Parket bij de Hoge Raad, 10-01-2023, ECLI:NL:PHR:2023:43, 21/03089
Parket bij de Hoge Raad, 10-01-2023, ECLI:NL:PHR:2023:43, 21/03089
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 10 januari 2023
- Datum publicatie
- 10 januari 2023
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2023:43
- Formele relaties
- Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:414
- Zaaknummer
- 21/03089
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen (art. 141 lid 1 Sr). Middelen voorgesteld door de verdachte over de bewezenverklaring en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. Middel benadeelde partij tegen de gedeeltelijke afwijzing van de gevorderde immateriele schade. Middel verdachte over toekenning proceskosten aan de benadeelde partij slaagt. De overige middelen falen. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de beslissing betreffende de proceskosten toegekend aan de benadeelde partijen en tot een op art. 440 Sv gebaseerde beslissing.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/03089
Zitting 10 januari 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte
1 Het cassatieberoep
De verdachte is bij arrest van 20 juli 2021 door het gerechtshof Amsterdam wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 41 dagen met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr en een taakstraf voor de duur van 240 uren (subsidiair 120 dagen hechtenis). In het genoemde arrest heeft het hof daarnaast de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] toegewezen tot bedragen van respectievelijk € 6.104,75, € 3185,00 en € 4.967,75 en aan de verdachte voor diezelfde bedragen steeds een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.1 Tevens heeft het hof de verdachte veroordeeld tot de in de door de benadeelde partij gemaakte kosten en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten. Het hof heeft de vorderingen van de overige benadeelde partijen afgewezen.
Er bestaat samenhang met de zaak 21/03266. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. K. Canatan, advocaat te Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld over respectievelijk 1) de motivering van de bewezenverklaring, 2) de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor zover deze betrekking heeft op vergoeding van de materiële schade, 3) de veroordeling van de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partijen en 4) de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] .
R. van den Berg, advocaat te Haarlem, heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 3] één middel van cassatie voorgesteld en tevens een verweerschrift ingediend.
A.M. Wolf, advocaat te Haarlem, heeft namens de benadeelde partij [benadeelde 1] een verweerschrift ingediend.
2 Waar het in deze zaak om gaat
Op 1 januari 2016 heeft te Haarlem een vechtpartij plaatsgevonden tussen de verdachte en haar twee medeverdachten aan de ene zijde en drie slachtoffers aan de andere zijde. Een van deze slachtoffers, [slachtoffer] , is bij dit gevecht komen te overlijden. De verdachte is vervolgd en veroordeeld wegens het plegen van openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer] en de andere twee slachtoffers [benadeelde 3] en [benadeelde 2] . Zij is echter vrijgesproken van het aan haar ten laste gelegde strafverzwarend bestanddeel dat het door haar gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad voor [benadeelde 3] en [benadeelde 2] . Gebruik van enig geweld door haar persoonlijk tegen [slachtoffer] is haar niet (als strafverzwarende omstandigheid) tenlastegelegd.
De moeder van het dodelijke slachtoffer [benadeelde 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in de strafzaak. [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , hebben zich ook als benadeelde partijen gevoegd.
Het cassatieberoep van de verdachte
3. Het eerste middel
Het eerste middel bevat een klacht over de motivering van het bewezenverklaarde in vereniging plegen van geweld. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring, de bewijsoverwegingen van het hof en hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, weer.
De bewezenverklaring en de bewijsoverwegingen
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“zij op 1 januari 2016 te Haarlem openlijk, te weten op of aan de openbare weg, te weten de Zomerkade, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer] en [benadeelde 3] en [benadeelde 2] , welk geweld bestond uit het met een mes, steken en/of snijden in de richting van voornoemde personen, immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededaders,
- met een mes in het hart van die [slachtoffer] gestoken en
- telkens met een mes in de schouder en de buikstreek van die [benadeelde 3] gestoken en/of gesneden, en
- telkens met een mes in het hoofd en de linkerarm en de borststreek van die [benadeelde 2] gestoken en/of gesneden, en
- telkens met een mes stekende en/of snijdende bewegingen in de richting van die [benadeelde 3] en die [benadeelde 2] gemaakt,
terwijl het door haar mededaders gepleegde geweld enig lichamelijk letsel, te weten steek- en/of snijverwondingen aan het lichaam van die [benadeelde 3] en het lichaam van die [benadeelde 2] , ten gevolge heeft gehad.”
