Home

Parket bij de Hoge Raad, 07-07-2023, ECLI:NL:PHR:2023:699, 22/01503, 22/01504, 22/01507, 22/03914

Parket bij de Hoge Raad, 07-07-2023, ECLI:NL:PHR:2023:699, 22/01503, 22/01504, 22/01507, 22/03914

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
7 juli 2023
Datum publicatie
28 juli 2023
ECLI
ECLI:NL:PHR:2023:699
Formele relaties
Zaaknummer
22/01503

Inhoudsindicatie

Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 7 juli 2023 inzake: 22/01503, 22/01504, 22/01507, ECLI:NL:PHR:2023:671 en 22/03914 ECLI:NL:PHR:2023:672.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

C.M. Ettema ADVOCAAT-GENERAAL

Gemeenschappelijke bijlage bij de conclusies van 7 juli 2023 inzake:

Nr(s). 22/01503, 22/01504, 22/01507 en 22/03914

Derde Kamer B

1 Ten geleide

1.1

Deze bijlage gaat bij twee conclusies die beide verband houden met de werkkostenregeling.

Schikkingszaken nrs. 22/01503, 22/01504 en 22/01507

1.2

Eén conclusie neem ik in samenhangende loonbelastingzaken (nrs. 22/01503, 22/01504 en 22/01507) van drie inhoudingsplichtigen binnen dezelfde Groep. Die Groep wijzigt in 2006 haar pensioenregeling van een middelloonstelsel naar een beschikbarepremieregeling. Het pensioen van een groot aantal (voormalige) werknemers volgens de nieuwe regeling blijkt uiteindelijk lager dan verwacht. De ondernemingsraad van de Groep neemt kort gezegd het standpunt in dat de communicatie richting werknemers bij de overgang naar de nieuwe regeling te rooskleurig is geweest en dat de informatie niet inging op specifieke risico’s. De ondernemingsraad neemt voorts het standpunt in dat werknemers niet een fatsoenlijke beslistermijn hebben gekregen, dat verdedigbaar is dat sprake is van dwaling bij de werknemers en dat de Groep de (voormalige) werknemers voor de geleden schade dient te compenseren. Om verdere schades en procedures te voorkomen, bereikt de Groep een schikking met de OR en biedt een tegemoetkomingsregeling voor haar (voormalige) werknemers. Ik verwijs hierna naar deze drie samenhangende zaken als ‘de schikkingszaken’.

1.3

De inhoudingsplichtigen verzoeken bij brief van 12 mei 2017 de Inspecteur onder meer goed te keuren dat de Groep de tegemoetkoming kan aanwijzen als eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling, zodat de inhoudingsplichtigen de loonheffing voor hun rekening kunnen nemen en – kortweg – 80% eindheffing kunnen afdragen. De Inspecteur verleent de gevraagde goedkeuring niet, omdat hij meent dat de tegemoetkomingen een zeer substantieel voordeel vormen. Hij is van mening dat het daarom niet gebruikelijk is om de tegemoetkomingen aan te wijzen als eindheffingsbestanddeel.

1.4

De inhoudingsplichtigen binnen de Groep betalen – voor zover in cassatie relevant1 – de tegemoetkomingen in het tijdvak juli 2017 aan 265 werknemers, variërend van € 500 tot € 189.322, gemiddeld € 26.268, per werknemer. Zij wijzen de aan actieve werknemers betaalde tegemoetkomingen tot een bedrag van € 2.400 per werknemer aan als eindheffingsloon en brengen dit bedrag in de zogeheten vrije ruimte van de werkkostenregeling onder. De daarboven aan de werknemers uitbetaalde tegemoetkomingen merken zij aan als individueel werknemersloon. De inhoudingsplichtigen verwerken dit laatste deel als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking in de loonaangifte met toepassing van de witte tabel voor bijzondere beloningen.

1.5

Zij maken daarna bezwaar tegen de afdracht op aangifte. De Inspecteur wijst dat bezwaar, afgezien van een in cassatie niet meer relevant punt met betrekking tot de post-actieve werknemers, inhoudelijk af.

1.6

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden2 overweegt (onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis3) dat een vergoeding is aangewezen als eindheffingsbestanddeel als daarmee rekening is gehouden bij de uitbetaling van het loon en deze als zodanig op individueel niveau is verwerkt in de loonadministratie. Daarmee komen immers pas de aard en omvang van de aangewezen vergoeding, de omvang van het loon en de daarover verschuldigde belasting vast te staan. Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat zij wel een hoger bedrag dan € 2.400 per tegemoetkoming als eindheffingsbestanddeel had willen aanwijzen, maar dat deze aanwijzing niet heeft plaatsgevonden. Aangezien belanghebbende geen hogere vergoeding heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel - nog afgezien van de vraag of een dergelijke vergoeding aan de gebruikelijkheidstoets voldoet - heeft loonheffing naar het oordeel van het gerechtshof in zoverre op een juiste wijze plaatsgevonden.

1.7

Het gerechtshof overweegt dat in de wettekst geen termijn is gesteld aan het doen van een aanwijzing van een vergoeding als eindheffingsbestanddeel. Gelet op het stelsel van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), de aard van de werkkostenregeling en de aangehaalde wetsgeschiedenis moet echter worden aangenomen dat de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel op een zodanig moment moet worden gedaan dat daarmee rekening kan worden gehouden bij de uitbetaling van het loon en als zodanig op individueel niveau kan worden verwerkt in de loonadministratie, aldus nog steeds het hof. Een aanwijzing kan daarom niet in een later stadium, zoals in de bezwaar- of beroepsfase, worden gedaan. Van foutherstel is in het onderhavige geval geen sprake omdat uit de tot de gedingstukken behorende overeenkomsten en overige correspondentie tussen belanghebbende en haar werknemers niet kan worden afgeleid dat voorafgaand aan de uitbetaling is afgesproken dat ook het meerdere boven de vergoeding van € 2.400 door belanghebbende zou worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel, zodat niet kan worden gesproken van een foutieve verwerking in de administratie.

1.8

Het hof oordeelt dat in zoverre het gelijk aan de Inspecteur is, en dat bij gebreke van een aanwijzing de vraag of aan de gebruikelijkheidstoets is voldaan niet meer hoeft te worden beoordeeld.

1.9

Met betrekking tot de vraag of het deel van de tegemoetkomingen dat boven € 2.400 uitstijgt loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking vormt, overweegt het gerechtshof dat de tegemoetkoming het karakter van een schikking ter voorkoming van verdere procedures en schadeclaims heeft. Een dergelijke schikkingsbetaling houdt niet ten nauwste verband met bepaalde of in een bepaald tijdvak verrichte arbeid waarvoor die betaling een rechtstreekse beloning vormt, zodat geen sprake is van een inkomst uit tegenwoordige dienstbetrekking, aldus het hof. Dat wordt niet anders als de Inspecteur zou moeten worden gevolgd in zijn stelling dat de tegemoetkoming het karakter heeft van een pensioencompensatie vanwege tegenvallende resultaten. Ook de berekeningsmethodiek wijst richting loon uit vroegere dienstbetrekking.

1.10

In de door de inhoudingsplichtigen ingestelde cassatieberoepen in de schikkingszaken gaat het om de vraag of de tegemoetkomingen door de inhoudingsplichtigen zijn aangewezen als eindheffingsbestanddeel, en zo nee, of de aanwijzing alsnog in bezwaar en/of (hoger) beroep moet kunnen plaatsvinden.

Pilootzaak nr. 22/03914

1.11

De andere conclusie neem ik in een inkomstenbelastingzaak die gaat over een piloot. Ik verwijs hierna naar deze zaak als ‘de pilootzaak’. De belanghebbende in deze zaak werkt als gezagvoerder van passagiersvliegtuigen voor een Ierse luchtvaartmaatschappij.

