Parket bij de Hoge Raad, 07-11-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1207, 25/03330, 24/01523, 24/01524, 24/03422
Parket bij de Hoge Raad, 07-11-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1207, 25/03330, 24/01523, 24/01524, 24/03422
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 7 november 2025
- Datum publicatie
- 13 november 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1207
- Zaaknummer
- 25/03330
Inhoudsindicatie
Wraking in belastingzaak. Nevenbetrekkingen van behandelend raadsheer zijn tijdelijk niet zichtbaar op website Rechtspraak.nl. Bespreking ten overvloede van problemen met aangetekende verzending van brieven aan verzoekster.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03330
Zitting 7 november 2025
CONCLUSIE
W.L. Valk
Met betrekking tot het verzoek tot wraking van [verzoekster] (hierna: verzoekster).
1 Inleiding en samenvatting
Deze zaak betreft een verzoek om wraking in drie hoofdzaken die aanhangig zijn bij de belastingkamer van de Hoge Raad. Verzoekster heeft in deze hoofdzaken cassatieberoep ingesteld zonder de gronden van het beroep te vermelden en (deels) zonder de bestreden uitspraken bij te voegen. Aan verzoekster is de mogelijkheid gegeven om deze verzuimen te herstellen, maar zij heeft dat niet gedaan binnen de gestelde termijnen. Voorts heeft verzoekster niet (tijdig) het griffierecht voldaan en het formulier met betrekking tot betalingsonmacht niet (tijdig en/of volledig) ingediend. Op 4 september 2025 is aan partijen bericht dat de Hoge Raad op 12 september 2025 uitspraak zou doen in de hoofdzaken. Naar aanleiding daarvan heeft verzoekster de raadsheren van de belastingkamer die de zaken behandelen gewraakt. Mijns inziens bestaat voor wraking geen grond.
In deze conclusie bespreek ik onder meer de verplichting voor rechterlijke ambtenaren om nevenfuncties te melden en informatie over deze nevenfuncties openbaar te maken, en de vraag of het niet voldoen aan die verplichting een grond voor wraking oplevert (hierna 4.10 e.v.). Ik doe een praktisch voorstel om verzoekster tegemoet te komen in verband met de tijdelijke situatie waarin het register geen informatie bevatte over de nevenbetrekkingen van een van de gewraakte raadsheren (hierna 4.26-4.28).
Verder besteed ik ten overvloede aandacht aan de klacht van verzoekster dat de door de fiscale griffie van de Hoge Raad per aangetekende post verzonden berichten haar niet bereiken (hierna 4.29 e.v.). In lijn met rechtspraak van de belastingkamer van de Hoge Raad over aangetekende verzending door de griffies van de rechtbank en hoven doe ik een voorstel voor de wijze waarop de fiscale griffie van de Hoge Raad invulling kan geven aan haar verantwoordelijkheid om erop toe te zien dat door haar verzonden aangetekende post op regelmatige wijze wordt aangeboden (hierna 4.37).
2 De feiten en het procesverloop in de hoofdzaken
De hoofdzaken in verband waarmee het wrakingsverzoek is gedaan, betreffen de bij de belastingkamer van de Hoge Raad aanhangige zaken met nummers 24/01523, 24/01524 en 24/03422. Ik schets hierna de feiten en het procesverloop in de hoofdzaken, voor zover ik deze op basis van de dossiers bij de Hoge Raad kan achterhalen.
24/01523
In zaak 24/01523 bestaat het dossier bij de Hoge Raad onder meer uit een bericht van verzoekster van 1 maart 2024 waarin pro forma cassatieberoep wordt ingesteld tegen een uitspraak op verzet van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2024. De bestreden uitspraak is bij het bericht gevoegd. Op grond van de gegevens in deze uitspraak van de rechtbank valt de feitelijke achtergrond van de zaak niet te achterhalen. Wat betreft het procesverloop vermeldt de uitspraak dat verzoekster beroep heeft ingesteld tegen een besluit van een in de uitspraak niet met naam genoemde verweerder van 5 juli 2022. Bij uitspraak van 16 februari 2023 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, zonder de zaak op zitting te hebben behandeld. Verzoekster heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Op 23 augustus 2023 is een verzetszitting gepland. Naar aanleiding van een uitstelverzoek is de zitting verdaagd. De rechtbank heeft het verzet op 6 december 2023 op zitting behandeld. Verzoekster is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
Bij uitspraak op verzet heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:1
‘5. Opposante heeft in haar verzetschrift geen gronden vermeld en het verzetschrift niet ondertekend. Daarom heeft de griffier bij brief van 3 april 2023 (de herstelverzuimbrief) opposante gevraagd dit alsnog binnen twee weken te doen. In de herstelverzuimbrief is aan opposante meegedeeld dat, indien zij niet binnen de gestelde termijn het verzuim herstelt, niet-ontvankelijkverklaring kan volgen. Op 6 april 2023 is de herstelverzuimbrief onbestelbaar retour gekomen. De herstelverzuimbrief is op 6 april 2023 nogmaals verzonden, nu per gewone post. Bij brief van 17 april 2023 heeft opposante verzocht om uitstel. Bij brief van 24 april 2023 heeft de griffier het verzoek afgewezen en opposante in de gelegenheid gesteld het verzuim vóór 1 mei 2023 te herstellen. Ook deze brief is onbestelbaar retour ontvangen, met de opmerking ‘Geweigerd’. De brief van 24 april 2023 is op 11 mei 2023 nogmaals verzonden nu per gewone post. Volgens de na retourontvangst ingewonnen informatie staat opposante ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het [adres] , waar de herstelverzuimbrief van 24 april 2023 en de brief van 11 mei 2023 naar toe zijn gestuurd. In de brief van 11 mei 2023 staat vermeld dat indien in de aangetekende brief een termijn wordt genoemd, deze niet opnieuw aanvangt. Opposante heeft op 23 mei 2023 gereageerd op de brief van 11 mei 2023, maar deze reactie is niet tijdig. Ten aanzien van het standpunt van opposante dat de termijn om te reageren al was verstreken toen zij de brief van 11 mei 2023 ontving, wordt geoordeeld dat dit voor rekening en risico van opposante komt. Uit informatie van PostNL van 18 maart 2022 kan worden afgeleid dat PostNL er al 4 á 5 jaar last van heeft dat aangetekende post niet op het adres van opposante kan worden bezorgd, omdat opposante weigert de deur te openen voor PostNL en de deur dicht doet indien aangetekende post wordt bezorgd. Het probleem is al meerdere keren besproken op het depot met verschillende managers. Bovendien heeft opposante, los van het feit dat de herstelverzuimtermijn reeds was verstreken, niet zo spoedig als redelijkerwijze mogelijk was gereageerd toen zij de brief van 11 mei 2023 heeft ontvangen.
