] “Ze moeten het weten.”
BaIjet “Hebben die dezelfde bevoegdheden om in het systeem te komen als gewoon of uh..?”
[betrokkene 16] “Tot op bepaalde.. uh... kun je gewoon.. ja.”
[betrokkene 1] “Oke, dus niet.. dus dat alarm zien ze niet?”
[betrokkene 16] “Jawel hoor, dat zien ze wel, ja ja.”
[betrokkene 1] “Zien ze dat wel?”
[betrokkene 16] “Ja, dat zien ze. Maar dieper kunnen ze niet.”
[betrokkene 1] “Dat is heel wat waard. Dat je van te voren weet van, of.. uh..”
[betrokkene 16] “Ja.”
(...)
[betrokkene 16] “...pikken eruit ja, door de scan. En de douane kijkt naar de.. eh.. herkomst. Daarom had ik ook tegen jou gezegd, bouw en textiel, niks anders.”
[betrokkene 1] “Dus jij zegt, doordat Petje niet meer in het systeem kom, konden we eigenlijk sowieso niet weten of het wel of niet is want...”
[betrokkene 16] “Later heeft Petje zo, oke rijken, maar of fruit ook niet.”
[betrokkene 1] “Maar wie heeft die door de scan gedaan dan? Want Petje had geen badge meer op toen.”
[betrokkene 16] “ [betrokkene 19] heeft gewoon toegestemd”
Naljet “Daar gaat [betrokkene 19] toch niet over?”
[betrokkene 16] “Jawel, [betrokkene 19] heeft een mening. De [betrokkene 19] geeft de opdracht aan de douane om door de scan te gaan.”
[betrokkene 1] “ [betrokkene 19] ook?”
[betrokkene 16] “Ja zij hebben verschillende functies. Het is geen klein bedrijfje.”
[betrokkene 1] “Ja, [betrokkene 19] , maar jij zei dat petje het door de scan had gehaald.”
[betrokkene 16] “Petje mag niet bij de scanning noch de fysieke scanning staan. Maar hij heeft gezegd tegen [betrokkene 19] laat hem even door de scanner gaan.”
[betrokkene 1] “Maar?”
[betrokkene 16] “Toen bummerde hij een of twee keer. Als het door de scanning gaat en het is proper is de kans miniem dat de volgende door de scanning mag of moet. Dat ze hem gewoon door laten gaan.”
[betrokkene 1] “Hij is [betrokkene 19] dus belangrijker. Veel belangrijker als heel die Petje.”
[betrokkene 16] “Maar dat is outside. Inside heb ik nog iemand nodig. En daar heb ik volgende week dinsdag een afspraak over.”
[betrokkene 1] “Wat bedoel je?”
[betrokkene 16] “Wat ik bedoel, hij, die man heeft, is de hoofd van de.. uh.. hij beveelt aan de.. uh.. Mammoetdrijvers. Kijk, Mammoet die containers pikt met kranen. Ken je dat die kranen?”
[betrokkene 1] “Ja, ja ja, ja.”
[betrokkene 16] “Hij is de baas van heel die drijvers. Hij ken ene.. van de douane. Hij kent iemand, die de positie heeft. En die jongen moet ik hebben. Ik moet altijd via via.”
(...)
[betrokkene 1] “Toen die Dominicanen afleverden toen die keer, weet je nog?”
[betrokkene 16] “Ja”
[betrokkene 1] “Op uh.. EFK waar ik een hekel aan heb.”
[betrokkene 16] “Maar dat was ook een fysieke, dat was ook een fysieke scan. Heb ik eruit gehaald.”
[betrokkene 15] “Ja. Daar is het leeg in gegaan. Leeg in gegaan. Het is er niet vol in gegaan, maar leeg. Jullie hebben EFK leeg de fysieke in laten gaan... EFK.”
[betrokkene 1] “Jawel. Ja. EFK.”
[betrokkene 15] “Dus, er is, iets een.. uh.. tegels.”
[betrokkene 16] “Oh, ja ja ja, de, de partij, klopt, de partij tegels, dat klopt, dat klopt.”
[betrokkene 1] “Dat gaat nu weer gebeuren. Wat gebeurt er nu, als die weer naar de fysieke scan moet. Wat gebeurt er dan met... in deze situatie? Of 2, 3 weken dat die een keer aankomt?”
[betrokkene 16] “Dan denk ik, dan moet ik zien wat ik kan doen. Wat nu, uh, die container laten wegzetten.. uh.. want die mammoet-werkers die uh.. ik noem dat Mammoetleiders. We gaan even die op locatie zetten waar ze, waar dat er weinig.. uh.. toezicht op is.”
[betrokkene 1] “Godverdomme dinsdag, het gaat schieten worden. Die gaan nu vertrekken. Ik wil niet, ik wil niet.. uh.. ik wil geen problemen met de Dominicanen. Ik wil dat het goed gegaan of niet doen.”
(...)
[betrokkene 1] “Wat staat er. Oh, mag ik even storen? Wat staat er op die documenten van MSC? Dat is wel belangrijk wat daar op staat. Dat weetje niet, dat kan je niet weten.”
(...)
[betrokkene 1] “Denk even heel goed na want ik kan dit ook een paar weken uitstellen. Moet dat wel een beetje uitleggen, maar ik kan dat wel. Ik wil namelijk niet dat ze iets sturen. Ja, kan hij hun niet meer uit de voeten ja, dat wou ik zeggen die shit. Dan zeggen ze tegen mij, wij verwijten jou dat jij ons hebt laten gaan terwijl jouw verhaal niet klopte of veranderd is.”
[betrokkene 16] “Nee, nee. Hoe lang duurt het, twee weken van daar naar hier?”
[betrokkene 1] “12 dagen. Zeg, twee weken.”
[betrokkene 16] “Weten we wanneer.. contact?”
[betrokkene 1] “Dadelijk weekend. Het kan goed zijn, als ze zeggen we staan op schema, dat ze de boot geboekt hebben, container aanwezig is, de lading hebben ze bewezen, die hebben ze, dat doen ze zo prachtig die tegels.”
[betrokkene 16] “Stel het anders.. uh.. een week ofzo tien dagen uit. Ik meen het serieus dan heb ik meer tijd om een beetje.. uh.. reorganisatie.”
[betrokkene 1] “Nou weet je wat het enige positieve is, als we tenminste terug kunnen zenden. Je hebt één grote kostenpost heb je niet meer, Petje.”
(...)
[betrokkene 1] “Nou weet je wat ik wel wil. Ik zeg wel tegen [betrokkene 20] wacht maar ff een week, er is iets aan de hand, wacht maar effe een week doe maar volgende week, of ik stel het effe uit. Ik durf niet zo, hoe het nu is, hoe de situatie nu is. Dan heeft ie volgende week een afspraak met iemand anders, dat wordt dan heel, dan wordt het een ander systeem, dat is ook een systeem, maar dan moet het dus zo’n systeem, hij, dan kom je niet meer terug, een soort stelen. Ik zei toch, dat kunnen we doen.”
Op 25 februari 2013 wordt [verdachte] door [betrokkene 2] in een OVC-gesprek bijgepraat:
[betrokkene 2] “Ik heb die dinge nog gezien. De drie Musketiers samen. Die kleine, die met dit bril en die andere. Het is voor 2 tot 3 weken opgeschoven.”
[verdachte] : “Wat is dat toch allemaal?”
[betrokkene 2] : “Dat heeft zijn redenen en dat is goed dat dat is opgedoekt.”
[verdachte] : “Het kan wel nog opgeschoven worden? Ja ik dacht dat dat, eh, dat dat al goed was.:
[betrokkene 2] : “Nee, nee ja dat was wel allemaal wel goed maar we moesten op oke wachten en dat werd niet gegeven door hun. Ja die kleine was al klaar maar hun, die andere niet.”
[verdachte] : “Oh, ligt het nou aan ons.”
[betrokkene 2] “Ja.”
In de BlackBerry van [betrokkene 8] is een bericht aan [betrokkene 1] aangetroffen van 27 februari 2013: ‘Sorry had bb niet bij me. Moet je nu meteen me zien anders woordt moelijk en ik weet het niet of nog tijd is kut’.
Op 28 februari 2013 heeft vanaf omstreeks 13.38 uur in of direct naast de Skoda met het kenteken [kenteken 5] tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 8] een gesprek plaatsgevonden, waarin onder meer het volgende is besproken:
[betrokkene 8] : “En hij, hij zal ook sowieso zeggen, dat hun moeten ook die kosten van hun dragen dit, dit...”
[betrokkene 2] : “Jonge, jonge jonge, dus hun zeggen niet sturen?”
[betrokkene 8] : “Nee... Stop maar, stop maar, ja hoe kan ik dit nu stoppen? Die ding is binnen.”
[betrokkene 2] : “Staat klaar ja, ja ja dat is simpel.
Ze wisten het ook, het weekend staat voor de deur ouwhoer.”
[betrokkene 8] : “Ja maar is toch, is toch klote man, elke keer, kies... op het laatste moment ook nog. Want als je dat tegen mij zegt een week geleden. Vriend...
Dan kan ik misschien wel wat doen. Dan kon ik die namen wisselen, wisselen. Dan zeg ik gewoon, ga ik gewoon naar die bedrijf zeg ik: “kijk ik ben.. ik heb een fouten gemaakt, heb ik jou de verkeerde naam gegeven, hier.
Mijn oom en die man daar, die zijn naar die bedrijf gegaan om te vragen of het nog mogelijk was om die naam te vervangen. Die man zegt: “dat kan ik wel proberen, dat gaat mij niet lukken”. Kijk als ik dat doen...
Dat is vreemd, dan gaan ze mij elke keer dat ik ga te sturen daar, gaan ze ons extra controleren en es ook rooit punt zetten hier.
Snap je? Dus die man zegt als ik dat doet, komen jullie echt nooit daar binnen. Want ze gaan vanaf hier met een rooie punt altijd zetten. Ik heb tegen die [betrokkene 1] gezegd.
En hij geeft mij gewoon hetzelfde bedrijf dat hij aan die mensen ook geeft. Dat is ook klote he.
Ik heb tegen die [betrokkene 1] gisteren gezegd: Kijk die man is pissig, die man is boos.
Die man begint een beetje te twijfelen nou, of hij die ding moet sturen. Want vorige week kom ik hem schrikken met ehh: onze mensen hebben problemen misschien.
Hij schrok van. Ik zeg: nee, nee, maar rustig, er is niks aan de hand je houdt het, je moet alleen een tot twee weken wachten. Hij zegt: ik kan niet langer dan een week maken. Moet ik dan 6000 euro, 6000 dollar betalen. Vind ik niet erg, maar als hij dan zegt ‘een week’, kan niet niet langer.”
“Ik maak hem blij. Ik zeg tegen hem jij jij mag gewoon in deze weekend. En dan kom ik gisteren met dit!”
[betrokkene 2] : “Ja, dan kan niet.
Dan vraag ik me af wat nou weer aan de hand is.
Die man heeft problemen, maar wat voor problemen?”
[betrokkene 8] “Die directeur”
Er is een soort ‘klap-geluid’ te horen.
[betrokkene 2] “Opgepakt?”
[betrokkene 8] “Ja naar het bureau gebracht. Dus er moet een verband zijn. Want dat is toch een grote toeval dat toch die directeur dat ons... Terwijl jullie dit probleem, dan komen wij ook in problemen. Dus, dat jij.. hij had gebruikt dit bedrijf voor ons allebei. En dat moet hij zeker niet doen. Hij had mij gewoon een klote bedrijf kunnen geven, maakt mij niet uit, maar niet dezelfde als...
Want het is wat ik tegen hem ben blijven zeggen: elke keer... jullie doen dit... Ik zeg je, voordat ik al onderweg ben. En dan gebeurt er iets met dit. En dan?
Jij geeft mij dezelfde bedrijf die naar de klote gaat. En toevallig, gelukkig, dank god is het gebeurd, twee dagen voordat ik... Nou ja stel je voor dat hun geheim houden dan kom, dan komen we niet achter. Tot volgende week bijvoorbeeld, dan is die ding al lang weg.. hebben wij een groot probleem hier.
En ik weet niet of die [betrokkene 1] en die andere genoeg krachtig zijn om dit te gaan betalen.”
[betrokkene 2] “Hun kunnen wel toveren...”
[betrokkene 8] “Mijn oom die verliest zeker, die andere zwarte jongen verliest zeker, want die hadden natuurlijk geboekt.
Die hadden tickets geboekt voor woensdag.”
[betrokkene 2] “Die wilden met die B-M-L komen.
Die wilden natuurlijk met die Bill komen”
[betrokkene 8] “Ja daarom die dinges vertrekt morgen, zondag is die dicht.
Maandag of dinsdag hebben hun de de bill... hadden ze voor woensdag geboekt.
En zou hebben zij ook twee tickets daar ook, voor hierheen. Hun denken van ehhh zomaar zomaar...”
[betrokkene 8] “Die die [betrokkene 21] ook. Maar dat is alleen maar gillende stress dat die mensen lopen man.
En ik loop ook maar te stressen, want ik, ik moet dan...”
[betrokkene 2] “Ja ja”
[betrokkene 8] “Aan... aan die [betrokkene 1] en dan aan die man daar ook.”
[betrokkene 2] “Hmm hmm”
[betrokkene 8] “Word gek man... (...) hij geeft mij nu een nieuwe dinges.”
[betrokkene 2] “Ja”
[betrokkene 8] “Maar hij moet ook die papieren geven voor een nieuwe bestelling... anders doen... doet die man dat niet meer.”
[betrokkene 2] “Ja”
[betrokkene 8] “Die man zegt van ehhhh “weet je wat, weet je wat wij doen het is HUN fouten want daar heb ik al twee keer voor betaald. Ik heb nog niet, geen cent gezien van de tegels”
[betrokkene 2] “Ja”
[betrokkene 8] “Dus ik had hem klote tegels ntv... hij is boos, hij was boos he”
[betrokkene 2] “Ja ja”
[betrokkene 8] “Als hun willen dat doen, ik zet die dingen... hun zetten die tegels... Laten hun... Laat zien dat hun graag willen.
Ik kan niet nee tegen hem zeggen , want het is niet zijn fout geweest. Hij is klaar, hij is kant en klaar.
Ik zeg tegen hem: ja oke, ik zal tegen hun hier zeggen dat zij moeten die kosten betalen voor een nieuwe bestelling en mij een nieuwe bedrijf geven. Dan kunnen wij misschien volgende week of week weken vo.. hooguit vertrekken.”
[betrokkene 8] “En jij? Wat wou jij dan vertellen dan? Jij wou mij zien vandaag toch?”
[betrokkene 2] “Ja, ehh, omdat er ehh meerdere opties zijn... met ehhh Rob.”
[betrokkene 8] “Dat moeten wij hebben nou, want die [betrokkene 1] is een beetje nou...”
Vervolgens werd op 28 februari 2013 omstreeks 14.07 uur door leden van een observatieteam gezien dat [betrokkene 8] en [betrokkene 2] in Valkenswaard binnen liepen en deze horecagelegenheid omstreeks 14.13 uur weer verlieten. Hierna werd gezien dat [betrokkene 1] met zijn auto naast de auto van [betrokkene 2] stopte en dat de drie verdachten contact met elkaar hadden. Hierna stapten [betrokkene 2] en [betrokkene 8] in de auto van [betrokkene 2] en reden weg achter [betrokkene 1] aan. Omstreeks 14.26 uur werd gezien dat de drie verdachten samen een horecagelegenheid genaamd ‘ [A] ’ te Valkenswaard binnenliepen.
Na deze ontmoeting werd wederom vertrouwelijke communicatie opgenomen tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 8] in de auto van [betrokkene 2] .
[betrokkene 8] : “Ja, die [betrokkene 1] baalt ook he? Die moet nu tikken.”
[betrokkene 2] “Nou ik heb geen problemen om delen wat jij zegt.
Hij is het niet schuld
Maar wij zijn blij dat hij het op tijd heeft kunnen vertellen, he.”
[betrokkene 8] “En ook dat hij bereid is om toch die papieren te geven.”
[betrokkene 2] “Ja hij gelooft er gewoon in en en”
[betrokkene 8] “Ja hij weet dat het niet onze fout is en dat... Dat eigenlijk een klote verhaal is. Dat het aan hem zijn kant zit. Niet in onze kant. Dat is aan hem. Wij zijn klaar.”
[betrokkene 2] “Precies.”
[betrokkene 8] “Ik hoop dat [betrokkene 22] dit jaar nog...”
[betrokkene 2] “Ja, ik hoop dat hij heel blij is als ik hem effe via Skype zeg, ik heb een ticket voor je geboekt. Dan gaan we eerst effe feesten.”
[betrokkene 8] “Ja ja, dat gaan we zeker met die doen.”
Uit de gang van zaken vanaf 19 februari 2013 blijkt dat er onrust ontstaat nadat bekend wordt dat de container met 3.000 kg hasj geadresseerd aan [C] niet wordt vrijgegeven. Kennelijk was voor een klaarstaand transport cocaïne met travertin tegels als deklading ook [C] als ontvangend bedrijf gebruikt. Omdat het risico op ontdekking te groot is, besluit [betrokkene 1] eerst het transport uit te stellen en daarna om het helemaal af te blazen. Hij neemt de kosten hiervan voor zijn rekening omdat de fout aan zijn kant lag.
Uit onderzoek in de Dominicaanse Republiek is gebleken dat de eerder genoemde persoon die zich ‘ [betrokkene 23] ’ noemde eind februari 2013 een bestelling plaatste van 600 m2 travertin tegels bij het bedrijf [E] te San Cristobal. [E] plaatste deze bestelling vervolgens op dinsdag 26 februari 2013 bij het bedrijf [F] . De ontvanger van de bestelling bleek te zijn:
[G]
[a-straat 1]
Tel: [telefoonnummer 1] .
Deze bestelling was geladen in een container met het nummer SUDU-149606-5. Deze container werd op vrijdag 1 maart 2013 vanuit het bedrijf [F] verstuurd naar de haven van Caucedo (Dominicaanse Republiek).
Zaakvoerder van [G] was [betrokkene 24] . Hij woonde samen met [betrokkene 25] . [betrokkene 25] was zaakvoerder van [C] . Dit bedrijf was gebruikt voor de invoering van de 3.000 kilogram hasj. Beide zaakvoerders verklaarden dat zij hun bedrijven voor 2.000 euro hadden verkocht aan [betrokkene 26] , maar dat de statuten nooit werden aangepast. Deze [betrokkene 26] verklaarde dat hij had bemiddeld tussen [betrokkene 15] en deze bedrijven. [C] en [G] waren op deze wijze overgenomen door [betrokkene 15] . [G] Interieur is op 6 februari 2013 stopgezet wegens een faillissement.
Uit de informatie afkomstig van de Dominicaanse Republiek bleek dat er problemen waren ontstaan met het ontvangende bedrijf. Uit een verstrekte e-mail van 1 maart 2013 van een Dominicaanse expediteur naar het bedrijf [E] , bleek dat er iets niet klopte met de code en dat er derhalve niet tot inscheping kon worden overgegaan. Vervolgens bleek uit een email van 4 maart 2013 tussen [E] en de Dominicaanse expediteur dat het ontvangende bedrijf moest worden gewijzigd in:
[D]
[b-straat 1]
[telefoonnummer 2]
E-mail: [e-mail address]
Dit e-mailadres was in gebruik bij [betrokkene 17] .
Deze container SUDU-149606-5 is op 10 maart 2013 in Caucedo Dominicaanse Republiek aan boord van het schip Glasgow Express geladen. Dit schip kwam op 26 maart 2013 aan in de haven van Antwerpen.