1.12

De Ierse luchtvaartmaatschappij huurt belanghebbende in via een uitzendbureau voor vliegend personeel. De diensten van belanghebbende worden aan dat uitzendbureau ter beschikking gesteld door tussenkomst van naar Iers recht opgerichte vennootschappen (Limiteds). Van 1 januari 2016 tot 18 oktober 2016 gebeurt dat via Limited 1, en van 19 oktober 2016 tot 18 april 2017 via Limited 2. Van deze vennootschappen is belanghebbende minderheidsaandeelhouder en mededirecteur. De betaling van het uitzendbureau aan Limited 1 is gebaseerd op door belanghebbende gewerkte uren, en bestaat uit een basisvergoeding en een ‘out of base allowance’ die onder voorwaarden wordt betaald. Op de door de Limiteds verstrekte loonstroken van belanghebbende staat een post ‘Expenses’.

1.13

De Inspecteur heeft het door belanghebbende in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2016 aangegeven loon4gecorrigeerd. Het verschil tussen het door belanghebbende aangegeven loon en het door de Inspecteur gehanteerde loon wordt voor het grootste deel verklaard door voornoemde ‘expenses’, die door belanghebbende als gerichte vrijstellingen worden aangemerkt, en door de Inspecteur als loon.

1.14

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch5 laat de vraag wie belanghebbendes feitelijke werkgever is in het midden en stelt vast dat belanghebbende in ieder geval bij een niet-inhoudingsplichtige werkgever in dienst is. Het gerechtshof overweegt dat de werkkostenregeling is gericht op de inhoudingsplichtige werkgever. De buitenlandse niet-inhoudingsplichtige werkgever, die doorgaans geen kennis heeft van het Nederlandse loonbelastingregime en geen enkel belang heeft om op enigerlei wijze met de toepassing van dat regime rekening te houden, zal niet overgaan tot het aanwijzen van bepaalde vergoedingen of verstrekkingen. Daarmee dreigen werknemers zoals belanghebbende ernstig te worden benadeeld. Het gerechtshof overweegt verder dat ook vanuit Nederlands perspectief de werkkostenregeling niet werkt in een situatie als de onderhavige. De werkkostenregeling ziet namelijk op het collectief van vergoedingen en verstrekkingen op het niveau van de werkgever en niet (alleen) op de vergoedingen en verstrekkingen van het individu, zoals belanghebbende, aldus het hof.

1.15

Het gerechtshof overweegt dat in art. 3.84(2) Wet IB 2001 is gepoogd tegemoet te komen aan het voornoemde dreigende nadeel. Het hof leidt uit de wetsgeschiedenis bij die bepaling af dat het uitgangspunt is dat werknemers met een niet-inhoudingsplichtige werkgever in dezelfde positie komen als werknemers met een werkgever die maximaal gebruik maakt van de mogelijkheden om, zonder dat dit tot verschuldigdheid van heffing door de werkgever leidt, vergoedingen en verstrekkingen als eindheffingsbestanddeel aan te merken. Indien belanghebbende een inhoudingsplichtige werkgever had gehad, dan zou deze volgens het hof de zakelijke kosten hebben aangewezen en dan zouden deze gericht zijn vrijgesteld. Onder verwijzing naar HR BNB 2022/976 merkt het hof op dat daaraan niet afdoet dat de buitenlandse werkgever de vergoedingen en verstrekkingen niet heeft aangewezen.

1.16

Het middel dat de Staatssecretaris in cassatie voorstelt, voert allereerst aan dat belanghebbende in een gezagsverhouding tot de luchtvaartmaatschappij staat, en dat deze daarmee de feitelijk werkgever is van belanghebbende. Tussen belanghebbende en de luchtvaartmaatschappij bestaan geen afspraken over de vergoeding van kosten, en de ontvangen vergoeding is ook enkel afhankelijk van de gewerkte uren. Omdat er tussen belanghebbende en de feitelijk werkgever geen te vergoeden kosten zijn gespecificeerd, kan geen sprake zijn van een aangewezen eindheffingsbestanddeel en evenmin van iets wat daarmee in dit geval, gelet op het doel en de strekking van art. 3.84(2) Wet IB 2001, op overeenkomstige wijze gelijk kan worden gesteld, aldus het middel.

1.17

Het middel betoogt verder dat HR BNB 2022/97 zo moet worden geïnterpreteerd dat bij toepassing van art. 3.84(2) Wet IB 2001 slechts voor de vrije ruimte geen aanwijzing hoeft plaats te vinden, en dat daaruit volgt dat de aanwijzing voor de overige vergoedingen en verstrekkingen nog steeds vereist is. Mocht dat anders zijn, dan betoogt het middel subsidiair dat een aanwijzing alleen kan worden aangenomen bij vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen waarvan vaststaat dat die blijven binnen de voorwaarden en grensbedragen van de desbetreffende gerichte vrijstellingen.7 Daarvan is in dit geval geen sprake, aldus het middel.

1.18

Tot slot is de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch volgens het middel onvoldoende gemotiveerd, nu dat hof – ondanks het betoog van de Inspecteur – aan de toepassing van de gebruikelijkheidstoets voorbij is gegaan.

Reden voor gezamenlijke behandeling

1.19

Hoewel de schikkingszaken enerzijds en de pilootzaak anderzijds qua feitencomplex erg van elkaar verschillen, en bovendien over andere belastingmiddelen gaan, gaan zij in wezen over hetzelfde onderwerp: het aanwijzen van vergoedingen en verstrekkingen als eindheffingsbestanddeel voor de werkkostenregeling. Over dat begrip, het ‘aanwijzen’ als zodanig, is niet eerder een conclusie genomen. De oordelen van de feitenrechters, tezamen met de ingestelde cassatieberoepen, geven voldoende aanleiding voor een brede uiteenzetting van dat begrip.

1.20

Ik ga hierna eerst in onderdeel 2 in op de wettelijke context van het begrip ‘aanwijzen’. Vervolgens beschouw ik in onderdeel 3 hoe dat begrip uitgelegd moet worden. Ik sta daarna in onderdeel 4 stil bij de vraag of de door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gehanteerde invulling van het begrip ‘aanwijzen’ – waarbij ‘aanwijzen’ uiterlijk op het genietingstijdstip moet plaatsvinden en behoudens foutherstel niet meer op de keuze kan worden teruggekomen – terecht wordt gehanteerd. Vervolgens beschouw ik in onderdeel 5 de routes die een inhoudingsplichtige kan volgen om een geschil over de (gebruikelijkheid van de) aanwijzing als eindheffingsbestanddeel in de bezwaar- en beroepsfase te brengen. Tot slot buig ik mij in onderdeel 6 over art. 3.84(2) Wet IB 2001 (de faciliteit voor werknemers met een niet-inhoudingsplichtige werkgever) en de voorwaarden om van die faciliteit gebruik te kunnen maken.

1.21

De onderdelen 2 en 3 hebben dus een algemene strekking en zijn voor alle zaken van belang. De onderdelen 4 en 5 zijn vooral relevant voor de schikkingszaken, en onderdeel 6 is alleen relevant voor de pilootzaak.

1.22

Verder merk ik vooraf op dat, behoudens een enkele uitzondering, de originele voetnoten bij citaten niet zijn opgenomen.