6. Opposante heeft de gebreken die aan haar verzetschrift kleven niet hersteld.
7. Het verzet is kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het verzet niet inhoudelijk wordt behandeld en de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.’
Naast het hiervoor vermelde beroepschrift in cassatie, bestaat het dossier bij de Hoge Raad uit diverse berichten die in het digitale portaal zijn geplaatst. Deze berichten zijn ook per aangetekende post aan verzoekster toegestuurd. Nadat de berichten retour zijn gekomen, veelal met de melding ‘niet afgehaald’, zijn de berichten ook per gewone post aan verzoekster verzonden. Deze berichten betreffen:
- Ontvangstbevestiging van het beroepschrift in cassatie en de aankondiging dat verzoekster over het verdere verloop van de procedure nader zal worden geïnformeerd. (6 mei 2024)
- Verzoek om verzuimen in het beroepschrift in cassatie te herstellen binnen zes weken na de datum van het bericht. (6 mei 2024)
- Verzoek om binnen twee weken het formulier betreffende de verklaring afwezigheid van vermogen met de daarin gevraagde gegevens in te dienen. (6 mei 2024)
- Aankondiging dat griffierecht zal worden geheven, omdat verzoekster niet tijdig heeft voldaan aan het verzoek om gegevens over inkomen en vermogen in te dienen. (30 mei 2024)
Bij faxbrief van 23 juli 2024 heeft verzoekster aan de Hoge Raad bericht:
‘I received your letters with a delay and learned about your requests only after the deadlines. I therefore ask you to extend the deadlines for four weeks. I further remind that there have been persistent problems with the delivery of the registered sending, with the postman either bringing them to the post location or unduly marking them as refused without an attempt to deliver. I therefore kindly remind that in order to ensure that I learn about the deadlines timely I asked to duplicate the registered sendings by regular mail.’
In reactie op een herinnering met betrekking tot de betaling van het verschuldigde griffierecht, die in eerste instantie aangetekend is verzonden, maar na retour komen daarvan, bij brief van 7 augustus 2024 opnieuw per gewone post aan verzoekster is verzonden, heeft verzoekster bij faxbrief van 8 augustus 2024 bericht:
‘I am surprised by your letter of 7th August and I draw your attention once again that I fully satisfy criteria for the betalingsonmacht. I understood previously that the Hoge Raad has all my necessary information such as my BSN, date of birth, address, etc; and that the Hoge Raad obtains information on the income directly from the Raad van Rechtsbijstand. It seems that the letter in question was sent as a result of the oversight on the part of the Hoge Raad or Rechtsbank service centrum. I therefor ask to cancel the request to pay immediately. I enclose a recent print from my bank account, so that you may satisfy yourself that my financial situation has not improved.
I have not note that there have been considerable issues with the Hoge Raad is treating the applications for the betalingsonmacht, which are left without attention and obstruct access to justice for the persons with low income. I ask the Hoge Raad to state how many applications for the betalingsonmacht from unrepresented appellant were granted and how many cases were dismissed for the failure to pay the griffierecht.
I further remind about my application to extend the term further to your previous correspondences which were received after the deadline, to which I have not received a reply yet. I asked for the extension by 4 weeks, and take that the term should run from the date of the reply.
The Hoge Raad has been aware that there have been persistent problems with delivery of the registered sending to my home address and was asked to duplicate you correspondence by regular post. Otherwise you correspondence can be received with a delay and even after the deadlines.’
Vervolgens bevat het dossier een portaalbericht van 16 augustus 2024 met de constatering dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is betaald, en de gevolgtrekking dat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard, tenzij binnen vier weken de redenen voor termijnoverschrijding worden meegedeeld en uit die redenen volgt dat verzoekster redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. Verder bevat het dossier een portaalbericht van 3 september 2024, waarin een gerechtssecretaris van de Hoge Raad, optredend als griffier in deze en de hierna vermelde hoofdzaken (hierna: de griffier) reageert op de faxbrieven van 23 juli 2024 en 8 augustus 2024:
‘Naar aanleiding van uw faxbrieven van 23 juli en 8 augustus 2024, welke ik onlangs onder ogen heb gekregen, deel ik u het volgende mede.
