Home

Parket bij de Hoge Raad, 28-11-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1303, 25/01694

Parket bij de Hoge Raad, 28-11-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1303, 25/01694

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
28 november 2025
Datum publicatie
12 december 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:1303
Zaaknummer
25/01694

Inhoudsindicatie

Berekening verzuimboete, wijziging BBBB, motiveringsklacht

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/01694

Datum 28 november 2025

Belastingkamer B

Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2011

Nr. Gerechtshof 23/407

Nr. Rechtbank 21/5036

CONCLUSIE

R.J. Koopman

In de zaak van

[X]

tegen

staatssecretaris van Financiën

1 Inleiding

1.1

Deze zaak gaat in cassatie alleen nog over een verzuimboete van € 984 die aan belanghebbende is opgelegd omdat zij had verzuimd voor het jaar 2011 aangifte te doen voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV). De boete is conform de voor het jaar 2011 geldende tekst van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) vastgesteld op 20% van het wettelijk boetemaximum van € 4.920, omdat belanghebbende voor de tweede achtereenvolgende maal in verzuim was (par. 21(6a) BBBB, omdat belanghebbende voor de tweede achtereenvolgende maal in verzuim was (par. 21(6a) , tekst 2011).

1.2

Het Hof heeft deze boete verminderd met 50% tot € 492 vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende.

1.3

Daarbij was door de Inspecteur en het Hof echter over het hoofd gezien dat het BBBB na 2011 is gewijzigd en dat als gevolg van die wijziging (ook bij een tweede verzuim) de boete in beginsel niet hoger is dan 7% van het boetemaximum, zijnde € 344.

1.4

In onderdeel 4 van deze conclusie leg ik uit dat belanghebbende moet profiteren van deze voor haar gunstige wijziging van het BBBB. Weliswaar bepaalt de inwerkingtredingsparagraaf van het wijzigingsbesluit dat die wijziging geldt met ingang van het belastingjaar 2014, maar die bepaling wordt opzij gezet door de algemene regel dat bij een wijziging van het recht de voor de ‘verdachte’ meest gunstige bepaling moet worden toegepast.

1.5

Belanghebbende heeft voor het Hof ook een beroep gedaan op andere verzachtende omstandigheden. Zij voerde aan dat zij in detentie heeft gezeten, dat er veel op haar afkwam en dat zij daar medische klachten aan overgehouden heeft. Bij de motivering van zijn oordeel over de hoogte van de boete is het Hof daar niet uitdrukkelijk op ingegaan. Daarover klaagt belanghebbende.

1.6

In ‎5.10 tot en met ‎5.20 van deze conclusie ga ik in op de vraag welke motiveringseisen moeten worden gesteld aan de gehele of gedeeltelijke verwerping van een beroep op ‘boete verminderende omstandigheden’. Ik zoek daarvoor inspiratie bij de rechtspraak van de Hoge Raad in strafzaken. Daarin komt tot uitdrukking dat de rechter gehouden is te motiveren waarom hij afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging.

1.7

Ik meen dat een beroep op verzachtende omstandigheden zoals dat in deze zaak is gedaan onvoldoende duidelijk en door argumenten geschraagd is om te kunnen gelden als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het Hof is daar kennelijk ook vanuit gegaan en dat oordeel is in mijn ogen niet onbegrijpelijk.

1.8

Tot slot rijst nog de vraag of de boete van € 344 verder moet worden verminderd met 50% vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende. Ik meen van niet, omdat ik de bestreden uitspraak zo lees dat het Hof daarmee kennelijk heeft bedoeld dat een boete van (50% van € 984 =) € 492 niet disproportioneel is. Dan is een boete van € 344 dat evenmin.

1.9

Ik concludeer daarom tot gegrondverklaring van het cassatieberoep en vermindering van de boete door de Hoge Raad tot € 344.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Belanghebbende exploiteerde een aspergekwekerij. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar mensenhandel hebben politie en justitie begin januari 2010 een inval gedaan op het bedrijf van belanghebbende. Belanghebbende is toen gearresteerd en in hechtenis genomen. Belanghebbende heeft in verschillende perioden in 2010 en 2011 en van 19 september 2011 tot en met 16 februari 2013 in detentie gezeten.