2 De context van het begrip ‘aanwijzen’ in de Wet LB

2.1

Om het begrip ‘aanwijzen’ te kunnen duiden, is het van belang de context daarvan te begrijpen. Daarom vang ik aan met een weergave in vogelvlucht van de systematiek van de werkkostenregeling van art. 31a Wet LB.8

2.2

Normaliter wordt loonheffing geheven door inhouding op het loon van de werknemer (art. 27(1) Wet LB). Echter, in afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens de Wet LB bepaalde wordt ingevolge art. 27a(1) Wet LB de belasting over de in art. 31 Wet LB bedoelde eindheffingsbestanddelen geheven van de inhoudingsplichtige (als bedoeld in de artt. 6-8a Wet LB). Voor zover hier relevant vindt deze heffing plaats alsof de door de inhoudingsplichtige verschuldigde belasting door hem op aangifte af te dragen belasting is (art. 27a(2) Wet LB). Eindheffingsloon is daarnaast vrijgesteld voor de inkomstenbelasting (zie art. 3.84(1) Wet IB 2001) en de bij wijze van eindheffing geheven loonbelasting kan niet als voorheffing worden verrekend (art. 9.2(1)a Wet IB 2001).

2.3

Het kenmerk van eindheffing is dus dat loonbelasting van de inhoudingsplichtige wordt geheven. Uit de wetsgeschiedenis van art. 31 Wet LB volgt dan ook dat “voor de normale heffing van de loonbelasting bij de werknemer (…) bestanddelen van het loon voor zover deze in de eindheffing worden betrokken buiten aanmerking” blijven.9 De werkgever draagt nog wel de belasting af, niet meer per werknemer, maar collectief.10

2.4

Voor de werkkostenregeling zijn de eindheffingsbestanddelen genoemd in art. 31(1)f en g Wet LB relevant. Art. 31(1)f Wet LB ziet op vergoedingen en verstrekkingen in een situatie van tegenwoordige arbeid. Eindheffingsbestanddelen zijn dan de door de inhoudingsplichtige aangewezen (gedeelten van) vergoedingen en verstrekkingen, voor zover de omvang daarvan voldoet aan de gebruikelijkheidstoets.11 Art. 31(1)g Wet LB bevat een bepaling voor de vergoedingen en verstrekkingen in een situatie van vroegere arbeid. Eindheffingsbestanddelen zijn dan (i) (kort gezegd) kortingen op de branche-eigen producten van het bedrijf van de inhoudingsplichtige of een daarmee verbonden vennootschap, of (ii) overige verstrekkingen, beide voor zover deze ook door de inhoudingsplichtige of een daarmee verbonden vennootschap worden verstrekt aan een of meer werknemers met inkomsten uit tegenwoordige arbeid die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren. In art. 31(4) Wet LB staat een aantal categorieën beloningselementen die geen eindheffingsbestanddeel in de zin van art. 31(1)f en g Wet LB (kunnen) zijn.

2.5

De belasting over de eindheffingsbestanddelen als bedoeld in art. 31(1)f en g Wet LB wordt in art. 31a Wet LB als volgt bepaald. Eerst worden al deze eindheffingsbestanddelen bij elkaar geteld. Daarvan wordt een aantal bestanddelen die onder een ‘gerichte vrijstelling’ vallen uitgezonderd. Van het restant wordt beoordeeld of deze de zogeheten ‘vrije ruimte’12 overschrijdt. Het deel dat de vrije ruimte overschrijdt, is belast tegen een tarief van 80%.

2.6

Voor de historische context merk ik op dat het systeem van de werkkostenregeling op een belangrijk punt afwijkt van het regime dat daarvoor gold. Kort door de bocht was het oude regime van vrijgestelde vergoedingen en verstrekkingen geregeld in art. 10 Wet LB, dat bepaalt wat loon is, en een veelheid aan bepalingen die – als aan de voorwaarden daarvan werd voldaan – tot resultaat hadden dat hetgeen vrijgesteld werd geen loon is. Bij toepassing van de werkkostenregeling, waarbij een deel van de oude vrijstellingen in al dan niet gewijzigde vorm als gerichte vrijstelling is overgenomen en een deel heeft plaatsgemaakt voor de vrije ruimte13, is daarentegen al dat wordt aangewezen als eindheffingsbestanddeel in beginsel nog steeds loon14.

2.7

Hoezeer het een open deur is, merk ik niettemin op dat onder het oude regime het onderhavige geschil niet zou zijn ontstaan. Met de werkkostenregeling is namelijk een aanvullend belang ontstaan, omdat met de keuze voor aanwijzing als eindheffingsbestanddeel binnen de werkkostenregeling een ander (vlak) tarief van 80% geldt – na overschrijding van de vrije ruimte – dan bij reguliere brutering in de situatie waarin de inhoudingsplichtige de loonheffing voor zijn rekening neemt. Dat laatste gebeurt namelijk op basis van de progressieve tarieven. Zeker bij betalingen aan werknemers die toch al in de hoogste tariefschijf verpozen15 scheelt dat nogal: in 2016 en 2017, de jaren waar de zaken op zien, was het hoogste tarief 52%, dus dat betekent dat brutering leidt tot een heffing van 108,3%16. Daarin zit dan ook het financiële belang van de toegang tot de werkkostenregeling, ook voor loonbestanddelen die niet binnen de vrije ruimte of een gerichte vrijstelling vallen.

2.8

Tegen ongewenst gebruik van (het eindheffingstarief van) de werkkostenregeling is de gebruikelijkheidstoets opgenomen in art. 31(1)f Wet LB.17 Onder verwijzing naar de gebruikelijkheidstoets heeft de Inspecteur in de schikkingszaken niet ingestemd met het verzoek van belanghebbende om goed te keuren dat de tegemoetkomingen worden aangewezen als eindheffingsbestanddeel. In cassatie gaat het in de schikkingszaken echter enkel nog om de aan deze toets voorafgaande vraag of een aanwijzing überhaupt heeft plaatsgevonden. In de pilootzaak is nog wel in geschil of het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch aan het gebruikelijkheidscriterium had moeten toetsen, maar is de uitleg van dat criterium (nog) niet in geschil.

2.9

Omwille van de leesbaarheid en de relevantie voor de zaken zal ik ‘gedeelten van’, ‘verstrekkingen’ en het moeten voldoen aan de gebruikelijkheidstoets hierna veelal onbenoemd laten, tenzij het nodig is om het daarover te hebben, en zal ik spreken over aangewezen vergoedingen of loon(bestanddelen). Omdat de zaken met name gaan over een overkoepelend begrip – de aanwijzing – merk ik voor de volledigheid op dat ik voor de uitleg en toepassing van dat begrip geen inhoudelijk onderscheid bedoel aan te brengen tussen vergoedingen en verstrekkingen c.q. gedeelten daarvan.

2.10

Voor de volledigheid merk ik op dat het onderscheid tussen art. 31(1)f en g Wet LB zit in de vraag of sprake is van tegenwoordige of vroegere arbeid. Ik meen dat daarmee een andere toets aangelegd wordt dan de vraag of sprake is van loon uit tegenwoordige of vroegere dienstbetrekking.18 Ten eerste is dit de enige plaats in de Wet LB waar deze terminologie (‘tegenwoordige / vroegere arbeid’) gebruikt wordt. Ten tweede volgt uit de wetsgeschiedenis19 dat de werkkostenregeling in beginsel is bedoeld voor loon uit tegenwoordige arbeid, en dat letter g daarop een uitzondering vormt in het kader van in de praktijk veel voorkomende verstrekkingen aan postactieven en oud-werknemers (zoals het kerstpakket en de korting op producten eigen bedrijf, en sinds 1 januari 2021 ook scholingskosten).

2.11

Omdat de schikkingszaken (nog) slechts gaan over tegemoetkomingen en vergoedingen die aan actieve werknemers zijn betaald, is alleen art. 31(1)f Wet LB in cassatie van belang. Voor de pilootzaak is in beginsel ook alleen die bepaling (in de Wet LB) relevant. Wat betreft de schikkingszaken doet daaraan niet af dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de tegemoetkomingen, zoals niet meer in geschil is, als loon uit vroegere dienstbetrekking heeft aangemerkt. Loon uit vroegere dienstbetrekking kan immers aan een actieve werknemer worden verstrekt.20 Het gaat in de schikkingszaken dus om loon uit vroegere dienstbetrekking in een situatie van tegenwoordige arbeid.