In de hiervoor genoemde brief verzoekt u onder meer de termijn van (naar ik versta) de brief waarbij u in de gelegenheid bent gesteld de vormverzuimen te herstellen te verlengen, omdat u deze met vertraging heeft ontvangen en daarvan na de gestelde termijn kennis heeft kunnen nemen.
Voorts verzoekt u de aanmaning tot betaling van het griffierecht te annuleren, omdat u van mening bent aan de criteria voor betalingsonmacht te voldoen. Daartoe heeft u een afschrift van uw banktegoed overgelegd.
Bij brief van 6 mei 2024 bent u in de gelegenheid gesteld de verzuimen met betrekking tot het door u ingediende pro forma beroep in cassatie te herstellen. Volgens de gegevens van PostNL is deze brief op 8 mei 2024 afgeleverd op de afhaallocatie, omdat de brief niet kon worden bezorgd op het door u opgegeven postadres. Op 23 mei 2024 is het stuk - omdat deze niet is afgehaald - retour gezonden aan de afzender (i.c. de Hoge Raad). De griffie van de Hoge Raad heeft onder andere bij brief van 29 mei 2024 de retour gekomen herstelverzuimbrief van 6 mei 2024 per gewone post aan het door u opgegeven adres gezonden. Gelet daarop wordt geen aanleiding gezien uw verzoek om uitstel in te willigen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Voor wat betreft uw opmerking dat u (wel) voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht, bericht ik u als volgt.
Wanneer een beroep op betalingsonmacht wordt gedaan, is het aan de verzoeker om te bewijzen dat hij/zij aan die criteria voldoet. Ten bewijze daarvan kan bijvoorbeeld een recente loonstrook of uitkeringsspecificatie worden overgelegd. Bij per aangetekende post verzonden brief van 6 mei 2024 is aan u verzocht een verklaring 'Afwezigheid van vermogen', alsmede bewijsstukken met betrekking tot het inkomen over te leggen.
Aangezien u aan dat verzoek niet (tijdig) heeft voldaan, heb ik u bij brief van 30 mei 2024 meegedeeld dat het heffen van griffierecht in gang zal worden gezet en dat u een nota griffierecht zult ontvangen met het verzoek het griffierecht binnen de in die notabrief gestelde termijn te betalen. Wanneer een eerder gedaan beroep op betalingsonmacht niet is ingewilligd, is het niet mogelijk nogmaals een beroep op betalingsonmacht te doen. Ik zie dan ook geen aanleiding terug te komen van het gestelde in de brief van 30 mei 2024. Overigens kan een afschrift van een banktegoed niet dienen als bewijs.
Tot slot nog het volgende.
U geeft aan dat u eerder aan de Hoge Raad heeft meegedeeld dat er aanhoudende problemen zijn (geweest) met de bezorging van aangetekende post. U verzoekt daarom de aangetekende zendingen ook per gewone post toe te verzenden.
De werkwijze is dat de Hoge Raad zijn brieven waarin een termijn is gesteld en die (nog) per post moeten worden verzonden, alleen aangetekend per post laat bezorgen. Problemen met de bezorging van aangetekende post als door u geschetst komen de Hoge Raad niet bekend voor. Daarom wordt geen reden gezien af te wijken van die werkwijze.
In het webportaal van de Hoge Raad is van de bovengenoemde zaak een digitaal dossier beschikbaar. In dat geval is het voor partijen mogelijk op elk gewenst moment inzage te kunnen nemen in het dossier om te zien welke stukken er zijn klaargezet of gewisseld. Voorts kunnen via dat portaal stukken worden ingediend en is er geen tussenkomst van PostNL meer nodig.’
Bij faxbrief van 17 september 2024 heeft verzoekster op haar beurt gereageerd, als volgt:
‘This is further to your letter dated by 3rd September, in which you react to my faxes of 23rd July and 8th August.
You write that you recently came across my faxes, which indicates thatfor several weeks my faxes were overlooked. There was also a delay of more than 2 months with the acknowledgement on the appeals, despite they were received instantly, and it follows from your letter the applications were nottreated adequately.
In the faxes in question I explained that I learned about your requests made in your letters of 6th May long after they were made and thus could not have complied with them by deadlines. I was asking to extend the deadlines, to give me a possibility to comply. Your letter does not address the grounds and I urge you to produce motivated decisions that do address them.
It also follows from the text of your letter that, in view of the information available to you, you treated the application for the betalingsonmacht without due care, and did not intend to consider it on merits in the first instance.
I have to remind that provisions for the betalingsonmacht were introduced to ensure that appellants without sufficient financial means are not precluded from accessing justice, in compliance with the Article 6 ECHR. You however have been using the relevant procedural provisions to achieve the opposite and leave no chance for the appeals of unrepresented litigants lacking financial means to be considered on merits.
The way the betalingsonmachts are dealt with by your department requires a broader review. In my previous letters I asked you to provide information on how many fee waivers were granted, but you did not cooperate and up to now you have not provided the requested information.
In your letter of 3rd September you do not provide reasoning as such, but only selective information about your sendings. However if to put together the information your quote, your decisions do not sound reasonable. You also make the statements that are obviously incorrect (e.g. you state that you are not aware ofthe postal problems), which I have to draw this to your attention.
It follows from your letter that on 6th May you sent me two registered letters requiring "herstelen verzuim" and completion of the form "Afweigheid van vermogen".