Die bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsvoering2:
“Overwegingen over het bewijs van de tenlastegelegde feiten
Inleiding
In de vroege ochtend van 1 januari 2016 heeft een gewelddadig treffen plaatsgevonden op de Zomerkade te Haarlem. Bij dit treffen - waarbij messen zijn gebruikt - waren enerzijds [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en [verdachte] (hierna: [verdachte] ) betrokken en anderzijds [benadeelde 3] (hierna: [benadeelde 3] ), [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) en [benadeelde 2] (hierna: [benadeelde 2] ). Bij de confrontatie is [slachtoffer] overleden en zijn [benadeelde 3] en [benadeelde 2] gewond geraakt.
Het volgende is aan de confrontatie vooraf gegaan.
In de nieuwjaarsnacht van 31 december 2015 op 1 januari 2016 waren, [betrokkene 1] , [medeverdachte] en [verdachte] in de woning van [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) aan de [a-straat 1] in Haarlem.
Gedurende de avond ontstond – onder invloed van alcohol en (hard)drugs – via Whatsapp-berichten en telefonisch contact ruzie tussen enerzijds [verdachte] en [betrokkene 1] en anderzijds [benadeelde 3] . Er vond veelvuldig berichtenverkeer en telefonisch contact plaats tussen [benadeelde 3] en [betrokkene 1] en [verdachte] . De situatie op de [a-straat 1] raakte hierna zo oververhit dat [betrokkene 1] messen pakte en daarmee begon rond te lopen. Verschillende mensen, waaronder [medeverdachte] , hebben geprobeerd deze messen van haar af te pakken. [betrokkene 1] heeft over de telefoon tegen [benadeelde 3] gezegd ‘ik steek je neer’ en op een later moment in de auto bij [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) heeft zij geroepen ‘ik ga [benadeelde 3] steken’. Ook [verdachte] vertoonde agressief en ongeremd gedrag. Zij heeft over de telefoon [benadeelde 3] uitgedaagd en geroepen dat hij moest komen en dat ze hem neer ging steken, en ook zij heeft een mes gepakt. [verdachte] en [betrokkene 1] waren elkaar aan het opstoken. Toen bekend werd dat [benadeelde 3] met een groep zou komen, zei [betrokkene 2] dat hij dat niet in zijn huis wilde, omdat het kind van [verdachte] en [betrokkene 2] boven lag te slapen. Vervolgens gingen [betrokkene 1] , [verdachte] en [medeverdachte] naar buiten, waarbij in ieder geval [betrokkene 1] messen bij zich had.
[benadeelde 3] was samen met [benadeelde 2] , [slachtoffer] en [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ). Nadat hij was gebeld door [verdachte] is hij te voet op weg gegaan naar de [a-straat] . [benadeelde 2] , [betrokkene 4] en [slachtoffer] liepen op enige afstand achter hem aan uit voorzorg. Toen [benadeelde 3] over het bruggetje naar de Zomerkade liep, werd hij gebeld door [verdachte] . Hij hoorde door de telefoon en van een afstand personen zeggen: ‘Daar is ie, daar is ie’. [verdachte] , [betrokkene 1] en [medeverdachte] liepen [benadeelde 3] tegemoet over de Zomerkade. Het kwam vervolgens tot een confrontatie tussen [betrokkene 1] , [verdachte] en [medeverdachte] enerzijds en [benadeelde 3] , en na een kort ogenblik [benadeelde 2] en [slachtoffer] , anderzijds. [benadeelde 3] en [benadeelde 2] liepen verwondingen door messteken op en [slachtoffer] kwam te overlijden door een messteek die hem in zijn hart trof.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van de openlijke geweldpleging jegens [slachtoffer] , [benadeelde 3] en/of [benadeelde 2]
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De verdachte heeft door haar handelen een voldoende significante bijdrage aan het geweld geleverd en zich derhalve schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde openlijke geweldpleging nu zij niet de, vereiste, voldoende wezenlijke bijdrage aan dit openlijk geweld heeft geleverd.
Oordeel van het hof
Het hof stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem/haar te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Zoals hiervoor uiteengezet, ging aan de gewelddadige confrontatie op de Zomerkade vooraf dat de verdachte en [betrokkene 1] telefonisch en via Whatsapp-berichten ruzie maakten met [benadeelde 3] . [betrokkene 1] heeft naar aanleiding daarvan messen gepakt en gezegd [benadeelde 3] te zullen steken. De verdachte heeft [benadeelde 3] telefonisch uitgedaagd, geroepen dat hij moest komen en ook zij heeft geroepen dat ze hem zou neersteken en een mes gepakt. Toen bekend werd dat [benadeelde 3] met een groep zou komen, zijn [betrokkene 1] , [medeverdachte] en de verdachte naar buiten gegaan, waarbij in ieder geval [betrokkene 1] messen bij zich had, hetgeen de verdachte en [medeverdachte] wisten. De verdachte had naar eigen zeggen uit voorzorg sleutels in haar hand met de ring over haar vinger, om zich te kunnen verdedigen. De verdachte heeft naar eigen zeggen gedurende de confrontatie gedreigd met woorden.