2.2

Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het indienen van een aangifte voor de IB/PVV voor het jaar 2011. De aanmaning vermeldt als uiterste reactiedatum 7 mei 2014. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan.

2.3

De ambtshalve aan belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV 2011 is gedagtekend 10 januari 2015 en is berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 125.134. Bij de aanslag is een verzuimboete opgelegd ten bedrage van € 984.

2.4

Belanghebbende heeft tegen die aanslag en deze boete bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft deze bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Daarnaast heeft de Inspecteur de bezwaren aangemerkt als verzoeken tot ambtshalve vermindering van de aanslag en de boete en heeft hij die verzoeken afgewezen.

2.5

Tegen de afwijzing van de verzoeken tot ambtshalve vermindering heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2021 heeft de Inspecteur deze bezwaren afgewezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1

2.6

Tegen de uitspraak op bezwaar van 19 oktober 2021 (‎2.5) heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank.

2.7

Bij de Rechtbank, en later bij het Hof, waren zowel de aanslag als de boete in geschil. Maar omdat het geschil in cassatie uitsluitend gaat over de boete, behoeft hetgeen de Rechtbank en vervolgens het Hof hebben geoordeeld over die aanslag hier geen vermelding.

2.8

Over de boete heeft de Rechtbank geoordeeld dat deze is opgelegd wegens het niet (tijdig) doen van aangifte en dat niet in geschil is dat belanghebbende geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 heeft ingediend. De verzuimboete is daarom volgens de Rechtbank terecht opgelegd. De Rechtbank heeft verder geoordeeld dat de hoogte van de boete is bepaald conform het bepaalde in paragraaf 21, onderdeel 6a, BBBB (tekst 2011) en dat die boete passend en geboden is. Op die gronden heeft de Rechtbank de boete gehandhaafd.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 2

2.9

Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld.

2.10

Over de boete heeft het Hof geoordeeld, voor zover in cassatie van belang, dat niet in geschil is dat belanghebbende over 2011 geen aangifte IB/PVV heeft ingediend. Verder heeft het Hof het beroep van belanghebbende op afwezigheid van alle schuld (avas) afgewezen. Volgens het Hof vormde de door belanghebbende gestelde detentie, ziekte en inbeslagname van haar administratie, geen grond voor toewijzing van dit beroep op avas. De detentie is naar het oordeel van het Hof een omstandigheid die in beginsel voor rekening van belanghebbende moet komen en overigens was belanghebbende uit detentie ruim voor het verstrijken van de uiterste reactietermijn op de aanmaning voor het doen van de aangifte. Verder heeft belanghebbende niet onderbouwd dat ziekte het haar onmogelijk heeft gemaakt om aangifte te doen of zo nodig iemand te machtigen om dat voor haar te doen. Ten slotte heeft belanghebbende de door de Inspecteur betwiste stelling dat zij haar administratie niet heeft teruggekregen, niet onderbouwd en daarom volgens het Hof niet aannemelijk gemaakt.

2.11

Het Hof heeft verder geoordeeld dat de hoogte van de boete is vastgesteld volgens het bepaalde in paragraaf 21, onderdeel 6a van het BBBB (tekst 2011), maar dat er aanleiding is de boete te matigen met 50% tot € 492 omdat de boete belanghebbende onevenredig treft, gezien haar financiële omstandigheden ten tijde van de uitspraak van het Hof en ten tijde van het opleggen van de boete.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op dat verweer gereageerd door middel van een conclusie van repliek.

Beroepschrift in cassatie

3.2

Belanghebbende voert drie cassatiemiddelen aan.

3.3

Middel 1 komt op tegen de overwegingen 4.6 en 4.7 van de bestreden uitspraak. Het middel betoogt dat het Hof de matiging van de boete met 50% heeft toegepast op een verkeerde grondslag. Omdat volgens het BBBB van de bestreden uitspraak. Het middel betoogt dat het Hof de matiging van de boete met 50% heeft toegepast op een verkeerde grondslag. Omdat volgens het de maximale boete (7% van € 6.709 =) € 469,63 bedraagt, had het Hof de boete moeten verminderen tot (50% van € 469,63 =) € 234.