You state that the registered mail letter requiring "herstelen verzuim" were returned as undelivered and resent by regular post on 29th May.
You further write that on 6th May you also send by registered mail the request to fill the form "Afweigheid van vermogen", but do not state that the letters the from "Afweigheid van vermogen" were also returned as undelivered (on 29th May ) and resent by regular post. This omission given the context may be misleading.
Instead you write that on 30th May my application for the betalingonmacht was refused because I did not submit the form "Afweigheid van vermogen" by the deadline stated in the letters of 6th May.
At the time you refused the application you certainly knew that I was not aware about the request before the deadline expired and did not receive the request at all. It is clearly unreasonable to take punitive measures that close for the appellant the way to justice on the ground that the appellant failed to comply with the request that you knew was certainly not known to the appellant at the time you took your decision; and take a stance that no circumstance can change it (you also knew that I could not provide any explanation as I was not aware about the request). Such approach is contrary to the intention ofthe legislators. Yet overthe past year you have been doing that again and again, unduly refusing me access to justice.
In the course of the previous appeals the Hoge Raad was informed about persistent problems with the delivery of the registered post to my home address, as a result of which the deadlines were missed though no fault of mine. I was asking the Hoge Raad to take this into account by either duplicating registered letters by regular mail straight away instead of waiting for the return the registered letters as undelivered, or to set longer deadiines. The Hoge Raad was also repeatedly asked to raise the issue with PostNL as the sender. The issues with PostNL were also mentioned in the file of the underlying case and in the scope of the appeals in question.
In your letter dated by 3rd September you however state that you are not aware of any problems with the PostNL. It may be that you did overlook all of my previous correspondences, however it is also clear that there has been a persistent delivery problem from the fact that in the past nearly all registered letters sent by the Hoge Raad (and by Rechtbank on the underlying cases) were returned as undelivered. You were bound to know that as you were dismissing my previous appeals. Thus the statement that you are not aware of any problems with post delivery is evidently wrong.
Hence, when you sent registered letters of 6th May you did not have reasons to believe that on that very occasion PostNL would deliver your registered letters properly and they would be received timely. You nevertheless did not take care that, given the persistent delivery problems, reasonable steps are taken to ensure that I can possibly comply with the request. You did not duplicate the request for the form by normal and set a short deadline, despite having been aware that it takes longer for PostNL to return undelivered letters.
Despite on the same day as the registered letters you also sent me two regular mail letters, you did not enclose to those letters information regarding the deadlines or any deficiencies. In those letters you acknowledged the receipt of my appeals faxed to the Hoge Raad more than two months earlier ( 1st March 2024). The acknowledgement letters were sent by normal post, despite there are the same requirement to their postage by Awb as to other letters. It therefore you choice not to send me the information about the deadline by normal post, which has to be explained as you certainly knew about the persistent problem with registered mail sendings.
Since it is not the first time you create the situation in which I learn about the deadlines retrospectively and similar situation with sendings being repeated despite my requests to put some measures in place. This naturally leads to the conclusion that it is deliberate.
You start by writing about "herstelen verzuim". Though you do not explain what this refers to, it is clearly something separate than betalingonmacht application. You state that you refuse the request for postponement because you see that "herstelverzuimbrief" of 6th May was resent by the regular mail, despite by then not much time was left to comply. I brought to your attention that I learned about the request after the deadline expired, which may not be a rare situation during the holiday season. Evidently, you did refer to that when writing about your decision. You letter therefore cannot be viewed as a motivated decision on my application.
With regard to the betalingsonmacht, you do not state when you received the registered mail letter back or whether and when it was send by regular mail. You also do not mention the fact that when you refused the betalingsonmacht application on 30th May, you knew for sure that I was not aware about the request.
This is very telling about the approach by the Hoge Raad to applications for betalingsonmacht of unrepresented litigants, whom you have been persistently blocking from accessing justice. As it was pointed out before this should be the subject to a broader review. It is difficult to see how such approach can be in line with the purpose of relevant provisions and you do not provide any explanation how such approach may be considered adequate and reasonable.
You also do not explain what information you were missing, given that there were extensive discussion about my financial position accessible to you, so that verklaring in question could not have reasonably been argued to bring in new information.
You also do not comment on what was an urgency of refusing the betalingsonmacht in May, given that you did not acknowledge the receipt of the appeal or ask for anything since March.
I urge you to take a more reasonable and responsible approach to the cases of unrepresented appellant such as myself I urge you grant my applications and otherwise communicate reasoning for refusing it in a view of the points communicated by my side and the circumstance of the case.
To avoid unnecessary confusion please also send the track and traces for all registered sendings copies of the correspondences you refer to.
I also urge you to provide the information requested in my previous correspondences to enable the broader review of undue practiced adopted by the team Belasting in order to ringfence itself from unrepresented appellants.’
De correspondentie wordt afgesloten met een bericht van de griffier van 25 september 2024:
‘Uw faxbrief van 17 september 2024, bij de Hoge Raad ingekomen op 16:45:36 uur, is in goede orde ontvangen.
Ik zal uw faxbrief voegen in het dossier, zodat de raadsheren daarvan kennis kunnen nemen bij de beoordeling van de zaak.
Voor wat betreft uw verzoek om informatie te verkrijgen over de wijze van behandelen van een beroep op betalingsonmacht en van het aantal verleende kwijtscheldingen, bericht ik u als volgt.