2.12

Uit art. 31(1)f Wet LB volgt dat een door de inhoudingsplichtige aangewezen vergoeding een eindheffingsbestanddeel is. Uit de tekst van art. 31 Wet LB, of een andere bepaling in de Wet LB21, is niet op te maken wat ‘aanwijzen’ is, op welke wijze aanwijzen moet plaatsvinden, en wanneer aanwijzen (uiterlijk) moet plaatsvinden. Ik begin met een beschouwing van het begrip ‘aanwijzen’.

3 Het begrip ‘aanwijzen’

3.1

De werkkostenregeling is geïntroduceerd bij de Fiscale vereenvoudigingswet 201022. Art. 31(1)f Wet LB vormt daarbij één van de pijlers waarop de werkkostenregeling is gebaseerd.23 De vraag is wat moet worden verstaan onder ‘aangewezen’ in de zinsnede ‘door de inhoudingsplichtige aangewezen vergoedingen en verstrekkingen’ in art. 31(1)f Wet LB.

Wetsgeschiedenis

3.2

In de wetsgeschiedenis is relatief beperkte aandacht aan de aanwijzing besteed. Het is ook te zien dat, waar de gerichte vrijstellingen een jaarlijks terugkerend thema op de fiscale agenda zijn, de discussie over de aanwijzing minder regelmatig terugkomt. Uit de wetsgeschiedenis leid ik in ieder geval de volgende kenmerken af.

3.3

Ten eerste is de aanwijzing in beginsel vormvrij. In het rapport internetconsultatie voorafgaand aan de invoering van de werkkostenregeling staat dat voor de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel geen bijzondere voorwaarden gelden, dat geen verzoek aan de Belastingdienst hoeft te worden gedaan, en dat de aanwijzing vaak zal zijn terug te voeren op arbeidsrechtelijke afspraken of zal zijn vastgelegd in de administratie van de werkgever.24 Uiteindelijk mag de inhoudingsplichtige op zijn eigen manier aanwijzen, zolang het maar aannemelijk is dat hij dat heeft gedaan. De Belastingdienst kan ‘reflecteren’ op de door de werkgever gekozen manier en voorbeelden van correcte aanwijzing geven.25 De vormvrijheid wordt niet steeds als een zegen ervaren; uit het rapport ‘Evaluatie werking Werkkostenregeling’ volgt dat voor inhoudingsplichtigen veelal niet duidelijk is hoe zij moeten aanwijzen26 en medewerkers van de Belastingdienst stellen voor om de aanwijzing niet meer vormvrij te laten27.

3.4

Ten tweede moet blijkens de wetsgeschiedenis sprake zijn van een aanwijzing vooraf, dat wil zeggen vóór het fiscale genietingstijdstip28 (in de zin van art. 13a Wet LB). De werkgever bepaalt uiterlijk op het moment van uitbetalen of verstrekken of ter zake van een vergoeding of verstrekking sprake is van bij de werknemer te belasten loon of van een eindheffingsbestanddeel. Deze keuze is, gelet op de wetssystematiek, definitief.29 Ook in latere wetsgeschiedenis blijft dit uitgangspunt gehuldigd.30 Op het punt van de wetssystematiek kom ik later nog terug.

3.5

Ten derde hoeven bij gebruik van de vrije ruimte na aanwijzing geen individuele vastleggingen in de werknemersadministratie meer plaats te vinden. Een groot deel van de beoogde (helaas niet als zodanig ervaren31) administratieve lastenverlichting van de werkkostenregeling houdt verband met dit kenmerk.32 Het gaat dan voornamelijk om de vrijstellingen die in de vrije ruimte zijn opgenomen, die vóór invoering van de werkkostenregeling individuele voorwaarden hadden waarvoor vastleggingen in de administratie waren vereist. Bij gebruik van de gerichte vrijstellingen moeten nog wel vastleggingen in de administratie worden gedaan om te kunnen aantonen dat aan de voorwaarden van die gerichte vrijstellingen is voldaan.

3.6

Ten vierde is een gevolg van de aanwijzing dat voor het desbetreffende loonbestanddeel geen individuele verloning plaatsvindt. Dat is een onderdeel van het voorgaande kenmerk, maar het is niet helemaal hetzelfde. Dit element wordt op diverse manieren verwoord, bijvoorbeeld: “buiten het bij de werknemer te belasten loon te (…) houden”33, “fiscaal buiten het beeld van de werknemer en zijn loonstrookje”34 en “buiten het individuele loon van de werknemer houden”35.

3.7

Aan dit kenmerk wordt in de wetsgeschiedenis veel belang gehecht:

“Als de werkgever een vergoeding (of verstrekking) tot het individuele loon rekent heeft hij de vergoeding blijkbaar niet als eindheffingsbestanddeel aangemerkt. Heeft de werkgever de vergoeding niet tot het individuele loon gerekend, dan is aannemelijk dat hij de vergoeding heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel.”36

“Nog altijd moet een werkgever in zijn administratie zijn bedoeling (niet individueel verlonen) vastleggen. In het geval een werkgever het besluit neemt een vergoeding of verstrekking niet tot het individuele loon te rekenen, legt hij op het moment dat dit loonbestanddeel genoten wordt ook niets vast op de loonkaart van de werknemer. Daaruit valt af te leiden dat hij de bedoeling heeft de vrije ruimte of een gerichte vrijstelling te gebruiken en over het meerdere de eindheffing te betalen. (…) Kiest een werkgever ervoor een of meer loonbestanddelen wel individueel te verlonen dan gelden de gebruikelijke administratieve verplichtingen van vastlegging op de loonkaart.”37

“Een deel van de kosten wordt door werkgevers op grond van de werkkostenregeling (WKR) nu juist niet meer toegerekend aan individuele werknemers, maar blijft als geheel buiten de heffing of wordt door de werkgever onder de eindheffing opgenomen. Indien deze posten ook op de loonstrook worden opgenomen, zouden ze via verdeelsleutels (naar rato van salaris of hoofdelijke omslag) moeten worden toegerekend aan individuele werknemers. Toerekening van dit soort kosten aan individuele werknemers op de loonstrook leidt dan tot extra administratieve lasten in tegenstelling tot de verlichting die werd beoogd met de WKR.”38

“Het aanwijzen is al vormvrij en de Belastingdienst is coulant in het beoordelen of vergoedingen en verstrekkingen waar een gerichte vrijstelling voor kan gelden wel zijn aangewezen. Zo gaat de Belastingdienst gedurende het kalenderjaar van zo’n aanwijzing uit als een vergoeding of verstrekking tot het loon behoort en de werkgever deze niet tot het individuele loon van de werknemer heeft gerekend.”39

3.8

Deze kenmerken komen ook naar voren in het Verslag van de commissie voor Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven over het verzoekschrift van H. B.V. en H.G. B.V. te Leiden inzake afwijzing van de inspecteur van de Belastingdienst op het verzoek om ambtshalve vermindering in verband met de verstrekking van maaltijden aan werknemers.40 H. B.V. en H.G. B.V. hadden aan werknemers verstrekte maaltijden tot het individuele loon gerekend. Het verzoek om deze bij wijze van foutherstel toch als eindheffingsbestanddeel te behandelen, wees de inspecteur af. De verzoekers konden namelijk niet aannemelijk maken dat zij een fout hadden gemaakt. Ik verwijs in het bijzonder naar de volgende passage op bladzijde 4 van het verslag:

“De Staatssecretaris wijst er in de nadere inlichtingen op dat de Belastingdienst, mede naar aanleiding van de Evaluatie werking werkkostenregeling, een coulante houding hanteert ten aanzien van de aanwijsverplichting als sprake is van een gerichte vrijstelling. Dat in de situatie van de verzoekers sprake is van een gerichte vrijstelling staat volgens hen buiten kijf. Dit zou dus in beginsel volgens de verzoekers een coulante opstelling van de Belastingdienst moeten betekenen. De Staatssecretaris wijst er op dat in het Handboek loonheffingen 2020 staat dat de Belastingdienst er «in beginsel vanuit gaat dat een loonbestanddeel is aangewezen als eindheffingsbestanddeel als is voldaan aan de voorwaarden die gelden voor een gerichte vrijstelling». De verzoekers zijn van mening dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor een gerichte vrijstelling en dat er in beginsel vanuit moet worden gegaan dat een loonbestanddeel is aangewezen. De Staatssecretaris wijst er in de nadere inlichtingen op dat uit de context blijkt dat dit ziet op situaties waarin de inhoudingsplichtige het loonbestanddeel niet tot het individuele loon heeft gerekend en als dit anders is, dat dan de bewijslast bij de inhoudingsplichtige ligt. (…)

Oordeel van de commissie

De commissie is van oordeel dat het standpunt van de Staatssecretaris kan worden gedeeld.