Op 4 maart 2013 omstreeks 12.21 uur wordt er een ontmoeting geobserveerd tussen [betrokkene 8] en [betrokkene 1] in Hotel De Valk te Valkenswaard. Gehoord wordt dat [betrokkene 1] zegt: “Ik heb geen geheimen” “Rij maar achter mij aan”. Omstreeks 12.54 uur wordt gezien dat beiden het hotel verlaten en achter elkaar aan naar ’t Oude Wandelpark te Valkenswaard rijden. Gezien wordt dat [betrokkene 15] daar ook op de parkeerplaats is. [betrokkene 1] , [betrokkene 15] en [betrokkene 8] lopen gezamenlijk naar binnen. Omstreeks 13.17 uur wordt gezien dat [betrokkene 1] en [betrokkene 15] alleen aan een tafel zitten. Vervolgens staat [betrokkene 1] omstreeks 13.32 uur op van tafel en omstreeks 13.34 uur neemt hij, in het gezelschap van [betrokkene 8] , wederom plaats aan de tafel bij [betrokkene 15] , Omstreeks 13.52 uur komt [betrokkene 7] er bij zitten. Omstreeks 13.59 uur verlaten [betrokkene 1] , [betrokkene 8] en [betrokkene 15] de horecagelegenheid.
Gedurende deze ontmoeting werd de vertrouwelijke communicatie tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 8] en [betrokkene 15] opgenomen. Er wordt door [betrokkene 8] en [betrokkene 1] eerst gesproken over kosten die gedeeld moeten worden, omdat [betrokkene 8] betalingen moet doen. Vervolgens wordt het volgende gezegd:
[betrokkene 1] “Dus effe zodat hij het ook weet. Gister eentje vertrokken.
De vierhonderd.”
[betrokkene 8] “Vierhonderd, misschien plus, maar vierhonderd houden ze achter.”
[betrokkene 15] “Plus is beter.”
[betrokkene 1] “Plus is nooit erg.”
Na de ontmoeting belt [betrokkene 8] met [medeverdachte 4] . Te horen is dat [betrokkene 1] ook (deels) aanwezig is bij dit telefoongesprek:
[betrokkene 8] “Wat is er aan de hand met je BlackBerry?”
[medeverdachte 4] “Ik heb geen ping. Ik heb een nieuwe.”
[betrokkene 8] “Kut, zorg dat het actief wordt. Ik ben je aan het bellen om te kijken of ik [betrokkene 27] ga ontmoeten of dat ik die andere man ga ontmoeten.”
[medeverdachte 4] “Nee, ik bel je zo via ping. Ik kom hier zo bij de brother aan. Ik geef hem dan jouw ping, en dan contact ik je, dan ping ik je.”
[betrokkene 8] “Schiet dan op, want ik ben nu bij ... dus bij [betrokkene 1] (= [betrokkene 1] ) zelf.”
[medeverdachte 4] “Waar ben je nu?”
[betrokkene 8] “Bij [betrokkene 1] om dan naar de hoofdstad of naar de andere kant te gaan. [betrokkene 28] zit op datgene te wachten.”
Op de achtergrond voert [betrokkene 8] een gesprek met [betrokkene 1] . [betrokkene 1] zegt: ik ben over 5 minuten, 6 minuten. Je kan ook op het terrasje zitten... [betrokkene 8] zegt: geen probleem.
[betrokkene 8] “ [betrokkene 1] gaat mij, luister, weet je wat [betrokkene 1] tegen mij zei loco? Dat wij niets konden doen. Want zij waren geschrokken of zo iets dergelijks.
En toen die Viejito (kleine oude man) die jij niet kent kwam loco.. zei hij tegen hem “Nee wij hebben eentje die veel harder is. Dat het één van de meest harde is daar binnen’. Dat hij zelfs rood eruit haalt loco.”
[medeverdachte 4] “Moet je dat horen.”
[betrokkene 8] “En ik ben bang. Ik zei tegen me zelf ‘hemel nu ben ik gekloot met die mensen ginder’. [betrokkene 1] is datgene bij zijn woning gaan ophalen. Ik sta hier buiten op hem te wachten. Zeg me wat ik moet gaan doen. De man heeft mij reeds gebeld. De man van de twaalf.”
[medeverdachte 4] “Oke is goed, doen, ga dan maar naar die. Hoeveel gaat [betrokkene 1] jou geven?”
[betrokkene 8] “Hij zei datgene wat hij thuis heeft. Dat als men hem geld heeft gebracht hij mij dan alles geeft, anders geeft hij me dat wat hij thuis heeft liggen en wat hij heeft is twaalf duizend euro.”
[medeverdachte 4] “Oke maar stuur mij dan 2000, ik ben wanhopig.”
[betrokkene 8] “ik geef de man 11 opdat zij jou het ginder geven.”
[medeverdachte 4] “Goed, dan zijn wij gereed. Wij zijn al klaar.”
[betrokkene 8] “ik heb hem gezegd dat hij mij alvast een voorschot moet geven tot dat hij mij alles gegeven heeft... maar hij gaat mij ook de anderen geven.”
[medeverdachte 4] “Oke goed... luister, we gaan het volgende doen. Ik wacht bij de [betrokkene 28] . Ga jij maar naar de [betrokkene 29] toe. Die ene die je gisteren hebt gesproken. En regel met hem dat het hier aan mij wordt overhandigd,. Maar zeg hem. Luister... dat hij mij belt zodra jij met hem bent. Opdat ik weet wie ik ga ontmoeten.”
[betrokkene 8] “Nee, nee nee. Neem contact met die kerel! Weet jij niet wie jij ginder gaat ontmoeten?”
[medeverdachte 4] “Nee, hij heeft me het nummer nog niet gegeven. Maar er is geen probleem daar. Ik ken die mensen. Het zijn goede mensen. Het gaat er om dat we geen tijd verliezen.”
[betrokkene 8] “Ik ga het volgende doen. Ik ga hem bellen en ik ga hem zeggen ‘luister, bel oom ginder, zodat je hem een nummer kan geven. Zodat die oom daar kan komen waar hij is want hij heeft dat daar direct nodig om geen tijd te verliezen.”
[medeverdachte 4] “Is goed. Ik neem contact op met jou via de ping.”
Uit de opgenomen vertrouwelijke communicatie in de auto van [betrokkene 8] bleek dat [betrokkene 1] omstreeks 14.26 uur plaatsnam in dit voertuig. Uit dit gesprek bleek dat [betrokkene 1] 25.000 euro overhandigde aan [betrokkene 8] :
[betrokkene 1] : “Twee pakketten van 50 euro van tienduizend per pakket en dan heb ik los in een elastiekje gedaan... Kijk dit is 25.000 euro, maar dat je effe weet hoe het zit. Kijk dit is een pakketje van 10 en dit is 5000, die er op liggen. Die vijfhonderdjes, dat zijn er tien.”
Deze betaling van 25.000 euro door [betrokkene 1] aan [betrokkene 8] bleek tevens uit aantekeningen op een kladblok dat in de woning van [betrokkene 1] werd aangetroffen. Dit kladblok betrof vermoedelijk een registratie van betalingen zoals door [betrokkene 1] waren gedaan. Op dit kladblok stond onder andere de tekst ‘25.000 Box Domin’.
Om 15.23 uur en om 17:30 uur die dag (4 maart.2013) belt [betrokkene 8] met een Dominicaans telefoonnummer. [betrokkene 8] geeft de man instructies over wat te doen. Het gaat over papieren, twee containers en over geld dat aan de man voor zijn diensten betaald moet worden. Zakelijk weergegeven geeft [betrokkene 8] aan dat de container die klaar staat verzonden moet worden zonder de verdachte lading. ‘Datgene is ontploft omdat de man hierzo domme dingen heeft lopen doen’ ‘HET moet er uit gehaald worden, want DAT heeft dat probleem. Zij zijn failliet en kunnen u uw geld niet garanderen’. ‘U gaat hetzelfde bedrijf geven die u vrijdag heeft gegeven.’ Ook geeft [betrokkene 8] aan dat hij niet twee containers tegelijk wil ontvangen, omdat de mensen hier er geen twee tegelijk kunnen uithalen, meenemen en inklaren. Met twee tegelijk bestaat het risico dat ze net niet de goede meenemen.
Uit onderzoek op de Dominicaanse Republiek bleek dat de eerder genoemde persoon die zichzelf ‘ [betrokkene 23] ’ noemde begin maart 2013 wederom een bestelling plaatste van 600m2 travertin tegels bij het bedrijf [E] te San Cristobal (Dominicaanse Republiek). [E] plaatste deze bestelling vervolgens op 7 maart 2013 bij [F] . De ontvanger van deze bestelling bleek wederom te zijn:
[D]
[b-straat 1]
Tel: [telefoonnummer 2] .
Deze bestelling is in een container met het nummer SUDU 673277-5 geladen en werd op donderdag 4 april 2013 vanuit [F] verstuurd naar de haven van Caucedo (Dominicaanse Republiek).
Op 12 maart 2013 wordt er een gesprek tussen [betrokkene 8] en zijn oom [medeverdachte 4] getapt. Omdat [medeverdachte 4] een Dominicaans nummer gebruikt, bestaat het vermoeden dat hij zich in de Dominicaanse Republiek bevond. Beiden zitten te wachten op gegevens (waarschijnlijk gegevens van bedrijven aan wie de lading gestuurd kan worden) van [betrokkene 1] (= [betrokkene 1] ) en ‘ [betrokkene 14] ’ en ‘ [betrokkene 28] ’. [medeverdachte 4] geeft aan dat ‘er al drie kisten met hetgeen verstuurd moet worden, zijn geprepareerd’ en ‘er tijd in gaat zitten om de bestelling klaar te maken’.
In de BlackBerrry van [betrokkene 8] is een berichtenwisseling met [betrokkene 1] aangetroffen waaruit blijkt dat er wederom werd gesproken over het veranderen van het bedrijf. Hierbij werd de naam ‘apk’ gebruikt, waarmee naar alle waarschijnlijkheid werd verwezen naar [G] . Tevens bleek dat er mogelijk een nieuwe container verstuurd zou worden. Het hof met de rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien af dat met ‘C’ en ‘prijs is 30’ wordt gedoeld op cocaïne en op de prijs van cocaïne.
[betrokkene 8] ja apk apart maar die was de ene die binnen was want we zouden toch alleen
10 maart 2013 eentje sturen en die box was al binnen dus we hebben die namen veranderts
maar dat is opgevallen dus we gaan toch proberen om te doen straks anders moeten we doen met de andere box volgend weekend.
[betrokkene 8] als je kan die info gelijk meenemen zou mooi zijn van C.
14 maart 2013
[betrokkene 1] ja krijg je later door. Prijs is 30.
14 maart 2013
[betrokkene 8] Ok. Dan laat me de tijd weten om hoelaat ik morgen jou jongen nog zie in U.
14 maart 2013 Gr.
In de BlackBerrry van [betrokkene 8] is een berichtenwisseling met [betrokkene 1] aangetroffen van 20 en 21 maart 2013. Uit die berichtenwisseling is af te leiden dat ze elkaar op 21 maart 2013 ontmoeten en dat [betrokkene 8] dan aan [betrokkene 1] de BL zal overhandigen. Met BL wordt naar het oordeel van het hof, gelijk de rechtbank, een Bill of Lading bedoeld, een document dat noodzakelijk is voor het inklaren van een container.
Op 22 maart 2013 is er een OVC-gesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 2] :
[verdachte] : “Heb je die kleine nog gezien?”
[betrokkene 2] “Nee, die ga ik wel nog zien.”
[verdachte] “Wanneer?”
[betrokkene 2] “Ik hoop morgen.”
[verdachte] “oh oh”
[betrokkene 2] “Maar ik wacht op antwoord.”
[verdachte] “Ja ja. Laten we het daar maar gewoon op houden.”
[betrokkene 2] “Ja ja ja ja”
[verdachte] “Ik hoop dat het een beetje opschiet nou met die kleine.”
[betrokkene 2] “Ja, ik heb effe kijken, vandaag, gister, ben ik daar geweest. Die zei dat alles oke uit ziet.”
Op 25 maart 2013 werd geobserveerd dat [betrokkene 1] , [betrokkene 15] en twee tot op dat moment onbekende personen aan een tafel zaten in het [H] hotel gelegen aan de [c-straat 1] .
Een van die onbekende personen werd later geïdentificeerd als [betrokkene 30] . Gedurende deze ontmoeting werd de vertrouwelijke communicatie opgenomen. [betrokkene 1] geeft aan dat er drie firma’s in de running zijn: iets met [I] en [J] . Deze week of volgende week komt die leeg aan. Je kan hem door de scanner halen, want daar zit niets in. Soort van generale repetitie. De namen [betrokkene 18] en [F] vallen. [betrokkene 1] zegt: “Ik wil gewoon normale zaken doen. Wat wij doen is in feite een normale zaak. Het enige verschil is harddrugs.”
In een OVC-gesprek van 26 maart 2013 opgenomen in de Opel Astra van [betrokkene 8] vertelt [betrokkene 8] over Turken die in de haven werkzaam zijn om het spul eruit te halen en dat zelfs politieagenten hieraan meedoen. Men vraagt 30 % vergoeding.
Op 27 maart 2013 omstreeks 13.00 uur werd van de Belgische autoriteiten vernomen dat de controle van de container SUDU149606-5 had uitgewezen dat er inderdaad geen verdachte zaken werden aangetroffen in de container. Deze werd vrijgegeven.
Tapgesprek tussen [betrokkene 16] en [betrokkene 15] van 28 maart 2013 om 16.45 uur:
[betrokkene 16] “Er zijn facturen en zo op naam van [G] , maar het moet op naam van [I] worden opgemaakt Alleen de Bill of Lading is op naam [I] , maar de overige documenten.”
[betrokkene 15] “De overige documenten zijn op naam van [G] , klopt.”
[betrokkene 16] “Dus dat gaat niet. We worden dan hier geblokkeerd.”
[betrokkene 15] “Ja en hoe moet het nu. Hoe moet dat opgelost worden?”
[betrokkene 16] “Ja er moeten opnieuw facturen en dergelijke worden opgemaakt op naam van [I] .”
[betrokkene 15] “Vanuit daar?”
[betrokkene 16] “Ja door dezelfde persoon, dus de packlist en de factuur.”
[betrokkene 15] “Dus ze moeten vanuit daar opnieuw de documenten opsturen?”
[betrokkene 16] “Ja.”
[betrokkene 15] “Godverdomme.”
[betrokkene 16] “Hij zegt dus: ‘maak geen slapende honden wakker... zij zullen anders zeggen, ‘wat is dit voor iets”?”
[betrokkene 15] “Tja, ik zal hem zo zien en zeggen dat de documenten compleet opnieuw op naam van [I] moeten worden opgemaakt.”
Op 31 maart 2013 om 15.06 uur belt [betrokkene 8] met [medeverdachte 4] :
[betrokkene 8] “Morgen moet je met [betrokkene 28] er achter aan om dat ding te sturen.
[betrokkene 1] zei tegen mij dat zij het dringend nodig hebben. We kunnen DAT niet uithalen zonder die papieren. Ik heb [betrokkene 28] al uitgelegd wat is wat.”
[medeverdachte 4] “En wat is het, de factuur?”
[betrokkene 8] “Hij moet de factuur geven op naam van het nieuwe bedrijf en ook de packinglist. Ik zal je niet later dan morgen een faxnummer geven. De man ( [betrokkene 1] ) zegt dat dat de reden is waarom dat daar stilstaat en dat kan tot gevolg hebben dat dat opvalt.”
Op 1 april 2013 is er een OVC-gesprek in de Opel Astra van [betrokkene 8] tussen hem en [betrokkene 7] :
[betrokkene 8] “Op een nieuwe firma. Onze vrienden worden gek enne... ja, hij is op nieuwe firma was op die oude, de factuur en dit is de packinglist.”
[betrokkene 7] : “Ja.”
[betrokkene 8] “Die moesten zij ook hebben.”
[betrokkene 7] “Ok, die moet ik nu gaan afgeven.”
[betrokkene 8] “Ja”
[betrokkene 7] “Is goed.”
Uit de opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken na het vrijgeven van de container op 27 maart 2013 bleek dat er problemen waren met het inklaren van voornoemde container. Hierboven is reeds aangehaald dat begin maart 2013 het bedrijf [G] Interieur werd vervangen door [D] . Uit de gesprekken bleek dat de naam van de bedrijven weliswaar was veranderd op de bill of lading, maar dat de overige documenten nog steeds op naam van [G] stonden. Als gevolg hiervan kon [betrokkene 16] de container niet uit de haven van Antwerpen halen. [betrokkene 16] bespreekt het probleem met [betrokkene 15] waarna [betrokkene 8] zijn oom [medeverdachte 4] instructies gaf om in de Dominicaanse Republiek nieuwe documenten op naam van het nieuwe bedrijf ( [D] ) te regelen, waarna [betrokkene 8] deze aan [betrokkene 7] gaf. Nu [betrokkene 1] zowel aanspreekpunt is van [betrokkene 15] als een nauw contact van [betrokkene 7] , concludeert het hof met de rechtbank in onderling verband en samenhang gezien met de overige bewijsmiddelen dat [betrokkene 1] de verbindende schakel is in deze contacten.
Op 2 april 2013 is er een OVC-gesprek tussen [verdachte] en [betrokkene 2] :
[verdachte] “Hoe is het met die kleine?”
[betrokkene 2] “Volgens mij is hij aan de overkant.”
[verdachte] “Heb je hem niet meer gesproken?”
[betrokkene 2] “Jawel, vorige week ja, maar hij is nog eens gaan praten met die man... daar was het een en ander loos daar...”
[verdachte] “Ik dacht dat dat allemaal rond was.”
[betrokkene 2] “Ja dat dacht ik ook.”
[verdachte] “Wat zeggen die andere twee dan?”
[betrokkene 2] “Ik heb daar nog niets van gehoord, maar ik denk dat die niet blij zijn. Dat duurt al zo lang.”
[verdachte] “Denk je dat die niet meer willen of zo?”
[betrokkene 2] “Jawel, jawel, jawel, maar er is teveel gebeurd nou, enne... die bemiddelaar aan die kant, die eigenlijk de grote man is, die had zoiets van jongens, we gaan niet beginnen met rotzooien of dit of dat ...ik... hun hadden flink... gestoken”
[verdachte] “Wie? Wij of hun?”
[betrokkene 2] Nee wij.”
[verdachte] “Wij?”
[betrokkene 2] “Ja wegens omstandigheden
Dat is dan weer goed. Dan is er toch weer iets dat geregeld moet worden. Dat zijn altijd vijfhonderd vierkante meter he?”
[verdachte] “Ja ja.”
[betrokkene 2] “En dat iedere keer weer
Dat is vier keer vijfhonderd vierkante meter he?”
[verdachte] “Vier keer?”
[betrokkene 2] “Ja, daarom zeg ik, het is al een keer misgelopen, snap je.”
[verdachte] “Nee, niet helemaal.”
[betrokkene 2] “Ja we hebben drie keer vijfhonderd vierkante meter... hebben we besteld, en de vierde keer is nu ook al geweest... alweer 500 vierkante meter.”
[verdachte] “Was daar niks bij dan?”
[betrokkene 2] “Ja nee, daarom zeg ik dat was wegens omstandigheden. Maar nou moet die van hier dat betalen.”
[verdachte] “Dat is toch zo duur niet?”