In het destijds (onder meer) door de Hoge Raad op 20 februari 2015 gewezen arrest zijn de criteria vermeld waaraan een beroep op betalingsonmacht moet voldoen. De Hoge Raad verstrekt geen informatie over het aantal zaken waarin wegens betalingsonmacht is afgezien van het heffen van griffierecht.
Tot slot nog het volgende.
In de bovengenoemde faxbrief verzoekt u om toezending van alle (relevante) correspondentie van de bovengenoemde zaak.
Het zondermeer op verzoek toezenden van (proces)stukken ten aanzien van bij de Hoge Raad aanhangig gemaakte procedures, zou een te grote belasting van de griffie betekenen.
Wanneer een partij kennis wenst te nemen van de (proces(stukken), dan bestaat de mogelijkheid bij de Hoge Raad inzage te nemen in het dossier.
Indien u van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken, dan verzoek ik u contact op te nemen met de griffie van de Hoge raad voor het maken van een afspraak. Alsdan is tevens mogelijk afschriften van stukken te verkrijgen om daarmee uw eigen dossier te completeren.’
Tot slot bevat het dossier een portaalbericht van 4 september 2025 met de aankondiging dat de uitspraak zal worden gedaan op 12 september 2025 met vermelding van de raadsheren die de uitspraak zullen doen, en een portaalbericht van 12 september 2025 met de mededeling dat de uitspraak tot een nader te bepalen datum wordt uitgesteld.
24/01524
In zaak 24/01524 bestaat het dossier bij de Hoge Raad onder meer uit een bericht van verzoekster van 1 maart 2024 waarin pro forma cassatieberoep wordt ingesteld tegen een uitspraak op verzet van de rechtbank Den Haag van 18 januari 2024. Op grond van de gegevens in deze uitspraak van de rechtbank valt de feitelijke achtergrond van de zaak niet te achterhalen. Wat betreft het procesverloop vermeldt de uitspraak dat verzoekster beroep heeft ingesteld tegen een besluit van een in de uitspraak niet met naam genoemde verweerder van 15 juni 2022. Bij uitspraak van 22 december 2022 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, zonder de zaak op zitting te hebben behandeld. Verzoekster heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan. Op 10 mei 2023 is een verzetszitting gepland. Op 10 mei 2023 heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend. Bij beslissing van 19 mei 2023 heeft de wrakingskamer van de rechtbank het wrakingsverzoek afgewezen en bepaald dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen. Op 23 augustus 2023 is een verzetszitting gepland. Naar aanleiding van een uitstelverzoek is de zitting verdaagd. De rechtbank heeft het verzet op 6 december 2023 op zitting behandeld. Verzoekster is zonder bericht van verhindering niet verschenen.
Bij uitspraak op verzet heeft de rechtbank het verzet ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank onder meer overwogen:2
‘5. Bij aangetekende brief van 7 februari 2023 is opposante verzocht binnen twee weken na de datum van verzending van de brief het verzetschrift persoonlijk te ondertekenen en de gronden van verzet mee te delen. De brief van 7 februari 2023 is onbestelbaar aan de rechtbank geretourneerd. Bij brief van 14 februari 2023 is de aangetekende brief ter kennisneming per gewone postzending aan opposante toegezonden. Bij brief van 20 februari 2023 heeft opposante verzocht om de in de brief van 7 februari 2023 genoemde termijn met vier weken uit te stellen. Bij brief van 22 februari 2023 is twee weken uitstel verleend. Deze brief is onbestelbaar retour ontvangen, met de opmerking ‘Geweigerd’. De brief van 22 februari 2023 is nogmaals op 27 februari 2023 verzonden, nu per gewone post. Vermeld is dat indien in de aangetekende brief een termijn wordt genoemd deze niet opnieuw aanvangt. Volgens de na de retourontvangst ingewonnen informatie staat opposante in de Basisregistratie Personen ingeschreven op het [adres] waar de herstelverzuimbrief van 7 februari 2023 en de brief van 22 februari 2023 naar toe zijn gestuurd. Gelet op de brief van 22 februari 2023 is de termijn om het verzuim te herstellen verstreken op 8 maart 2023. Opposante heeft eerst bij brief van 7 maart 2023, ontvangen op 13 maart 2023, een reactie ingestuurd, maar dit is te laat.
6. Opposante heeft de gebreken die aan haar verzetschrift kleven niet dan wel niet tijdig hersteld.
7. Opposante heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.
8. Het verzet is daarom niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het verzet niet inhoudelijk wordt behandeld en de buiten-zittinguitspraak in stand blijft.’
Het verdere procesverloop in zaak 24/01524 is gelijk aan het hierboven geschetste procesverloop in zaak 24/01523.
24/03422
In zaak 24/03422 bestaat het dossier bij de Hoge Raad onder meer uit een bericht van verzoekster van 27 mei 2024: ‘Hereby we go in cassatie proforma against the enclosed judgements. Though the judgements dated by 4th March, they were sent using the agreed way of communication on 13th May 2024.’ Het bericht bevat geen verdere gegevens over de bestreden uitspraak (instantie of zaaknummer) en de bestreden uitspraak is niet bijgevoegd. Daardoor is de feitelijke achtergrond en het procesverloop in eerdere instantie(s) in deze zaak niet bekend.