Voorstel aan de Kamer

Er is geen aanleiding om de Kamer een voorstel te doen.”

3.9

De Redactie Vakstudie Nieuws schrijft over dit verslag:41

“Probleem is alleen dat de ondernemer de maaltijden niet heeft aangewezen als eindheffingsloon, maar deze tot het werknemersloon heeft gerekend. En dan wreekt zich de systematiek van de werkkostenregeling. Die vereist dat uiterlijk op het moment waarop het loon wordt uitbetaald, de inhoudingsplichtige moet kiezen. Later terugkomen op een eenmaal gemaakte keuze is niet mogelijk.”

Jurisprudentie

3.10

Er is geen jurisprudentie van de Hoge Raad die direct uitleg geeft aan het begrip ‘aanwijzen’. De ‘belangrijkste’ arresten die gaan over aanwijzing als eindheffingsbestanddeel zijn die van 12 juli 201942 (onder meer HR BNB 2020/20). Die behandelen echter de vraag hoe de gebruikelijkheid van de aanwijzing getoetst moet worden en niet de aanwijzing als zodanig. De gebruikelijkheid is in de schikkingszaken niet zozeer aan de orde. In de pilootzaak is één van de vragen of de gebruikelijkheid had moeten worden getoetst, maar is de uitleg van de gebruikelijkheidstoets als zodanig niet onderwerp van geschil. Ook had de inhoudingsplichtige in de procedures die hebben geleid tot HR BNB 2020/20, anders dan in de schikkingszaken, denkelijk de loonbestanddelen niet tot het individuele loon gerekend (er was immers eindheffing werkkostenregeling afgedragen).

3.11

Uit HR BNB 2022/9743 lijkt te volgen dat voor de toepassing van art. 3.84(2) Wet IB 2001 – dat kort gezegd aan werknemers zonder inhoudingsplichtige werkgever de mogelijkheid biedt tot toepassing van de werkkostenregeling in de aangifte IB/PVV, hierover in onderdeel 6 meer – niet is vereist dat tegenover de verzilvering van de vrije ruimte aangewezen vergoedingen en verstrekkingen staan. De Hoge Raad overweegt dat in de situatie dat de werkgever niet inhoudingsplichtig is, in redelijkheid niet kan worden verwacht dat die werkgever zich richt naar het systeem van de Nederlandse loonbelasting.44 Dit arrest biedt echter geen verdere aanknopingspunten over wat ‘aanwijzen’ is. Het belang van die zaak is in zoverre anders dan in de schikkingszaken, dat art. 3.84(2) Wet IB 2001 nooit tot daadwerkelijke eindheffing bij een werkgever zal leiden. Dit arrest is wel van groot belang voor de pilootzaak. In onderdeel 6 kom ik daarop nog terug.

3.12

Een uitspraak van het gerechtshof Den Haag45 gaat over een persoon aan wie een beschikking is gegeven voor de toepassing van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers. Het betreft een IB/PVV-procedure. De 30%-regeling voor ingekomen werknemers is een in art. 10e e.v. Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 opgenomen bewijsregel voor zogeheten extraterritoriale kosten46, die is gebaseerd op een delegatiebevoegdheid in (destijds) art. 31a(2)e Wet LB47. Met andere woorden, de 30%-regeling maakt deel uit van het systeem van de werkkostenregeling. Ultimo maart 2015 eindigt de dienstbetrekking tussen de belanghebbende in deze zaak en zijn werkgever. De ex-werkgever verloont de daaropvolgende nabetalingen individueel zonder toepassing van de 30%-regeling.

3.13

In geschil is of de belanghebbende in de aangifte IB/PVV alsnog de 30%-regeling kan toepassen. Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat dat niet kan48, omdat de ex-werkgever op de betalingen 52% loonheffing heeft ingehouden. Noch uit de overgelegde specificaties, noch uit de afspraken die de belanghebbende met zijn werkgever over de 30%-regeling heeft gemaakt, blijkt dat de ex-werkgever de nabetalingen heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Het gerechtshof vervolgt:

“5.8 (…) De aanwijzing van een gerichte vrijstelling als eindheffingsbestanddeel is namelijk alleen dan voltooid als daarmee rekening wordt gehouden bij de uitbetaling van het loon en deze als zodanig op individueel niveau is verwerkt in de loonadministratie. Daarmee komen immers pas de aard en omvang van de gerichte vrijstelling, de omvang van het loon en de daarover verschuldigde belasting vast te staan.”

3.14

Volgens het gerechtshof Den Haag had de belanghebbende zich tot zijn ex-werkgever kunnen wenden om deze ertoe te bewegen middels correctieberichten alsnog een aanwijzing als eindheffingsbestanddeel te bewerkstelligen. Bovendien had de belanghebbende bezwaar kunnen maken tegen de inhouding van loonbelasting over de betreffende tijdvakken.49 Op dit onderdeel van de uitspraak (en deze opvatting in het algemeen) is in de literatuur kritiek geleverd.50

3.15

In een uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch51 gaat het over een vergelijkbare situatie als in de hiervoor genoemde uitspraak van het gerechtshof Den Haag, zij het dat aan de orde is de weigering van de werkgever om de 30%-regeling toe te passen in een periode van non-actiefstelling voorafgaand aan het einde van de dienstbetrekking. Het betreft een procedure naar aanleiding van het bezwaar van de belanghebbende tegen de inhouding van loonheffing. Het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch oordeelt dat vaststaat dat de werkgever in de periode van non-actiefstelling belasting heeft ingehouden over het volledige bruto maandsalaris.52 Daar dit conform de afspraken in de vaststellingsovereenkomst tussen werkgever en werknemer is, berust deze wijze van inhouding op een bewuste keuze van de werkgever. Volgens het gerechtshof is daarmee niet aannemelijk dat de werkgever de vergoeding heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Daaraan doet de beschikking waarbij de 30%-regeling is toegekend niet af, aangezien deze niet verplicht tot aanwijzing als eindheffingsbestanddeel, aldus het hof. Zie in vergelijkbare zin een uitspraak van gerechtshof Amsterdam53, een IB-procedure. De Hoge Raad heeft het ingestelde cassatieberoep met toepassing van art. 81(1) Wet RO ongegrond verklaard.54

3.16

Een uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden55 gaat over hetzelfde ‘haakje’ in de werkkostenregeling als de 30%-regeling: de gerichte vrijstelling voor extraterritoriale kosten van art. 31a(2)e Wet LB. De belanghebbende in die zaak (een uitzendbureau) past voor haar werknemers een zogeheten ‘cafetariaregeling’ toe, waarbij overwerkbeloningen worden uitgeruild tegen vrije vergoedingen of verstrekkingen in verband met extraterritoriale kosten (berekening 1). Daarmee voldoet zij echter niet meer aan de vereisten van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) en wordt een certificering opgeschort. De belanghebbende maakt vervolgens voor al haar werknemers nieuwe loonberekeningen (berekening 2), waarbij een zodanig deel van de overwerkbeloning wordt uitgeruild tegen een vergoeding voor extraterritoriale kosten dat wel wordt voldaan aan de WML – en dient op basis van deze berekeningen correctieberichten in.