[betrokkene 2] “Nee maar je moet ook mensen hebben die het hebben willen.”
[verdachte] “Ja ja, maar ook al zou dat blijven liggen, waar is het probleem?”
(...)
[verdachte] “Dus dat gaat nog duren?”
[betrokkene 2] “Ja dat gaat nog duren. Ik ga ervan uit dat het deze week rond is.(...) ja.. dan is het toch weer een paar weken wachten.”
[verdachte] “Ja ja natuurlijk... het was wel goed wat toen met (ntv) gekomen is.”
(...)
[verdachte] “Ik hoor van de week nog wel van je.”
[betrokkene 2] “Zo gauw ik iets weet van die kleine hou ik je op de hoogte.”
Uit de peilbakengegevens van de Opel Astra [kenteken 1] in gebruik bij [betrokkene 8] blijkt dat deze op 2 april 2013 tussen 23.00 uur en 23.50 uur heeft stilgestaan op de Vondellaan in Eindhoven. Dit is in de onmiddellijke nabijheid van het woonadres van [betrokkene 1] aan de [d-straat] . Het hof gaat er in navolging van de rechtbank van uit dat er een ontmoeting tussen [betrokkene 8] en [betrokkene 1] heeft plaatsgevonden.
Uit de interceptie van telecomgegevens kan worden afgeleid dat [betrokkene 8] op woensdag 3 april 2013 naar de Dominicaanse Republiek is afgereisd. Uit de volgende berichtenwisseling blijkt dat [betrokkene 8] op ‘groen licht’ van [betrokkene 1] aan het wachten is. Omdat zijn telefoon waarmee hij met [betrokkene 1] communiceert stuk is, gaat (een deel van) de communicatie via [betrokkene 2] .
Het volgende sms-verkeer tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 8] is getapt:
4 april 2013 [betrokkene 2] Vriend zo gauw je er bent neem dan meteen contact met me op.
8 april 2013 [betrokkene 8] Dag vriend ik ben nog steeds aa d overkant de telf die ik met 20.10 uur die [betrokkene 1] comuniseert is in stuk dus je moet naar hem toe en als je samen met hem bent laat
uur [betrokkene 8] weten
uur [betrokkene 8] dit is mijn num hier laat me wat weten.
[telefoonnummer 3]
uur [betrokkene 2] Ok vriend, ga er morgen vroeg meteen naar toe. Als ik samen met hem ben, dan bel ik je meteen ok. Gr.
9 april 2013 [betrokkene 2] Heb zijn vriend nummer gegeven vanmorgen, hij was er niet,
uur heeft ie al gebeld? En kun je vanavond online? Gr.
uur [betrokkene 8] Nee ik had de aparant niet bij me laat me eten groen licht of niet.Gr
uur [betrokkene 2] Ok, ik kijk of ik die vriend nog te pakken vandaag ok. Laat je zo snel mogelijk weten. Gr.
Blijkens de plaatsbepalingsapparatuur, die was aangebracht in de bij [betrokkene 2] in gebruik zijnde Skoda Superb, voorzien van het kenteken [kenteken 5] , stond dit voertuig op 9 april 2013 tussen 8.57 uur en 9.54 uur en op 10 april 2013 tussen 17.24 uur en 20.54 uur, stil bij de woning van [betrokkene 13] .
[betrokkene 2] en [betrokkene 8] hebben op 10 april 2013 rondom de ontmoeting die dag het volgende sms-contact:
uur [betrokkene 8] Dag vriend en heb je groene licht gekregen?
uur [betrokkene 2] : Ben nu op weg erheen, laat het je vandaag nog weten. Tot later. Gr.
uur [betrokkene 8] : Vriend mijn telf met die [betrokkene 1] doet het weer. Je, we zien elkaar volgende week ik heb ook alles over die sterk al klaar.Gr
uur [betrokkene 2] : Super, laat maar weten wanneer je terug bent ok. Gr
Later die avond (10 april 2013) krijgt [verdachte] (die in Bonaire is) in het volgende OVC-gesprek een terugkoppeling van [betrokkene 2] :
[verdachte] “Had jij die kleine nog gezien?”
[betrokkene 2] “Eh, die heb ik wel vandaag gehoord.”
[verdachte] “Is die wel in de buurt?”
[betrokkene 2] “Ja bij jou.”
[verdachte] “Nog altijd?”
[betrokkene 2] “Ja.”
[verdachte] “En wanneer komt die dan?”
[betrokkene 2] “Volgende week.”
[verdachte] “Met goeie berichten?”
[betrokkene 2] “Als het goed is wel.”
[verdachte] “Ja ik ben benieuwd.”
“Dat duurt toch wel allemaal erg lang.”
[betrokkene 2] “Ja, dat is allemaal samenloop van omstandigheden en noem maar op.”
[verdachte] “Ik heb misschien een kleine verrassing voor je. Maar dat hoor je wel te zijner tijd.”
[betrokkene 2] “Verrassing?”
[verdachte] “Aangename verrassing.”
[betrokkene 2] “Dat had ik eigenlijk al afgeschreven.”
[verdachte] “Maar goed, jij ziet in ieder geval deze week die kleine nog zeg je?”
[betrokkene 2] “Nee volgende week.”
[verdachte] “Hoe laat is het bij jullie?
[betrokkene 2] “Twintig voor twaalf.”
[verdachte] “Had ik je wakker gemaakt?”
[betrokkene 2] : “Nee ik was net binnen.”
Op 11 april [betrokkene 2] vindt het volgende OVC-gesprek plaats in de Skoda [kenteken 5] van [betrokkene 2] :
[betrokkene 2] “Er is mij een hart van de steen gevallen, gisteren. Ik heb goed bericht gekregen. De boot is weer weg gevaren.”
NN man “Oke.”
[betrokkene 2] “En nu komen twee boten.”
NN man “Uit Colombia daar of wat?”
[betrokkene 2] “Mmm mmm.”
[betrokkene 2] “Een met en een met duizend.”
In een tap van 11 april 2013 vertelt [betrokkene 8] dat hij voor over drie of vier dagen een ticket wil kopen. ‘De vrienden zijn al geweest. Wij zijn aan het afronden opdat ik weg kan gaan.’
In de BlackBerry van [betrokkene 8] is een berichtenwisseling aangetroffen tussen hem en [betrokkene 1] van 12 en 13 april 2013.
[betrokkene 8] Fax is niet aangekomen weet je zeker dat het goeieNummer is?
12 april 2013
[betrokkene 1] Wacht
12 april 2013
[betrokkene 1] Probeer weer nu
12 april 2013
[betrokkene 8] Yoo, ik ben nu al onderweg naar bedrijf. Ping je zo.
13 april 2013
[betrokkene 1] Ok, ik moet [betrokkene 31] waarschuwen. Hoe laat denk je?
13 april 2013
[betrokkene 8] Maak je niet drk als ik weet 15 min van. Tevooren laat ik het weten dan kan je [betrokkene 31] op plek zette.
13 april 2013
[betrokkene 1] Doe liever uur van te voren.
13 april 2013
Op 15 april 2013 informeert [betrokkene 2] per sms wanneer [betrokkene 8] terug komt ‘ivm afspraken maken’. [betrokkene 8] geeft aan dat het deze week wordt.
Uit sms-verkeer tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 13] in combinatie met de OVC, het peilbaken uit de Skoda [kenteken 5] van [betrokkene 2] en een observatie blijkt dat zij op 18 april 2013 omstreeks 10.00 uur een ontmoeting hebben bij de woning van [betrokkene 13] . Daarna, om 11.50 uur, vraagt [betrokkene 2] per sms aan [betrokkene 8] : ‘vriend, weet je al wanneer je er weer bent?’
Later die dag [betrokkene 2] is er een OVC-gesprek tussen [betrokkene 2] en [verdachte] .
[betrokkene 2] “Ik ben vanmorgen bij dinge geweest, bij [betrokkene 32] .
Dat is niet goed he.”
[verdachte] “Niet?”
[betrokkene 2] “Lees de kranten maar eens daar.”
[verdachte] “Van daar uit?”
[betrokkene 2] “Ja.”
[verdachte] “Met hem niet?”
[betrokkene 2] “Nee.’
[verdachte] “Of met die kleine.”
[betrokkene 2] “Ja met die kleine.
Dus je moet aan die kant maar eens kijken of je dat kunt lezen ergen. Dat moet zondag geweest zijn.”
[verdachte] “Dus die is er niet meer?”
[betrokkene 2] “Die is er wel, maar dat wat gebracht moest worden dat is er niet meer.”
[verdachte] “Kut.”
[betrokkene 2] “Dus ik ben aan het wachten wanneer ik.. eh.. antwoord wanneer die weer hier is. Want die andere twee zijn gek aan het worden.”
[verdachte] “En wie zijn schuld is dat. Daar?”
[betrokkene 2] “Ja weet ik niet. Ik eh... als ik het goed begrepen had is eh... die mensen...”
[verdachte] “Die? ... Daar?”
[betrokkene 2] “Die.”
[verdachte] “Zijn die dat schuld?”
[betrokkene 2] “Ja.”
[verdachte] “Is geen goed bericht.”
[betrokkene 2] “Nee, helemaal niet.”
[verdachte] “En wat waren hun van plan te doen?”
[betrokkene 2] “Ja, weet ik niet, we wachten nog even af tot totdat degene weer hier is.”
[verdachte] “Ja, nou ligt het er aan wie zijn schuld dat is he.”
[betrokkene 2] “Ja ja he ze zijn het aan het onderzoeken.”
[verdachte] “En is het daar gebeurd?”
[betrokkene 2] “Ja.”
[verdachte] “Ja, dan is het natuurlijk aan hun he?”
[betrokkene 2] “Ja, ja logisch.”
[verdachte] “Dan is er niets aan te doen.”
[betrokkene 2] “Maar niemand snapt het.”
[verdachte] “Ja, dan zal die wel willen dat ze hier... dan zal die wel komen he?”
[betrokkene 2] “Dat is wel de bedoeling. Die zal toch tekst en uitleg moeten geven.”
Uit het proces-verbaal identificatie volgt dat met ‘ [betrokkene 32] ’ [betrokkene 13] wordt bedoeld. Alhoewel [betrokkene 2] in het gesprek met [verdachte] de bijnaam ‘ [betrokkene 32] ’ gebruikt, concludeert het hof met de rechtbank dat ook hij met die bijnaam duidt op [betrokkene 13] , nu [betrokkene 2] aangeeft dat hij die ochtend bij ‘ [betrokkene 32] ’ is geweest en uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij bij [betrokkene 13] is geweest.
Uit voorgaande volgt dat er op zondag 14 april 2013 kennelijk iets niet goed is gegaan.
Hiervoor is reeds het gesprek tussen [betrokkene 8] en iemand met een Dominicaans nummer van 4 maart 2013 aangehaald, waarin [betrokkene 8] aangaf dat er niet twee containers tegelijk verstuurd moesten worden en dat ‘het’ uit de ‘eerste’ container gehaald moest worden omdat het bedrijf failliet was en in de tweede container gestopt moest worden. Het hof concludeert, zoals ook de rechtbank doet, dat [betrokkene 8] daar waar hij het over de ‘eerste’ container heeft, de container SUDU149606-5 bedoelt, die door de Belgische autoriteiten is gecontroleerd en op 27 maart 2013 is vrijgegeven.
De lading voor de ‘tweede’ container met nummer SUDU 673277-5 is op 7 maart 2013 door [betrokkene 23] besteld en op 4 april 2013 vanuit [F] naar de haven van Caucedo (Dominicaanse Republiek) verzonden. Uit het dossier blijkt dat de container op 22 april 2013 in de haven van Caucedo werd geladen aan boort van de Liverpool Express. Dit schip kwam op 7 mei 2013 in de haven van Antwerpen aan. Deze werd op 8 mei 2013 door de Belgische autoriteiten gecontroleerd. Hierbij bleek dat de container gevuld was met kratten tegels. Er werd geen cocaïne aangetroffen.
Op 15 april 2013 heeft de Nationale Directie Drugscontole van de Dominicaanse Republiek (DNCD) 419 kg cocaïne verdeeld in 355 pakketten met een nettogewicht van 366 kg in beslag genomen. (In La Republica, een krant op de Dominicaanse Republiek was enkel de bruto hoeveelheid van 419 kg vermeld). De cocaïne was verborgen in een geheime ruimte in een vrachtwagen, die onderweg was naar de haven van Caucedo. De chauffeur van het vervoermiddel heeft getracht te vluchten, maar werd gepakt. Hij liet de vrachtauto achter in de nabijheid van de PEAJE (tolweg). Bij het doorzoeken van de vrachtwagen die door hem werd bestuurd, is een verborgen ruimte aangetroffen in de vorm van een geul aan de achterkant van de cabine van de vrachtwagen. Bij het openen van deze verborgen ruimte zijn 355 pakjes met wit poeder aangetroffen, voorzien van verschillende logo’s. Het witte poeder is middels vier tests onderzocht: de Alkaloide precipitatietest, de Colorimetrietest met kobalt thiocyanaat, de Microkristallentest platinachloride en de Instrumentele analyse door infrarode spectroscopie. Door het Nationaal Instituut voor Forensisch Onderzoek van de Dominicaanse Republiek (Forensisch Chemisch Laboratorium) is, conform het certificaat van het Forensisch Chemisch Onderzoek met het nummer SC1-2013-04-32-005996, op basis van de testresultaten vastgesteld dat de op 14 april 2013 inbeslaggenomen lading bestond uit in totaal 366,07 kilogram cocaïne, verpakt in 355 pakjes.
Op 28 april 2013 vindt het volgende OVC-gesprek plaats tussen [betrokkene 2] en [verdachte] (die op Bonaire is):
[verdachte] “Had jij die kleine nog gezien?”
[betrokkene 2] “Nee die is er nog niet. Die is nog steeds daar.”
[verdachte] “Maar weet jij nou wel hoe en wat.”
[betrokkene 2] “Nee ook nog niet.”
[verdachte] “Ook nog niet?”
[betrokkene 2] “Ik moet nu een afspraak maken met zijn oom.
Deze week
En dan hoor je wel hoe en wat
Van wat de bedoeling is.”
[verdachte] “Ja godver.
Die van Eindhoven nog gezien?”
[betrokkene 2] “Die heb ik nou een week niet gezien. Het is ook erg warm daar.”
Op 3 mei 2013 vindt het volgende gesprek plaats tussen [verdachte] en zijn vriendin [betrokkene 33]
[verdachte] “Met [betrokkene 34] heb ik voorgisteren nog contact gehad. Er is iets helemaal verkeerd gegaan, iets helemaal verkeerd.”
[betrokkene 33] “En nou niet meer?”
[verdachte] “Ja, we zijn nog met andere dingen bezig, maar een ding is helemaal verkeerd, dat heb je gezien zelfs.”
[betrokkene 33] “Wat is helemaal verkeerd? Maken verkeerd? [betrokkene 34] maken verkeerd?”
[verdachte] “Nee, nee, is niet [betrokkene 34] .
Dominicaan.”
[betrokkene 33] “Die vriend van jou, eh eh, Dominicaan van Nederland, die maken goed?”
[verdachte] “Per ongeluk he, niet extra he.”
[betrokkene 33] “Perro, wanneer ...ntv... maken?”
[verdachte] “Wie.”
[betrokkene 33] “De Dominicaan.”
[verdachte] “Ik weet het nog niet precies, dat krijg ik wel vandaag of morgen te horen.”
[betrokkene 33] “Aha, per ongeluk eh, aha.”
[verdachte] “Nee, is een goede jongen. Heel goed.”
[betrokkene 33] “Ok jij vertrouwen met deze jongen?”
[verdachte] “Ja 100%.”
Op 22 mei 2013 werd er op het industrieterrein Ekkersrijt omstreeks 11.39 uur een ontmoeting geobserveerd tussen [betrokkene 2] , [betrokkene 8] en [medeverdachte 4] .
Diezelfde dag voert [betrokkene 2] in of direct naast de Audi A6 met het kenteken [kenteken 6] een gesprek met een onbekend gebleven man (NN). Tijdens dit gesprek wordt onder meer het volgende besproken:
[betrokkene 2] NN “Hoe is het met de handel?”
[betrokkene 2] “Ja dat van ons is gepakt he.”
NN “Toch niet die 800 in Rotterdam, wat in de krant stond he?”
[betrokkene 2] “Nee 550.”
NN “Oh ja?”
[betrokkene 2] “Ja, maar daar, niet hier, daar.”
NN “Ow wieje, ik las laatst in Rotterdam ergens inderdaad ook 800 stuk hey...”
[betrokkene 2] “Nee nee..”
NN “Oh DAAR was het al mis gegaan.”
[betrokkene 2] “Daar ja.”
NN “En die hadden ze hem toch in de tas daar of wat?”
[betrokkene 2] “Ja ja, maar daar heeft iemand de mond open gedaan. Daar heeft iemand mee gepraat. En daar zijn ze nu achter wie. En die baas daar... die, de grote man die weet nu wie het is. Die gaan hem nu ehhh... Het was zelfs zo goed afgetipt. Die vent de chauffeur, die wat het naar de container moest brengen, ja, daar. Die werd al gebeld draai maar om ze staan op je te wachten. Dus die is omgedraaid en toen werden ze weer getipt van hij heeft zich omgedraaid en je kunt ze nu onderweg pakken. En toen hebben ze ze onderweg gepakt. Hij zegt dus dat moet iemand van dichtbij zijn.”
NN “Ja ja ja.”
[betrokkene 2] “Nu hebben ze een vermoeden, nu weten ze dus waarschijnlijk wie het is. Ja, en die ligt nu ergens in een ehhh martelkamer of iets, weet ik wat ze met hem aan het doen zijn. Dus ehh die ziet het daglicht niet meer.”
NN “Maar ja goed dat was dus weer effetjes een eh een partijtje ellende dan he?”
[betrokkene 2] “Pfff... ik ben zoveel geld kwijt ouwhoer, dat wil je niet weten.”
NN “Ja [betrokkene 34] , veel geld weer er in zitten?”
[betrokkene 2] “Ja ja, een half miljoen he.”
Op 29 mei 2013 voert [betrokkene 1] met [betrokkene 4] een gesprek in of direct naast de BMW met het kenteken [kenteken 4] , waarin onder meer het volgende wordt besproken:
[betrokkene 1] “Volgende week komt die [naam] eh, ouwe man leverancier naar Amsterdam toe”
[betrokkene 4] “Wie?”
[betrokkene 1] “Ja waar we ooit spullen van hebben.. gehad.”
[betrokkene 4] “Ja. Die maakt die dingen toch?”
[betrokkene 1] “Ja, nee, dat is de klein ventje. Maar zijn baas zeg maar.”
[betrokkene 4] “Ja. Komt die doen?”
[betrokkene 1] “Ja gewoon eh, komt hier naar toe praten. Wil een keertje mij zien.. ik zeg is goed. Die hebben gewoon. Maar weetje wat hun zeggen. Die zeggen dit. Die willen er 550 voor willen doen he. Maar er stond in de krant 419. Hun zeggen, ik denk ja, dat is weer het zelfde gekloot als vorig jaar met jullie. Je zegt dit en doet dat.”
[betrokkene 4] “Mensen spullen bijgezet ofzo?”
[betrokkene 1] “Nee, ze hebben gezegd ja de dinge hebben gewoon eh, honderd stuks gejat daar. Ik zeg hoezo? Kornuiten? Ik zeg daar geloof ik niks van. Geloof ik niet. Zeg ik. Geloof ik ook echt niet.”