Het procesdossier bij de Hoge Raad bestaat uit diverse berichten die in het digitale portaal zijn geplaatst. Deze berichten zijn ook per aangetekende post aan verzoekster toegestuurd. Nadat de berichten retour zijn gekomen, veelal met de melding ‘niet afgehaald’, zijn de berichten ook per gewone post aan verzoekster verzonden. Deze berichten betreffen:
- Ontvangstbevestiging van het beroepschrift in cassatie en de aankondiging dat verzoekster over het verdere verloop van de procedure nader zal worden geïnformeerd. (9 september 2024)
- Verzoek om verzuimen in het beroepschrift in cassatie te herstellen binnen zes weken na de datum van het bericht. (9 september 2024)
Bij faxbrief van 18 oktober 2024 heeft verzoekster gevraagd om uitstel voor het herstel van de verzuimen in het beroepschrift in cassatie:
‘I have to ask to extend the deadline by six weeks. I have been ill and will not be able to focus on your request for the time being. I would also appreciate if you could explain it and include the documents confirming the receipt.’
Op 28 oktober 2024 is aan verzoekster uitstel verleend tot 11 november 2024:
‘Naar aanleiding van uw op 18 oktober 2024 per fax ingekomen brief, waarin u verzoekt om verlenging van de deadline, deel ik u het volgende mede.
Voorop dient te worden gesteld dat de Hoge Raad zeer terughoudend is in het verlengen van de door hem gestelde termijnen.
Slechts omdat het niet is gelukt u voor het einde van een gestelde termijn te antwoorden, zal in dezen een nadere termijn worden toegestaan voor indienen van (i) een afschrift van de door u bestreden uitspraak en (ii) de gronden van het beroepschrift in cassatie in de bovengenoemde zaak.
Dit betekent dat uw stukken op uiterlijk maandag 11 november 2024 ter Griffie van de Hoge Raad dienen te zijn ontvangen. Indien de stukken te laat worden ontvangen, kan de Hoge Raad besluiten daarop geen acht te slaan. Een verdere verlenging zal niet worden toegestaan.
Tot slot nog het volgende.
Bij herinneringsnotabrief van 10 oktober 2024 is aan u verzocht het verschuldigde griffierecht (ad € 138) binnen vier weken te betalen. Dit betekent dat het verschuldigde griffierecht uiterlijk 7 november 2024 moet zijn bijgeschreven op de in die brief vermelde bankrekening. De uiterste betaaldatum wordt evenwel gehandhaafd.
Indien het griffierecht niet of niet tijdig wordt voldaan, kan het door u ingestelde beroep in cassatie niet-ontvankelijk worden verklaard.’
Vervolgens bevat het dossier een portaalbericht van 19 november 2024 met de constatering dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is betaald, en de gevolgtrekking dat het verzoek niet-ontvankelijk zal worden verklaard, tenzij binnen vier weken de redenen voor termijnoverschrijding worden meegedeeld en uit die redenen volgt dat verzoekster redelijkerwijs niet in verzuim is geweest.
In reactie op een herinnering met betrekking tot de betaling van het verschuldigde griffierecht, die in eerste instantie op 10 oktober 2024 aangetekend was verzonden, maar na retour komen daarvan, bij brief van 6 november 2024 opnieuw per gewone post aan verzoekster is verzonden, heeft verzoekster bij faxbrief van 29 november 2024 bericht:
‘This is further to your letter dated by 6 November. I was away from the home address, which you were made aware of, and have just received it. You enclose to your letter the reminder of 10 October to pay the griffierecht, which was returned to you as undelivered. I was not aware about the letter id 10th October until today and was also not aware about an attempt to deliver it. I have to remind that I previously drew your attention to the persistent problems with the delivery of the registered mail to my home address and was repeatedly asking to duplicate registered letters by regular post at the time if sending or to account for the possible delay with the receipt. Apparently my correspondence was not taken into account in this instance. This is the first opportunity I could possibly react to the reminder. The reminder states that I can apply for the betalingingsonmacht if my income is less than 95% if the maximum bijstand uitkering, which is the case as SVB stopped paying my pension. The Hoge Raad can check that I satisfy the criteria and I understood that it is a normal procedure that the Hoge Raad request the information from the Raad van Rechtsbijstand. Given that I clearly satisfy the criteria fir the betalingonmacht and cannot pay the griffierrecht, it will be contrary to the European regulations to use the problems with operations by the contractors of your choice etc as an excuse to deny me access to justice. The Hoge Raad is to adequately consider the relevant applications and urge you to finally do so. It is entirely the fault of the Hoge Raad that this has not been done and I urge you to rectify this. If you require further information please inform me by regular mail (or duplicate the sending by regular mail) and take into account that I will be away till the middle of December.’
Het procesdossier bevat geen reactie op dit faxbericht.
In reactie op het hierboven (zie 2.18) genoemde bericht, dat eerst per aangetekende post aan verzoekster was verzonden, en na het retour komen daarvan op 12 december 2024 per gewone post opnieuw is verzonden, heeft verzoekster bij faxbericht van 20 december 2024 gereageerd:
‘I have just received your letter dated by 12th December 2024, in which you forward your registered
letter of 19th November 2024. The letter of 19th November was returned to you undelivered.
In your letter dated by 12th December 2024 you do not acknowledge that you were previously informed about the delivery problems and asked multiple to duplicate the correspondence at the time of sending by regular mail and/or account for the problems with post delivery when setting the deadline. Moreover, you were informed that I was away from the home address during the relevant period.