Uit deze gang van zaken blijkt naar het oordeel van het hof dat [betrokkene 1] , [medeverdachte] en de verdachte op het moment van verlaten van de woning rekening hielden met een confrontatie met [benadeelde 3] waarbij messen gebruikt konden gaan worden; [betrokkene 1] en de verdachte hadden daar al mee gedreigd. Zij zijn als groep op [benadeelde 3] afgegaan. Toen het tot een treffen van deze groep met de groep van [benadeelde 3] en zijn vrienden kwam, hebben alle drie de verdachten aan die confrontatie een gewelddadig of in elk geval dreigend aandeel geleverd. Aldus is naar het oordeel van het hof de intellectuele en/of materiële bijdrage van ieder van de drie verdachten over het geheel genomen van voldoende gewicht geweest om tot een bewezenverklaring van het in vereniging plegen van geweld tegen personen te kunnen komen.
Tijdens de daarop volgende confrontatie is [slachtoffer] dodelijk in het hart gestoken met een mes. [benadeelde 3] is met een mes in zijn buik en in zijn nek/schouder gestoken. [benadeelde 2] is met een mes tegen zijn hoofd geslagen, waarbij hij in zijn hoofd is geraakt door dit mes, en met een mes in zijn borstkas geraakt.”
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de bewijsvoering van het hof onvoldoende grond biedt voor het oordeel dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is om ten aanzien van haar te kunnen spreken van het “in vereniging” plegen van het bewezenverklaarde geweld. Gesteld wordt dat de verdachte geen gewelddadig aandeel heeft gehad en dat uit de rol van de verdachte bij het geweld niet méér kan worden afgeleid dan dat zij voorafgaand aan de confrontatie telefonisch dreigende taal heeft gebezigd, dat zij is meegegaan naar de locatie waar de confrontatie plaatsvond, terwijl zij wist dat medeverdachte [betrokkene 1] messen bij zich had en aldaar heeft gedreigd met woorden. Het hof heeft over de relatie met de geweldshandelingen die door de medeverdachten zijn verricht niets vastgesteld. Evenmin blijkt uit de overwegingen van het hof waarom uit het voorgaande volgt dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met haar medeverdachten, terwijl het hof daarbij ook geen onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende slachtoffers van het geweld.
Juridisch kader
Van het “in vereniging” plegen van geweld is sprake indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijk bijdrage levert aan het geweld. Deze bijdrage behoeft zelf niet per se van gewelddadige aard te zijn, maar de enkele omstandigheid dat iemand een groep die openlijk geweld pleegt getalsmatig versterkt, is niet zonder meer voldoende om te kunnen spreken van het “in vereniging” plegen van geweld.3 De rechter dient te beoordelen “of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is”.4
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad kunnen als voorbeelden de volgende niet-gewelddadige bijdragen worden genoemd, die van voldoende gewicht werden geacht om te kunnen spreken van het “in vereniging” plegen van geweld:
- het welbewust aangaan van een bijna zekere confrontatie en meegaan in een aanvalsgolf;5
- het getalsmatig versterken van een groep in combinatie met het filmen van geweld dat door medeverdachten wordt gepleegd en daarbij lachen;6
- het meermalen uitlenen van een mobiele telefoon aan een medeverdachte, terwijl de verdachte wist dat deze medeverdachte de andere medeverdachten op de hoogte zou stellen van de plek waar de slachtoffers zich bevonden en dat deze medeverdachten deze slachtoffers dan zouden mishandelen, bij welke mishandelingen – die regelmatig werden gefilmd – de verdachte meermalen aanwezig was en waarbij zij anderen heeft opgestookt om de slachtoffers te slaan en waarbij zij samen met haar medeverdachte om dit geweld heeft staan lachen;7
- het geven van het adres van het slachtoffer, het vervolgens samen met onder meer zijn medeverdachte meegaan naar dat adres en het, aldaar aangekomen, tweemaal op de deur kloppen en de naam van de bewoner roepen in combinatie met het getalsmatig versterken van de groep welke vervolgens geweld heeft gepleegd tegen onder meer deze bewoner en zijn woning;8
