Parket bij de Hoge Raad, 05-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1336, 23/03662
Parket bij de Hoge Raad, 05-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1336, 23/03662
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 5 december 2025
- Datum publicatie
- 19 december 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1336
- Zaaknummer
- 23/03662
Inhoudsindicatie
Bijlage: ECLI:NL:PHR:2025:1403
Omzetbelasting; art. 15, lid 1, laatste alinea, en lid 6 Wet OB; art. 11(4) Uitv.besch. OB; recht op aftrek van voorbelasting ter zake van overige bouwkosten van woning; geïntegreerde zonnepanelen; toetsing uit het arrest van 16 juli 2021 bij één investeringsgoed; ambtshalve toetsing tijdigheid verzoek om uitnodiging tot het doen van aangifte?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03662
Datum 5 december 2025
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Omzetbelasting / 2019
Nr. Gerechtshof 22/00305
Nr. Rechtbank 20/9360
CONCLUSIE
C.M. Ettema
In de zaak van
[X] (belanghebbende)
tegen
staatssecretaris van Financiën (Staatssecretaris)
1 Overzicht
De aftrek van voorbelasting ter zake van goederen die mede worden gebruikt voor privédoeleinden, leidt in de praktijk tot principiële discussies. Zo ook in de onderhavige zaak. Belanghebbende heeft een nieuwbouwwoning laten bouwen met in het dak geïntegreerde zonnepanelen. Aangezien belanghebbende de met de zonnepanelen opgewekte elektriciteit (duurzaam) tegen vergoeding (terug)levert aan het energiebedrijf, verricht hij als btw-ondernemer een met omzetbelasting prestatie. Dit brengt met zich dat recht op aftrek van voorbelasting bestaat met betrekking tot de kosten die met deze activiteit verband houden. Naast een aftrek van voorbelasting ter zake van de kosten van de zonnepanelen zelf, bepleit belanghebbende een gedeeltelijke aftrek van de omzetbelasting die drukt op de bouwkosten van de woning (de overige bouwkosten). De Inspecteur heeft die aftrek geweigerd.
De vraag die in deze zaak voorligt is of, en zo ja, in hoeverre de overige bouwkosten verband houden met de zonnepaneelexploitatie en dus of belanghebbende aanspraak kan maken op (gedeeltelijke) aftrek van de omzetbelasting die op deze kosten drukt. De aftrek van voorbelasting op de kosten van de zonnepanelen zelf staat niet ter discussie.
Zowel de Rechtbank als het Hof komt aan de hand van de toetsingsmaatstaf uit het arrest van de Hoge Raad 16 juli 20211 tot de slotsom dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de bouw van de woning en de levering van elektriciteit ontbreekt, zodat de voorbelasting op de overige bouwkosten niet in aftrek kan worden gebracht.
De Rechtbank heeft het beroep niettemin gegrond verklaard in verband met een afrondingsverschil van € 1 in het nadeel van belanghebbende en om die reden een (proces)kostenvergoeding toegekend, waarbij een wegingsfactor van 0,25 is toegepast. In hoger beroep komt belanghebbende niet alleen op tegen de beslissing over de aftrek van voorbelasting maar ook tegen de toegepaste wegingsfactor. Het Hof laat de uitspraak ook op dit punt in stand en oordeelt dat de geconstateerde afrondingsfout is gelijk te stellen aan een evidente tel- en rekenfout als bedoeld in het zogenoemde ‘Richtsnoer proceskostenvergoeding’ (hierna: Richtsnoer pkv) dat het heeft opgenomen in een bijlage bij een eerdere uitspraak van 11 november 20212. De omstandigheid dat belanghebbende diverse ongegrond verklaarde, inhoudelijke stellingen heeft aangevoerd, doet hieraan niet af.
Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Middel 1 en de motivering daarvan komt overeen met het voorgestelde middel in de zaak die bij de Hoge Raad bekend is onder nr. 24/02832.3 Ik bespreek dat middel in een gemeenschappelijke bijlage. Hierin komt de vraag aan de orde of de toetsingsmaatstaf uit het arrest van 16 juli 2021 ook betekenis heeft voor situaties met geïntegreerde zonnepanelen. Middel 2 klaagt over de door de Rechtbank toegepaste en door het Hof in stand gelaten wegingsfactor van 0,25 bij de berekening van de (proces)kostenvergoeding.
Opbouw
De opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 schets ik de feiten en het geding in feitelijke instanties en in onderdeel 3 het verloop van het geding in cassatie. In onderdeel 4 behandel ik middel 1. Ten overvloede bespreek ik het Richtsnoer pkv en behandel ik middel 2 in onderdeel 5.