However, you did not duplicate the letter of 19th November at the time of sending and only sent by regular mail after it was returned as undelivered. As a result, I learned about the deadline stated there only after it expired
It also not clear what was happening to the letter dated by 19th November. Though according to the track an trace information, there was attempt to delivery the letter to my home address on 22nd
November, there was no missed delivery note a the sticker on the envelope dated by the same date states the post code and the house number of the PostNL location. Previously we had to repeatedly complain that the postman was delivering the registered sendings directly to the PostNL location (without attending delivery to the hoe address), while putting missed delivery for the Track and trace. It is possible that it was the case also for the letter dated by 19th November. I would appreciate if you as the sender could investigate.
I also have to remind that I wrote to you on 28th November and that you have not replied to it. I was not aware of your letters dated by the 19th November and I explained that all deadlines (if there are a any) needs to be extended as of 28th November.
Up to now there was no response from you to my correspondences of 28th November. Given the situation, it is required. I trust you understand that until I receive your reaction, it is not clear what the situation is, how I can react and what are the new deadlines.
It does not seem unreasonable that Hoge Raads sends correspondence in the way that it knowns in advance will not to allow for the timely delivery and receipt, that it does not take into the information communicated to it to avoid delays with the receipt and missed deadlines and holds the appellant responsible, that it forwards its letters only when become irrelevant, does not timely react to correspondence and does not explain what the current situation is.
Since that Hoge Raad did not react to the letter of 28th November, I do not know what the current
deadlines are. Given the situation, I ask to give four weeks of extension from today.
I urge you to provide necessary information and explanation as soon as it is possible. I reiterate that in case you choose to use registered mail, please also duplicate the sending by regular mail at the time of posting. Please also take into account that there may be additional delays with the post delivery due to the festive season.’
Het procesdossier bevat geen reactie op dit faxbericht.
Tot slot bevat het dossier een portaalbericht van 4 september 2025 met de aankondiging dat de uitspraak zal worden gedaan op 12 september 2025 met vermelding van de raadsheren die de uitspraak zullen doen, en een portaalbericht van 12 september 2025 met de mededeling dat de uitspraak tot een nader te bepalen datum wordt uitgesteld.
3 Het procesverloop in de wrakingszaak
Naar aanleiding van de onder 2.10, 2.13 en 2.21 vermelde berichten van 4 september 2025 heeft verzoekster op 11 september 2025 een verzoek tot wraking ingediend. Dat verzoek tot wraking betreft de raadsheren van de belastingkamer mrs. J.A.R. van Eijsden, W.A.P. van Roij en A.E.H. van der Voort Maarschalk.
De tekst van het verzoek luidt als volgt:
‘I hereby have to ask to register verschoning/wraking request against the judges J.A.R. van Eijsden, W.A.P. van Roij and A.E.H. van der Voort Maarschalk.
The information about the side activities of Mr. van der Voort Maarschalk does not appear to be shown on the Rechtbank webpage, which raises concerns about possible hidden conflict of interests (see enclosed).
At the same time, Mr. van Eijsden and Ms. Mr. van Roij have previously worked as Belastingadvisers and for Belastingdienst. This may influence their ability to act as open minded judges in some cases, e.g. when there is an issue of lack of play by the authorities towards unrepresented individuals or/and undue practices.
I was only notified about the names of the judges on my cases in the letters of 4th September (sent in the same envelope), which state that they are to make a decision on 12th September. It would be however more precise if you refer to the decision, and the only decision they can make is to dismiss the appeals without consideration on substance.
Even the way the notifications of 4th September were sent shows that there is no say of any responsible treatment and due case. The identical notifications for six cases were stuck in the same envelope, with three of them addressed to a different person, who was also not receiving any replies to her letters. It does not seem to be a quick attempt to brush away pile up of the cases that were shelved and not managed properly previously.
There is apparently no intention to look at any facts and to give me a possibility to comment. Given that the only decision these judges can make is to formalistically dispose them, there may be no say of openminded consideration and the judges in question cannot be deemed as openminded. As it stands, my appeals have been treated as clutter without any valid reasons for that.
I strongly deny that there was any deliberate violation and that, on the contrary, it was the griffer who did not react to my correspondences and did not provide inzage; however apparently nobody review the cases by appellants who deal in person with all instances. The judges did not give me an opportunity to explain, and, apparently, no there was and will be no critical assessment of what was done or submitted by the administration.
As it stands, I even do not know what is exactly is alleged and was waiting in good faith a reaction on the content of my correspondence and the appointment for inzage.
Further to the receipt of the correspondence of 4th September, I checked the information available in public domain about the judges in question.
I would like to have the wraking request heard orally and to have an inzage of all the cases involved at least three weeks before the hearing.’
Het wrakingsverzoek is ingeschreven onder nummer 25/03330. Bij bericht van 15 september 2025 is verzoekster ervan op de hoogte gesteld dat op 30 september 2025 een zitting zal plaatsvinden naar aanleiding van haar wrakingsverzoek. De genoemde raadsheren hebben aangegeven niet te berusten in de verzoeken en ook niet de behoefte te hebben om te worden gehoord. Bij bericht van 29 september 2025 heeft verzoekster verzocht om uitstel van de zitting. Daartoe heeft verzoekster het volgende aangevoerd:
‘I just received your letter dated by 15th September, in which you notified me that there is a wraking hearing tomorrow. You were aware from the previous communications that your letter will not reach me earlier. The evidence that I could not have received your letter earlier can be provided upon request.
I have to remine that you were aware that the hearing at the end of September is not possible for me. It follows from your correspondence that my correspondence was overlooked.