[betrokkene 4] “Ja, dat kan heel goed.. dat kan heel goed zelfs. Dat doen ze. Als jij eens weet wat er in Suriname allemaal gebeurt. Tss, daar worden gewoon spullen inbeslaggenomen. Honderd stuks en die worden gewoon ’s avonds door mensen van de speciale team daar, die worden gewoon omgeruild tegen.. blokken. En die honderd komen gewoon weer terug bij de eigenaar. Ik weet niet hoe ze dat betalen. Duizend of vijftienhonderd dollar per stuk. Om ze terug te krijgen. Ik heb daar dingen meegemaakt. Tss, dat is allemaal omkoopbaar die landen.”
Op 3 juni 2013 voeren [betrokkene 35] en [verdachte] op Bonaire een gesprek, waarin onder meer het volgende aan bod komt:
[verdachte] “Ik heb wel een goeie inkomst bij, in Antwerpen.”
[betrokkene 35] “Oke, Bon.”
[verdachte] “Maar die, die, die, wil ik goedkoper gaan krijgen. Maar die kost alleen al aan douane 25 procent.”
[betrokkene 35] “Ja.”
[verdachte] “Wij waren toen bezig voor bij wijze van spreken niet meer met procenten te gaan werken, maar bij wijze van spreken, jullie krijgen een halve ton, bij wijze van spreken, of een vijf ton of zoiets en dan moet je het daarvoor doen.”
[betrokkene 35] “Ja ja ja.”
[verdachte] “Maar er is er nou eentje gigantisch fout gegaan.”
[betrokkene 35] “Ja?”
[verdachte] “Ja. Niet, daar, je weet wel. In het land zelf...”
[betrokkene 35] “Oke.”
[verdachte] “En wij konden, het was niet onze schuld, het was ook niet hun... Gewoon stom idiote toeval... 1500 kilo en daar hadden we dummy’s gedaan en zo en een kleine zeg maar.. Alles was gewoon 100% goed gegaan. Die patrouille, die strip, die regelde het daar. Die kon zien als die code rood was of zo weet je wel..”
[betrokkene 35] “Hm, hm”
[verdachte] “No probleem, helemaal geen probleem. Dan wisten hun dat van te voren. Dan werd die aan de kant gezet. Dan werd het op de dinge eruit gehaald. He. En dan was het allemaal goed. En anders als er geen code rood op was, dan hoefde hij niet meer, door de dinge, weetje.”
[betrokkene 35] “Ja.”
[verdachte] “En dan ging ie gewoon zo langs de, door. Voor honderden.. Enne, toen wilden we eigenlijk de grote dingen doen en het gaat mis daar. Dus dat duurt wel ff voordat dat eeuh...”
Op 2 juli 2013 vindt er in of direct naast de Opel Astra met het kenteken [kenteken 1] een gesprek plaats tussen [medeverdachte 4] en een onbekend gebleven man (NN), waarin onder meer het volgende wordt besproken:
[medeverdachte 4] “Hard... hard... hard... ze zijn... we zijn twee keer in de patio gevallen... twee keer... ik weet het niet... ik kan dat niet bevatten.”
NN “Shit.”
[medeverdachte 4] “Ik zei.. er zijn daarginder mensen die... een paar mensen die hard zijn... het schijnt dat hij het nu zeker weet als het daar valt, betaalt hij het. Ik zei ‘dan is het goed’.”
(...)
[medeverdachte 4] “ik had zoiets van kut... van binnenuit verklikt... van binnenuit verklikt. Een vriend van mij werd opgepakt in Barcelona... wegens hetzelfde... doordat er ginder werd verklikt.”
(...)
[medeverdachte 4] “Bij de tol... plaats”
NN “Hoeveel zijn er daar gevallen?”
[medeverdachte 4] “500.”
NN “En hoeveel mensen vielen er?”
[medeverdachte 4] “Alleen de chauffeur van de vrachtwagen.”
NN “Ja.”
Uit het voorstaande blijkt dat er na de ontdekking van de 3.000 kg hasj in de container bestemd voor [C] is besloten om een nieuw bedrijf te gebruiken als ontvangende partij en teneinde allerlei complicaties te voorkomen wordt er ook een geheel nieuwe bestelling travertin tegels gedaan. [betrokkene 1] neemt de kosten hiervan voor zijn rekening.
Omdat na de bestelling bleek dat het nieuwe bedrijf [G] inmiddels failliet was, waardoor niet tot inscheping kon worden overgegaan, moest de bestelling op naam van een ander bedrijf worden gezet. Dat werd [D] van [betrokkene 17] .
Verzuimd werd echter meteen alle voor inklaring van container SUDU 149606-5 benodigde papieren op naam van [D] te zetten, waardoor na aankomst van de container in Antwerpen ook weer het nodige geregeld moest worden. Omdat dit veranderen van bedrijf was opgevallen, werd – om elk risico te voorkomen – besloten om geen cocaïne te verstoppen in de container bestemd voor [G] / [D] , maar een nieuwe bestelling te doen. Dit werd de bestelling van 7 maart 2013. welke werd geladen in de container met nummer SUDU 673277-5.
Bij het bestellen en organiseren van deze transporten en de afhandeling daarvan in brede zin waren in elk geval betrokken [betrokkene 1] , [betrokkene 13] , [betrokkene 2] , [verdachte] , [betrokkene 8] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 15] , [betrokkene 16] en [betrokkene 17] .
Nadat op 15 april 2013 door de Dominicaanse autoriteiten een partij van 419 kg cocaïne in beslag wordt genomen, wordt dit nieuws vide de bespreking tussen [betrokkene 13] en [betrokkene 2] op 18 april 2013 en het daaropvolgende OVC-gesprek van [betrokkene 2] met [verdachte] bekend binnen de groepering. Dat deze partij bestemd was voor voormelde groepering blijkt uit de opmerkingen zoals ‘er is iets helemaal verkeerd gegaan’ ( [verdachte] 3 mei 2013) en ‘dat van ons is gepakt, 550’ ( [betrokkene 2] 3 mei 2013), ‘oude man van [naam] komt praten, 550 willen doen staat 419 in krant’ ( [betrokkene 1] 29 mei 2013) ‘er is er eentje gigantisch fout gegaan in het land zelf ( [verdachte] 3 juni 2013), ‘van binnenuit verklikt’ ( [medeverdachte 4] 2 juli 2013).
De omstandigheid dat de Dominicaanse autoriteiten in een persbericht hebben gemeld dat deze partij bestemd zou zijn voor Puerto Rico doet aan voorstaande conclusie niet af.
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof met de rechtbank dat deze partij cocaïne bestemd was voor de groepering waar verdachte deel van uitmaakte en welke partij met als deklading de travertin tegels verscheept had moeten worden in de container met nummer SUDU 673277-5.
Dat de partijen travertin tegels enkel als deklading bedoeld waren, blijkt mede uit de opmerkingen van [betrokkene 2] over de partijen van vijfhonderd vierkante meter en de problemen die juist ontstonden omdat de laatste twee vijfhonderd vierkante meter er nog stonden; ze waren nooit opgehaald (zie de OVC-gesprekken tussen [betrokkene 2] en [verdachte] van 2 april en 10 juli 2013). Op basis van de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien concludeert het hof met de rechtbank dat de inspanningen van de groepering rond het bestellen van containers vanuit de Dominicaanse Republiek gericht waren op de invoer van cocaïne.
Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat de opzet van de groepering was gericht op de invoer van een partij van minimaal 500 kg cocaïne. Dit valt te concluderen uit de OVC-gesprekken van 29 en 30 januari 2013. Uit de OVC van 29 mei 2013 valt af te leiden dat de uiteindelijke afspraken op 550 kg waren uitgekomen.
Het hof is voorts in navolging van de rechtbank van oordeel dat ondanks de omstandigheid dat deze partij cocaïne de container met deklading niet bereikt heeft en dus ook nog niet was verscheept richting Antwerpen, er sprake is van het voor de strafbare poging vereiste begin van uitvoering.
Voor een strafbare poging is vereist dat er gedragingen zijn verricht die kunnen worden beschouwd als een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf. Dat is het geval bij gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Bij de vraag of sprake is van zulke gedragingen, komt het aan op een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
Verdachten hebben op de Dominicaanse Republiek contacten gelegd en onderhouden om de cocaïne geleverd te krijgen. Voor de bestelling van de deklading is een firma geregeld die onder de invloedsfeer van het samenwerkingsverband viel ( [D] ), de deklading was besteld en betaald en stond klaar in de haven zodat de cocaïne daar in verstopt kon worden. Het startpunt van het vertrek van de lading - en daarmee het startpunt van de invoer van de lading richting de haven van Antwerpen - is het moment dat de lading van de plek waar deze is opgeslagen richting de haven wordt vervoerd en niet pas het moment waarop het schip de haven van Caucedo verlaat. Het staat vast dat de lading op de snelweg is onderschept toen deze per vrachtwagen naar de haven van Caucedo werd vervoerd.
Deze handelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op de voltooiing van het misdrijf en derhalve was er reeds een begin van uitvoering.
Conclusies van het hof
Bewijsuitsluiting wegens schending van artikel 8 EVRM?
Door de verdediging is aangevoerd dat er sprake is van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a Sv. In de woning van [verdachte] op Bonaire is afluisterapparatuur geplaatst zonder dat blijkt dat de Centrale Toetsingscommissie advies heeft uitgebracht en zonder dat blijkt dat het College van Procureurs-generaal de vereiste goedkeuring en de rechter-commissaris de vereiste machtiging hiervoor heeft gegeven. Daaruit volgt dat het opnemen onrechtmatig is. Nu er langdurig onrechtmatig is afgeluisterd in een woning, is er sprake van een zeer ernstige schending van artikel 8 van het EVRM, hetgeen in de ogen van de verdediging zou moeten leiden tot bewijsuitsluiting.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het aannemen van het door de verdediging gestelde verzuim en de aanname dat de verdachte zou zijn getroffen in een belang dat de geschonden norm beschermt, zou betekenen dat verdachte is geschonden in een belang dat het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beoogt te beschermen. Een zodanige inbreuk levert echter niet zonder meer op ook een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces. Aan niet gerechtvaardigde inbreuken op artikel 8 EVRM behoeft dan ook in de regel niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting te worden verbonden, mits het recht van verdachte op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd. Dat verdachtes recht op een eerlijk proces in deze is geschonden is gesteld noch anderszins gebleken, dus bewijsuitsluiting is niet aan de orde.
Medeplegen invoer 50 kg cocaïne (feit 1 primair) en medeplegen poging tot invoer 550 kg cocaïne (feit 2 primair)
Het hof overweegt hieromtrent de feiten 1 primair en 2 primair als volgt.
Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie moet voor medeplegen sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).
Het hof overweegt verder als volgt.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] samen met anderen nauw en actief betrokken is geweest bij de voorbereiding van de invoer van cocaïne, de invoer van (minimaal) 50 kg cocaïne en tevens dat hij samen met anderen heeft gepoogd 550 kg cocaïne in te voeren, waarbij de intellectuele en materiële bijdrage van verdachte van voldoende gewicht was om van medeplegen te kunnen spreken. Het hof acht de feiten 1 primair en 2 primair dan ook met de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.
Vanaf zijn aankomst in Nederland op 14 maart 2012 is [verdachte] actief betrokken bij de handel en wandel rond de poging tot invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek. Uit de OVC van 19 mei 2012 in combinatie met de stempels in zijn paspoort blijkt dat hij samen met [betrokkene 36] naar de Dominicaanse Republiek is gegaan teneinde de contacten te leggen met de leverancier van de cocaïne. Hij heeft meestal samen met [betrokkene 2] contact met [betrokkene 1] en [betrokkene 13] . [betrokkene 8] is een contact van [verdachte] en [betrokkene 2] die mede ook op de Dominicaanse Republiek contacten legt en dingen met betrekking tot de invoer van cocaïne regelt. Voorts bemoeit [verdachte] zich samen met [betrokkene 2] intensief met de poging tot verkoop van 50 kg cocaïne via [betrokkene 37] , een deal die enkel niet door lijkt te gaan omdat men het niet eens werd over de prijs.
Ook nadat [verdachte] op 12 juni 2012 is teruggekeerd naar Bonaire zijn er regelmatig contacten tussen hem en [betrokkene 2] en [betrokkene 8] waarin enerzijds [verdachte] informeert naar de stand van zaken en anderzijds hij op de hoogte wordt gehouden. Dat zijn betrokkenheid verder gaat dan het enkel op de hoogte gehouden worden, zoals door de verdediging is betoogd, volgt uit de mededelingen van [verdachte] zelf in gesprekken die te relateren zijn aan het regelen van transporten van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek. Daar waar [betrokkene 2] hem vertelt dat de kleine klaar was maar de andere niet, reageert [verdachte] met ‘oh, ligt het nu aan ons’ (25 februari 2013). In een gesprek van 22 maart 2013 zegt hij: ”ik hoop dat het een beetje opschiet met die kleine”. In het gesprek van 2 april 2013 waarin [betrokkene 2] aangeeft dat iets niet helemaal rond was, vraagt [verdachte] : “Wie? Wij of hun?’ Op 3 mei 2013 zegt hij: “Wij zijn nog met andere dingen bezig, maar eentje is helemaal mis gegaan”. Aan [betrokkene 35] vertelt [verdachte] op 6 juni 2013 dat hij een inkomst in Antwerpen heeft die hem 25 % aan douane kost. Eentje was er gigantisch fout gegaan. [verdachte] geeft in dat gesprek voorts aan dat het heel lang geen probleem was, maar dat het bij de grote dingen mis ging. Het door [verdachte] genoemde percentage van 25 % is in lijn met de 30 % die [betrokkene 8] noemt als percentage dat gevraagd wordt door havenmedewerkers waaronder politieagenten om het spul er uit te halen (26 maart 2013). Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat [betrokkene 1] zeer grote bedragen betaalde (honderdduizenden euro’s) voor de medewerking van de havenmedewerkers (‘petjes’). Daarnaast blijkt dat [verdachte] wel degelijk een financieel belang had bij een succesvolle afwikkeling van een transport. Het hof verwijst hiervoor met de rechtbank onder andere naar het gesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 8] van 28 januari 2013 waarin [betrokkene 8] zegt dat het veiliger is als [verdachte] op Bonaire blijft en pas als alles achter de rug is zijn centjes komt ophalen.
Uit dit alles volgt dat [verdachte] – ook nadat hij naar Bonaire is teruggekeerd – een nauwe en bewuste samenwerking heeft gehad met de andere verdachten, waarbij zijn intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was om te concluderen tot medeplegen. De omstandigheid dat niet gebleken is dat [verdachte] beschikte over een BlackBerry met pgp, zoals door de verdediging is aangevoerd, doet aan vorenstaande niet af.’
7. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 maart 2021 blijkt dat de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging heeft gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘Artikel 359a Sv
In eerste aanleg heb ik betoogd dat er sprake is van onherstelbare vormverzuimen. In mijn pleitnota ten behoeve van de zitting in eerste aanleg heb ik op pagina 20 tot en met 24 (eerste alinea) betoogd dat de processen-verbaal van de OVC in de woning van cliënt uitgesloten moeten worden van het bewijs. Dat standpunt handhaaf ik, net als de onderliggende argumentatie. Daarom verzoek ik u deze pagina’s hier als herhaald, ingelast en ook voorgedragen te beschouwen. Kort gezegd komt het erop neer dat er geen machtigingen van de rechter-commissaris in het dossier zitten, dat niet blijkt dat er advies is uitgebracht door de Centrale Toetsingscommissie en dat niet blijkt dat er toestemming is van het College van Procureurs-generaal en dat dit had moeten leiden tot bewijsuitsluiting.
De rechtbank heeft dit verweer verworpen met de volgende overwegingen: Zoals door de officier van justitie ter zitting is aangegeven, liep gelijktijdig aan het onderzoek Wolf het onderzoek Kampala op Bonaire. In het kader van dit onderzoek (Kampala) is de OVC-apparatuur in de woning van [verdachte] op Bonaire geplaatst (OVC = opnemen vertrouwelijke communicatie). De opbrengsten van dit onderzoek zijn in het kader van de interregionale rechtshulp zoals gebaseerd op artikel 36 en 40 van Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden overgedragen aan de officier van justitie in het onderzoek Wolf. Uitgangspunt voor de overdracht van onderzoeksgegevens in zowel het nationale als het interregionale recht is dat enkel rechtmatig verkregen onderzoeksgegevens worden overgedragen. Het gegeven dat het overgedragen onderzoeksopbrengsten betreft, maakt dat de BOB (Bijzondere Opsporings Bevoegdheden) map van het onderzoek Kampala (met daarin de bevelen en machtigingen ex art 177q van het Wetboek van Strafvordering BES) geen onderdeel uitmaakt van het dossier Wolf, aldus de rechtbank.
In de visie van de verdediging gaat deze redenering niet op. Hoewel er formeel weliswaar geen sprake was van één gemeenschappelijk onderzoeksteam, waren de opsporingsteams in Nederland en op Bonaire in feite wel degelijk één locatie-overstijgend gemeenschappelijk onderzoeksteam. Het Recherche Samenwerkingsteam (RST) Nederland, Nederlandse Antillen en Aruba heeft immers het onderzoek op Bonaire uitgevoerd. Verder staat in de rechtshulpverzoeken het rechtstreekse telefoonnummer van de bureauchef Georganiseerde Criminaliteit/Euregionaal Opsporingsteam, zodat mag worden aangenomen dat de lijntjes kort waren en het contact intensief.
Uit het proces-verbaal van het Recherche Samenwerkingsteam met betrekking tot de huiszoeking bij cliënt staat als onderzoek vermeld “Wolf” in plaats van “Kampala” (zie bijlage) wat bevestigt dat Wolf en Kampala in feite één onderzoek vormen. Ook op het proces-verbaal van correctie van het RST staat als onderzoeksnaam “Wolf” in plaats van “Kampala” vermeld.
De rechtbank overweegt verder dat de verdediging miskent dat uit het systeem van de wet (wet RO wet rechterlijke indeling en de Rijkswet OM) volgt dat de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, waarin is voorgeschreven dat het opnemen van vertrouwelijke informatie in een woning enkel is toegestaan na goedkeuring van het college van Procureurs-Generaal enkel geldt voor het Europees grondgebied van Nederland.
Dit oordeel van de rechtbank vindt zijn weerlegging in het Interregionaal Rechtshulpverzoek van 28 februari 2012 zelf en het rechtshulpverzoek van 4 april 2012. Daarin schrijft de officier van justitie namelijk het volgende:
Bonaire behoort thans tot de BES eilanden en deze vallen onder het grondgebied van Nederland,
Aangezien er (nog) geen aparte regelgeving is en het niet van uit sluiten [sic] dat er tevens gegevens uit Curaçao of Aruba bevraagd gaan worden verzoek ik u grond van [...]
Hieruit volgt dat het Interregionale Rechtshulpverzoek enkel is ingediend omdat er mogelijk gegevens uit Curaçao of Aruba bevraagd zouden gaan worden. Voor Bonaire zelf is dat kennelijk niet nodig, omdat dat valt onder Nederlands grondgebied.
In dit kader acht ik het verder van belang dat de officier van justitie te Bonaire toestemming heeft verleend tot directe uitwisseling van onderzoeksgegevens op basis van artikel 126dd Sv. Dat is de Nederlandse bepaling, die kennelijk ook rechtstreeks toegepast kan worden op Bonaire.
Een en ander impliceert dat de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden ook geldt voor Bonaire. In de visie van de verdediging had er dus wel degelijk advies aan de Centrale Toetsingscommissie gevraagd moeten worden en had er toestemming gegeven moeten worden door het College van Procureurs-generaal. Uit het dossier blijkt echter niet dat dit heeft plaatsgevonden.