Slotsom
Middel 1 klaagt in wezen erover dat de in rechtsoverweging 3.3.2 van het arrest van 16 juli 2021 vermelde toetsing of de ondernemer ter zake van een woning die hij deels voor eigen bewoning heeft bestemd en gebruikt, de desbetreffende uitgaven ook zou hebben gedaan wanneer hij geen belastbare economische activiteit had uitgeoefend, in zijn geval niet kan plaatsvinden omdat sprake is van één investeringsgoed. Als die toets op zijn woning zou worden toegepast, zou dat investeringsgoed in strijd met het recht voor het bepalen van de aftrek worden gesplitst in de kosten voor de zonnepanelen en de overige bouwkosten. Ik concludeer dat het middel slaagt. Voor het geheel geldt dat de aftrek van voorbelasting moet worden berekend naar het werkelijke gebruik van dat goed (art. 15(1), slotalinea, en art.15(6) Wet op de omzetbelasting 1968, hierna: Wet OB, in samenhang met art. 11(4) Uitvoeringsbeschikking 1968 OB, hierna: Uitv.besch. OB). ’s Hofs andersluidende oordeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting.
Voor zover middel 2 een motiveringsklacht bevat, slaagt het.
Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen voor onderzoek naar de berekening van de aftrek van voorbelasting naar het werkelijke gebruik.
2 De feiten en het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende heeft een woning laten bouwen. Op de woning zijn 97 geïntegreerde zonnepanelen geïnstalleerd. Deze zonnepanelen dienen ook als dakbedekking.
De aan belanghebbende in rekening gebrachte omzetbelasting met betrekking tot de levering en montage van de zonnepanelen bedraagt € 3.159,85. Daarnaast is aan hem omzetbelasting in rekening gebracht over de bouwkosten van de woning (de overige bouwkosten).
De met de zonnepanelen opgewekte elektrische stroom die belanghebbende niet verbruikt, levert belanghebbende aan het energiebedrijf. Hij is voor die handeling aangemerkt als ondernemer in de zin van art. 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Belanghebbende heeft geen andere belaste activiteiten. Hij heeft de woning tot het ondernemingsvermogen gerekend.
Op 30 juni 2020 heeft belanghebbende met betrekking tot het jaar 2019 aangifte omzetbelasting gedaan, waarin hij heeft verzocht om teruggaaf van € 13.521, met dien verstande dat een bedrag aan verschuldigde omzetbelasting is aangegeven van € 180 en aftrekbare voorbelasting van € 13.701. Dit bedrag aan voorbelasting heeft zowel betrekking op de zonnepanelen als op de overige bouwkosten. Belanghebbende heeft de berekening van de met betrekking tot de overige bouwkosten in aanmerking te nemen aftrek4 gebaseerd op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 20175.
Bij teruggaafbeschikking van 1 augustus 2020 heeft de Inspecteur de in de aangifte geclaimde teruggaaf gedeeltelijk afgewezen. De Inspecteur heeft uitsluitend aftrek van voorbelasting verleend ter zake van de levering en installatie van de zonnepanelen en heeft de aftrek van voorbelasting met betrekking tot de overige bouwkosten geweigerd. De Inspecteur heeft de voorbelasting vastgesteld op € 3.159 en de verschuldigde omzetbelasting op € 180, resulterend in een teruggaaf van € 2.979.
De rechtbank Zeeland-West Brabant (de Rechtbank)
Voor de Rechtbank6 is in geschil of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van (een gedeelte van) de omzetbelasting die aan hem in rekening is gebracht in verband met de bouw van de woning. De Rechtbank verwerpt het standpunt van belanghebbende dat het beoordelingskader uit het arrest van de Hoge Raad 16 juli 2021 niet op hem van toepassing is. Naar het oordeel van de Rechtbank ontbreekt een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de bouw van de woning en de levering van energie. Zij legt aan dat oordeel ten grondslag dat belanghebbende heeft gesteld noch aannemelijk heeft gemaakt dat hij de bouwkosten van de woning uitsluitend heeft gemaakt ten behoeve van het met zonnepanelen opwekken en tegen vergoeding leveren van energie. Uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, leidt de Rechtbank af dat hij de zonnepanelen hoofdzakelijk heeft verworven om een bouwvergunning te kunnen krijgen. Belanghebbendes beroep op de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 november 2017 verwerpt zij ook. De feiten en het toepasselijke recht in die zaak verschillen naar haar oordeel aanzienlijk.