- het meegaan met een groep terwijl de verdachte wist dat leden van deze groep wapens (een paaltje en een hockeystick) bij zich droegen in combinatie met het vervolgens aanwezig zijn bij de openlijke geweldpleging waar de verdachte aan bijdraagt door te bekvechten (schreeuwen en schelden) met de groep tegenstanders.9
Uit het voorgaande blijkt dat het aangaan van een bijna zekere confrontatie, het leveren van een bijdrage aan het organiseren van een confrontatie, het opstoken van medeverdachten, het bekvechten met de rivaliserende groep of andersoortige ondersteunende handelingen alle kunnen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van het “in vereniging” plegen van geweld.10 Ook het uiten van bedreigingen tijdens of net voorafgaand aan een confrontatie kunnen hieronder worden geschaard. Dat leidt immers tot verdere escalatie van de in zo’n situatie toch al hoog opgelopen gemoederen.11
Naast een voldoende significante bijdrage moet voor het bewijs van het bestanddeel “in vereniging” ook vaststaan dat sprake is van een “nauwe en bewuste samenwerking” tussen de verdachte en zijn medeverdachte(n). De aard van het delict openlijke geweldpleging brengt mee dat deze nauwe en bewuste samenwerking zich in verschillende vormen kan voordoen. Naast evident nauw en bewust samenwerken, is deze strafbaarstelling mede toepasselijk op “openlijk geweld dat bestaat uit een meer diffuus samenstelsel van uiteenlopende, tegen personen of goederen gerichte geweldshandelingen en dat plaatsvindt binnen een ongestructureerd, mogelijk spontaan samenwerkingsverband met een eigen -soms moeilijk doorzichtige - dynamiek.”12 Juist dit spontane en diffuse karakter dat eigen is aan openlijk geweld, brengt mee dat van een verdachte die een wezenlijke bijdrage levert aan dergelijk geweld al snel kan worden aangenomen dat deze ook nauw en bewust heeft samengewerkt met zijn medeverdachte(n), ook als van onderlinge coördinatie tussen hen niet of nauwelijks sprake is.
Bespreking van het eerste middel
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte samen met haar twee medeverdachten en een betrokkene persoon aanwezig is geweest in een woning. Er is, onder de invloed van alcohol en (hard)drugs, via Whatsapp ruzie ontstaan met [benadeelde 3] . De verdachte en een van haar medeverdachten hebben over de telefoon gedreigd [benadeelde 3] neer te zullen steken. Tevens heeft de verdachte [benadeelde 3] uitgedaagd dat hij “moest komen”. Het hof heeft voorts overwogen dat op het moment dat duidelijk werd dat [benadeelde 3] met een groep “zou komen” de verdachte en haar twee medeverdachten naar buiten zijn gegaan, waarbij de verdachte ervan op de hoogte was dat medeverdachte [betrokkene 1] messen bij zich had. De verdachte had op dat moment naar eigen zeggen uit voorzorg sleutels ter handen genomen en daarbij de sleutelring om haar vingers geplaatst.
Ondertussen is [benadeelde 3] , gevolgd op enige afstand door [benadeelde 2] , [slachtoffer] en [betrokkene 4] , te voet op weg gegaan in de richting van de woning waarin de verdachte en haar medeverdachten zich eerder bevonden. Vervolgens zijn de twee groepen elkaar op straat tegengekomen en kwam het tot een confrontatie tussen de verdachte en haar twee medeverdachten enerzijds en [benadeelde 3] anderzijds. Na een kort ogenblik hebben ook [benadeelde 2] en [slachtoffer] zich bij deze confrontatie gevoegd. De verdachte heeft verklaard dat ze tijdens de confrontatie heeft gedreigd met woorden.
Op basis van het voorgaande heeft het hof geoordeeld dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte over het geheel genomen van voldoende gewicht is geweest om tot een bewezenverklaring van het in vereniging plegen van geweld tegen personen te kunnen komen.
Dit oordeel komt mij juist voor.
Het middel faalt.
4 Het tweede middel
Het tweede middel bevat een klacht over de toewijzing door het hof van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] voor zover deze betrekking heeft op vergoeding van de door de benadeelde partij geleden materiële schade. Daartoe is aangevoerd dat art. 361 lid 4 Sv voorschrijft dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen dient te zijn omkleed. Nu het hof in het geheel niet heeft gerespondeerd op hetgeen de raadsman heeft aangevoerd ten aanzien van de kostenposten die betrekking hebben op het grafmonument is het oordeel van het hof in zoverre ontoereikend gemotiveerd.