Gelet op de nauwe en directe samenwerking tussen de onderzoeksteams Wolf en Kampala, waardoor ze feitelijk niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn – niet voor niks wordt gesproken van het Recherche Samenwerkingsteam (RST) Nederland, Nederlandse Antillen en Aruba - is er sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Nederlandse autoriteiten mede verantwoordelijkheid dienen te dragen voor de op Bonaire toegepaste bijzondere opsporingsbevoegdheden. Onder deze omstandigheden komt aan het Nederlands Openbaar Ministerie geen disculperend beroep toe op het vertrouwensbeginsel. Bij de beoordeling van de onderzoekshandelingen die op Bonaire hebben plaatsgevonden, dient de Nederlandse strafrechter daarom te onderzoeken of de Nederlandse rechtsregels (waarvan de rechten uit het EVRM deel uitmaken) die de inzet van de OVC-apparatuur in de woning van cliënt normeren, zijn nageleefd.
Gelet op het voorgaande, snijden de argumenten waarmee de rechtbank mijn betoog strekkende tot bewijsuitsluiting heeft afgewezen geen hout. Nu er geen (afschriften) van de machtiging(en) van de rechter-commissaris, advies van de CTC en goedkeuring van College van Procureurs-generaal in het dossier zitten, is er sprake van onherstelbare vormverzuimen zoals bedoeld in artikel 359a Sv. Dat doet de vraag rijzen welke consequenties daaraan verbonden moeten worden.
De officier van justitie heeft tijdens de zitting in eerste aanleg gezegd dat als alles wat ik destijds heb opgemerkt over de OVC gesprekken juist zou zijn, bewijsuitsluiting zou moeten volgen. Hij voegde daar aan toe dat we er echter met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel van uit mogen gaan dat alles op Bonaire volgens de regelen der kunst is gegaan. Die vlieger gaat in dit geval echter niet op, zoals ik net al uiteengezet heb, zodat bewijsuitsluiting inderdaad voor de hand ligt.
Nu de Hoge Raad met het arrest van 1 december 2020 de deur weer iets verder op een kier heeft gezet, heeft u als hof meer ruimte om deze vormverzuimen te sanctioneren met bewijsuitsluiting. In dat arrest heeft de HR de eerdere maatstaven enigszins genuanceerd en bijgesteld. Als er sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden volgens de Hoge Raad toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. De rechter dient dan te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan volgens de Hoge Raad mede betekenis toekomen aan het verwijt dat politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook of er al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.
Het opnemen van vertrouwelijke conversaties betreft een zeer vergaande bevoegdheid, zeker als dit in iemands woning gebeurt. Het betreden van iemands woning om daar heimelijk afluisterapparatuur te plaatsen en het vervolgens opnemen van vertrouwelijke gesprekken zonder daartoe gerechtigd te zijn, betekent een inbreuk op zowel het huisrecht als de privacy van de bewoner. Het staat niet ter discussie dat dit allebei fundamentele rechten zijn. De belangen van de geschonden voorschriften zijn groot, dat wordt algemeen aanvaard in de jurisprudentie. De geschonden bepalingen zijn uitwerkingen van in de Grondwet (artikel 10 & 12) gestelde voorschriften die strekken tot bescherming van het in het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (artikel 8) gewaarborgde huisrecht en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Deze bepalingen dienen derhalve een groot belang. Niet zonder reden zijn deze grondwettelijk gewaarborgde rechten uitgewerkt in (bijzondere) wettelijke regelingen (zoals het Wetboek Strafvordering en de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden) die bepalen onder welke strikte voorwaarden er OVC apparatuur in een woning mag worden geplaatst. Het nadeel van de bewoner in geval van een schending deze rechten is aanzienlijk, omdat hij zich in beginsel vrij, onbespied en onaantastbaar moet kunnen voelen in zijn eigen woning.
Tegenwoordig ziet men weer steeds vaker dat tot bewijsuitsluiting wordt overgegaan als een woning zonder machtiging wordt binnengetreden of doorzocht. Het niet voldoen aan de nog strengere vereisten voor het opnemen van vertrouwelijke conversaties in woningen dient daarom zeker te leiden tot bewijsuitsluiting, zoals ook de officier van justitie erkende tijdens de zitting in eerste aanleg.
De negatieve effecten die in dit geval verbonden zullen zijn aan bewijsuitsluiting, zullen overigens beperkt zijn. En zijn bijvoorbeeld geen slachtoffers in deze zaak, het gaat om consensuele strafbare feiten (indien bewezen verklaard). Of drugs überhaupt wel moeten worden gereguleerd via het strafrecht is een kwestie die steeds meer aan discussie onderhevig is, nota bene één van de partijen in de (demissionaire) regering vindt in ieder geval dat dat niet zo is. De aard en ernst van de verdenkingen tegen cliënt die zijn opgekomen naar aanleiding van het onrechtmatig verkregen bewijs, nopen zo bezien niet tot een andere uitkomst van de belangenafweging. Het verwijt dat politie en justitie kan worden gemaakt is bovendien aanzienlijk.
Al het voorgaande in ogenschouw genomen, is bewijsuitsluiting van de vertrouwelijke conversaties in de woning van cliënt passend en geboden.
Resumerend luidt mijn standpunt dat de processen-verbaal die een weergave bevatten van de in de woning van cliënt opgenomen vertrouwelijke conversaties niet gebezigd mogen worden voor het bewijs, zodat ik u verzoek deze daarvan uit te sluiten. Indien u mij daarin volgt, heeft dat tot gevolg dat geen bewezenverklaring kan volgen voor zowel het primair, subsidiair als meer subsidiair onder 2 tenlastegelegde. In de onder 2 tenlastegelegde periode komt cliënt namelijk alleen in voor in het dossier via de OVC’s in zijn woning. Als deze worden uitgesloten van de bewijsvoering, dan komt cliënt in dit deel van het dossier niet meer voor. In dat geval is er geen enkel bewijs van betrokkenheid van cliënt bij deze onderdelen van de tenlastelegging, zodat hiervan geen bewezenverklaring kan volgen.
(...)
Feit 2
Wij moeten niet met [betrokkene 22] in zee hè
...aldus [betrokkene 21] tijdens een afgeluisterd gesprek op 15 november 2012. Deze opmerking zegt alles over de rol van cliënt in het geheel in de periode waarin het onder 2 tenlastegelegde zou hebben plaatsgevonden.
primair
Desondanks heeft de rechtbank bewezen verklaard dat cliënt zich tezamen en in vereniging met anderen in de periode van 1 november 2012 ten met 14 april 2013 schuldig heeft gemaakt aan een poging tot het binnen Nederlands grondgebied brengen van 550 kilo cocaïne.
Alvorens ik nader inga op de rol van cliënt, of beter gezegd: het gebrek daaraan, heb ik allereerst het één en ander op te merken over de vraag of er überhaupt wel gesproken kan worden over een poging zoals bedoeld in artikel 45 Sr. De rechtbank heeft in de visie van de verdediging die vraag ten onrechte bevestigend beantwoord.
Dat standpunt baseer ik ten eerste op hetgeen ik daarover heb opgemerkt op pagina 24 (vanaf de tweede alinea) en pagina 25 (hele pagina) van mijn pleidooi in eerste aanleg en met name de arresten die ik daar heb genoemd. Ik verzoek u dat hier als herhaald, ingelast en ook voorgedragen te beschouwen. Resumerend komt dat standpunt erop neer dat op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat de hoeveelheid van 366 kilo cocaïne -laat staan die van 550 kilo- nooit het schip waarmee hij verder vervoerd zou worden, heeft bereikt. De cocaïne heeft zelfs niet eens in de container gezeten die uiteindelijk in Antwerpen gearriveerd is. In het licht van de besproken arresten van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2011:B09971 ; HR:2016:575 & :HR:2009:LJN BH5707) kan er ook in onderhavig geval niet gesproken worden van gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf deze cocaïne binnen Nederlands grondgebied te brengen.
In aanvulling daarop merk ik vandaag nog op dat Rozemond in zijn noot bij het arrest van 5 april 2016 schrijft dat voor een poging tot invoer waarschijnlijk vereist is dat de verdachte met de hasj terugrijdt naar Nederland. Zoiets kan ook worden afgeleid uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2020. In die zaak had het Hof Den haag vastgesteld dat een te leveren partij cocaïne al onderweg was naar Nederland, terwijl uit de bewijsvoering niet meer kon worden afgeleid dan dat de partij op zee lag in een boot voor de kust van het land van herkomst. Dat er onder deze omstandigheden volgens het Hof sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederlands grondgebied brengen van cocaïne achtte de HR niet begrijpelijk.
De a-g merkt op dat de ‘poging’ niet is voltooid doordat de cocaïne is onderschept en dat dit buiten de wil v/d verdachten lag. Zo trekt hij het in de sfeer van vrijwillige terugtred, zo lijkt het. Maar dat snijdt hier geen hout. De essentie van alle jurisprudentie is dat er geen begin van uitvoering is, zolang de coke niet in de container met als eindbestemming Antwerpen zit, aan boord is gebracht en daadwerkelijk weg is gevaren.
Kortom: gelet op de jurisprudentie hierover, is er onder de gegeven omstandigheden nog geen sprake van een strafbare poging in de zin van artikel 45 Sr. Dat betekent dat het onder 2 primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden.
Mocht u desondanks menen dat er wel degelijk sprake is van een poging tot het binnen Nederlands grondgebied brengen van 550 kilo cocaïne, dan luidt mijn standpunt dat niet bewezen kan worden dat cliënt een rol heeft gespeeld die van voldoende gewicht is geweest om hem als medepleger hiervan aan te merken. In dit verband wijs ik ten eerste op de opmerking van [betrokkene 13] , die zegt dat ze niet met [betrokkene 22] (oftewel cliënt) in zee moeten gaan.
Opvallend is dat de rechtbank cliënt wel als medepleger van feit 2 heeft aangemerkt, maar hem heeft vrijgesproken van feit 3. Het kan immers moeilijk gezegd worden dat cliënt in de periode van feit 2 veel meer in beeld is gekomen dan in de periode van feit 3. Alleen al daarom had hij ook van feit 2 vrijgesproken moeten worden.
De rechtbank komt desalniettemin tot de conclusie dat de betrokkenheid van cliënt verder gaat dan enkel op de hoogte gehouden worden, zoals het standpunt van de verdediging heel kort samengevat luidt. Dat zou volgen uit mededelingen van cliënt zelf in gesprekken die volgens de rechtbank te relateren zijn aan het regelen van transporten van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek.
De rechtbank overweegt in dit kader het volgende. Daar waar [betrokkene 2] cliënt vertelt dat de kleine klaar was maar de andere niet, regeert cliënt met 'oh, nu ligt het aan ons' (25 februari 2013). In een gesprek van 22 maart 2013 zegt cliënt: 'ik hoop dat het een beetje opschiet met die kleine. In het gesprek van 2 april 2013 waarin [betrokkene 2] aangeeft dat iets niet helemaal rond was, vraagt cliënt: Wie? Wij of hun? Op 3 mei 2013 zegt cliënt: Wij zijn nog met andere dingen bezig, maar eentje is helemaal mis gegaan. Aan [betrokkene 35] zou cliënt op 6 juni 2013 volgens de rechtbank verteld hebben dat hij een inkomst in Antwerpen heeft die hem 25 % aan douane kost. Eentje was gigantisch fout gegaan. Cliënt geeft in dat gesprek aan dat het heel lang geen probleem was, maar dat het bij de grote dingen mis ging. Het door cliënt genoemde percentage van 25 % is volgens de rechtbank in lijn met de 30 % die [betrokkene 8] noemt als percentage dat gevraagd wordt door havenmedewerkers waaronder politieagenten om het spul eruit te halen (26 mei 2013).
Daarnaast blijkt volgens de rechtbank dat cliënt wel degelijk een financieel belang had bij een succesvolle afwikkeling van het transport. De rechtbank verwijst hiervoor onder andere naar het gesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 8] van 28 januari 2013 waarin [betrokkene 8] zegt dat het veiliger is als cliënt op Bonaire blijft en pas als alles achter de rug is zijn centjes komt ophalen.
In het voorgaande kwam al aan de orde dat uit de huidige lijn van de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat niet de juridische kwalificatie als uitvoeringshandeling de doorslag geeft, maar de feitelijke bijdrage die verdachte aan de invoer heeft geleverd. Als de gedraging van de verdachte feitelijk geen enkel gewicht in de schaal heeft gelegd, dan kan die gedraging volgens annotator Rozemond niet als een vorm van medeplegen van invoeren worden gekwalificeerd. Dat wordt bevestigd door advocaat-generaal Hofstee in zijn conclusie over verlengde invoer uit 2019. Het komt mij voor dat dit vanzelfsprekend ook voor een poging tot invoer geldt.
Cruciaal in deze zaak is dat er uit de hele periode tussen 1 november 2012 en 14 april 2013 niet één handeling of opmerking van cliënt in het dossier terug te vinden is waaruit blijkt dat hij daadwerkelijk enig gewicht in de schaal heeft gelegd bij de poging tot invoer van de betreffende cocaïne. Ook uit de door de rechtbank genoemde uitspraken blijkt dat mijns inziens niet. Dat cliënt ergens van op de hoogte was, zou men op basis daarvan gerust kunnen stellen. Maar dat hij daadwerkelijk een feitelijke bijdrage heeft geleverd, waar die bijdrage dan uit bestond en hoe substantieel die bijdrage was, blijkt juist niet uit het dossier- ook niet uit de opmerkingen die de rechtbank heeft geciteerd. De opmerkingen van cliënt die de rechtbank opsomt, te weten:
‘oh, nu ligt het aan ons’
[...]. ‘ik hoop dat het een beetje opschiet met die kleine"
[...] Wie? Wij of hun?
[...] Wij zijn nog met andere dingen bezig, maar eentje is helemaal mis gegaan
herbergen geen enkele concrete bijdrage van cliënt in zich, waaruit afgeleid zou kunnen worden dat hij daadwerkelijk een rol van betekenis in het geheel heeft gespeeld.
Daarbij merk ik op dat 25% mijns inziens niet in lijn is met 30%, dat scheelt een flinke slok op een borrel -zeker als het om grote bedragen gaat. Bovendien is er geen enkel direct contact vastgesteld tussen cliënt en medewerkers uit de haven van Antwerpen, opmerkingen hieromtrent tegen [betrokkene 35] ten spijt.
Het kan niet met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat als cliënt zegt dat 'er eentje is misgegaan’ en dat ‘de grote dingen misgaan’, dit betrekking heeft op de cocaïne die op 14 april 2013 in beslag is genomen. Zo groot is die hoeveelheid namelijk nou ook weer niet, terwijl er uit het dossier blijkt dat er ook andere transporten in beslag zijn genomen.
Ook de overweging dat cliënt volgens de rechtbank wel degelijk een financieel belang had bij een succesvolle afwikkeling van het transport, snijdt geen hout. De rechtbank verwijst hiervoor onder andere naar het gesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 8] van 28 januari 2013, waarin [betrokkene 8] zegt dat het veiliger is als cliënt op Bonaire blijft en pas als alles achter de rug is zijn centjes komt ophalen. Als cliënt pas mag komen als alles achter de rug is, dan is de conclusie mijns inziens gerechtvaardigd dat hij juist geen uitvoeringshandelingen verricht. Bovendien kan uit diverse gesprekken worden afgeleid dat cliënt en [betrokkene 2] hier juist geen geld in hadden gestoken. De rechtbank heeft deze gesprekken ten onrechte niet betrokken bij de overwegingen.
In de OVC van 18 april 2013 wordt bijvoorbeeld besproken dat het ‘hun’ schuld is, omdat het daar gebeurd is (p. 952). Verder wordt het volgende besproken:
R: En... hun zijn helemaal weg ervan?
J: Ja, ja, hun hebben daarvoor betaald he.
R: Ja, hadden ze al betaald?
Cliënt en [betrokkene 2] hebben kennelijk niets betaald, oftewel hier niet in geïnvesteerd, wat betekent dat deze lading in ieder geval niet van hen was. [betrokkene 2] heeft vandaag ter terechtzitting verklaard dat cliënt geen geld heeft verloren.
Op 26 mei 2013 spreken cliënt en [betrokkene 8] met elkaar via Skype. Dan zegt [betrokkene 8] onder meer het volgende:
Bij mij hebben wij een een ehh... klap gekregen. Maar bij mij dan niet bij jullie niet... bij die [betrokkene 1]
Het is duidelijk dat gezegd wordt dat het mislukte transport geen klap is voor cliënt. Met andere woorden: hiermee wordt nog eens bevestigd dat dit niet van cliënt was en hij geen strafrechtelijk relevante betrokkenheid had.
In mijn pleidooi in eerste aanleg heb ik van pagina 29 (derde alinea) tot en met pagina 34 (vijfde alinea) in het kader van de meer subsidiair tenlastegelegde voorbereidingshandelingen uitgebreid betoogd dat op basis van het dossier niet gesproken kan worden van een intellectuele of materiële bijdrage van cliënt aan de voorbereidingshandelingen, laat staan dat deze van voldoende gewicht is. Dit geldt uiteraard onverkort voor een veronderstelde bijdrage van cliënt aan de beweerdelijke poging.
Resumerend heb ik in eerste aanleg uiteengezet dat cliënt in de periode van feit 2 -die overigens ruim een half jaar bedraagt - slechts zeven keer contact heeft gehad met [betrokkene 2] via Skype en niet één keer met andere verdachten uit dit onderzoek. In die gesprekken informeert hij hoogstens naar de stand van zaken en wordt hij enigszins bijgepraat, maar meer ook niet. In geen enkel gesprek geeft hij [betrokkene 2] opdrachten, advies, inlichtingen of instructies. Hij zegt niet wat hij of de anderen moeten doen of hoe ze dat moeten doen. De coördinerende en sturende rol die het OM cliënt toedicht, blijkt op geen enkele wijze uit deze skypegesprekken. Overigens zegt [betrokkene 2] ook niet tegen cliënt dat hij iets moet doen en hoe hij dat dan zou moeten doen. Uit de OVC tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 8] van 28 januari 2013 blijkt echter zonneklaar wat cliënt moet doen: wegblijven en verder niks. Pas als alles achter de rug is, is hij welkom. Dat kan mijns inziens toch bezwaarlijk als een bijdrage van voldoende gewicht aan een poging tot invoer worden beschouwd. Een bijdrage achteraf kan immers slechts in uitzonderlijke gevallen als medeplegen worden gekwalificeerd, het enkele ophalen van centjes lijkt mij niet zo’n uitzonderlijk geval.
Voorts is het van groot belang dat uit de rest van het dossier, zoals bijvoorbeeld opgenomen conversaties van zijn medeverdachten of onderschepte telecommunicatie, niet blijkt dat de anderen instructies hebben gehad van cliënt of iets dergelijks of dat cliënt ergens mee bezig was of moest doen.
Kortom: als u tot het oordeel komt dat er wel degelijk sprake is van een strafbare poging tot het binnen Nederlands grondgebied brengen van 550 kilo cocaïne, dan luidt mijn standpunt dat op basis van het dossier niet vastgesteld kan worden dat cliënt daaraan een bijdrage heeft geleverd die van voldoende gewicht is om hem als medepleger aan te kunnen merken.
Het onder 2 primair tenlastegelegde kan, gelet op al het voorgaande, niet bewezen worden. Daarom verzoek ik u cliënt daarvan vrij te spreken.’