As I wrote before, given the nature of the matter in order to submit the full grounds I need access to the documents in the file. I asked to either send me the full copy of the file or provide inzage and provide at least three weeks to make the submission further to that. Up to the date neither the documents nor the date for inzage were provided.
Since I neither received the copy of the file nor the date for inzage, and because in any event it is not possible to prepare and submit at such short notice, I ask to reschedule the hearing. Please send me the copy of the file or provide the date of inzage and give at least three weeks. I shall be available for the hearing at the end of October.
If the hearing is not rescheduled, i twill not be possible to submit the full grounds and supporting evidences and hence to have the wraking request duly considered through no fault of mine, and my rights will be violated.’
Het onderzoek ter zitting door de vierde kamer van de Hoge Raad, in mijn aanwezigheid als advocaat-generaal, heeft op 30 september 2025 plaatsgevonden. Verzoekster is ter zitting verschenen. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt onder meer:3
‘Verzoeksters geven aan dat er problemen zijn geweest in aanloop naar deze zitting. Er is inzage van stukken gevraagd, maar hier is niet vooraf contact over opgenomen. Er is volgens verzoeksters ten onrechte geen gehoor gegeven aan het verzoek om de zitting pas drie weken na de gevraagde inzage te behandelen. Verder geven verzoeksters aan dat de brief waarin ze zijn uitgenodigd voor de zitting, hen pas gisteren heeft bereikt. Ze hebben zich daarom niet voldoende kunnen voorbereiden op de zitting.
Verzoeksters geven aan dat zij al geruime tijd, met verschillende instanties, problemen ondervinden met de postbezorging. Aangetekende brieven worden volgens verzoeksters niet aangeboden bij het thuisadres; er is vervolgens voor hen ook geen gelegenheid om het poststuk op de opgegeven locatie af te halen. Een en ander heeft ook tot klachten en aanvaringen met de postdienst geleid. Verzoeksters wijzen erop dat het probleem met de postbezorging in Nederland bovendien breder is dan alleen hun zaak.
Digitaal procederen biedt volgens verzoeksters geen uitkomst. Voor het kunnen gebruiken van het digitale portaal gelden technische eisen, waaraan zij niet kunnen voldoen. Bovendien was het digitaal procederen volgens verzoeksters in eerste instantie bedoeld als een aanvullende mogelijkheid. Ten onrechte, aldus verzoeksters, wordt inmiddels verwacht dat iedereen daar gebruik van zou kunnen maken.
Aan het wrakingsverzoek leggen verzoeksters ten grondslag dat de nevenactiviteiten en vorige functies van de leden van de Hoge Raad tegen wie het wrakingsverzoek zich richt, verzoeksters doen twijfelen aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze leden. Het arbeidsverleden van de leden W.A.P. van Roij en J.A.R. van Eijsden doet vermoeden dat zij allebei met een gekleurd perspectief naar de zaken zullen kijken, aldus verzoeksters. Ten aanzien van het lid A.E.H. van der Voort Maarschalk werpen verzoeksters op dat zijn nevenfuncties voor hen niet zichtbaar zijn in de daarvoor bestemde database van de rechtspraak.
Aan het wrakingsverzoek leggen verzoeksters daarnaast ten grondslag dat er sowieso geen sprake is van ‘open-mindedness’ ten aanzien van de zaken van verzoeksters. Volgens hen staat de beslissing van de Hoge Raad in hun zaken van meet af aan al vast. Verzoeksters stellen dat er sowieso sprake is van een zekere bias jegens procespartijen die zonder procesvertegenwoordiging procederen.
Overigens stellen verzoeksters dat de Hoge Raad ten onrechte een beperkte benadering hanteert van het wrakingsmiddel. Verzoeksters stellen dat er breder zou moeten worden gekeken naar de mate waarin de procedures waarin verzoeksters ook in het verleden betrokken zijn geweest, eerlijk zijn verlopen. De beoordeling zou zich niet moeten beperken tot de mate waarin in hun aanhangige zaken een (objectief gerechtvaardigde) schijn van partijdigheid of vooringenomenheid is ontstaan. Daarnaast stellen verzoeksters dat, voor zover de door hen aangevoerde gronden niet in de wrakingsprocedure kunnen worden betrokken, zij zouden moeten worden doorverwezen naar de procedure die daarvoor is aangewezen. De klachtprocedure heeft daarvoor in het verleden geen soelaas geboden.
Tot slot voeren verzoeksters aan dat zij vaak op dezelfde problemen stuiten bij verschillende instanties; er wordt niet goed naar hen geluisterd. Verzoeksters geven aan dat alleen het bieden van een gelegenheid tot een mondelinge behandeling niet voldoende is. Zij spreken de hoop uit dat er nu echt eens iets aan hun problemen zal worden gedaan. Het is voor hen daarbij belangrijk dat hun zaken niet zonder meer worden gebundeld. Verzoeksters menen dat aan hen, alle omstandigheden tezamen genomen, de toegang tot het recht wordt ontzegd. In dat verband wijzen verzoeksters ook naar herhaalde problemen en discussies met verschillende instanties over het griffierecht.
Desgevraagd deelt de advocaat-generaal mee over zes weken een conclusie te zullen nemen. Verzoeksters krijgen daarna twee weken de gelegenheid om desgewenst daarop schriftelijk te reageren. Desgevraagd geven verzoeksters aan dat niet op voorhand met zekerheid te zeggen is of zij dan nog bereikbaar zijn op het door hen gehanteerde e-mailadres.’