Voordat ik het middel bespreek, geef ik het oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij weer, alsmede hetgeen door de verdediging en namens de benadeelde partij met betrekking tot deze vordering in hoger beroep is aangevoerd.
Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] het volgende in:
“Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 26.104,75. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 6.104,75. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De gestelde schade bestaat uit:
1. kosten van de uitvaart € 3.094,53
2. plaatsingsrechten grafmonument € 279,00
3. aanschafkosten grafmonument € 1.860,00
4. plaatsingskosten grafmonument € 476,00
5. kosten onderhoud grafmonument € 186,00
6. eten en drinken islamitische rouwperiode € 150,00
7. reiskosten naar steenhouwer € 50,46
8. reiskosten en parkeerkosten in verband met
bezittingen ophalen politiebureau € 8,76
9. affectieschade € 20.000,00
(…)
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1,6, 7 en 8 genoemde kosten hoofdelijk dienen te worden toegewezen. Met betrekking tot de kosten die verband houden met het grafmonument, zoals opgenomen onder de schadeposten 2, 3, 4 en 5, heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien thans onduidelijk is of en zo ja, welke kosten met betrekking tot het grafmonument (gedeeltelijk) door anderen zijn voldaan en het – bij gebreke van nadere inlichtingen – ervoor moet worden gehouden dat dit deel van de vordering niet eenvoudig van aard is, waardoor dit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat die schade onder geldend recht niet kan worden toegewezen, aangezien daarvoor thans geen juridische basis bestaat, zodat de benadeelde partij ten aanzien van die schade niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hetzelfde heeft volgens de advocaat-generaal te gelden voor de gevorderde reiskostenvergoeding van de Staat.
Standpunt van de verdediging
(…)
Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 gevorderde kosten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het doen van nader onderzoek naar die schadeposten – in verband met de ontoereikende onderbouwing daarvan en de bestaande onduidelijkheid waarvoor de opbrengst van de inzamelingsactie is aangewend – een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
(…)
Oordeel van het hof
(…)
Materiële schade
Met betrekking tot de schadeposten 2, 3 en 5 is het hof van oordeel dat deze posten voldoende zijn onderbouwd met stukken. Ten aanzien van schadepost 4 overweegt het hof dat, gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting en de daarbij overgelegde stukken waaruit blijkt dat het grafmonument daadwerkelijk is geplaatst, dit bedrag het hof niet onredelijk voorkomt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof dan ook voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 6.104,75. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.”
De pleitnota die op de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2021 door de raadsman van de verdachte is overgelegd, houdt het volgende in (met weglating van verwijzingen):
“Subsidiair geldt dat de kosten voor de aanschaf en plaatsing van het grafmonument onvoldoende onderbouwd zijn nu de facturen ontbreken. De factuur van de plaatsingsrechten is gericht aan de steenhouwer, niet aan [benadeelde 1] , terwijl niet blijkt dat dit is doorberekend. Van de schermafdruk van een betaling aan de steenhouwer is niet duidelijk wie die betaling heeft gedaan. Daarbij komt dat uit een citaat op NH nieuws (https://www.nhnieuws.nl/nieuws/196080/Na-bijna-een-jaar nog-altijd-onduidelijkheid-voor-familie-doodgestoken- [slachtoffer]) blijkt dat [benadeelde 1] zelf tegen een journalist heeft gezegd dat inzamelen van het geld voor de grafsteen haar goed had gedaan. Dat zou een bedrag van EUR 2110,- zijn geweest (https://www.nhnieuws.nl/nieuws/180654/Meer-dan-2000-euro-opgehaald-voor grafsteen-doodgestoken- [slachtoffer]). Dit is dus niet, zoals de slachtofferadvocaat in 2018 stelde, vage informatie uit social media. In elk geval is zoveel onduidelijk hierover dat de vordering in zoverre niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat het doen van nader onderzoek hiernaar een onevenredig belasting van het strafgeding opleveren. Dan zullen namelijk zowel de steenhouwer als de personen die het geld hebben ingezameld als [benadeelde 1] moeten worden gehoord en daarvoor is in dit proces geen gelegenheid.”