8. Uit de in hoger beroep overgelegde pleitnota blijkt dat de raadsman heeft verzocht pagina’s uit de in eerste aanleg overgelegde pleitnota ‘als herhaald, ingelast en ook voorgedragen te beschouwen’. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting blijkt niet dat het hof daarmee heeft ingestemd. Dat brengt mee dat geen rechtsregel het hof verplichtte te beslissen op hetgeen in de in eerste aanleg overgelegde pleitnota is opgenomen.3
Bespreking van het eerste middel
9. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof bij de verwerping van het ten aanzien van feit 2 gevoerde bewijsuitsluitingsverweer wegens het onrechtmatig afluisteren van vertrouwelijke gesprekken in de woning van de verdachte is uitgegaan van de onjuiste rechtsopvatting dat aan niet gerechtvaardigde inbreuken op artikel 8 EVRM nooit het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting kan worden verbonden, althans dat de verwerping van dit verweer ontoereikend is gemotiveerd nu het hof niet kenbaar aandacht heeft besteed aan het geldende toetsingskader, in het bijzonder de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren en het subsidiariteitsvereiste.
10. Blijkens de pleitnota heeft de raadsman een verweer gevoerd dat ertoe strekt dat de processen-verbaal van de OVC-gesprekken die in de woning van de verdachte op Bonaire zijn opgenomen van het bewijs worden uitgesloten. Het hof heeft dit verweer verworpen. Volgens het hof zou het aannemen van het door de verdediging gestelde verzuim betekenen dat de verdachte is geschonden in een belang dat het in artikel 8 EVRM gegarandeerde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer beoogt te beschermen. Het hof overweegt dat een zodanige inbreuk niet zonder meer ook een inbreuk op de in artikel 6 EVRM vervatte waarborg van een eerlijk proces oplevert. Aan niet gerechtvaardigde inbreuken op artikel 8 EVRM behoeft in de regel niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting te worden verbonden, mits het recht van verdachte op een eerlijk proces zoals bedoeld in artikel 6 EVRM wordt gewaarborgd, aldus het hof. Naar het oordeel van het hof is gesteld noch anderszins gebleken dat verdachtes recht op eerlijk proces in deze in geschonden en is bewijsuitsluiting dus niet aan de orde.
11. In HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169 m.nt. Jörg overwoog Uw Raad onder meer het volgende:
‘2.1.2 De Hoge Raad heeft in onder meer zijn arresten HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 uiteengezet wanneer sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv en aan welke (wettelijke) voorwaarden moet worden voldaan voordat toepassing kan worden gegeven aan één van de in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen. Naar aanleiding van de bespreking in de conclusie van de advocaat-generaal van deze en andere rechtspraak over artikel 359a Sv merkt de Hoge Raad het volgende op.
(...)
Gelet op het voorgaande ziet de Hoge Raad geen aanleiding substantiële wijzigingen aan te brengen in het beoordelingskader zoals dat volgt uit de onder 2.1.2 genoemde arresten. Wel zal de Hoge Raad de precieze formulering van enkele daarin opgenomen maatstaven nuanceren of bijstellen. Dat betreft in de eerste plaats de beperking tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. In de tweede plaats gaat het om de – gelet op het hiervoor genoemde uitgangspunt van subsidiariteit ook in deze volgorde te bespreken – toepassingsvoorwaarden voor de rechtsgevolgen strafvermindering, bewijsuitsluiting respectievelijk niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Ook met deze nuanceringen en bijstellingen blijven de in eerdere rechtspraak neergelegde oordelen over de toepassing van artikel 359a Sv in concrete gevallen van betekenis. Tot slot maakt de Hoge Raad enkele opmerkingen over de beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren die strekken tot toepassing van artikel 359a Sv.
Vormverzuimen “bij het voorbereidend onderzoek” en daarbuiten
De toepassing van artikel 359a Sv is onder meer beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. Op grond van artikel 132 Sv moet daaronder worden verstaan het onderzoek dat voorafgaat aan de behandeling ter terechtzitting. Onder die vormverzuimen zijn in het bijzonder ook begrepen normschendingen bij de opsporing. Daarbij dient op grond van artikel 132a Sv onder opsporing te worden verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.
Daarnaast heeft “het voorbereidend onderzoek” in artikel 359a Sv uitsluitend betrekking op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR: 2004:LJN AM2533, rechtsoverweging 3.4.2 en HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:706, rechtsoverweging 4.3.)
Deze begrenzing tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte, sluit echter niet uit dat de vraag aan de orde kan komen of een rechtsgevolg moet worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. In dit verband kan worden gedacht aan het verzuim van de officier van justitie om tijdig op grond van artikel 311 lid 1 Sv het voornemen tot het indienen van de ontnemingsvordering en/of het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek kenbaar te maken (HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN2297 en HR 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251), het gebruik van de resultaten van het door een inlichtingen- en veiligheidsdienst ingestelde onderzoek (HR 15 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP7544) en het optreden van een particuliere beveiliger (HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7501). Genoemd kan ook worden de rechtspraak waarin met betrekking tot onderzoek dat is verricht onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, is aanvaard dat de Nederlandse strafrechter mag onderzoeken of het gebruik van de resultaten van dat onderzoek in overeenstemming is met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM (HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629).
Uit deze en andere rechtspraak van de Hoge Raad die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 76-99 is besproken, volgt dat onder omstandigheden een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim door een ambtenaar die met opsporing en vervolging is belast, maar dat niet is begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte zoals bedoeld in 2.2.1, of aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte door een andere functionaris of persoon dan zo’n opsporingsambtenaar. In deze rechtspraak worden criteria aangelegd die naar de bewoordingen niet steeds gelijkluidend zijn, maar waarin als algemene overkoepelende maatstaf besloten ligt dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit. In een dergelijk geval is de beantwoording van de vraag of een rechtsgevolg wordt verbonden aan het vormverzuim of de onrechtmatige handeling, en zo ja: welk rechtsgevolg, mede afhankelijk van de aard en de ernst van dat verzuim of die handeling. Daarbij kan aansluiting worden gezocht bij de maatstaven die in de rechtspraak van de Hoge Raad zijn ontwikkeld met betrekking tot de verschillende rechtsgevolgen die aan een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv kunnen worden verbonden.
(...)
Bewijsuitsluiting
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 drie categorieën van gevallen onderscheiden waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Allereerst gaat het om gevallen waarin het uitsluiten van bepaalde resultaten van het opsporingsonderzoek van het gebruik voor het bewijs, noodzakelijk is om een schending van artikel 6 EVRM te voorkomen. Deze categorie blijft onverkort bestaan.
De Hoge Raad komt wel tot een wijziging met betrekking tot de twee andere categorieën van gevallen die zijn benoemd in het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321. Daarin gaat het om de volgende gevallen waarin bewijsuitsluiting aan de orde kan zijn:
- “gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar sprake is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden” en “toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk (kan) worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm”, alsmede
- “de – zeer uitzonderlijke – situatie (waarin het verzekeren van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM de rechter niet noopt tot toepassing van bewijsuitsluiting en evenmin sprake is van een op zichzelf reeds zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht van de verdachte, maar) waarin het desbetreffende vormverzuim naar uit objectieve gegevens blijkt zozeer bij herhaling voorkomt dat zijn structureel karakter vaststaat en de verantwoordelijke autoriteiten zich, vanaf het moment waarop dit structurele verzuim hun bekend moet zijn geweest, onvoldoende inspanningen hebben getroost overtredingen van het desbetreffende voorschrift te voorkomen”.
In het arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 kent elk van die twee categorieën een afzonderlijk beoordelingskader, met ook specifiek daaraan verbonden eisen met betrekking tot het stellen en onderbouwen van de voor de beoordeling relevante omstandigheden. De Hoge Raad is nu van oordeel dat kan worden volstaan met het navolgende gemeenschappelijke, meer globale beoordelingskader, omdat deze twee categorieën in de praktijk niet steeds goed te scheiden zijn en toepassing daarvan als te complex wordt ervaren.
Dit gemeenschappelijke beoordelingskader ziet op gevallen waarin sprake is van een vormverzuim waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar waarbij het gaat om de schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. In die gevallen geldt als belangrijk uitgangspunt dat de omstandigheid dat de verkrijging van onderzoeksresultaten gepaard is gegaan met een vormverzuim dat betrekking heeft op een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan het recht op een eerlijk proces, niet eraan in de weg staat dat die resultaten voor het bewijs van het tenlastegelegde feit worden gebruikt. Is echter sprake van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel, dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden en daarmee als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Of daartoe grond bestaat, beoordeelt de rechter aan de hand van de in artikel 359a lid 2 Sv genoemde beoordelingsfactoren en met inachtneming van het onder 2.1.3 genoemde uitgangspunt van subsidiariteit. In het bijzonder dient de rechter te beoordelen of het vormverzuim zodanig ernstig is dat niet met strafvermindering kan worden volstaan, maar bewijsuitsluiting gerechtvaardigd is. Daarbij moet acht worden geslagen op de negatieve effecten die aan bewijsuitsluiting zijn verbonden, gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, van de vervolging en berechting van (mogelijk zeer ernstige) strafbare feiten, en in voorkomend geval van de rechten van slachtoffers. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.
Los van de hiervoor genoemde gevallen waarin bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, is er grond voor bewijsuitsluiting indien zich onregelmatigheden hebben voorgedaan die de betrouwbaarheid en accuraatheid van onderzoeksresultaten wezenlijk hebben aangetast. In dat geval berust bewijsuitsluiting niet op de toepassing van artikel 359a Sv, maar vloeit die uitsluiting rechtstreeks voort uit de regel dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen verklaard, alleen dat bewijsmateriaal gebruikt dat hij betrouwbaar en bruikbaar vindt.’
12. Uit deze overwegingen volgt dat Uw Raad ook buiten de gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces aan de orde is, ruimte voor bewijsuitsluiting ziet. Die ruimte ziet Uw Raad in gevallen waarin sprake is van een ‘ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel’. Of in dat geval grond bestaat voor bewijsuitsluiting, dient de rechter te beoordelen aan de hand van de in artikel 359a, tweede lid, Sv genoemde beoordelingsfactoren en het uitgangspunt van subsidiariteit. Uit de overwegingen van Uw Raad valt niet af te leiden dat van een dergelijke ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel geen sprake kan zijn indien dit voorschrift of rechtsbeginsel strekt ter bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
13. ’s Hofs oordeel dat bewijsuitsluiting niet aan de orde is omdat niet is gesteld of anderszins is gebleken dat verdachtes recht op een eerlijk proces in deze is geschonden getuigt in dit licht van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel klaagt hierover terecht. De vraag is vervolgens of het slagen van het middel tot cassatie dient te leiden.
14. Het hof heeft het verweer van de raadsman aldus samengevat dat het beroep op bewijsuitsluiting op twee gronden berust. In de eerste plaats zou niet blijken dat de Centrale Toetsingscommissie advies heeft uitgebracht en dat het College van Procureurs-Generaal de vereiste goedkeuring heeft verleend. In de tweede plaats zou niet blijken dat de rechter-commissaris de vereiste machtiging heeft afgegeven.
15. Ik stel voorop dat de toepassing van de onderhavige bijzondere opsporingsbevoegdheid heeft plaatsgevonden op Bonaire. Het openbaar ministerie van de landen Curaçao, Sint Maarten en Nederland voor zover het betreft Bonaire, Sint Eustatius en Saba staat onder leiding van de procureur-generaal in Curaçao.4 Dat brengt mee dat de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden niet geldt voor Bonaire, dat (derhalve) niet op grond van die aanwijzing advies behoefde te worden ingewonnen bij de Centrale Toetsingscommissie, en dat geen toestemming behoefde te worden gegeven door het College van procureurs-generaal.
16. Ten overvloede merk ik het volgende op. De Aanwijzing opsporingsbevoegdheden die in de bewezenverklaarde periode van kracht was, trad op 1 maart 2011 in werking.5 Deze aanwijzing schreef als ‘uitgangspunt’ voor dat de officier van justitie, alvorens hij een machtiging van de rechter-commissaris vorderde om een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie te geven, ‘eerst toestemming dient te verkrijgen binnen de OM-lijn. (...) In geval van woningen zal het College, na advies van de Centrale Toetsingscommissie (hierna: CTC), toestemming moeten geven’ (par. 2.5). Naar het mij voorkomt levert de enkele omstandigheid dat een machtiging van de rechter-commissaris is gevorderd zonder dat daarvoor ‘binnen de OM-lijn’ toestemming is verkregen, geen (ernstige) schending van een strafvorderlijk voorschrift op die tot bewijsuitsluiting kan leiden. Het gaat hier niet om een wettelijke waarborg die met het recht op eerbiediging van het privéleven verband houdt, maar om een regel die ertoe strekt zorgvuldige besluitvorming binnen het openbaar ministerie te bevorderen. Daarbij laat de aanwijzing blijkens de term ‘uitgangspunt’ de mogelijkheid van uitzonderingen open.
17. Een en ander ligt anders bij de machtiging van de rechter-commissaris. Deze machtiging betreft een wettelijke waarborg die in het teken staat van het recht op eerbiediging van het privéleven. Mede in het licht van de ernst van de inbreuk die door het opnemen van vertrouwelijke communicatie in een woning op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer wordt gemaakt, kan de mogelijkheid dat het ontbreken van een machtiging tot bewijsuitsluiting dient te leiden niet categorisch worden uitgesloten.6
18. Uit de pleitnota volgt dat de raadsman ook in eerste aanleg een verweer strekkend tot bewijsuitsluiting heeft gevoerd. De rechtbank heeft dit verweer op andere grond verworpen dan het hof. De rechtbank overwoog dat gelijktijdig aan het onderzoek ‘Wolf’ op Bonaire het onderzoek ‘Kampala’ liep en dat de OVC-apparatuur in het kader van dat laatste onderzoek in de woning van de verdachte is geplaatst. Vervolgens zijn de ‘opbrengsten van dit onderzoek’, aldus de rechtbank, in het kader van interregionale rechtshulp overgedragen aan de officier van justitie in het onderzoek Wolf. Dat het overgedragen onderzoekopbrengsten betreft, maakt volgens de rechtbank dat ‘de BOB (Bijzondere Opsporings Bevoegdheden) map van het onderzoek Kampala (met daarin de bevelen en machtigingen ex artikel 177q van het Wetboek van Strafvordering BES) geen onderdeel uitmaakt van het dossier Wolf’.
19. In hoger beroep heeft de raadsman, blijkens de pleitnota, tegen deze motivering ingebracht dat sprake was van ‘één locatie-overstijgend gemeenschappelijk onderzoeksteam’, dat in de rechtshulpverzoeken het rechtstreekse telefoonnummer van de bureauchef Georganiseerde Criminaliteit/Euregionaal Opsporingsteam staat en dat in het proces-verbaal van het Recherche Samenwerkingsteam met betrekking tot de huiszoeking bij de verdachte en een proces-verbaal van correctie als onderzoeksnaam ‘Wolf’ staat in plaats van Kampala. Er zou sprake zijn van ‘nauwe en directe samenwerking tussen de onderzoeksteams Wolf en Kampala, waardoor ze feitelijk niet of nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn’. De raadsman bestrijdt niet dat de OVC-apparatuur in het kader van het onderzoek ‘Kampala’ in de woning van verdachte is geplaatst en dat de opbrengsten van dit onderzoek in het kader van interregionale rechtshulp zijn overgedragen aan de officier van justitie in het onderzoek Wolf.
20. Waar het in dit licht – meen ik – bij het beoordelen van het belang bij cassatie op aankomt, is of uitgaande van deze gang van zaken met de rechtbank kan worden geoordeeld dat de map met bevelen en machtigingen die gegeven zijn in het onderzoek Kampala geen onderdeel behoefde uit te maken van het dossier in de onderhavige zaak.
21. Vertrekpunt daarbij kan de regeling zijn die in het Wetboek van Strafvordering is opgenomen voor gevallen waarin gegevens die door toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid verkregen zijn in een ander onderzoek worden gebruikt. Uit artikel 126dd, eerste lid, Sv volgt dat de officier van justitie kan bepalen dat gegevens die zijn verkregen door (onder meer) het opnemen van vertrouwelijke communicatie kunnen worden gebruikt voor een ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe die bevoegdheid is uitgeoefend. Artikel 126dd, tweede lid, Sv maakt duidelijk dat de gegevens in dat geval in afwijking van artikel 126cc, tweede lid, Sv niet behoeven te worden vernietigd, ‘totdat het andere onderzoek is geëindigd’.7 Uit deze regeling volgt niet dat in geval de gegevens in een ander onderzoek worden gebruikt, ook de bijbehorende bevelen, vorderingen en machtigingen in het dossier van die andere strafzaak behoren te worden opgenomen.
22. Artikel 177kc Sv BES is wat anders geredigeerd. Uit het eerste lid volgt dat de officier van justitie schriftelijk kan bepalen ‘dat gegevens die zijn verkregen door toepassing van een bevoegdheid als bedoeld in titel XVIII en XIX, kunnen worden gebruikt voor een ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend. De bevoegdheid om te bevelen dat een opsporingsambtenaar vertrouwelijke communicatie opneemt is geregeld in artikel 177q Sv BES, dat in titel XVIII is opgenomen. Artikel 177kc, tweede lid, Sv BES bepaalt net als artikel 126dd, tweede lid, Sv dat de gegevens bij toepassing van het eerste lid niet behoeven te worden vernietigd ‘totdat het andere onderzoek is geëindigd’. Maar het derde lid geeft een aanvullende regel: ‘Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid worden alle stukken, die betrekking hebben op de uitoefening van de betreffende bevoegdheid bij de processtukken van de nieuwe zaak gevoegd.’ Dat lijkt erop te duiden dat ook de bevelen, vorderingen en machtigingen in het dossier van de andere strafzaak dienen te worden gevoegd. Uit de memorie van toelichting bij deze bepaling kan evenwel niet worden afgeleid dat het de bedoeling is geweest van artikel 126dd Sv af te wijken.8 En wat daar ook van zij: de vraag of de machtigingen in het dossier hadden moeten zitten dient in dit geval niet op grond van Sv BES te worden beantwoord.
23. Uit artikel 359a Sv volgt dat de rechter ‘indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld’ daar onder omstandigheden nader omschreven rechtsgevolgen aan kan verbinden. Uw Raad overwoog in een arrest van 30 maart 2004 dat het ‘voorbereidend onderzoek’ uit artikel 359a Sv alleen betrekking heeft ‘op het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte terzake het aan hem tenlastegelegde feit waarover de rechter die in artikel 359a Sv wordt bedoeld, heeft te oordelen. Artikel 359a Sv is dus niet van toepassing indien het verzuim is begaan buiten het verband van dit voorbereidend onderzoek. Dat doet zich onder meer voor als het vormverzuim is begaan in het voorbereidend onderzoek inzake een ander dan het aan de verdachte tenlastegelegde feit’.9
24. In het eerdergenoemde arrest van 1 december 2020 heeft Uw Raad verduidelijkt dat deze begrenzing niet uitsluit dat een rechtsgevolg kan worden verbonden aan een onrechtmatige handeling jegens de verdachte die buiten het bereik van artikel 359a Sv ligt. Uw Raad heeft daarbij als overkoepelende maatstaf geformuleerd ‘dat een rechtsgevolg op zijn plaats kan zijn indien het betreffende vormverzuim of de betreffende onrechtmatige handeling van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit’ (rov. 2.2.2).