3.17

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt als volgt:

“4.1 Het Hof stelt vast dat belanghebbende opvolging heeft gegeven aan de oproep van [A] om te voldoen aan de regelgeving van WML door de uitruil op basis van artikel 34 van de cao gedeeltelijk terug te nemen. Belanghebbende heeft ter zitting hierover verklaard dat zij de verdeling tussen het brutoloon en de vergoeding voor extraterritoriale kosten aan de werknemers heeft gewijzigd en verwerkt in herziene loonstroken voor de desbetreffende werknemers. De daaruit voortvloeiende hogere loonheffing heeft zij in tijdvak 13 afgedragen en voor zover mogelijk op haar werknemers verhaald. Het Hof wijst erop dat de gewijzigde toepassing van de uitruil tot een hoger brutoloon heeft geleid, hetgeen ook werd beoogd om te voldoen aan de WML, en dat dit hogere brutoloon ook doorwerkt bij toepassing van andere (wettelijke) regelingen waarvoor het brutoloon maatgevend is. Naar het oordeel van het Hof moet voor de toepassing van artikel 31a, tweede lid, onderdeel e, van de Wet LB worden aangesloten bij hetgeen uiteindelijk feitelijk aan uitruil heeft plaatsgevonden, zodat belanghebbende in tijdvak 13 op een juiste wijze de loonheffing heeft berekend (volgens berekening 2) en afgedragen. Het Hof volgt belanghebbende dus niet in haar betoog dat voor de Wet LB kan worden aangesloten bij berekening 1 die is gebaseerd op de oorspronkelijke uitruil.”

3.18

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak met toepassing van art. 81(1) Wet RO ongegrond verklaard.56

Beleid

3.19

In de eerste evaluaties van de werkkostenregeling kwam de kwestie van de aanwijzing niet direct als pijnpunt naar voren: in de eerste (tussen)evaluatie57 wordt er niet over gerept, en in de tweede evaluatie staat de onderzoeksopzet daaraan in de weg58. Ook in de rapportage van de internetconsultatie tussen 4 april en 16 mei 201359 komt de aanwijzing niet naar voren, denkelijk wederom naar aanleiding van de gestelde vragen.60 Pas in het rapport Evaluatie werkkostenregeling61 komen knelpunten omtrent de aanwijzing naar voren. Die zien dan voornamelijk op het moeten aanwijzen van loonbestanddelen waarvoor een gerichte vrijstelling geldt.

3.20

Het kabinet gaf destijds te kennen dat het van plan was te regelen dat het niet langer nodig is vergoedingen en verstrekkingen die gericht zijn vrijgesteld als eindheffingsbestanddeel aan te wijzen.62 De Wet LB is nooit op dit punt aangepast, maar in de loop der jaren is wel beleid verschenen omtrent de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel. Dat beleid is veelal van een latere datum dan van onze zaken, maar biedt niettemin relevante gezichtspunten.

3.21

Reeds in het besluit van 17 december 201463 staat in par. 3.2 dat de Belastingdienst gedurende het kalenderjaar uitgaat van een aanwijzing “als een vergoeding of verstrekking tot het loon behoort en de werkgever deze niet tot het individuele loon van een werknemer heeft gerekend. Dit is anders als de Belastingdienst meent dat de werkgever bij vergissing de vergoeding of verstrekking niet tot het individuele loon heeft gerekend of dat niet wordt voldaan aan de gebruikelijkheidstoets”64. In een herziening van dit besluit per 29 juli 202265 is de tekst iets aangepast. Voor zover hier relevant is toegevoegd dat de Belastingdienst ook uitgaat van een aanwijzing voor zover aan de voorwaarden en grensbedragen van een gerichte vrijstelling is voldaan.

3.22

Vanaf het Handboek Loonheffingen 202066 staat in par. 20.1 het volgende:

“Gerichte vrijstellingen gaan niet ten koste van uw vrije ruimte als de vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen blijven binnen de voorwaarden die voor deze gerichte vrijstellingen gelden. Daarnaast gelden bij enkele gerichte vrijstellingen ook grensbedragen. Als u voldoet aan de voorwaarden en de grensbedragen, gaan wij ervan uit dat u die vergoedingen, verstrekkingen en terbeschikkingstellingen hebt aangewezen als eindheffingsloon. Als u wel voldoet aan de voorwaarden, maar u vergoedt, verstrekt of stelt meer ter beschikking dan het grensbedrag, moet u voor het meerdere wel een keuze maken of u dat meerdere aanwijst als eindheffingsloon. U kunt dat bijvoorbeeld doen door deze in uw administratie op te nemen als eindheffingsloon dat u ten laste van de vrije ruimte brengt. Als u geen keuze maakt en dus wat u meer vergoedt, verstrekt of ter beschikking stelt niet aanwijst als eindheffingsloon, is sprake van loon van de werknemer. Uw keuze maakt u uiterlijk op het moment van vergoeden, verstrekken of ter beschikking stellen. Als u een loonbestanddeel tot het individuele loon heeft gerekend gaan wij er in beginsel vanuit dat het loonbestanddeel niet is aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Dit is slechts anders wanneer u aannemelijk maakt dat het loonbestanddeel als vergissing tot het individuele loon is gerekend. De bewijslast ligt in dat geval bij u.”

Beschouwing

3.23

In de wetsgeschiedenis, (feiten)rechtspraak en het beleid wordt voor de aanwijzing veel waarde gehecht aan de vraag of het loonbestanddeel individueel is verloond of niet. Deze maatstaf – die niet als voorwaarde in de tekst van art. 31(1)f Wet LB staat – sluit op zichzelf bezien goed aan bij de systematiek van de eindheffing en de werkkostenregeling. Zoals uit 2.3 volgt, betekent eindheffing dat de belasting wordt geheven van de inhoudingsplichtige. Dat vloeit dwingend voort uit art. 27a Wet LB. De eindheffingsbestanddelen worden bij elkaar geteld op het niveau van de inhoudingsplichtige, en blijven buiten aanmerking op het niveau van de individuele werknemer. Indien het eindheffingsbestanddelen voor de werkkostenregeling zijn, wordt bovendien de vrije ruimte op basis van de collectieve loonsom en niet per werknemer berekend. Indien een beloningsbestanddeel tot het individuele loon van een werknemer wordt gerekend en daarover loonbelasting van die werknemer wordt ingehouden, is dat juist tegengesteld aan de systematiek van eindheffing.

3.24

Ik meen echter dat het ontbreken van een individuele verloning als gevolg van de aanwijzing niet vereenzelvigd moet worden met de aanwijzing, noch dat dit een condicio sine qua non is om te kunnen spreken van een aangewezen loonbestanddeel. Daarvoor verwijs ik naar de volgende passage uit de wetsgeschiedenis:67

“De aanwijzing door de werkgever zal vaak zijn terug te voeren op arbeidsrechtelijke afspraken of zijn vastgelegd in de administratie van de werkgever. Ook als dit niet expliciet is vastgelegd is de feitelijke behandeling door de werkgever in het algemeen bepalend. Als de werkgever een vergoeding (of verstrekking) tot het individuele loon rekent heeft hij de vergoeding blijkbaar niet als eindheffingsbestanddeel aangemerkt. Heeft de werkgever de vergoeding niet tot het individuele loon gerekend, dan is aannemelijk dat hij de vergoeding heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Wel mag de werkgever achteraf fouten herstellen als bijvoorbeeld een vergoeding als bij de werknemer te belasten loon is behandeld terwijl met de werknemer een niet bij de werknemer te belasten vergoeding was afgesproken, of andersom. De werkgever verwerkt deze correcties in de loonadministratie en de aangifte loonheffingen.”