Dat leidt Rechtbank tot de slotsom dat belanghebbende geen recht heeft op gedeeltelijke teruggaaf van de omzetbelasting die in rekening is gebracht in verband met de bouw van de woning. Zij verklaart het beroep niettemin gegrond in verband met een afrondingsverschil van € 1 in het nadeel van belanghebbende. De Rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar, stelt de teruggaafbeschikking vast op een teruggaaf van € 3.160, kent een vergoeding toe voor door een derde beroepsmatig verleende bijstand – waarbij zij een wegingsfactor van 0,25 hanteert – en gelast de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht te vergoeden.
In een hersteluitspraak7 verbetert de Rechtbank de hoogte van de teruggaaf en stelt deze vast op € 2.980 (het bedrag van voorbelasting na aftrek van de ter zake van de omzet aangegeven omzetbelasting).
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (het Hof)
Voor het Hof8 is in geschil of de teruggaafbeschikking en de kostenvergoeding voor bezwaar en beroep tot een te laag bedrag zijn vastgesteld.
Vooraf en ambtshalve overweegt het Hof dat het hoger beroep niet de hersteluitspraak omvat.
Het Hof brengt in herinnering dat ondernemers recht hebben op aftrek van voorbelasting ter zake van kosten die rechtstreeks en onmiddellijk verband houden met een prestatie onder bezwarende titel die niet is vrijgesteld van omzetbelasting. Een rechtstreeks en onmiddellijk verband ontbreekt indien de belastingplichtige de desbetreffende uitgave toch zou hebben gedaan wanneer hij geen belastbare economische activiteit had uitgeoefend.9 Indien een dergelijk verband niet bestaat, kan deze toch worden aangenomen indien de kosten deel uitmaken van de algemene kosten van de belastingplichtige en als zodanig zijn opgenomen in de prijs, aldus het Hof.
Het Hof overweegt vervolgens dat het aan belanghebbende is om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die meebrengen dat een rechtstreeks en onmiddellijk verband als hiervoor bedoeld, bestaat. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende de overige bouwkosten hoe dan ook zou hebben gemaakt, ook wanneer hij geen zonnepanelen zou hebben aangeschaft. Dat in het onderhavige geval sprake is van geïntegreerde zonnepanelen en deze zonnepanelen – zoals niet tussen partijen in geschil is – één investeringsgoed vormen met de woning, noopt volgens het Hof niet tot toepassing van een ander beoordelingskader dan wel tot een andersluidend oordeel. De overige bouwkosten zijn namelijk nog steeds niet afhankelijk van het al dan niet plaatsen van de zonnepanelen, aldus het Hof. Van een rechtstreeks en onmiddellijk verband is zodoende geen sprake.
Het Hof onderzoekt vervolgens of een rechtstreeks en onmiddellijk verband toch moet worden aangenomen op de grond dat tussen het bouwen van (het dak van) de woning en het tegen vergoeding leveren van energie door belanghebbende aan de energiemaatschappij een verband bestaat. Dat doet zich voor als de hieraan toe te rekenen overige bouwkosten zijn opgenomen in de prijs die belanghebbende ontvangt voor de levering van energie van de energiemaatschappij (terugleververgoeding). Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende dat niet aannemelijk gemaakt. Van een rechtstreeks en onmiddellijk verband als hiervoor bedoeld is dus evenmin sprake. De omstandigheid dat zonder de bouw van de woning geen energie kan worden opgewekt en de omstandigheid dat het gelet op het koopcontract of de regels rondom het verlenen van een bouwvergunning niet mogelijk was om af te zien van het plaatsen van zonnepanelen, leiden volgens het Hof niet tot een ander oordeel. Het Hof komt tot de slotsom dat belanghebbende geen recht heeft op aftrek van de omzetbelasting die drukt op de bouw van zijn woning dan wel op het dak van zijn woning.
Ook het tweede geschilpunt omtrent de toepassing van de wegingsfactor van 0,25 beslist het Hof in het nadeel van belanghebbende. De door belanghebbende voorgestane wegingsfactor van 1 is in casu niet van toepassing. De geconstateerde afrondingsfout van € 1 is namelijk gelijk te stellen aan een evidente tel- en rekenfout als bedoeld in het Richtsnoer pkv die onder meer zijn opgenomen in een uitspraak van het Hof van 11 november 202110. De omstandigheid dat belanghebbende diverse ongegrond verklaarde stellingen heeft aangevoerd, doet hieraan niet af.
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
3 Het geding in cassatie
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift in cassatie ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. De Staatssecretaris heeft bericht geen gebruik te maken van de mogelijkheid een conclusie van dupliek in te dienen.
Beroepschrift in cassatie
Belanghebbende stelt twee middelen van cassatie voor.