3.4

Middel 2 betoogt dat het Hof ten onrechte de door belanghebbende aangevoerde verzachtende omstandigheden niet in zijn beoordeling heeft betrokken. Het Hof heeft geoordeeld dat de door belanghebbende aangevoerde omstandigheden geen avas opleveren. Maar, zo betoogt het middel, die omstandigheden hadden wel tot verlaging van de boete moeten leiden. Het Hof heeft volgens het middel het beroep op de verzachtende omstandigheden in weerwil van paragraaf 7(1 en 4) BBBB niet in zijn beoordeling betrokken.

3.5

Middel 3 bevat een motiveringsklacht die kennelijk is gericht tegen overweging 4.6 van de bestreden uitspraak. Het middel betoogt namelijk dat als het Hof meende dat de door belanghebbende aangevoerde verzachtende omstandigheden geen aanleiding vormen voor een (verdere) matiging van de boete, het Hof dit oordeel had moeten motiveren, hetgeen niet is gebeurd.

3.6

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van het Hof en vermindering van de boete tot nihil onder toekenning van vergoedingen voor (proces)kosten, griffierecht en de wettelijke rente daarover.

Verweerschrift in cassatie

3.7

Ten aanzien van middel 1 voert de Staatssecretaris aan dat belanghebbende miskent dat sprake is van een tweede aangifteverzuim. In de ten tijde van het plegen van het verzuim geldende tekst van het BBBB, stond in paragraaf 21(6)(a) BBBB dat bij een tweede of derde verzuim de boete kan worden vastgesteld op 20% van het in de wet genoemde maximumbedrag van € 4.920. Toen de boete werd opgelegd, was deze verhoging wegens een tweede of derde verzuim komen te vervallen. De besluitgever wenste niet langer onderscheid te maken tussen een eerste en een tweede verzuim. Daarom zou de boete volgens de Staatssecretaris verlaagd kunnen worden tot 7% van het maximum, zijnde € 344.

3.8

Ten aanzien van de middelen 2 en 3 voert de Staatssecretaris aan dat het Hof een aantal door belanghebbende aangevoerde straf verminderende omstandigheden (zoals de detentie) terecht niet als zodanig heeft aanvaard. Voor zover die omstandigheden wel een rol kunnen spelen (de financiële omstandigheden van belanghebbende) heeft het Hof daarmee rekening gehouden door de boete met 50% te verminderen. De Staatssecretaris stelt dat het Hof op dit punt een discretionaire ruimte heeft en dat zijn oordeel met de gegeven onderbouwing voldoende is gemotiveerd.

3.9

De Staatssecretaris merkt verder op dat als de Hoge Raad van oordeel is dat uitgegaan dient te worden van een boete van 7% in plaats van 20% van het maximum, dit aanleiding zou kunnen zijn, gelet op het geringe bedrag van de boete, om verder af te zien van een vermindering vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende.

Repliek

3.10

Ten aanzien van middel 1 sluit belanghebbende zich aan bij het standpunt van de Staatssecretaris dat de boete verlaagd moet worden tot 7% van het maximum, zijnde € 344. Vervolgens moet de boete verder worden gematigd wegens de door belanghebbende gestelde straf verminderende omstandigheden.

3.11

Ten aanzien van middel 2 en 3 bestrijdt belanghebbende dat het Hof een aantal omstandigheden expliciet niet heeft aanvaard als straf verminderend (in de zin van paragraaf 7 BBBB). Het Hof heeft deze omstandigheden volgens belanghebbende slechts betrokken in de beoordeling van de vraag of sprake is van avas.

3.12

Volgens belanghebbende moeten de aangevoerde financiële omstandigheden leiden tot een verdere vermindering van het in ‎3.10 genoemde boetebedrag.

4 De wijzigingen van art. 67a AWR en het BBBB en het overgangsrecht

5 Beoordeling van de middelen

6 Conclusie