25. Bij deze benadering past dat het ontbreken van een machtiging van de rechter-commissaris voor een bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie in het ene onderzoek gevolgen kan hebben in de strafzaak die in het andere onderzoek met gebruikmaking van de resultaten van dat opnemen van vertrouwelijke communicatie is voorbereid. Daarin zou aanleiding kunnen worden gevonden om te eisen dat de rechtmatigheid van het opnemen van vertrouwelijke communicatie in die andere strafzaak ook op dezelfde wijze moet kunnen worden gecontroleerd, en dat de machtiging van de rechter-commissaris derhalve in het dossier dient te worden gevoegd.10 Naar het mij voorkomt zijn er evenwel goede redenen om deze consequentie niet te trekken. Die redenen zijn gelegen in de omstandigheid dat de controle op de rechtmatigheid van het opnemen van de vertrouwelijke communicatie gewoonlijk ook kan plaatsvinden in de strafzaak die is voorbereid in het onderzoek waarin de machtiging is afgegeven. In dat licht meen ik dat voor het voegen van de rechterlijke machtiging in het andere onderzoek in beginsel eerst aanleiding kan zijn als de verdachte en zijn raadsman (nog) geen kennis hebben kunnen nemen van de processtukken in de zaak waarin de machtiging is gegeven, of als die kennisneming het – onderbouwde – vermoeden heeft doen ontstaan dat er daadwerkelijk reden is aan de rechtmatigheid van het opnemen van vertrouwelijke communicatie te twijfelen.11
26. In de onderhavige zaak heeft de raadsman in hoger beroep alleen aangevoerd dat de rechterlijke machtiging niet in het dossier zit. De raadsman heeft niet aangevoerd dat – kennisneming van de stukken in het onderzoek Kampala leert dat – geen rechterlijke machtiging is afgegeven. De steller van het middel beklaagt zich niet over de afwijzing van een verzoek om van de stukken in het onderzoek Kampala kennis te mogen nemen dan wel die stukken in het dossier te voegen. De enkele omstandigheid dat (afschriften van) de rechterlijke machtiging(en) niet in het dossier zit(ten) leidt bij die stand van zaken naar het mij voorkomt niet tot bewijsuitsluiting.
27. Een en ander brengt mee dat het hof het verweer strekkend tot bewijsuitsluiting slechts had kunnen verwerpen. Het eerste middel leidt daarom niet tot cassatie.
Bespreking van het tweede middel
28. Het tweede middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat – ondanks de omstandigheid dat de partij cocaïne de container met deklading niet bereikt heeft en dus ook nog niet was verscheept richting Antwerpen – sprake is van het voor een strafbare poging vereiste begin van uitvoering en het onder 2 primair tenlastegelegde dus kan worden bewezen, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd is, nu de in dit verband door het hof vastgestelde handelingen van de verdachten naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet reeds gericht waren op de voltooiing van het binnen Nederlands grondgebied brengen van de cocaïne.
29. In de bewijsmotivering stelt het hof vast dat de partij cocaïne die op 15 april 2013 door de Dominicaanse autoriteiten in beslag is genomen ‘bestemd was’ voor de groepering waar de verdachte deel van uitmaakte. Het hof stelt ook vast dat deze partij ‘met als deklading de travertin tegels verscheept had moeten worden in de container met nummer SUDU 673277-5’ en dat ‘de partijen travertin tegels enkel als deklading bedoeld waren’. De conclusie van het hof is ‘dat de inspanningen van de groepering rond het bestellen van containers vanuit de Dominicaanse Republiek gericht waren op de invoer van cocaïne’. Het hof oordeelt vervolgens dat ‘ondanks de omstandigheid dat deze partij cocaïne de container met deklading niet bereikt heeft en dus ook nog niet was verscheept richting Antwerpen, er sprake is van het voor de strafbare poging vereiste begin van uitvoering’. Aan dit oordeel legt het hof ten grondslag dat de verdachten op de Dominicaanse Republiek contacten hebben gelegd en onderhouden om de cocaïne geleverd te krijgen, dat voor de bestelling van de deklading een firma is geregeld die onder de invloedsfeer van het samenwerkingsverband viel, dat de deklading was besteld en betaald en klaarstond in de haven zodat de cocaïne daarin kon worden verstopt. Naar het oordeel van het hof zijn deze handelingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op de voltooiing van het misdrijf en was er derhalve reeds een begin van uitvoering. Het hof overweegt in dit verband dat het ‘startpunt van het vertrek van de lading – en daarmee het startpunt van de invoer van de lading richting de haven van Antwerpen – (...) het moment (is) dat de lading van de plek waar deze is opgeslagen richting de haven wordt vervoerd en niet pas het moment waarop het schip de haven van Caucedo verlaat’ en dat het vaststaat dat ‘de lading op de snelweg is onderschept toen deze per vrachtwagen naar de haven van Caucedo werd vervoerd’.
30. De steller van het middel voert aan dat de door het hof vastgestelde gedragingen van de verdachten niet in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van de invoer van drugs binnen Nederlands grondgebied voor bewezenverklaring van de poging. Hierbij neemt hij in aanmerking dat de verdovende middelen nog niet met de boot onderweg waren naar Antwerpen en dat uit de bewijsvoering niet blijkt dat de middelen zich al in de machtssfeer van de verdachten bevonden toen deze in het land van herkomst vanaf de opslagplek naar de haven werden vervoerd. Dat de intentie van de verdachten was gericht op de invoer van cocaïne in de haven van Antwerpen blijkt wellicht toereikend uit de gebezigde bewijsmiddelen, maar daarmee is een begin van uitvoering van die invoer nog niet gegeven, aldus de steller van het middel. Hij beroept zich onder meer op HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:975, NJ 2020/244. Uit dit arrest zou kunnen worden afgeleid dat het door de leverancier laten klaarzetten van een partij verdovende middelen ter uitvoer niet zonder meer een begin van uitvoering van de invoer daarvan in een ander land behelst. Volgens de steller van het middel is de onderhavige zaak vergelijkbaar met de casus uit dat arrest, in die zin dat ook in deze zaak de cocaïne nog niet onderweg was naar het land van bestemming, terwijl het hof verder slechts heeft vastgesteld dat de deklading was besteld en betaald en klaarstond in de haven zodat de cocaïne daarin verstopt kon worden, maar niet dat die cocaïne al eigendom was van de groep verdachten. Derhalve zou niet kunnen worden gezegd dat de verdovende middelen zich al in de machtssfeer van de betreffende verdachten bevonden op het moment dat deze inbeslaggenomen werden. Dit brengt volgens de steller van het middel mee dat ’s hofs oordeel dat het delict reeds aanving op het moment dat de drugs in de vrachtwagen werden vervoerd richting de haven in de Dominicaanse Republiek, niet zonder meer begrijpelijk is.
31. Bij de beoordeling van het middel kan het volgende worden vooropgesteld. Poging tot misdrijf is strafbaar, wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard (art. 45, eerste lid, Sr). Van een dergelijk begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf is, volgens vaste rechtspraak van Uw Raad, sprake ‘indien de bewezenverklaarde feitelijke handelingen kunnen worden beschouwd als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm moeten worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het misdrijf’.12 Een belangrijke beoordelingsfactor is volgens Uw Raad ‘hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.’13
32. In de onderhavige zaak betreft het voorgenomen misdrijf het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 550 kilo cocaïne, hetgeen strafbaar is gesteld in artikel 10, vijfde lid, Opiumwet in verbinding met artikel 2, onder A, Opiumwet (en de bij die wet behorende lijst I). Artikel 1, vierde lid, Opiumwet bevat een uitbreidende definitie van het in de delictsomschrijving voorkomende bestanddeel ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’: hieronder is begrepen ‘het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn’. Bij de beoordeling van het middel komt het derhalve aan op de vraag wanneer bij de invoer van harddrugs, in de ruime betekenis die artikel 1, vierde lid, Opiumwet aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen geeft, sprake is van een begin van uitvoering.
33. In dit verband wijs ik eerst op twee oude arresten van Uw Raad. In HR 15 februari 1915, ECLI:NL:HR:1915:39, NJ 1915, p. 481 was de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot het uitvoeren van een zwart ruinpaard uit Nederland naar Duitsland. Het hof had vastgesteld dat de verdachte met het paard de Duitse grens tot op ongeveer twintig meter was genaderd en dat de voorgenomen uitvoer van het paard naar Duitsland niet was voltooid door de komst van de marechaussee. In cassatie werd geklaagd dat niet kon worden gezegd dat de verdachte reeds een begin van uitvoering had gegeven aan het voorgenomen misdrijf. Uw Raad verwierp het cassatieberoep en overwoog hiertoe dat het uitvoeren van goederen ‘krachtens het algemeene spraakgebruik mede omvat het met voorzegde bedoeling ondernomen vervoer in de richting der grens’.
34. Bijna een jaar later liet Uw Raad zich uit over de vraag wanneer het vervoer van goederen richting de grens kon worden aangemerkt als een begin van uitvoering. In HR 3 januari 1916, ECLI:NL:HR:1916:137, NJ 1916, p. 595 had het hof vastgesteld dat de verdachte in een kastje op de locomotief van een voor vertrek naar Duitsland gereedstaande trein 5 kilogram rijst aanwezig had gehad. Het voorgenomen misdrijf was niet voltooid doordat de rijst werd ontdekt voor de trein vertrok. In cassatie werd geklaagd dat met het verbergen en het aanwezig hebben van de rijst op een stilstaande locomotief de voorgenomen uitvoer van de rijst naar Duitsland nog niet was aangevangen. A-G Besier stelde in zijn conclusie voor dit arrest dat van poging tot uitvoeren eerst sprake is ‘wanneer althans het vervoer in de richting naar de grens is begonnen’. Hij concludeerde tot vernietiging, aangezien de trein enkel gereedstond om te vertrekken; het vervoer was derhalve nog niet begonnen. Uw Raad overwoog echter dat het ‘uitvoeren’ is begonnen, ‘zoodra met gezegd vervoer een aanvang is gemaakt, hetgeen, bij gebruikmaking van een vervoermiddel, geacht kan worden het geval te zijn wanneer de goederen met het oog op de te maken reis daarin zijn ingeladen’. Uw Raad verwierp het cassatieberoep.
35. Van al wat recentere datum is HR 18 november 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9559, NJ 1987/276 m.nt. ’t Hart. Het hof had de verdachte veroordeeld wegens uitlokking van het medeplegen van een poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 10 kg heroïne. De bewezenverklaarde uitvoeringshandelingen waren het in Nederland kopen van een personenauto voor dit transport, het met die auto naar Turkije rijden, en het daar die auto in de handen van een ander spelen gevolgd door de retourvlucht van de een en de terugreis van de ander met de auto met heroïne. Het delict was niet voltooid, doordat de heroïne was ontdekt bij binnenkomst in Duitsland vanuit Oostenrijk. In cassatie werd geklaagd dat de bewezenverklaarde handelingen waren aan te merken als voorbereidingshandelingen en dat geen sprake was van een begin van uitvoering. A-G Meijers stelde in zijn conclusie bij dit arrest dat het geen twijfel leed dat deze handelingen, ‘in samenhang met elkaar en met de gemaakte afspraken beschouwd, als uitvoeringshandelingen kunnen worden aangemerkt’. Hij vond dat juist bij ‘een langetermijnoperatie als een in Nederland opgezet heroïnetransport van Turkije naar Nederland’ de feitenrechter het begin van uitvoering al in een vroeg stadium van het handelen kon aannemen. Uw Raad oordeelde dat het cassatiemiddel faalde en verwees daarbij naar de conclusie van de A-G.
36. In HR 15 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9971, NJ 2011/95 had het hof de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot invoer van heroïne. De toedracht die uit de bewijsmiddelen bleek, was dat de verdachte ‘geld, navigatiemateriaal en een GSM met SIM-kaart’ had ontvangen van een derde en dat hij ‘met een auto is afgereisd naar Roemenië en/of Hongarije met de bedoeling aldaar een hoeveelheid van 59 kg heroïne in ontvangst te nemen voor vervoer naar Nederland, maar dat hij onverrichterzake is teruggekeerd omdat hij de vrachtauto waarin de heroïne zich zou bevinden niet heeft kunnen vinden’. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat sprake was van een begin van uitvoering. In het licht van de geschetste toedracht overwoog Uw Raad dat ’s hofs oordeel dat sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van heroïne niet zonder meer begrijpelijk was en dat hieraan niet afdeed ‘dat de verdachte, zoals het Hof heeft overwogen, wel de intentie tot zodanige invoer van heroïne had’. In zijn conclusie voor dit arrest wees A-G Vellinga erop dat de verdachten, ondanks hun ‘op invoer gerichte inspanningen’ er helemaal niet in waren geslaagd de heroïne te bemachtigen en deze dus niet ‘in een voertuig (konden) brengen met bestemming Nederland’.
37. In HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1151 (art. 81, eerste lid, RO) had het hof de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot invoer van cocaïne. Het hof had vastgesteld dat de medeverdachte vanuit Nederland naar Suriname was gereisd met de bedoeling om op de terugreis cocaïne mee te nemen en in Nederland in te voeren. En dat zij dit had willen doen door het slikken van bolletjes. Zij had geprobeerd voor vertrek de bolletjes te slikken, maar dat was niet gelukt omdat zij moest overgeven en slijm en bloed opgaf. Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte de medeverdachte had geïnstrueerd om de bolletjes cocaïne te slikken en deze vanuit Suriname naar Nederland te brengen. In cassatie werd tevergeefs geklaagd dat nog geen sprake was geweest van een begin van uitvoering, omdat de medeverdachte nog niet daadwerkelijk de bolletjes tot zich had genomen en nog niet naar het vliegveld in Suriname was vertrokken. A-G Machielse merkte in zijn conclusie voor dit arrest op dat ‘een begin is gemaakt met een zeer directe en bijna uitsluitend op een dergelijke invoer gerichte activiteit, te weten het slikken van bolletjes cocaïne’. In dat licht getuigde ’s hofs oordeel volgens Machielse niet van een onjuiste rechtsopvatting en was het evenmin onbegrijpelijk.
38. In HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:575, NJ 2016/318 m.nt. Rozemond had het hof de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot invoer van hasjiesj. Het hof had vastgesteld dat de verdachte en haar mededaders een voertuig hadden gekocht en op naam gesteld, dat voertuig hadden laten voorzien van een dubbele bodem, zich ter beschikking hadden gesteld om als koerier verdovende middelen te vervoeren, door mededaders gegeven aanwijzingen hadden opgevolgd, het voertuig in ontvangst hadden genomen en dat voertuig naar Marokko hadden gereden. Het vertrek vanuit Marokko naar Nederland werd afgeblazen omdat de verdachte vermoedde dat een in Nederland ontdekt drugstransport een eerder uit Marokko vertrokken transport betrof dat werd uitgevoerd door een ander stel. In cassatie werd geklaagd dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, had geoordeeld dat sprake was van een begin van uitvoering. Uw Raad leidde uit ’s hofs overwegingen af dat het oordeel dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan een strafbare poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van hasjiesj bij uitstek erop was gebaseerd dat het begin van uitvoering was gesitueerd ‘op het moment dat de verdachte met een speciaal daartoe geprepareerde auto naar Marokko vertrok’. Uw Raad achtte dat oordeel ‘zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat ook van de overige bewezenverklaarde gedragingen niet kan worden gezegd dat deze naar hun uiterlijke verschijningsvorm reeds in voldoende concrete mate gericht waren op de voltooiing van de invoer in Nederland van hasjiesj’.
39. In HR 2 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:975, NJ 2020/244 – het arrest waar de steller van het middel zich op beroept – was de verdachte veroordeeld wegens het medeplegen van een poging tot invoer van cocaïne. Het hof had vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte contact hadden gezocht met een leverancier van cocaïne in Colombia, dat zij hadden onderhandeld over een concrete te leveren hoeveelheid te leveren cocaïne en dat daarbij een prijs was overeengekomen. Het hof had voorts vastgesteld dat de verdachte en de medeverdachte contact hadden onderhouden met de uiteindelijke afnemers van die cocaïne in Nederland, dat het bedrag was vastgesteld dat de verdachte voor zijn bemiddelende diensten zou ontvangen en dat de verdachte en de medeverdachte twee ontmoetingen hadden gehad met een pseudodienstverlener aan wie zij bij de tweede ontmoeting – door het tellen van een groot geldbedrag – hun kredietwaardigheid zouden aantonen. Tot slot had het hof vastgesteld dat de cocaïne reeds op zee dreef en dus al onderweg was naar Nederland. In cassatie werd geklaagd over ’s hofs oordeel dat sprake was van een begin van uitvoering en over ’s hofs vaststelling dat de cocaïne reeds op zee dreef en dus al onderweg was naar Nederland. Die laatste vaststelling achtte Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk, ‘nu uit de bewijsvoering niet meer kan worden afgeleid dan dat de partij op zee lag voor de kust van het land van herkomst’. Het oordeel van het hof dat sprake was van een begin van uitvoering van het binnen Nederland brengen van cocaïne was volgens Uw Raad niet zonder meer begrijpelijk omdat uit de bewijsvoering volgde dat ‘de kredietwaardigheid van de afnemers nog moest worden aangetoond, voordat de invoer van de cocaïne in Nederland daadwerkelijk (verder) in gang zou worden gezet.’
40. Arendse leidt uit zes arresten van Uw Raad, waarvan twee hiervoor zijn besproken, af dat ‘de volgende omstandigheden mogelijk relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een gedraging die naar uiterlijke verschijningsvorm in gericht op voltooiing van afleveren, vervoeren en binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van drugs:
- Het voornemen van de verdachte (gemaakte afspraken);
- Aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict;
- Het door de verdachte al (bijna) in zijn beschikkingsmacht hebben van het verboden voorwerp.’
Zij geeft aan dat de door haar bestudeerde rechtspraak geen uitsluitsel biedt over de vraag ‘of voor het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van drugs – in aanvulling op voornoemde omstandigheden – het maken van een reisbeweging (richting de grens) vereist is’.14
41. In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de partij cocaïne die was bestemd voor de groepering waarvan de verdachte deel uitmaakte reeds in de Dominicaanse Republiek is onderschept, toen deze op de snelweg per vrachtwagen werd vervoerd naar de haven van Caucedo. Het per vrachtwagen vervoeren van cocaïne in de Dominicaanse Republiek kan, naar het mij voorkomt, op zichzelf genomen niet worden beschouwd als een gedraging die naar haar uiterlijke verschijningsvorm is gericht op de voltooiing van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van die cocaïne. Daarvoor is die gedraging in tijd en plaats te ver verwijderd van voltooiing van het voorgenomen misdrijf. Ik neem daarbij in aanmerking dat, op het moment van onderschepping, de cocaïne zich op grote afstand van Nederland bevond, dat de vrachtwagen onderweg was naar de haven van Caucedo (en niet naar Nederland), dat de cocaïne niet was geladen in het transportmiddel dat de Nederlandse grens zou passeren en dat uit ’s hofs vaststellingen niet volgt dat het vervoer in de Dominicaanse Republiek plaatsvond door of onder de regie stond van de groepering waarvan de verdachte deel uitmaakte. In de vaststelling van het hof dat de partij cocaïne de container met deklading niet heeft bereikt en deze dus ook nog niet was verscheept richting Antwerpen, ligt bovendien besloten dat nog een betrekkelijk groot aantal handelingen had moeten worden verricht voordat de cocaïne de grens van Nederland zou zijn gepasseerd. In ieder geval had de vrachtwagen de haven van Caucedo moeten bereiken, had de cocaïne daar moeten worden overgeladen in de container met de deklading, die vervolgens had moeten worden geladen op het schip dat naar Antwerpen zou varen, waarna de container nog Nederland had moeten bereiken.