Ook de raadsvrouw van de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2021 het woord gevoerd aan de hand van een op schrift gestelde aanvullende pleitnota waarin zij onder meer respondeert op hetgeen namens de verdachte is aangevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij. Deze pleitnota houdt het volgende in (met weglating van verwijzingen):
“De Stille Tochtende kosten van het grafmonument , de schadeposten 2 3 4 en 5 in totaal een bedrag van € 2.801,00 (plaatsingskosten betaald aan Westerveld € 279.00, aanschafskosten grafmonument betaald aan de steenhouwer € 1860.00 en € 476.00kosten gemaakt om het grafmonument te plaatsen).
1. Van deze kostenzijn bewijstukken toegevoegd aan het strafdossier, zie de bijlagen 2 en 3 bij de schadestaat. [benadeelde 1] heeft deze kosten moeten betalen aan de steenhouwer anders was het grafmonument niet geplaatst. Een recente foto van het grafmonument wordt als bijlage 1 bijgevoegd.”
Juridisch kader
Met betrekking tot een verzoek van de verdediging om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze niet van eenvoudige aard is, heeft de Hoge Raad bepaald dat in de omstandigheid dat de feitenrechter de vordering van de benadeelde partij behandelt, besloten ligt dat de rechter de vordering van eenvoudige aard acht. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering en kan voorts alleen op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.13
Als de feitenrechter in hoger beroep de vordering van de benadeelde partij behandelt, dient het arrest, ingevolge art. 361 lid 4 jo. art. 415 lid 1 Sv, de beslissing van het hof over de vordering van de benadeelde partij in te houden. Deze beslissing moet met redenen zijn omkleed. De wet bepaalt niet dat dit op straffe van nietigheid is. Ten aanzien van de motivering van de beslissing op een vordering van de benadeelde partij is art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv niet van toepassing.14 Wanneer de schade niet of nauwelijks wordt betwist en uit de bewijsmiddelen en (de onderbouwing van) de vordering voldoende aannemelijk wordt dat schade is geleden, stelt de Hoge Raad geen hoge eisen aan de motiveringsverplichting van de rechter.15 Wanneer de schade wel gemotiveerd wordt weersproken of wanneer de hoogte van de gevorderde schade niet inzichtelijk strookt met wat volgt uit de bewezenverklaring en/of de bewijsmiddelen, gelden strengere motiveringsvereisten.16 Van belang is dat in het vonnis of arrest duidelijk inzichtelijk wordt gemaakt welke schadeposten wel en welke schadeposten niet worden toegewezen.17
Met betrekking tot het begroten van de schade komt aan de feitenrechter een grote mate van vrijheid toe. Deze begroting kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst, terwijl de rechter bij de begroting ook niet gebonden is aan de gewone regels omtrent stelplicht en bewijs. Wel zal in cassatie kunnen worden getoetst of de rechter blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip schade of ter zake van de wijze van begroting.18
Bespreking van het tweede middel
In de onderhavige zaak heeft de verdediging aangevoerd dat de kosten die verband houden met het grafmonument onvoldoende zijn onderbouwd. In het verlengde van deze stelling heeft de verdediging aangevoerd dat de vordering niet van eenvoudige aard is en dat de benadeelde partij derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij desondanks inhoudelijk behandeld en heeft de vorderingen die verband houden met het grafmonument toegewezen aan de benadeelde partij [benadeelde 1] . Ten aanzien van de plaatsingsrechten en de aanschaf- en onderhoudskosten (schadeposten 2, 3 en 5) heeft het hof geoordeeld dat deze voldoende met stukken zijn onderbouwd. Ten aanzien van de plaatsingskosten (schadepost 4) heeft het hof geoordeeld dat “gelet op de ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting en de daarbij overgelegde stukken waaruit blijkt dat het grafmonument daadwerkelijk is geplaatst, dit bedrag het hof niet onredelijk voorkomt”.
Door de vordering inhoudelijk te beoordelen is het hof voorbijgegaan aan het standpunt van de verdediging dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid dient te worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering en is, gezien hetgeen het hof verder heeft overwogen met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, niet onbegrijpelijk.19
Wat het grafmonument betreft heeft het hof kennelijk geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat de steenhouwer de plaatsingskosten heeft doorberekend aan de benadeelde partij. Het hof heeft dus – in tegenstelling tot hetgeen de steller van het middel aanvoert – wel degelijk gemotiveerd gerespondeerd op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de plaatsingskosten van de grafsteen. Mede in acht genomen dat het hof heeft vastgesteld dat de grafsteen werkelijk is geplaatst, meen ik voorts dat het oordeel van het hof begrijpelijk is.
Het middel faalt.