3.25

Uit deze passage volgt dat de aanwijzing in de regel voortvloeit uit een afspraak of een vastlegging in de administratie. Het al dan niet tot het individuele loon rekenen van een vergoeding levert weliswaar een vermoeden omtrent de aanwijzing op,68 maar indien de (niet-)verloning niet conform de afspraken is gegaan, dan mag deze hersteld worden. Het komt mij voor dat dat betekent dat een vergoeding kan zijn aangewezen (er is namelijk een afspraak dat de werkgever de heffing voor zijn rekening neemt) maar dat toch een individuele verloning heeft plaatsgevonden, die kan worden hersteld. De aanwijzing moet daarom los worden gezien van de verloning; immers, als een vergoeding alleen kan zijn aangewezen indien deze niet individueel is verloond, dan is deze mogelijkheid tot foutherstel in feite zinledig.

3.26

Het enkele feit dat een vergoeding individueel is verloond, sluit dus niet uit dat die vergoeding toch kan zijn aangewezen. Anderzijds is een individuele verloning systematisch dusdanig tegengesteld aan een aanwijzing als eindheffingsbestanddeel, dat daaraan terecht het vermoeden – maar ook niet meer dan dat – kan worden ontleend dat geen aanwijzing heeft plaatsgevonden. Dat de (tegen)bewijslast daaromtrent bij de inhoudingsplichtige rust, ligt in de rede, omdat de werkkostenregeling over het algemeen voordeliger is dan het alternatief van bruteren (zie 2.7) en de inhoudingsplichtige de gerede partij is om dit bewijs te leveren. Die bewijslast hoeft evenwel niet zwaar te zijn: de aanwijzing is immers vormvrij, en kan zijn terug te voeren op arbeidsrechtelijke afspraken of vastleggingen in de administratie van de werkgever.69 Een dergelijke vastlegging kan relatief algemeen van aard zijn; zie bijvoorbeeld de volgende vraag-en-antwoorduitlating van het door de Belastingdienst gemodereerde Forum Salarisadministrateurs:70

“WKR en aanwijzen eindheffingsloon

Laatst bewerkt: 26 okt 2022

Vraag

Wij hebben een verklaring in onze administratie opgenomen dat alle zaken die worden geboekt op de WKR (vrije ruimte) zijn aangewezen als eindheffingsloon. Volstaat dat?

Antwoord

“Voor de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel gelden geen bijzondere voorwaarden. Zo hoeft hiervoor geen verzoek te worden gedaan aan de Belastingdienst. De aanwijzing door de werkgever zal vaak zijn terug te voeren op arbeidsrechtelijke afspraken of zijn vastgelegd in de administratie van de werkgever. In uw situatie is een verklaring in de administratie opgenomen dat alle zaken die worden geboekt op de WKR (vrije ruimte) zijn aangewezen als eindheffingsloon. Daarmee is er dus sprake van een vastlegging en de administratie van de werkgever.

Ook als dit niet expliciet is vastgelegd is de feitelijke behandeling door de werkgever in het algemeen bepalend. Als de werkgever een vergoeding (of verstrekking) tot het individuele loon rekent heeft hij de vergoeding blijkbaar niet als eindheffingsbestanddeel aangemerkt. Heeft de werkgever de vergoeding niet tot het individuele loon gerekend, dan is aannemelijk dat hij de vergoeding heeft aangewezen als eindheffingsbestanddeel.”

3.27

Ook Hoogstraten geeft een voorbeeld van een aanwijzing met een erg algemeen karakter:71

“En als de werkgever een loonbestanddeel ten onrechte niet als loon heeft aangemerkt en dit na afloop van het kalenderjaar merkt, hangt het van de kracht van zijn bewijs af of hij dit loonbestanddeel nog als eindheffingsloon kan aanmerken. Het is dus geen zwart-wit situatie dat na afloop van het kalenderjaar nooit meer sprake kan zijn van eindheffingsloon. Werkgevers die hierop willen anticiperen kunnen in hun administratie een bepaling opnemen, dat bij fouten in de (loon)administratie de werkgever bij voorbaat kiest om die loonbestanddelen als eindheffingsloon aan te merken. Weliswaar ziet deze aanwijzing nog niet op een concreet loonbestanddeel, maar het maakt wel duidelijk hoe de werkgever met dit soort toekomstige situaties wil omgaan.”

3.28

Over de afspraken en vastleggingen nog het volgende. Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt, is de aanwijzing vormvrij en zijn daaraan geen bijzondere voorwaarden verbonden. Ik meen dan ook dat niet individueel verloonde vergoedingen en verstrekkingen ook kunnen zijn aangewezen als deze niet vooraf (als lijst, aan het begin van het jaar) in een arbeidsrechtelijke afspraak zijn gespecificeerd. Het behoeft geen betoog dat het de bewijspositie met betrekking tot het bestaan van een aanwijzing ten goede komt indien die aanwijzing schriftelijk is vastgelegd, maar het op schrift stellen is geen vereiste. Daarbij komt dat het mes blijkens de wetsgeschiedenis72 aan twee kanten snijdt: als aan een individuele verloning het vermoeden kan worden ontleend dat niet is aangewezen, dan is met het ontbreken van een individuele verloning aannemelijk dat wel is aangewezen.73 Indien de inspecteur in die laatste situatie het standpunt inneemt dat ondanks de verwerking als eindheffingsloon niet is aangewezen, geldt een bewijsvermoeden van aanwijzing dat aan de inspecteur is om te ontzenuwen.

3.29

De aanwijzing van een vergoeding en de verwerking van de uitbetaling van die vergoeding zijn dus twee afzonderlijke handelingen. Deze twee handelingen staan weliswaar in oorzakelijk verband met elkaar, maar dan wel zo dat het ontbreken van een individuele verloning een gevolg74 is van de aanwijzing als eindheffingsbestanddeel. Immers, art. 27a Wet LB schrijft dwingend voor dat de loonbelasting over eindheffingsbestanddelen van de inhoudingsplichtige wordt geheven. Maar daaraan vooraf gaat de vraag of het loon in kwestie een eindheffingsbestanddeel is. Dat laatste wordt bepaald door art. 31(1)f Wet LB, dat enkel de voorwaarde stelt dat sprake is van een aanwijzing die niet ongebruikelijk is. Die bepaling vereist niet voor de aanwijzing dat de verwerking van de uitbetaling conform art. 27a Wet LB gaat. Met andere woorden: als een aangewezen vergoeding individueel wordt verloond, is deze daarmee niet niet-aangewezen, maar is de verwerking niet conform de aanwijzing gegaan.

3.30

Ik merk op dat art. 31(1)f Wet LB naar de tekst van de aanhef een dwingende bepaling lijkt te zijn (‘eindheffingsbestanddelen zijn’). De tekst van art. 31(1)f Wet LB biedt weliswaar een keuzemogelijkheid voor de inhoudingsplichtige – aanwijzen of niet – maar als een vergoeding eenmaal is aangewezen, dan is die vergoeding een eindheffingsbestanddeel. En de loonbelasting over eindheffingsbestanddelen wordt van de inhoudingsplichtige geheven. Ervan uitgaande dat het tot het individuele loon rekenen van een vergoeding niet hoeft te betekenen dat die vergoeding niet is aangewezen, rijst de vraag of daarmee niet een ‘foute’ verloning plaatsvindt – in de zin dat loonbelasting over een eindheffingsbestanddeel van een werknemer wordt geheven.