Middel 1 voert aan dat het Hof had moeten beoordelen in hoeverre het onderhavige investeringsgoed voor btw-belaste prestaties wordt gebruikt. Het Hof heeft die beoordeling ten onrechte achterwege gelaten en in plaats daarvan het investeringsgoed fictief gesplitst in twee afzonderlijke investeringsgoederen, te weten de zonnepanelen en de overige bouwkosten. Die splitsing is in strijd met de btw-wetgeving. Dat sprake is van één investeringsgoed volgt ook uit de parlementaire behandeling van het Belastingplan 2023, waarin met betrekking tot de aankoop van een nieuwbouwwoning met geïntegreerde zonnepanelen is vermeld dat sprake is van een ondeelbare prestatie. Ook wijst het middel erop dat in beroep aan de hand van objectieve en nauwkeurig vastgestelde gegevens is berekend in welke mate de woning voor btw-belaste prestaties wordt gebruikt en dat de Inspecteur heeft verklaard dat er geen discussie bestond over de toe te kennen teruggave “indien het beroep zou worden toegekend”.
Middel 2 bestrijdt ’s Hofs oordeel dat op basis van het Richtsnoer pkv in de onderhavige zaak een wegingsfactor van 0,25 van toepassing is. Het middel voert daartoe aan dat in hoger beroep op basis van het Richtsnoer pkv de in eerdere fasen toegekende vergoeding van (proces)kosten volledig moet worden getoetst. Dit omvat ook de beoordeling van de zwaarte van de zaak. De zaakzwaarte wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid van de zaak en is in beginsel niet afhankelijk van de mate waarin grieven gegrond worden bevonden, aldus het middel. De primaire aanleiding van deze procedure betreft de vaststelling van de hoogte van de aftrek van voorbelasting. Het middel wijst op onderdeel 1.2.1 van het Richtsnoer pkv waarin is opgenomen dat een lagere factor wordt gehanteerd indien het geschil uitsluitend gaat over een of meer van de in onderdelen 1.2.2 en 1.2.3 van het Richtsnoer pkv vermelde geschilpunten. Dit is in het onderhavige geval niet aan de orde. ’s Hofs oordeel is daarmee in strijd met de strekking van het Richtsnoer pkv. Belanghebbende verzoekt de Hoge Raad de wegingsfactor voor de proceskostenvergoeding vast te stellen op 1,0.
Verweerschrift in cassatie
Met betrekking tot middel 1 merkt de Staatssecretaris op dat het is gebaseerd op de aanname dat het Hof de woning heeft gesplitst in twee afzonderlijke fictieve investeringsgoederen (de geïntegreerde zonnepanelen en de rest van de woning). Deze aanname berust op een verkeerde lezing van de uitspraak van het Hof en mist dan ook feitelijke grondslag. Reeds op deze grond faalt het middel. Verder voert de Staatssecretaris aan dat het Hof bij zijn beoordeling van een juist rechtskader is uitgegaan en het oordeel voor het overige sterk is verweven met waarderingen van feitelijke aard.
Met betrekking tot middel 2 verweert de Staatssecretaris dat vaststaat dat de gegrondheid van het beroep in de onderhavige procedure uitsluitend is terug te voeren op een afrondingsverschil van € 1. Hij is het eens met ’s Hofs oordeel dat de geconstateerde afrondingsfout gelijk is te stellen aan een zogenoemde evidente tel- en rekenfout, waarbij een wegingsfactor van 0,25 past. De omstandigheid dat belanghebbende in bezwaar en beroep diverse ongegrond verklaarde stellingen tegen de hoogte van de teruggaafbeschikking heeft aangevoerd, maakt dit niet anders.
Conclusie van repliek
In reactie op het verweer van de Staatssecretaris dat middel 1 berust op een verkeerde lezing van de uitspraak van het Hof, merkt belanghebbende op dat het Hof weliswaar oordeelt dat sprake is van één investeringsgoed, maar uit zijn overwegingen duidelijk wordt dat het Hof in zijn beoordeling een splitsing aanbrengt tussen de kosten van de zonnepanelen en de overige bouwkosten. Verder herhaalt belanghebbende zijn eerdere standpunten.
Met hetgeen de Staatssecretaris aanvoert met betrekking tot middel 2 gaat hij voorbij aan de kern waarvoor het Richtsnoer pkv is vastgesteld, aldus belanghebbende. In het Richtsnoer is uitdrukkelijk aangegeven dat een lagere wegingsfactor alleen van toepassing is als het geschil uitsluitend betrekking heeft op de in onderdelen 1.2.2 en 1.2.3 van het Richtsnoer pkv vermelde geschilpunten. Nu de kern van dit geschil aanmerkelijk complexer is dan een evidente tel- en rekenfout, heeft het Hof de wegingsfactor niet conform de strekking van het Richtsnoer pkv vastgesteld.