Parket bij de Hoge Raad, 12-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1361, 25/01717
Parket bij de Hoge Raad, 12-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1361, 25/01717
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 12 december 2025
- Datum publicatie
- 9 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1361
- Zaaknummer
- 25/01717
Inhoudsindicatie
Verbeurdverklaring geldsom en auto van illegale drugsproducent. Aftrekbaar? ROW-vermogen of privé-vermogen? Art. 3.14 Wet IB sluit aftrek van kosten van misdrijf uit, behalve voordeelontneming; Wijziging nadien van strafwet, strafpraktijk en strafrechtspraak. Kan ontnemende verbeurdverklaring gelijkgesteld worden met voordeelontneming? Fiscale discriminatie van verbeurdverklaring ten opzichte van voordeelontneming? Verhouding fiscaal recht/strafrecht en Inspecteur/strafrechter.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01717
Datum 12 december 2025
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2017
Nr. Gerechtshof 23/430 en 23/431
Nr. Rechtbank 21/5857 en 21/5860
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
[X]
tegen
staatssecretaris van Financiën
1 Overzicht
De strafrechter heeft de belanghebbende veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf voor een combinatie van misdrijven. Hij heeft daarnaast bij de belanghebbende inbeslaggenomen wapens, munitie en drugs aan het verkeer onttrokken en contanten (€ 59.065) en een auto verbeurdverklaard. Dat strafvonnis is onherroepelijk. De strafrechter heeft bij de toegepaste wetsartikelen art. 33a Wetboek van Strafrecht (Sr.) genoemd (voorwerpen vatbaar voor verbeurdverklaring), maar niet gespecificeerd op welke van de zes onderdelen van lid 1 van die bepaling hij de verbeurdverklaring baseerde.
De Inspecteur heeft de belanghebbende uitgenodigd om aangifte IB/PVV 2017 te doen en hem vergeefs herinnerd en aangemaand. Hij heeft daarop ambtshalve een aanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning ad € 115.116. Voor die schatting heeft hij een vermogensvergelijking opgesteld op basis van de in de strafzaak vastgestelde feiten. In die vermogensvergelijking figureren ook de verbeurdverklaarde € 59.065 en de aankoopprijs van de auto (na inruil € 19.500). Volgens de belanghebbende horen het geld en de auto niet thuis in die vermogensvergelijking omdat die voorwerpen hem zijn ontnomen door verbeurdverklaring.
De Rechtbank heeft dat betoog afgewezen, nu de bewijslast is omgekeerd (geen vereiste aangifte) en de belanghebbende niet bestrijdt dat hij inkomsten uit drugsproductie heeft genoten. De schatting op basis van de vermogensvergelijking was niet onredelijk en de belanghebbende leverde geen overtuigend tegenbewijs. Uit de wetsgeschiedenis leidde de Rechtbank af dat (niet-aftrekbare) verbeurdverklaring wezenlijk verschilt van (aftrekbare) voordeelontneming. Op belanghebbendes beroep op het discriminatieverbod in art. 14 EVRM overwoog zij dat voor zover het al om gelijke gevallen gaat, de belanghebbende onvoldoende heeft gesteld voor het oordeel dat de aftrekuitsluiting van kosten in verband met misdrijf (art. 3.14 Wet IB) evident van redelijke grond zou zijn ontbloot. De uitzondering voor voordeelontneming (wel aftrekbaar) achtte de Rechtbank niet evident onredelijk, gegeven het uit de parlementaire geschiedenis blijkende doel van art. 3.14 Wet IB 2001.
In hoger beroep beriep de belanghebbende zich naast het gelijkheidsbeginsel op het evenredigheidsbeginsel en het eigendomsrecht. Wat betreft het gelijkheidsbeginsel heeft het Hof het oordeel en motivering van de Rechtbank tot de zijne gemaakt. Ad het evenredigheidsbeginsel overwoog het Hof dat art. 3.14 Wet IB een dwingende formele wet is en door de rechter dus alleen buiten toepassing kan worden gelaten als zich een tot onevenredige gevolgen leidende bijzondere omstandigheid voordoet die de wetgever niet (volledig) heeft verdisconteerd. Die doet zich volgens het Hof niet voor, nu de wetgever wel degelijk acht heeft geslagen op de belangen betrokken bij het onderscheid in aftrekbaarheid tussen voordeelontneming en verbeurdverklaring. Hij heeft zich rekenschap gegeven van het verschil tussen verbeurdverklaring (een straf: leedtoevoeging) en voordeelontneming (een maatregel tot rechtsherstel), maar ook van het feit dat leedtoevoeging zich bij verbeurdverklaring vaak minder doet gevoelen. Hij heeft daarin geen aanleiding gezien om de twee sancties fiscaal gelijk te behandelen en die omstandigheden dus wel degelijk verdisconteerd. Ad het beroep op art. 1 Protocol I EVRM meende het Hof dat de aftrekbeperking in art. 3.14 Wet IB 2001 binnen de ruime beoordelingsmarge valt die de wetgever heeft bij belastingheffing. Het Hof heeft ook hier verwezen naar het oordeel van de Rechtbank ad het discriminatieverbod. Het Hof heeft het hogere beroep afgewezen.
De belanghebbende stelt vier cassatiemiddelen voor:
1. Door slechts het oordeel van de Rechtbank over te nemen, is het Hof ten onrechte of ongemotiveerd voorbijgegaan aan belanghebbendes aanvullende betoog in hoger beroep dat het fiscale onderscheid tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming van redelijke grond is ontbloot; bij pleitnota heeft hij de gestelde discriminatie en het ontbreken van een redelijke en objectieve rechtvaardiging nader onderbouwd. Het Hof is daar niet op in gegaan.
2. Het onderscheid schendt art. 14 EVRM. De parlementaire geschiedenis biedt geen redelijke en objectieve rechtvaardiging meer, want het gegeven dat het onderscheid tussen verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer en voordeelontneming vaag is, is geen rechtvaardiging, evenmin als de destijds veronderstelde geringe waarde van verbeurd verklaarde voorwerpen en moeizame waardebepaling, nu verbeurdverklaarde voorwerpen inmiddels wel degelijk waarde vertegenwoordigen en geld niet gewaardeerd hoeft te worden.
3. De fiscale wetgever heeft in 1991-1997 niet meegewogen dat onaftrekbare verbeurdverklaring van een groot geldbedrag een onevenredig zware belasting oplegt in vergelijking met aftrekbare voordeelontneming. Pas in 2011 werd ook vervolgprofijt vatbaar voor verbeurdverklaring; de veronderstelling dat verbeurdverklaring zich minder als leedtoevoeging deed gevoelen omdat het om voorwerpen van geringe waarde zou gaan, is sinds 2011 onjuist. De fiscale wetgever heeft zich niet gerealiserd dat ook ontnemende verbeurdverklaring onaftrekbaar zou zijn, hoewel ook profijtontnemende verbeurdverklaring, net zoals voordeelontneming, de situatie van vóór het delict wordt hersteld;
4. Voor schending van art. 1 Protocol I EVRM is geen discriminatie ex art. 14 EVRM nodig, zodat ‘s Hofs verwijzing naar de Rechtbank ad art. 14 EVRM geen motivering is voor afwijzing van het beroep op Protocol I. De belanghebbende persisteert dat die bepaling is geschonden en meent een buitensporige last te hebben aangetoond omdat de belastingdruk een veelvoud van de inkomsten was: hoger dan 100% van die inkomsten.
De Staatssecretaris meent ad middel 1 dat het Hof voldoende is ingegaan op belanghebbendes beroep op art. 14 EVRM. Ad middel 2 betoogt hij dat de belanghebbende niet heeft gesteld dat de verbeurdverklaarde voorwerpen ROW1-vermogen waren, zodat ervan kan worden uitgegaan dat zij privévermogen waren en aftrek dus alleen daarom al niet aan de orde is. Subsidiair meent hij dat de verbeurdverklaring is opgelegd als punitieve sanctie en niet als ontneming. Meer subsidiair acht hij het fiscale onderscheid tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming niet evident van redelijke grond ontbloot. Ad middel 3 stelt de Staatssecretaris dat de wetgever zich bewust was van overlap tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming, maar er toch voor gekozen heeft om alleen voordeelontneming en schadevergoeding uit te zonderen van aftrekuitsluiting omdat hij niet wilde dat de inspecteur op de stoel van de strafrechter moest gaan zitten: de inspecteur moet volgens de Staassecretaris ook de strafrechtelijke kwalificatie van de straf of maatregel volgen en geen eigen oordeel vormen over de materiële aard van de sanctie. Ad middel 4 meent de Staatssecretaris dat bij de beoordeling van de buitensporigheid van een last de hele financiële situatie van de betrokkene moet worden meegewogen; de belanghebbende heeft geen inzicht gegeven in zijn vermogenspositie, zodat hij geen buitensporige last aannemelijk heeft gemaakt, aldus de Staatssecretaris.
Middel 1 lijkt mij een als rechtsklacht ingeklede motiveringsklacht of een motiveringsklacht over een rechtsoordeel. De Rechtbank heeft haar door het Hof overgenomen oordeel over het beroep op art. 14 EVRM gebaseerd op de wetsgeschiedenis. De belanghebbende heeft in hoger beroep gesteld dat die wetsgeschiedenis anders moet worden gelezen, maar dat is geen nieuwe omstandigheid, maar een rechtsopvatting. Dat het Hof volstaat met overneming van het oordeel en de gronden van de Rechtbank is dan op zichzelf geen motiveringsgebrek. Rechtsoordelen hoeven niet gemotiveerd te worden. Verder heeft de belanghebbende in hoger beroep (opnieuw) gewezen op een kennisgroepstandpunt waarin zij leest dat ter zake van (vervolg)profijt geen materieel verschil bestaat tussen verbeurdverklaring en voordeel-ontneming. Zij acht in dat licht onbegrijpelijk dat het Hof vasthoudt aan het formele onderscheid tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming. Het Hof is echter wel degelijk ingegaan op het kennisgroepstandpunt en heeft belanghebbendes uitleg verworpen, dus niet veronachtzaamd. Dat de belanghebbende het daar niet mee eens is, is geen motiveringsgebrek, maar voorwerp van zijn inhoudelijke middel 2.
Ad middel 2: de Staatssecretaris stelt prealabel dat de verbeurde geldsom en auto privé-vermogen zijn en hun verbeurdverklaring alleen daarom al niet aftrekbaar is. Die stelling lijkt mij onjuist. Met het strafvonnis staat mijns inziens ook fiscaal vast dat de verbeurde geldsom en auto illegaal profijt uit of voorwerp van belanghebbendes illegale werkzaamheid zijn. De verbeuring wordt uitsluitend verklaard door diens illegale synthetische drugsproductie c.a., waardoor zij mijns inziens niet in de privésfeer ligt. De feitenrechters hebben ook niet vastgesteld dat het om privé-vermogen zou gaan. De Staatssecretaris kan mijns inziens niet pas in cassatie feitelijk stellen dat de verbeurdevrklaring in de privésfeer ligt. Die stelling impliceert bovendien dat het geld en de auto vóór inbeslagneming onttrokken zijn aan het ROW-vermogen. Dat heeft de Inspecteur evenmin gesteld. Overigens: ook als onttrekking aangenomen zou worden, meen ik dat het gedwongen afstaan van die onttrekking dan een (terug)inbreng van de verbeurde geldsom en auto in de ROW-sfeer impliceert. Die gedwongen afstand wordt immers uitsluitend verklaard door de illegale werkzaamheid.
Daar komt bij dat als men het standpunt van de Staatssecretaris volgt, ook voordeel-ontneming behoudens overtuigend tegenbewijs feitelijk veelal niet aftrekbaar is, zulks in strijd met de wettekst en de verklaarde rechtsherstellende bedoeling van de wetgever. Als strafrechtelijk ontnomen illegaal ondernemingsprofijt behoudens overtuigend tegenbewijs steeds automatisch als privévermogen wordt aangemerkt, komt men immers praktisch – gegeven de bewijslastomkering - niet vaak meer toe aan art. 3:14 Wet IB, hoewel met het strafvonnis vast staat dat het ontnomen voordeel wederrechtelijk profijt uit illegale onderneming of werkzaamheid is en de ontneming uitsluitend verklaard wordt door die illegale ondernemingsuitoefening of werkzaamheid.
Ik kom dus toe aan het beroep op het discriminatieverbod. Dogmatisch zou verbeurdverklaring (slechts) leedberokkening beogen en voordeelontneming (slechts) rechtsherstel. Bij een ontnemende verbeurverklaring (art. 33a(1)(a) Sr) lijkt mij dat onderscheid inmiddels echter formalistisch, gegeven: (i) de in onderdeel 6 hieronder weergegeven ingreep van de strafwetgever, die verbeurdverklaring tot ontneming propageert omdat die makkelijker, sneller en effectiever is dan een separate ontnemingsprocedure, (ii) de daaruit voortvloeiende rechtspraak van uw strafkamer dat ontnemende verbeurdverklaring wordt geïmputeerd op (dus in de plaats wordt gesteld van) te ontnemen wederrechtelijke voordeel, en (iii) de kennelijk in de strafpraktijk levende behoefte aan en feitelijk ook gegroeide praktijk van ontnemende verbeurdverklaring in plaats van een separate voordeelontneming. Het object van een ontnemende verbeurdverklaring (art. 33a(1)(a) Sr) wordt ook volledig omvat door het object van de voordeelontnemings-maatregel (36e(2) Sr) en ook tekstueel verschillen art. 33a(1)(a) en art. 36e(2) Sr nauwelijks van elkaar. Een materieel voordeelontnemende verbeurdverklaring kan daarmee mijns inziens naar doel en effect thans niet meer zinvol onderscheiden worden van de voordeelontnemingsmaatregel. Het theoretische verschil tussen straf en maatregel zou nog betekenis kunnen hebben als de strafrechter bij zijn hoofdstrafoplegging rekening zou houden met de ontnemende verbeurdverklaring aldus dat die verbeuring die hoofdstraf zou matigen, maar dat lijkt in de praktijk niet het geval. Veeleer lijkt de ontnemende verbeurdverklaring als straf zo bijkomend te zijn geworden dat het materieel eerder om een maatregel in de plaats van voordeelontneming gaat, waar de hoofdstraf los van staat.
Ik meen daarom dat, bezien vanuit de ratio van de fiscale aftrekbeperking en de uitzondering daarop voor voordeelontneming, ontnemende verbeurdverklaring en voordeelontneming gelijke gevallen zijn, waardoor de vraag naar een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor het fiscale verschil in behandeling rijst. In de wetsgeschiedenis zie ik maar één mogelijke rechtvaardiging om dat verschil ook na 2011 te handhaven: de wetgever wilde niet dat de inspecteur zelfstandig zou moeten beoordelen of het om een misdrijf gaat en aldus op het terrein van de strafrechter zou komen. Die overweging is in casu niet relevant: de fiscus hoeft immers geenszins te beoordelen of het om een misdrijf gaat; dat is geheel overgelaten aan de strafrechter. De Staatssecretaris wil uit deze wetsgeschiedenis echter ook afleiden dat de fiscus ook volgzaam is bij het inhoudelijke oordeel (hoofdstraf, bijkomende straf of ontneming) van de strafrechter. Ik meen dat die opvatting leidt tot een tegengesteld resultaat van het door de Staatssecretaris beoogde: als de fiscus de toepassing van het strafrecht door de strafrechter volgt, moet ontnemende verbeurdverklaring juist op gelijke voet aftrekbaar zijn als voordeelontneming. Het zijn de strafwetgever en de strafrechter die ontnemende verbeurdverklaring gelijk stellen aan (imputeren op) voordeel-ontneming. De destijds aangevoerde rechtvaardiging voor het fiscale onderscheid is bij ontnemende verbeurdverklaring verdwenen door gewijzigd inzicht van de strafwetgever, wijziging van de strafwet, de gegroeide strafpraktijk van ontnemende verbeurdverklaring en de daarop aansluitende imputatierechtspraak van uw strafkamer. Ik zie dan voor het fiscale onderscheid bij ontnemende verbeurdverklaring geen redelijke grond meer. Een evenredigheidstoetsing (fair balance) komt dan niet aan snee.
Dat leidt echter niet tot cassatie. Omdat de fiscus de toepassing van het strafrecht door de strafrechter moet volgen, moet voor aftrekbaarheid van de verbeurdverklaring buiten redelijke twijfel staan dat zij voordeelontnemend (bedoeld) was. Dat is in casu niet het geval. Het strafvonnis verwijst immers slechts algemeen naar art. 33a Sr, niet naar lid 1 sub a van die bepaling) en uit de strafmotivering blijkt geenszins dat de verbeurdverklaring materieel een ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was, maar eerder dat het om de b-grond van art. 33a(1) Sr. voor verbeurdverklaring gaat. Dan moet fiscaalrechtelijk uitgegaan worden van een bestraffend en niet van een ontnemend doel uitgegaan worden. Ik meen daarom dat ook middel 2 strandt, hoezeer ook de belanghebbende principieel een punt heeft.
Middel 3 is gebaseerd op de premisse dat de litigieuze verbeurdverklaring ontnemend (bedoeld) was. Die premisse lijkt mij onjuist, zodat middel 3 geen voorwerp heeft en strandt. De fiscale wetgever van 1997 voorzag wel degelijk dat een bestraffende verbeurdverklaring zoals de litigieuze zou cumuleren met belastingheffing. Middel 3 is dan in wezen een strafmaatverweer.
Ook middel 4 lijkt gebaseerd op de mijns inziens onjuiste premisse dat de litigieuze verbeurdverklaring niet bestraffend, maar voordeelontnemend (bedoeld) was. Het geld en de waarde van de auto moeten dus fiscaalrechtelijk wél als genoten inkomen beschouwd worden. Van de litigieuze bestraffende verbeurdverklaring kan mijns inziens niet gezegd worden dat zij belanghebbendes eigendomsgrondrecht schendt. Lid 2 van art. 1 Protocol 1 EVRM staat de Staten toe om de betaling van boeten te verzekeren en de verbeurdverklaring is vergelijkbaar met een vermogensstraf zoals een geldboete. Vermogensstraffen zijn gedefiscaliseerd, zodat het niet zozeer om evenredigheid tussen straf en inkomen gaat, als wel om evenredigheid tussen de straf en de ernst van het delict. Ook middel 4 is dan in wezen een strafmaatverweer. De strafrechter neemt overigens het draagkrachtbeginsel in acht (art. 33(2) Sr). Voor zover middel 4 inhoudt dat de defiscalisering van vermogensstraffen het eigendomsrecht in het algemeen of in dit geval schendt, meen ik dat die defiscalisering op stelselniveau binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever ligt en dat in dit concrete geval de feitenrechters ervan konden uitgaan dat de belanghebbende niet heeft bewezen dat die defiscalisering hem in zijn individuele geval buitensporig treft.
Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren.
2 De feiten en het geding in feitelijke instanties
Op 26 januari 2018 heeft de strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant de belanghebbende wegens een combinatie van misdrijven veroordeeld tot 54 maanden gevangenisstraf. Zij heeft bij hem inbeslaggenomen voorwerpen aan het verkeer onttrokken, waaronder wapens, munitie en drugs. Enige andere bij hem inbeslaggenomen voorwerpen heeft zij verbeurdverklaard, waaronder € 59.065 aan contant geld en een auto. De belanghebbende heeft tegen dat strafvonnis geen hoger beroep ingesteld. De bewezenverklaring luidde, voor zover hier van belang, als volgt:2
“De rechtbank acht (...) wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte
1. (...), tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad (...) [verboden middelen, waaronder MDMA en metamfetamine; PJW] (...) vermeld (...) in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
2. (...), tezamen en in vereniging met een ander, (...) [verboden wapens; PJW] voorhanden heeft gehad.
(...).
4. (...), zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft hij, verdachte, van
- een geldbedrag van in totaal EUR 59.065,00 de vindplaats verborgen en verhuld en
- (...)
- een geldbedrag van in totaal EUR 59.065,00 en
- een auto, merk Volvo V60 (...),
verworven en voorhanden gehad, terwijl hij, verdachte, wist dat (...) dat geldbedrag en die auto – middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf.
(...).’’
(De motivering van) het strafvonnis luidde, voor zover hier van belang, als volgt:
“Het oordeel van de rechtbank.
Met betrekking tot de op te leggen straf
(...).
Dat er in dit geval sprake is geweest van een zeer verontrustende combinatie van strafbare feiten, te weten de voorbereiding van drugsproductie, het aanwezig hebben van harddrugs, het verbergen van criminele opbrengsten en het voorhanden hebben van wapens en munitie, brengt de rechtbank ertoe om deze in strafverhogende zin aan de verdachte toe te rekenen. Dit alles rechtvaardigt een forse gevangenisstraf en leidt ertoe dat met een andere of lichtere straf niet kan worden volstaan. Niet alleen uit een oogpunt van vergelding en normbevestiging, maar ook om anderen ervan te weerhouden dit soort misdrijven te plegen.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). (...). [volgt aansluiting bij de (gematigde) oriëntatiepunten voor in- en uitvoer van harddrugs (15 maanden), voorhanden hebben van vuurwapens (drie tot negen maanden per vuurwapen), voorhanden hebben van munitie (geldboete, maar de rechtbank neemt in dit geval de munitie in aanmerking als vrijheidsstrafverhogend, voorbereiding van drugssynthetisering (zes tot negen maanden), fraude (omdat voor witwassen geen oriëntatiepunten zijn gegeven; twee tot vijf maanden bij benadeling tot € 70.000); PJW]
(...).
Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving een gevangenisstraf, overeenkomstig de eis (...) [54 maanden met aftrek voorarrest; PJW], recht doet aan de ernst van de feiten en (...).”
Met betrekking tot het beslag.
De rechtbank is van oordeel dat over de onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen als volgt dient te worden beslist:
(...) [onttrekking aan het verkeer; PJW];
De voorwerpen vermeld onder de nummers 1 tot en met 6 in de bij dit vonnis gevoegde bijlage II “lijst van inbeslaggenomen voorwerpen” [waaronder het geld en de auto; PJW] zijn vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit de processtukken en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat met betrekking tot deze voorwerpen de bewezenverklaarde strafbare feiten 1, 2 en 4 zijn begaan.
De strafrechter heeft aldus bij de verwijzing naar toegepaste wetsartikelen niet gespecificeerd op welk van de zes mogelijkheden in art. 33a(1) Sr (zie 4.3 hieronder) zij de verbeurdverklaring heeft gebaseerd.
De Inspecteur heeft de belanghebbende op 20 februari 2018 uitgenodigd om aangifte IB/PVV te doen voor 2017. Op 8 juni 2018 is de belanghebbende daaraan herinnerd en op 10 juli 2018 is hij aangemaand. Hij heeft geen aangifte IB/PVV 2017 gedaan. De Inspecteur heeft daarom op 18 september 2018 ambtshalve een aanslag IB/PVV 2017 opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning ad € 115.116 en daarbij een verzuimboete opgelegd en belastingrente in rekening gebracht. Op 5 september 2018 heeft hij bovendien een aanslag premie Zvw opgelegd op basis van het maximum bijdrage-inkomen ad € 53.701, waarbij hij eveneens belastingrente in rekening heeft gebracht.
Voor de schatting van belanghebbendes belastbaar inkomen in 2017 heeft de Inspecteur een vermogensvergelijking opgesteld op basis van de door de strafrechter vastgestelde feiten. In deze vermogensvergelijking figureren ook het verbeurdverklaarde contante geld en de aankoopprijs van de verbeurdverklaarde auto.
Bij de feitenrechters in de belastingzaak heeft de belanghebbende gesteld dat dat geld en de aankoopprijs van die auto niet in die vermogensvergelijking thuis horen omdat die voorwerpen hem zijn ontnomen door de verbeurdverklaring. Hij heeft daarbij gewezen op een uitspraak van het Hof Amsterdam3 en het AAFD-protocol,4 inhoudende dat ontneming en belastingheffing niet moeten cumuleren. Hij heeft zich ook op het discriminatieverbod in art. 14 EVRM beroepen omdat ontnemende verbeurdverklaring volgens hem net zo fiscaal aftrekbaar moet zijn als voordeelontneming, en in hoger beroep bovendien op het evenredigheidsbeginsel en het eigendomsgrondrecht (art. 1 Protocol I EVRM).
De Rechtbank Noord-Holland 5
De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep afgewezen, mede op basis van omkering van de bewijslast wegens het ontbreken van de vereiste aangifte. De belanghebbende bestreed niet dat hij inkomsten had genoten door betrokkenheid bij productie van synthetische drugs. De Rechtbank achtte de schatting van die inkomsten door de Inspecteur op basis van een vermogensvergelijking op basis van het strafvonnis niet onredelijk en achtte de belanghebbende niet geslaagd in overtuigend bewijs van de onjuistheid van die schatting.
Het beroep op de noncumulatie-overwegingen in het AAFD-protocol achtte de Rechtbank niet relevant omdat die volgens haar alleen gaan over samenloop van belasting met voordeelontneming en niet met verbeurdverklaring. Uit de wetsgeschiedenis leidde de Rechtbank af dat verbeurdverklaring wezenlijk verschilt van voordeelontneming omdat verbeurdverklaring vergelijkbaar is met een geldboete.
Wat het beroep op art. 14 EVRM betreft, heeft de Rechtbank overwogen dat die bepaling alleen in de weg staat aan ongelijke behandeling van gelijke gevallen die als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. De wetgever heeft een ruime vrijheid bij de beoordeling welke gevallen gelijk zijn en of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die desondanks verschillend te behandelen. Die beoordeling door de wetgever moet de rechter eerbiedigen, tenzij zij van redelijke grond ontbloot is. Voor zover het al om gelijke gevallen gaat, heeft de belanghebbende volgens de Rechtbank onvoldoende gesteld om te kunnen oordelen dat de aftrekuitsluiting van kosten in verband met misdrijven (art. 3.14 Wet IB) evident van redelijke grond is ontbloot. Het verschil in behandeling tussen verbeurdverklaring (niet-aftrekbaar) en voordeelontneming (aftrekbaar) achtte de Rechtbank niet evident onredelijk, gegeven de parlementaire geschiedenis van de aftrekuitsluiting (zie 5.3 hieronder).
Het Gerechtshof Amsterdam 6
Bij het Hof heeft de belanghebbende zich – behalve op het gelijkheidsbeginsel – ook beroepen op het evenredigheidsbeginsel en het recht op ongestoord genot van eigendom (art. 1 Protocol I EVRM). Wat betreft het beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft het Hof het oordeel en de motivering van de Rechtbank overgenomen en tot de zijne gemaakt.
Ad het beroep op het evenredigheidsbeginsel constateerde het Hof dat de aanslag een gebonden beschikking is bij het nemen waarvan de inspecteur niet mag afwijken van de dwingende wet en dat de rechter art. 3.14 Wet IB (een wet in formele zin) op grond van het grondwettelijke toetsingsverbod (art. 120 Gw) niet aan het evenredigheidsbeginsel mag toetsen. De rechter kan art. 3.14 Wet IB alleen wegens onevenredigheid buiten toepassing laten bij een tot onevenredigheid leidende bijzondere omstandigheid die de wetgever in zijn belangenafweging niet (volledig) heeft verdisconteerd. Zo’n bijzondere omstandigheid doet zich volgens het Hof niet voor. Op de door de Rechtbank aangehaalde wetsgeschiedenis baseert hij dat de wetgever wel degelijk acht heeft geslagen op de door de belanghebbende aangevoerde belangen die betrokken zijn bij het onderscheid in aftrekbaarheid tussen voordeelontneming en verbeurdverklaring. De wetgever heeft zich rekenschap gegeven van het verschil in strekking tussen verbeurdverklaring (een straf: leedtoevoeging) en voordeelontneming (rechtsherstel: het terugbrengen van de veroordeelde in de financiële positie van vóór het plegen van het misdrijf) en van het feit dat leedtoevoeging zich bij verbeurdverklaring soms minder doet gevoelen, maar heeft daarin geen aanleiding gezien het fiscale onderscheid op te heffen, zodat geen sprake is van niet-verdisconteerde omstandigheden. Het Hof achtte het evenredigheidsbeginsel daarom niet geschonden.
Ad het beroep op art. 1 Protocol I EVRM meent het Hof dat de aftrekbeperking in art. 3.14 Wet IB 2001 valt binnen de ruime beoordelingsmarge die de wetgever heeft bij belastingwetgeving. Het Hof heeft verwezen naar het oordeel van de Rechtbank over het discriminatieverbod.
Het Hof heeft belanghebbendes hogere beroep afgewezen.
3 Het geding in cassatie
De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De belanghebbende stelt vier cassatiemiddelen voor:
1. Het Hof heeft, door te volstaan met aansluiting bij het oordeel van de Rechtbank, ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd beslist dat de belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden zou hebben gesteld om te oordelen dat het onderscheid tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming in art. 3.14 Wet IB van redelijke grond is ontbloot. De belanghebbende heeft bij pleitnota in hoger beroep nader gemotiveerd dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld en dat daarvoor geen redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. Het Hof is daar ten onrechte niet op in gegaan.
2. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat het fiscale onderscheid tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming art. 14 EVRM niet schendt. Mede op basis van de parlementaire geschiedenis ziet de belanghebbende geen redelijke en objectieve rechtvaardiging voor dat onderscheid. Die rechtvaardiging ligt niet in het in die geschiedenis aangevoerde vage onderscheid tussen verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer en voordeelontneming, en nog minder in de veronderstelde veelal geringe waarde van verbeurd verklaarde voorwerpen en het veelal ontbreken van duidelijke waardebepaling van die voorwerpen, nu verbeurdverklaarde voorwerpen (inmiddels) wel degelijk waarde vertegenwoordigen en bij contant geld per definitie geen waardebepalingsprobleem bestaat.
3. De fiscale wetgever heeft in zijn belangenafweging in 1991-1997 niet verdisconteerd de bijzondere omstandigheid dat onaftrekbare verbeurdverklaring van een groot geldbedrag een onevenredig zware belasting oplegt in vergelijking met aftrekbare voordeelontneming. De fiscale wetgever wist in 1997 niet dat ook vervolgprofijt in 2011 vatbaar zou worden voor verbeurdverklaring en ging er van uit dat verbeurdverklaring zich minder als leedtoevoeging deed gevoelen omdat het om voorwerpen van geringe waarde zou gaan, wat sinds de strafwetwijziging van 2011 niet meer het geval is. Uit die 1991-1997 parlementaire geschiedenis volgt wel dat de fiscale wetgever zich realiseerde dat een punitieve sanctie toch aftrekbaar kon zijn, maar niet dat een verbeurdverklaring die de plaats van aftrekbare voordeelontneming zou gaan innemen onaftrekbaar zou zijn, hoewel verbeurdverklaring van delictueus behaald profijt, net als ontneming, de situatie van vóór het delict herstelt.
4. Voor schending van art. 1 Protocol I EVRM is geen discriminatie in de zin van art. 14 EVRM vereist. ‘s Hofs verwijzing naar de overwegingen van de Rechtbank over de toets aan art. 14 EVRM kan dus niet dienen als voldoende motivering voor afwijzing van het beroep op Protocol I. De belanghebbende persisteert dat art. 1 Protocol I is geschonden, zich beroepend op uw Kerstarrest over box 3.7 De belanghebbende meent te hebben aangetoond dat het om een buitensporige last gaat omdat de belastingdruk in casu een veelvoud van de inkomsten was; in elk geval hoger dan 100% van die inkomsten.
De Staatssecretaris meent dat middel 1 faalt. Het Hof is voldoende ingegaan op het beroep op art. 14 EVRM. Uit zijn overneming van de oordelen van de Rechtbank volgt dat het Hof dier oordelen over het discriminatieverbod onderschrijft. Ook het door de belanghebbende bij pleidooi aangehaalde kennisgroepstandpunt is door het Hof besproken.
Ad middel 2 stelt de Staatssecretaris dat een verbeurdverklaring slechts aftrekbaar kan zijn voor zover zij in de ondernemings- of ROW-sfeer ligt; anders strandt aftrek al op het persoonlijke karakter van de last. De belanghebbende heeft niet gesteld dat de verbeurdverklaarde voorwerpen ROW-vermogen waren, zodat ervan kan worden uitgegaan, mede gegeven een door de Inspecteur bij vermogensvergelijking vastgesteld negatief netto privé, dat zij privévermogen waren en aftrek dus niet aan de orde is. Subsidiair meent de Staatssecretaris dat uit het strafvonnis volgt dat de verbeurdverklaring is opgelegd als punitieve sanctie en niet als ontneming, zodat zij niet vergelijkbaar is met een maatregel om de veroordeelde financieel in de situatie van vóór het misdrijf te brengen. Meer subsidiair, als u wel ongelijke behandeling van gelijke gevallen zou zien, acht de Staatssecretaris het fiscale onderscheid niet evident van redelijke grond ontbloot. Art. 3.14(3)(a) Wet IB moet dubbele ontneming voorkomen. Die doet zich in casu niet voor, aldus de Staatssecretaris.
Ad middel 3 leest de Staatssecretaris in de parlementaire geschiedenis dat de wetgever misdrijven niet meer fiscaal wilde faciliteren. Hij was zich daarbij bewust van overlap tussen verbeurdverklaring en voordeelontneming, maar heeft er toch voor gekozen om slechts twee uitzonderingen op de aftrekuitsluiting te maken: voordeelontneming en schadevergoeding. Hij wilde niet dat de inspecteur op de stoel van de strafrechter zou moeten gaan zitten; hij voorzag dus dat de inspecteur de strafrechtelijke kwalificatie van de straf of maatregel moest volgen en geen eigen oordeel moest vormen over de materiële aard van de sanctie.
Ad middel 4 wijst de Staatssecretaris op jurisprudentie inhoudende dat bij de beoordeling van het individuele en buitensporige van een opgelegde last de hele financiële situatie van de belastingplichtige moet worden meegewogen. De belanghebbende is alleen ingegaan op de verhouding tussen de belasting en zijn inkomen en heeft geen inzicht gegeven in zijn vermogenspositie. Een buitensporige last acht hij dan niet aannemelijk gemaakt.