3.31

Hoewel art. 31(1) Wet LB als dwingende bepaling kan worden gelezen, meen ik dat deze in ieder geval niet zo strikt moet worden uitgelegd dat voor een aangewezen loonbestanddeel75 niet meer beslist kan worden om toch tot individuele verloning over te gaan respectievelijk dat deze tot herstel van een ‘foute’ individuele verloning dwingt.76 Het is evident dat de werkkostenregeling is bedoeld als een keuzeregime met enige flexibiliteit voor de inhoudingsplichtige.77 De mogelijkheid tot foutherstel moet naar mijn mening zo worden uitgelegd dat deze primair ziet op de situatie waarin de inhoudingsplichtige zelf een fout onderkent en van mening is dat deze hersteld moet worden.

3.32

Ook rijst de vraag of een werknemer die meent dat een aangewezen loonbestanddeel ten onrechte individueel is verloond, met gebruik van art. 3.84(1) Wet IB 2001 – dat kort gezegd bepaalt dat eindheffingsbestanddelen geen loon voor de inkomstenbelasting zijn – een vrijstelling voor dat loonbestanddeel zou kunnen verkrijgen. Zie ook de aangehaalde uitspraken van het gerechtshof Den Haag en het gerechtshof Amsterdam in 3.12-3.15 over de 30%-regeling. Dat is geen vreemde gedachte gezien de tekst van art. 3.84(1) Wet IB 2001, dat handelt over voordelen waarover de belasting, op grond van onder meer art. 31 Wet LB, is verschuldigd door de inhoudingsplichtige. Die voordelen zijn eindheffingsbestanddelen, en zodra een vergoeding is aangewezen, is het een eindheffingsbestanddeel, en is de belasting voor rekening van de inhoudingsplichtige. Uit dezelfde jurisprudentie blijkt overigens dat deze vlieger niet opgaat, maar dan wel op basis van het mijns inziens niet juiste uitgangspunt dat door de individuele verloning geen sprake meer is van een aangewezen eindheffingsbestanddeel.78

3.33

Over de 30%-regeling merk ik overigens op dat deze vaak via een cafetariasysteem wordt toegepast, waarbij van een deel van het salaris wordt afgezien om hetzelfde bedrag als onbelaste vergoeding voor extraterritoriale kosten te ontvangen. Voor cafetariasystemen wordt in de regel een addendum op de arbeidsovereenkomst79 gesloten om onder meer vast te leggen dat de werknemer akkoord is dat zijn salaris wordt verlaagd en bekend is met de verdere gevolgen voor bijvoorbeeld sociale verzekeringen die die verlaging kan hebben. In een dergelijk addendum is meestal vastgelegd dat sprake is van een belastingvrije vergoeding. Stel dat een inhoudingsplichtige wiens werknemer de 30%-regeling heeft tot een volledige individuele verloning overgaat, maar later ervoor kiest de individuele verloning terug te draaien en de 30%-regeling alsnog als onbelaste kostenvergoeding uit te betalen; dan kan een dergelijk addendum naar mijn mening als onderbouwing dienen dat sprake is van foutherstel bij de verloning van een aangewezen vergoeding.80

3.34

Als de in 3.32 weergegeven lezing van art. 3.84(1) Wet IB 2001 en art. 31 Wet LB overigens wel op zou gaan, zou dat tot gevolg hebben dat noch bij de inhoudingsplichtige, noch bij de werknemer wordt geheven, tenzij er een naheffingsaanslag aan de inhoudingsplichtige wordt opgelegd. Het is niet goed denkbaar dat de wetgever in de typische ‘binnenlandse’ situatie81 een dergelijk systeem als uitgangspunt heeft willen introduceren.

3.35

Samenvattend signaleer ik dat enerzijds de wet en de wetsgeschiedenis geen steun bieden voor het standpunt dat de aanwijzing pas is voltooid indien het aangewezen loon niet individueel is verloond. Een ander standpunt zou tevens de mogelijkheid van foutherstel zinledig maken. Anderzijds kunnen ongewenste uitkomsten ontstaan, indien de wijze van verloning in het geheel geen rol zou spelen. Het lijkt me daarnaast ongerijmd dat het voor de toepassing van de werkkostenregeling om het even zou zijn of het eindheffingsregime daadwerkelijk wordt toegepast.

3.36

Ervan uitgaande dat voorafgaand aan het genietingstijdstip definitief moet worden gekozen om al dan niet aan te wijzen – daarop ga ik in het volgende onderdeel van deze conclusie in – brengt het voorgaande mij tot de volgende tussenconclusies.

Tussenconclusies

3.37

De aanwijzing als eindheffingsbestanddeel en de verloning als eindheffingsloon moeten los van elkaar worden gezien. Echter, om de werkkostenregeling toe te kunnen passen moet aan beide voorwaarden zijn voldaan. Het loon moet dus als eindheffingsbestanddeel zijn aangewezen en het loon moet als eindheffingsloon zijn verwerkt.

3.38

Als een loonbestanddeel als eindheffingsloon is verwerkt, kan aan die verwerking het vermoeden worden ontleend dat dat loonbestanddeel vooraf is aangewezen als eindheffingsbestanddeel. Dat is ook in lijn met de vormvrijheid van de aanwijzing. Wordt het loonbestanddeel als individueel werknemersloon verloond, dan kan daaruit een vermoeden omtrent het ontbreken van de aanwijzing worden afgeleid. Wil de inhoudingsplichtige dat loonbestanddeel later dan toch tot het eindheffingsloon rekenen, dan rust op hem de bewijslast om op andere wijze aannemelijk te maken dat dat loonbestanddeel is aangewezen. Het verwerken van dat loonbestanddeel als eindheffingsloon volstaat dan niet meer.

3.39

Daarbij merk ik op dat mijns inziens geen onderscheid bestaat of zou moeten bestaan in de bewijslast van de aanwijzing tussen de situaties waarin een gerichte vrijstelling van toepassing is en die waarin het loonbestanddeel de vrije ruimte ‘in gaat’. De vraag of is aangewezen, is prealabel aan de vraag of een gerichte vrijstelling van toepassing is. Het systeem werkt nu eenmaal zo dat de ‘aanwijzingspoort’ moet worden gepasseerd voordat toegang tot de vrije ruimte en/of de gerichte vrijstellingen bestaat.82 Art. 31(1)f Wet LB maakt ook geen onderscheid tussen ‘vrije ruimte-eindheffingsbestanddelen’ en ‘gericht vrijgestelde eindheffingsbestanddelen’. Het vermoeden van aanwijzing dat aan de verwerking als eindheffingsloon kan worden ontleend, geldt onverkort voor beide categorieën.

3.40

In dat kader permitteer ik me de opmerking dat de voorwaarde die inmiddels onder meer in het goedkeurend beleid in het Handboek Loonheffingen wordt gesteld (zie 3.22) – namelijk dat naast de verwerking als eindheffingsloon ook aan de voorwaarden en grensbedragen van de gerichte vrijstelling is voldaan – niet logisch voorkomt. Als het loon als eindheffingsloon is verwerkt, dan kan op basis daarvan ervan worden uitgegaan dat dat loon is aangewezen. Indien dan (een deel van) dat loon ten onrechte onder een gerichte vrijstelling blijkt te zijn geschaard, dan kan daaruit alleen de conclusie worden getrokken dat de inhoudingsplichtige het eindheffingsloon in het verkeerde ‘eindheffingsmandje’ heeft gesorteerd. Dat doet niet af aan het feit dat de inhoudingsplichtige in de eerste plaats de heffing voor zijn rekening heeft genomen (zij het in de veronderstelling dat door de gerichte vrijstelling niet daadwerkelijk eindheffing verschuldigd zou zijn).83

4 Is de keuze om wel of niet aan te wijzen definitief?

6 Art. 3.84(2) Wet IB 2001