42. Daar komt bij dat in de bewezenverklaring onder 2 primair het in de Dominicaanse Republiek vervoeren van de cocaïne niet wordt genoemd als onderdeel van het samenstel van gedragingen waarin het begin van uitvoering zou hebben bestaan. Het bewezenverklaarde begin van uitvoering zou (enkel) bestaan in het (telefonische) contacten (etc.) hebben met personen met betrekking tot de hoeveelheid, de levering, de betaling, het vervoer, de verpakking en opslag van de cocaïne.
43. De handelingen die het hof in samenhang met het in de Dominicaanse Republiek vervoeren van cocaïne ten grondslag heeft gelegd aan het oordeel dat sprake is van een begin van uitvoering kunnen dat oordeel naar het mij voorkomt (ook) niet dragen. Het contacten leggen en onderhouden om de cocaïne geleverd te krijgen, het voor de bestelling van de deklading een firma regelen, het bestellen en betalen van de deklading en het regelen dat die deklading klaarstond in de haven is onvoldoende concreet op de voltooiing van het misdrijf gericht. Het zijn in de kern handelingen ter voorbereiding van het opzettelijk invoeren van cocaïne en niet ter uitvoering van dat misdrijf.
44. Al met al meen ik dat ’s hofs oordeel dat sprake is van een begin van uitvoering van het opzettelijk binnen Nederland brengen van cocaïne niet zonder meer begrijpelijk is.
45. Het tweede middel slaagt.
Bespreking van het derde middel
46. Het derde middel klaagt dat het onder 2 primair bewezenverklaarde, voor zover inhoudende dat sprake is van een poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van 550 kilogram cocaïne, niet uit de gebezigde bewijsvoering kan worden afgeleid, althans dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, nu het hof als startpunt van het vertrek van de lading heeft genomen het moment dat de lading van de plek waar deze is opgeslagen richting de haven werd vervoerd, terwijl uit de gebezigde bewijsvoering blijkt dat de vrachtwagen die onderweg was naar de haven van vertrek 366 kilogram cocaïne vervoerde.
47. Het hof heeft onder 2 primair het medeplegen van een poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 550 kilogram cocaïne bewezenverklaard. Uit ’s hofs bewijsoverwegingen volgt dat op 15 april 2013 door de Nationale Directie Drugscontrole van de Dominicaanse Republiek 419 kilogram cocaïne verdeeld in 355 pakketten met een nettogewicht van 366 kilogram in beslag is genomen. Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat deze partij cocaïne bestemd was voor de groepering waar de verdachte deel van uitmaakte. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof voorts af dat ‘de opzet van de groepering was gericht op de invoer van een partij van minimaal 500 kilogram cocaïne’ en dat ‘de uiteindelijke afspraken op 550 kilogram waren uitgekomen’. Dat van een begin van uitvoering sprake is, leidt het hof, zo begrijp ik, (mede) af uit de omstandigheid dat het ‘startpunt van het vertrek’ van de lading al was geweest, en dat ‘de lading’ op de snelweg is onderschept toen deze per vrachtwagen naar de haven werd vervoerd.
48. Met de steller van het middel meen ik dat, als zou worden aangenomen dat de door het hof vastgestelde gedragingen een begin van uitvoering van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid cocaïne opleveren, uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat deze hoeveelheid ongeveer 550 kilogram bedroeg. Dat er afspraken zijn gemaakt die op 550 kilogram cocaïne zagen, is daarvoor niet toereikend.15
49. De vraag is vervolgens of het slagen van deze klacht, mede in het licht van hetgeen onder 1 en 4 bewezen is verklaard, tot cassatie zou moeten leiden. Uit de strafmotivering volgt niet expliciet dat het verschil tussen 366 en 550 kilogram tot het opleggen van een zwaardere straf heeft geleid.16 Tegelijk vermeldt het hof daarin wel dat de poging tot invoer op 550 kilo zag en is het verschil met een hoeveelheid van 366 kilo aanmerkelijk. Al met al meen ik dat er onvoldoende grond is voor het oordeel dat het verschil tussen 366 en 550 kilogram cocaïne aan de (aard en) ernst van het bewezenverklaarde niet wezenlijk afbreuk doet.17
50. Het derde middel slaagt.
Bespreking van het vierde middel
51. Het vierde middel bevat de klacht dat het onder 2 primair bewezenverklaarde ‘medeplegen’ van het binnen Nederlands grondgebied brengen van 550 kilogram cocaïne niet (zonder meer) uit de bewijsvoering kan worden afgeleid, nu hetgeen het hof aan die bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd in de kern niets méér inhoudt dan dat de verdachte een financieel belang zou hebben bij deze partij cocaïne en door zijn medeverdachten op de hoogte is gehouden over het verloop van het kennelijk beoogde transport ervan, waaraan hij zelf echter geen intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd.
52. Het hof heeft inzake de bewezenverklaring van het medeplegen door de verdachte het volgende vastgesteld. Volgens het hof is de verdachte vanaf zijn aankomst in (ik begrijp: het Europese deel van) Nederland op 14 maart 2012 actief betrokken bij de handel en wandel rond de poging tot invoer van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek. Uit de OVC-gesprekken van 19 mei 2012 in combinatie met de stempels in zijn paspoort blijkt dat de verdachte samen met [betrokkene 36] naar de Dominicaanse Republiek is gegaan teneinde contacten te leggen met de leverancier van de cocaïne. De verdachte heeft, meestal samen met [betrokkene 2] , contact met [betrokkene 1] en [betrokkene 13] . [betrokkene 8] , een contact van de verdachte en [betrokkene 2] , legt op de Dominicaanse Republiek contacten en regelt dingen met betrekking tot de invoer van cocaïne. Nadat de verdachte op 12 juni 2012 is teruggekeerd naar Bonaire, zijn er regelmatig contacten tussen hem, [betrokkene 2] en [betrokkene 8] , waarin enerzijds de verdachte informeert naar de stand van zaken en hij anderzijds op de hoogte wordt gehouden. Volgens hof gaat de betrokkenheid van de verdachte verder ‘dan het enkel op de hoogte gehouden worden’. Het hof leidt dit af uit mededelingen van de verdachte in OVC-gesprekken die te relateren zijn aan het regelen van de transporten van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek. Daar waar [betrokkene 2] aan de verdachte vertelt dat de kleine klaar was maar de andere niet, reageert de verdachte met ‘oh, ligt het nu aan ons’ (25 februari 2013). In een gesprek van 22 maart 2013 zegt de verdachte: ‘ik hoop dat het een beetje opschiet met die kleine’. In een gesprek van 2 april 2013 waarin [betrokkene 2] aangeeft dat iets niet helemaal rond was, vraagt de verdachte: ‘Wie? Wij of hun?’ Op 3 mei 2013 zegt de verdachte: ‘Wij zijn nog met andere dingen bezig, maar eentje is helemaal mis gegaan’. Aan [betrokkene 35] vertelt de verdachte op 6 juni 2013 dat hij een inkomst in Antwerpen heeft die hem 25% aan douane kost en dat er eentje gigantisch fout was gegaan. De verdachte geeft in dat gesprek voorts aan dat het heel lang geen probleem was, maar dat het bij de grote dingen mis ging. Het door de verdachte genoemde percentage van 25% is volgens het hof in lijn met de 30% die [betrokkene 8] noemt als percentage dat gevraagd wordt door havenmedewerkers, waaronder politieagenten, om het spul er uit te halen (26 maart 2013). Daarnaast stelt het hof vast dat de verdachte een financieel belang had bij een succesvolle afwikkeling van een transport. Het hof verwijst hiertoe naar het gesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 8] van 28 januari 2013, waarin [betrokkene 8] zegt dat het veiliger is als de verdachte op Bonaire blijft en pas als alles achter de rug is zijn centjes komt ophalen. Het hof concludeert uit dit alles dat de verdachte een nauwe en bewuste samenwerking heeft gehad met de andere verdachten, waarbij zijn intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht was om te concluderen tot medeplegen van de poging tot het binnen het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne.
53. De steller van het middel meent dat ’s hofs vaststellingen niet zonder meer het oordeel kunnen dragen dat de verdachte de (beoogde) transporten heeft medegepleegd, laat staan dat hij het specifieke transport als bewezenverklaard onder 2 primair heeft medegepleegd. Hiertoe voert hij aan dat het feit dat de verdachte bij zijn medeverdachten informeert naar de stand van zaken en op de hoogte wordt houden over het regelen van transporten van cocaïne vanuit de Dominicaanse Republiek niets zegt over de mate van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling en de rol in voorbereiding, uitvoering of afhandeling van dit delict. Zulk informeren/op de hoogte gehouden worden past volgens de steller van het middel ook goed bij de situatie van een verdachte die niets anders bijdraagt aan een delict dan financiële middelen (hij wil immers weten of hij zijn geld terug gaat zien). En het feit dat de verdachte deelneemt aan OVC-gesprekken die ‘te relateren zijn aan het regelen van transporten’ zou in dit verband geen voor het bewijs redengevende betekenis hebben, omdat uit de inhoud van de gesprekken die het hof heeft gebezigd niet kan worden afgeleid dat de verdachte ook zélf een materiele of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan dat ‘regelen’ heeft geleverd. Uit de gebezigde bewijsvoering kan volgens de steller van het middel niet méér worden afgeleid dan dat de verdachte zich laat informeren over de voortgang van ‘een transport’ waarin hij mogelijk een financieel belang heeft. Dat zou onvoldoende zijn om te kunnen spreken van het medeplegen van het onder 2 tenlastegelegde. Hij beroept zich hierbij op HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3202, NJ 2018/50, waaruit zou volgen dat het aan een ander verschaffen van gelegenheid en/of (financiële) middelen op zichzelf geen bijdrage van voldoende gewicht is. De steller van het middel wijst er voorts op dat de aanwezigheid van de verdachte in (ik begrijp: het Europese deel van) Nederland en op de Dominicaanse Republiek in de maanden mei en juni 2012 wellicht redengevend is voor het bewijs van medeplegen van het transport als bewezen onder 1, maar dat het verband tussen zijn aanwezigheid aldaar en het beoogde (veel latere) transport als bewezen onder 2 primair – dat de periode van 1 november 2012 tot en met 14 april 2013 beslaat – niet (zonder meer begrijpelijk) is gelegd nu het hof niet heeft vastgesteld dat het beoogde transport van 550 kilogram cocaïne toen al werd voorbereid door de verdachte en de medeverdachten.
54. In HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, NJ 2015/390 m.nt. Mevis overwoog Uw Raad onder meer het volgende:18
‘3.1. De art. 47 tot en met 51 Sr bieden diverse mogelijkheden om iemand, ook als hij niet zelf de gehele delictsomschrijving vervult - al dan niet in zogenoemd functionele vorm - onder specifieke voorwaarden strafrechtelijk aansprakelijk te stellen voor zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. (Vgl. HR 24 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6581, NJ 2011/481). Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. (Vgl. HR 6 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9905, NJ 2004/443).
In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. Algemene regels kunnen daarom dienaangaande niet worden gegeven. Wel kan de Hoge Raad met betrekking tot dit thema, mede gelet op zijn eerdere rechtspraak, enige aandachtspunten formuleren.
De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Dat geldt in vergelijkbare zin indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van “in vereniging” - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving.
Dat de kwalificatie medeplegen gerechtvaardigd moet zijn, is mede van belang omdat het in dit verband vaak gaat om de vraag: medeplegen dan wel medeplichtigheid aan een strafbaar feit. Medeplichtigheid is alleen strafbaar in geval van misdrijf. Verder kent medeplichtigheid een beduidend lager strafmaximum (art. 49, eerste lid, Sr). Medeplegen daarentegen levert regelmatig een wettelijke strafverzwaringsgrond op (zie bijvoorbeeld art. 311, eerste lid onder 4, Sr). Waar het verwijt bij medeplegen zich concentreert op het gewicht van de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte, is het kernverwijt bij medeplichtigheid “het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf” (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629, NJ 2011/341). Voor het gewicht van de rol van de medepleger in de zin van art. 47 Sr kan ook worden gewezen op art. 141, eerste lid, Sr. Het daar strafbaar gestelde “in vereniging plegen” van geweld eist dat de verdachte “een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld” heeft geleverd, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn geweest. (Vgl. bijvoorbeeld HR 2 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:132, NJ 2013/407).
Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient overigens opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt. Het gaat er immers om dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict. In dit verband valt te wijzen op bijvoorbeeld HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3356, NJ 2010/193 waarin ten aanzien van het medeplegen van een vernieling werd overwogen “dat het louter aanwezig zijn bij en zich niet distantiëren van een door een ander gepleegde vernieling, alsmede het louter instemmen met die vernieling, ieder voor zich en in onderlinge samenhang bezien daarvoor onvoldoende zijn”, alsmede HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1307 inzake diefstal door twee of meer verenigde personen waarin onvoldoende werd bevonden de enkele vaststelling “dat de verdachte een vluchtmogelijkheid heeft gefaciliteerd en dat het niet anders kan zijn dan dat over het verschaffen van deze vluchtmogelijkheid van te voren door de verdachte en zijn mededaders afspraken zijn gemaakt”.
De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. (Vgl. bijvoorbeeld HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9972, NJ 2012/452). Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. (Vgl. HR 9 april 2013 ECLI:NL:HR:2013:BZ6505, NJ 2013/229). Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.’
55. Ook bij het medeplegen van een poging tot een misdrijf is van belang of de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht aan het delict heeft geleverd. Die bijdrage kan bestaan in een onderdeel van de gezamenlijke uitvoering van het begin van uitvoering. Ook bij de poging geldt dat indien de bijdrage bestaat uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering dat medeplegen nauwkeurig te motiveren.19 En de bijdrage kan ook bij de poging worden geleverd in de vorm van gedragingen die voor (of na) het begin van uitvoering liggen.20
56. Dat Uw Raad ook bij een bewezenverklaring van het (voltooid delict) medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen eisen stelt aan de bewijsvoering van medeplegen, wordt geïllustreerd door HR 11 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1302, NJ 2017/459 m.nt. Rozemond. Volgens Uw Raad kon uit de bewijsvoering niet meer worden afgeleid dan dat de verdachte de medeverdachte tegen een door een derde in het vooruitzicht gestelde beloning op Schiphol had opgewacht en dat de verdachte wist dat zij een zending met een naar hij aannam niet-toegestane inhoud bij zich zou hebben. Uw Raad overwoog dat ’s hofs kennelijk oordeel dat die intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht was, en niet slechts bestond uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, niet zonder meer begrijpelijk was, ook niet als daarbij in aanmerking werd genomen dat het hof het afhalen van de vrouw als ‘uitvoeringshandeling’ had aangemerkt.21
57. De steller van het middel beroept zich op HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3202, NJ 2018/50. In deze zaak had het hof de verdachte veroordeeld wegens het gedurende een periode van meer dan vier maanden medeplegen van het opzettelijk telen van hennep. Uw Raad leidde uit de bewijsmotivering af dat het hof in het bijzonder in aanmerking had genomen ‘dat (i) de verdachte wist dat de hennepplantage in haar woning aanwezig was, (ii) zij aan de opbouw en exploitatie van de kwekerij geen einde heeft gemaakt hoewel dat als enig eigenaar van de woning in haar macht lag, (iii) zij heeft toegestaan dat de kwekerij werd gefinancierd uit gemeenschappelijke gelden en (iv) zij profiteerde of zou profiteren van de opbrengsten van de kwekerij.’ Uw Raad oordeelde dat deze omstandigheden ‘niet zonder meer voldoende (zijn) om te kunnen aannemen dat de verdachte het opzettelijk telen van hennepplanten heeft medegepleegd nu zij in de kern niet meer inhouden dan dat de verdachte aan een ander gelegenheid en middelen heeft verschaft voor het telen van hennepplanten in haar woning, hetgeen op het eerste gezicht duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht, en dat zij heeft geprofiteerd of zou profiteren van de opbrengst van dat telen’.
58. In de onderhavige zaak blijkt uit ’s hofs vaststellingen en overwegingen niet dat de verdachte een bijdrage heeft geleverd aan de uitvoering van de onder 2 primair bewezenverklaarde poging tot het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 500 kilogram cocaïne. ’s Hofs vaststelling dat de verdachte gedurende zijn verblijf in het Europese deel van Nederland contact had met [betrokkene 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 13] en [betrokkene 8] en na zijn terugkeer naar Bonaire met [betrokkene 2] en [betrokkene 8] duidt erop dat hij met deze personen heeft samengewerkt. Deze vaststelling kan van belang zijn voor het oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie; een bijdrage aan de uitvoering van de (poging tot) invoer van cocaïne ligt er echter niet in besloten. Hetzelfde geldt voor ’s hofs vaststelling dat de verdachte in de gesprekken met deze personen informeert naar de stand van zaken en op de hoogte wordt gehouden: dit draagt op zichzelf niet bij aan de uitvoering van het bewezenverklaarde delict. ’s Hofs vaststelling dat ‘zijn betrokkenheid verder gaat dan het enkel op de hoogte gehouden worden’ is onvoldoende precies om enige concrete gedraging van de verdachte uit te kunnen afleiden. Uit de mededelingen van de verdachte in de OVC-gesprekken die het hof in dit verband citeert kan evenmin worden opgemaakt dat de verdachte een rol heeft gespeeld bij de uitvoering van het delict. Ook uit ’s hofs vaststelling dat de verdachte een financieel belang had bij een succesvolle afwikkeling van een transport blijkt op zichzelf niet van een uitvoeringshandeling. Uit het feit dat de verdachte een financieel belang had bij de voltooiing van het delict volgt nog niet dat de verdachte middelen heeft verschaft voor de invoer van cocaïne. En zelfs als dat in ’s hofs overwegingen wordt ingelezen en wordt aangenomen dat zulks in toereikende mate uit de bewijsmiddelen volgt, blijft staan dat het aan een ander verschaffen van middelen op het eerste gezicht duidt op gedragingen die met medeplichtigheid in verband worden gebracht.
59. Een concrete gedraging van de verdachte die het hof vaststelt die kan hebben bijgedragen aan de uitvoering van de onder 2 primair bewezenverklaarde poging tot invoer van cocaïne, is dat hij en [betrokkene 36] van 30 januari 2012 tot 2 februari 2012 in de Dominicaanse Republiek zijn geweest teneinde de contacten te leggen met de leverancier van de cocaïne. Het bezoek aan de Dominicaanse Republiek vond echter plaats buiten de bewezenverklaarde periode – 1 november 2012 tot en met 14 april 2013 – waarbinnen de verdachte zich als medepleger schuldig zou hebben gemaakt aan dit delict.22 Dat brengt – meen ik – mee dat ’s hofs vaststelling over het bezoek aan de Dominicaanse Republiek niet kan bijdragen aan het bewijs van het medeplegen van het onder 2 primair bewezenverklaarde.
60. Al met al meen ik dat ’s hofs oordeel dat de intellectuele en materiële bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om te concluderen tot medeplegen van de poging tot invoer van cocaïne niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.
61. Het vierde middel slaagt.
Afronding
62. Het eerste middel faalt. Het tweede, derde en vierde middel slagen.
63. Ambtshalve wijs ik erop dat Uw Raad niet binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, is overschreden.23 Dat dient in het geval Uw Raad van oordeel zou zijn dat de middelen falen te leiden tot strafvermindering. Andere gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
64. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 2 tenlastegelegde en de strafoplegging, tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG