Parket bij de Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1399, 25/01557
Parket bij de Hoge Raad, 19-12-2025, ECLI:NL:PHR:2025:1399, 25/01557
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 19 december 2025
- Datum publicatie
- 16 januari 2026
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:1399
- Zaaknummer
- 25/01557
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkstelling belanghebbende voor naheffingsaanslagen loonheffingen; is het aansprakelijk stellen van de vergrijpboete naast de strafrechtelijke veroordeling in strijd met het una-via beginsel?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01557
Datum 19 december 2025
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Loonbelasting
Nr. Gerechtshof 23/1495 t/m 23/1498
Nr. Gerechtshof 21/00527;21/00528
Nr. Rechtbank 17/5071, 16/3533, 17/5072
CONCLUSIE
R.J. Koopman
In de zaak van
[X]
tegen
staatssecretaris van Financiën
1 Inleiding
Deze zaak gaat over de gewezen bestuurder van een BV (belanghebbende). Hij is strafrechtelijk veroordeeld voor (onder meer) het opzettelijk leiding geven aan opzettelijk onjuist gedane aangiftes loonheffing van de BV. Ook is hij als (gewezen) bestuurder aansprakelijk gesteld voor (onder meer) een vergrijpboete die aan de BV is opgelegd wegens het opzettelijk betalen van een te laag bedrag aan loonheffing. Deze zaak gaat over de aansprakelijkstelling. In het bijzonder gaat de zaak over de vraag of belanghebbende door de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete een tweede keer is vervolgd en bestraft voor hetzelfde feit.
De Hoge Raad heeft in deze procedure al eerder arrest gewezen en de zaak verwezen naar het Hof. Het Hof heeft (ambtshalve) geoordeeld dat de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete moet worden vernietigd vanwege schending van het una via-beginsel (art. 5:44 Awb). Dit beginsel houdt in dat wanneer iemand een feit heeft gepleegd dat kan leiden tot zowel een strafrechtelijke vervolging als oplegging van een bestuurlijke boete, de autoriteiten moeten kiezen welke van deze twee sanctietrajecten zij willen volgen. Niet alleen dubbele sanctionering ter zake van hetzelfde feit is verboden (het ne bis in idem-beginsel), maar ook dubbele vervolging (het una via-beginsel).
In hoofdstuk 4 van deze conclusie beschrijf ik hoe het una via-beginsel is gepositiveerd in de voor het belastingrecht relevante Nederlandse wetgeving. Het draait daarbij om twee voorwaarden; 1) wordt dezelfde persoon bestraft en 2) hebben de sancties betrekking op hetzelfde feit?
In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de vraag wanneer gesproken kan worden van dezelfde persoon. Ik kom in dat hoofdstuk tot de slotsom dat de aansprakelijkstelling op de voet van art. 32(2) Invorderingswet 1990 van iemand voor een fiscale bestuurlijke boete, voor de toepassing van art. 5:44 Awb op één lijn moet worden gesteld met het opleggen van een bestuurlijke boete aan die persoon. Dit betekent dat art. 5:44(1) Awb in de weg staat aan die aansprakelijkstelling als deze persoon al voor hetzelfde feit strafrechtelijk wordt vervolgd.
In hoofdstuk 6 wordt de vraag behandeld wanneer het gaat om hetzelfde feit. Daarvoor moet gekeken worden naar de juridische aard van de feiten en naar de aard van de gedragingen.
De juridische aard van de feiten volgt uit de wettelijke delictsomschrijvingen. Bij de vergelijking van die delictsomschrijvingen is van belang of zij strekken tot bescherming van hetzelfde rechtsgoed en of dezelfde of vergelijkbare strafmaxima zijn gesteld. Ik meen dat de strafbaarstelling van aangiftemisdrijven en de beboetbaarstelling van betalingsvergrijpen strekken tot bescherming van hetzelfde rechtsgoed, namelijk de bevordering van de juiste belastingheffing (6.11). Verder denk ik dat aan een vergelijking van de strafmaxima in het kader van art. 5:44 Awb geen grote betekenis moet worden toegekend (6.12).
Bij de vergelijking van de aard van de gedragingen moet gekeken worden naar zowel de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht. De aangifte en de betaling plegen niet op hetzelfde moment plaats te vinden en hoeven ook niet de uitdrukking te zijn van één wilsbesluit. Daarom kan naar mijn opvatting niet een categorisch antwoord worden gegeven op de vraag of het opzettelijk doen van een te lage aangifte en het opzettelijk betalen conform die aangifte van een te laag bedrag, kunnen gelden als ‘hetzelfde feit’. Ik meen dat het aangifte doen en het betalen zo van elkaar gescheiden zijn, dat van de feitenrechter die meent dat toch ‘hetzelfde feit’ is beboet of bestraft, mag worden verlangd dat hij motiveert op grond van welke omstandigheden hij tot dit oordeel is gekomen (6.13).
In hoofdstuk 7 worden de middelen in het principale cassatieberoep behandeld. Naar mijn oordeel kunnen die middelen niet tot cassatie leiden.
In hoofdstuk 8 behandel ik het incidentele cassatieberoep. Het middel in dat beroep slaagt.
In hoofdstuk 9 behandel ik een ambtshalve door mij opgeworpen grond voor cassatie. Die grond leidt ertoe dat de Hoge Raad mijns inziens de zaak niet zelf kan afdoen. Verwijzing moet volgen.
2 De feiten en het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende was vanaf 2 mei 2011 bestuurder van een BV (de BV). De BV exploiteerde een uitzendbureau ten behoeve van infra- en elektriciteitswerken alsmede de metaalindustrie. De BV is op 24 februari 2015 failliet verklaard. Op 17 maart 2020 is het faillissement opgeheven wegens gebrek aan baten.
Op grond van uitkomsten van door de Inspecteur ingestelde boekenonderzoeken zijn aan de BV naheffingsaanslagen in de loonheffingen opgelegd over tijdvakken in de periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013. Daarbij is met betrekking tot de naheffing over tijdvakken in het jaar 2013 ook een vergrijpboete opgelegd en is met betrekking tot alle naheffingsaanslagen heffingsrente respectievelijk belastingrente in rekening gebracht.
De BV heeft over de tijdvakken in de periode oktober 2013 tot en met februari 2014 aangiften voor de loonheffingen gedaan. De aangegeven bedragen zijn niet betaald. De BV heeft ter zake van twee van die tijdvakken tijdig en rechtsgeldig mededelingen gedaan als bedoeld in art. 36(2) Invorderingswet 1990 (IW 1990). Omdat de BV de loonheffingen niet heeft betaald, zijn aan de BV naheffingsaanslagen in de loonheffingen opgelegd over de tijdvakken in de periode oktober 2013 tot en met februari 2014. Daarbij zijn tevens verzuimboetes opgelegd.
De naheffingsaanslagen en boetes zijn voor een deel onbetaald gebleven. Belanghebbende is als (oud-)bestuurder van de BV op grond van art. 36 IW 1990 aansprakelijk gesteld voor de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen in de loonheffingen en de daarmee samenhangende rente- en boetebeschikkingen.
Het verloop van (de hoogte van) de aansprakelijkstellingen in deze procedure is als volgt:
|
Tijdvak |
Bedrag aansprakelijkstelling |
Bedrag na uitspraak rechtbank |
Bedrag na uitspraak gerechtshof |
|
|
1. |
2011-2012 |
€ 2.265.075 (loonheffingen) € 112.938 (heffingsrente) |
€ 2.195.319 (loonheffingen) En heffingsrente dienovereenkomstig verminderd |
€ 2.085.886 (loonheffingen) en heffingsrente dienovereenkomstig verminderd |
|
2. |
2013 |
€ 897.762 (loonheffingen) |
€ 889.245 (loonheffingen) |
€ 751.335 (loonheffingen) |
|
3. |
2013 |
€ 53. 915 (belastingrente) |
belastingrente dienovereenkomstig verminderd |
belastingrente dienovereenkomstig verminderd |
|
4. |
2013 |
€ 442.580 (vergrijpboete) |
€ 392.509 (vergrijpboete) |
€ 272.509 (vergrijpboete) |
|
5. |
10/2013 – 02/2014 |
€ 417.279 (loonheffingen) € 4.886 (verzuimboete) |
€ 417.279 (loonheffingen) € 3.908 (verzuimboete) |
€ 417.279 (loonheffingen) € 3.908 (verzuimboete) |
Belangrijk om op te merken is dat in de (horizontale) regels 1 tot en met 4 naheffingsaanslagen naar aanleiding van een boekenonderzoek staan met correcties en een vergrijpboete en dat in regel 5 naheffingsaanslagen zijn opgenomen die zijn opgelegd omdat volgens de aangifte verschuldigde bedragen niet zijn betaald, inclusief een verzuimboete hiervoor. De procedures over deze twee verschillende naheffingsaanslagen(clusters) lopen op sommige momenten uit elkaar. Ik noem de procedure over de aansprakelijkstelling voor de bedragen opgesomd in regels 1 tot en met 4 de procedure over ‘het boekenonderzoek’ en de procedure over het bedrag aansprakelijkstelling in de vijfde regel de procedure over ‘het betalingsverzuim.’ Uiteindelijk zullen alle aansprakelijkstellingen weer bij elkaar komen maar voordat we daar zijn, nemen ze ieder hun eigen pad naar de Hoge Raad.
Om het nog ingewikkelder te maken, is belanghebbende bij vonnis van 16 december 2019 van de rechtbank Oost-Brabant strafrechtelijk veroordeeld. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Belanghebbende werd verweten dat hij feitelijk leiding had gegeven aan de in de tenlastelegging omschreven verboden gedragingen. Deze gedragingen bestonden uit het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het onvolledig of onjuist doen van aangifte en uit faillissementsfraude.
De rechtbank Oost-Brabant heeft in die strafzaak ten eerste overwogen dat namens de BV aangiften loonheffing zijn gedaan en dat deze aangiften mede gebaseerd waren op kilometerstaten die in strijd met de waarheid waren opgemaakt omdat in die staten een hoger aantal belastingvrije kilometers werd gedeclareerd dan de in werkelijkheid gereden kilometers. Het ter beschikking stellen van valse bescheiden aan de Belastingdienst en het doen van onjuiste aangifte loonheffing kan worden toegerekend aan de BV. Belanghebbende heeft vervolgens erkend dat hij wist dat de verstrekte informatie onjuist was maar geen enkele actie heeft ondernomen om te voorkomen dat de onjuiste stukken aan de Belastingdienst ter beschikking zouden komen. De rechtbank heeft het daarom wettig en overtuigend bewezen geacht dat de BV de ten laste gelegde feiten opzettelijk heeft gepleegd en dat belanghebbende opzettelijk feitelijk leiding heeft gegeven aan het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en het onvolledig of onjuist doen van aangifte.
Ten aanzien van de faillissementsfraude heeft de rechtbank Oost-Brabant ten eerste geoordeeld dat de BV opzettelijk niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting tot het voeren van een deugdelijke administratie en die administratie niet heeft bewaard en tevoorschijn heeft gebracht. Ten tweede stond vast dat er gelden zijn onttrokken aan de boedel van de BV. Ten derde oordeelde de rechtbank dat vanaf 24 mei 2013 minst genomen bewust de aanmerkelijke kans is aanvaard dat het faillissement van de BV aanstaande was. Ten vierde oordeelde de rechtbank dat de BV haar directeuren en de moeder van de directeuren heeft willen bevoordelen door gelden aan de boedel van de BV te onttrekken die anders in de failliete boedel zouden zijn gekomen zodat willens en wetens de aanmerkelijke kans is aanvaard dat door de betalingen de schuldeisers van de BV bij een faillissement zijn benadeeld. De rechtbank heeft bewezen geacht dat belanghebbende feitelijk leiding heeft gegeven aan faillissementsfraude.
In de fiscale procedures bij de Rechtbank en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (het gerechtshof) is een onderscheid gemaakt tussen 4 onderdelen, te weten:
• De aansprakelijkstelling voor de nageheven loonbelasting periode 1 januari 2011 tot en met 31 december 2013. Dit zijn de regels 1 en 2 uit de tabel (het boekenonderzoek).
• De aansprakelijkstelling voor de in rekening gebrachte heffings- en belastingrente over het jaar 2013. Dit is regel 3 uit de tabel (het boekenonderzoek).
• De aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete over het jaar 2013. Dit is regel 4 uit de tabel (het boekenonderzoek).
• De aansprakelijkstelling voor de nageheven loonbelasting over de periode oktober 2013 tot en met februari 2014. Dit is regel 5 uit mijn tabel (het betalingsverzuim).
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 ( het boekenonderzoek)
Bij de Rechtbank was in geschil of belanghebbende (samen met de belanghebbende in de zaak met het nummer 25/01559) terecht als bestuurder aansprakelijk is gesteld voor de bedragen vermeld in regels 1 tot en met 4. Het ging bij de Rechtbank om de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen loonheffingen 2011 tot en met 2013 en de daarmee samenhangende beschikkingen vergrijpboeten en heffings- en belastingrente.
De vergrijpboete over het jaar 2013 is opgelegd ten aanzien van verschillende correctieposten op grond van grove schuld (boetepercentage 25 en 40%) en opzet (boetepercentage 50% en 80%). De boete zag op de volgende correctieposten: geen geldig ID/Wet op ID-plicht, heffingskorting niet ingevuld, geen heffingskorting, tabel bijzondere beloning, gebruikelijk loon, gereedschapsvergoeding, kledingvergoeding, vergoeding consumpties, vergoeding telefoon, maaltijdvergoeding, hotelvergoeding, offshorevergoeding, parkeerkosten, kilometervergoeding, PGA familie, PGA auto opdrachtgever en twee VAR-beschikkingen.
Met betrekking tot de Wet op ID-plicht, de tabel bijzondere beloningen, de kilometervergoedingen, de PGA auto opdrachtgever en één van de twee VAR-beschikkingen heeft de Rechtbank de vergrijpboete verminderd.
Ten aanzien van de aansprakelijkstelling voor de naheffingsaanslagen loonbelasting zijn naar het oordeel van de Rechtbank geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het niet aan belanghebbenden is te wijten dat de BV opzettelijk of grofschuldig te lage aangiften heeft gedaan. Het gevolg hiervan is dat niet rechtsgeldig melding kon worden gedaan van de betalingsonmacht.
De Rechtbank heeft met het oog op de aansprakelijkstellingen voor de vergrijpboete (regel 4) geoordeeld dat de bewijslast voor kennelijk onbehoorlijk bestuur bij de Ontvanger ligt. De Rechtbank oordeelde voorts dat ook in het geval de Ontvanger aannemelijk moet maken dat het niet betalen van de belastingschulden het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren, voorafgaande aan het tijdstip van de melding, de Ontvanger in die bewijslast is geslaagd.
Ten aanzien van de aansprakelijkstelling voor de vergrijpboete overwoog de Rechtbank dat belanghebbende bestuurder was van de BV en de administratie zelf deed. De grove schuld dan wel opzet van de BV is daarom aan belanghebbende toe te rekenen. Belanghebbende is daarom terecht aansprakelijk gesteld voor de vergrijpboete. De Rechtbank heeft de boete met € 10.000 gematigd – na de andere verminderingen zoals opgenomen in 2.13 omdat de redelijke termijn is overschreden.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 ( het betalingsverzuim)
Bij de Rechtbank was in geschil of belanghebbende (samen met de belanghebbende in de zaak met het nummer 25/01559) terecht als bestuurder aansprakelijk is gesteld voor de periode opgenomen in regel 5. Dat ging over (i) de onbetaald gebleven naheffingsaanslagen die zijn opgelegd als gevolg van het niet afdragen van de op aangiften loonheffingen verschuldigde bedragen en (ii) de daarmee samenhangende beschikkingen betaalverzuimboeten en belastingrente.
De Rechtbank verwees naar zijn uitspraak in de zaak over het boekenonderzoek en overwoog dat het oordeel van de Rechtbank dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur aan de zijde van belanghebbende ook geldt voor deze zaak.
De feiten en omstandigheden waarop de Rechtbank kennelijk onbehoorlijk bestuur aanwezig heeft geacht, houden voor een deel direct inhoudelijk verband met (het ontstaan van) de belastingschulden in die andere zaken; de Rechtbank heeft in het bijzonder verwezen naar de zwaarwegende omstandigheid dat de BV de loonheffing heeft getracht te verminderen door het opvoeren van kostenvergoedingen die niet zijn overeengekomen dan wel waarvoor een basis gedeeltelijk ontbreekt. Als gevolg daarvan zijn structureel loonheffingsverplichtingen niet nagekomen en konden de loonkosten kunstmatig laag worden gehouden.
Dat directe inhoudelijke verband is niet aanwezig met betrekking tot de belastingschulden in deze zaak (over het betalingsverzuim). Dat is echter ook niet vereist. Het gaat erom dat sprake is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur in de periode van drie jaren voorafgaande aan het tijdstip van de melding(en) van betalingsonmacht én dat door dat kennelijk onbehoorlijk bestuur de onderhavige belastingschulden onbetaald zijn gebleven. De voornoemde omstandigheid is daarom ook voor deze zaken van belang, aldus de Rechtbank.
De Rechtbank heeft de hoogte van de aansprakelijkstellingen verminderd als gevolg van de vermindering van de verzuimboetes wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 3 (het boekenonderzoek)
Bij het Bossche hof was ten eerste in geschil of het verdedigingsbeginsel was geschonden. Aangezien dat geschilpunt niet meer relevant is in cassatie zal ik het gedeelte van het geschil dat ziet op het verdedigingsbeginsel niet behandelen.
Het gerechtshof oordeelde vervolgens dat (i) het doen van betalingen door de BV aan gelieerde partijen terwijl de betaling van belastingschulden achterwege is gebleven en (ii) het overdragen van de activiteiten zonder enige betaling van goodwill, beide handelswijze zijn die worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Volgens het gerechtshof heeft de Ontvanger aannemelijk gemaakt dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van het aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur zodat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld.
Het gerechtshof is vervolgens alle correctieposten afgegaan en ten aanzien van de correctieposten heffingskorting niet ingevuld, geen heffingskorting, gebruikelijk loon, maaltijdvergoeding, hotelvergoeding, kilometervergoeding en de VAR beschikking worden de aansprakelijkstellingen en daarmee de vergrijpboete verminderd.
Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 4 (het betalingsverzuim)
Bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch was ten eerste in geschil of voor het tijdvak 9 een tijdige melding betalingsonmacht was gedaan en of de Ontvanger aannemelijk had gemaakt dat sprake was van onbehoorlijk bestuur. Het gerechtshof was het met de Ontvanger eens dat de melding betalingsonmacht van 19 november 2013 niet als tijdige melding kan worden aangemerkt voor tijdvak 9.
Het gerechtshof oordeelde dat (i) het doen van betalingen door de BV aan gelieerde partijen terwijl de betaling van belastingschulden achterwege is gebleven en (ii) het overdragen van de activiteiten zonder enige betaling van goodwill, beide handelswijze zijn die worden aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur.
Volgens het gerechtshof heeft de Ontvanger aannemelijk gemaakt dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van het aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur zodat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld.
Het gerechtshof heeft de aansprakelijkstellingen en daarmee samenhangend de heffings- en belastingrente en vergrijpboete verminderd ten aanzien van enkele correcties. Het gerechtshof heeft de boete, na vermindering passend en geboden geacht.
Hoge Raad 5 (het boekenonderzoek)
Het eerste middel kwam op tegen het oordeel van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het middel klaagde onder meer erover dat het gerechtshof niet had gemotiveerd waarom belanghebbende een persoonlijk belang had bij de betalingen door de BV aan (gelieerde) partijen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het middel slaagt. Uit de uitspraak van het gerechtshof blijkt niet dat het heeft onderzocht of de (rechts)personen waaraan betalingen zijn gedaan, wel of niet zijn aan te merken als aan de BV gelieerde schuldeisers en, voor zover dat niet het geval is of belanghebbende als bestuurder van de BV bij die betalingen een persoonlijk belang heeft.
Het middel was ook gegrond ten aanzien van de klacht tegen de overweging van het gerechtshof dat het overdragen van de activiteiten zonder enige betaling van goodwill wordt aangemerkt als kennelijk onbehoorlijk bestuur. Zonder motivering valt niet in te zien hoe uit de omvang van de door de BV gerealiseerde omzetbedragen kan worden afgeleid dat deze zodanig winstgevend was dat de aanwezigheid van goodwill doordoor aannemelijk is.
Het negende middel was gericht tegen de vergrijpboete. De Hoge Raad overwoog daarover:
“4.3.2. De omstandigheden dat aanzienlijke en omvangrijke fouten zijn gemaakt bij het toekennen van kilometervergoedingen aan werknemers van de BV, dat die fouten voor een groot deel door belanghebbende zelf zijn erkend, en dat het gaat om hoge bedragen aan kilometervergoedingen kunnen gezamenlijk noch op zichzelf beschouwd de conclusie rechtvaardigen dat de BV met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld, dat wil zeggen dat zij wetenschap had van de aanmerkelijke kans dat zij te weinig loonheffing op aangifte zou afdragen en dat zij die kans bovendien bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Het middel slaagt in zoverre.”
De Hoge Raad liet de uitspraak van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch niet in stand en verwees het geding naar het Hof Arnhem-Leeuwarden (het Hof). Voor de procedure na verwijzing heeft de Hoge Raad nog het volgende meegegeven:
“4.6 Met het oog op de behandeling na verwijzing verdient het volgende opmerking.
De vergrijpboete is mede opgelegd op de grond dat het aan (voorwaardelijk) opzet van de BV is te wijten dat met betrekking tot de uitbetaalde kilometervergoedingen te weinig loonheffing is betaald. De aanwezigheid van dit (voorwaardelijk) opzet kan alleen worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden overtuigend worden aangetoond.6
Op grond van artikel 32, lid 2, van de Invorderingswet 1990 in samenhang gelezen met artikel 36 van die Wet is een bestuurder slechts aansprakelijk voor een aan een belastingschuldige vennootschap opgelegde boete voor zover het belopen daarvan aan die bestuurder is te wijten. De blijkens de gedingstukken door belanghebbende ingenomen standpunten kunnen niet anders worden begrepen dan dat hij zich mede op het standpunt stelt dat hem een dergelijk verwijt niet kan worden gemaakt.Het verwijzingshof zal daarom ook moeten beslissen of het belopen van de boete aan belanghebbende is te wijten. Daarbij heeft te gelden dat pas van een dergelijk verwijt kan worden gesproken als het aan opzet of grove schuld van de aansprakelijkgestelde is te wijten dat te weinig belasting is geheven.7 Het daarvoor door de ontvanger te leveren bewijs dient te voldoen aan de hiervoor in 4.6.1 omschreven maatstaf.”
Hoge Raad 8 (het betalingsverzuim)
Het eerste middel kwam op tegen het oordeel van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg was van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. Het middel klaagde onder meer erover dat het gerechtshof niet heeft gemotiveerd waarom belanghebbende een persoonlijk belang had bij de betalingen door de BV aan (gelieerde) partijen. Dit middel slaagde. Uit de uitspraak van het gerechtshof bleek niet dat het had onderzocht of de (rechts)personen waaraan betalingen zijn gedaan, wel of niet zijn aan te merken als aan de BV gelieerde schuldeisers en, voor zover dat niet het geval is of belanghebbende als bestuurder van de BV bij die betalingen een persoonlijk belang heeft.
De Hoge Raad heeft de uitspraak van het gerechtshof vernietigd en het geding verwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) ter verdere behandeling en beslissing.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 (het boekenonderzoek en het betalingsverzuim)
Bij het Hof was in geschil of na cassatie vaststaat dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Bij een ontkennende beantwoording van die vraag was in geschil of de Ontvanger kennelijk onbehoorlijk bestuur na verwijzing nog kan bepleiten op andere gronden dan de gronden die het gerechtshof heeft gebruikt en, ongeacht het antwoord op deze vraag, of de Ontvanger geslaagd is in de op hem rustende bewijslast dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Verder was in geschil of de rechtsvordering tot betaling van de naheffingsaanslagen waarop de aansprakelijkstellingen zijn gebaseerd zijn verjaard.
Het Hof overwoog dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur na verwijzing niet vaststaat, dat de Ontvanger na verwijzing op andere gronden kan bepleiten dat er sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur maar dat de hoogte van de aansprakelijkstellingen niet meer aan de orde kan komen.
Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof om aanhouding verzocht, omdat hij zich er niet op had voorbereid dat na verwijzing andere argumenten die de Ontvanger had aangedragen voor de stelling dat sprake is van kennelijk onbehoorlijk bestuur nog aan de orde konden komen. Het Hof heeft dat verzoek om aanhouding ter zitting afgewezen en zag geen aanleiding het onderzoek om die reden te heropenen.
Het Hof begon vervolgens aan de inhoudelijke behandeling van de zaak. Naar het oordeel van het Hof stond, gelet op hetgeen is opgenomen in het onherroepelijke strafvonnis van de rechtbank (2.7-2.9), vast dat het niet betalen van de belastingschuld het gevolg is van aan belanghebbende te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur, zodat belanghebbende voor de belastingschuld terecht aansprakelijk is gesteld.
De rechtbank heeft in het strafvonnis geoordeeld dat belanghebbende ook ten tijde van het doen van de aangiftes loonheffingen op de hoogte was van de onjuiste kilometerdeclaraties en dat hij daarin zelfs een actieve rol heeft gespeeld. Op basis van deze (onjuiste) aangiftes is (te weinig) belasting afgedragen. Naar het oordeel van het Hof staat daarmee vast dat de BV willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat te weinig belasting werd afgedragen.
Belanghebbende is strafrechtelijk veroordeeld voor het opzettelijk leiding geven aan het onjuist of onvolledig doen van de aangiftes loonheffingen in de periode van 4 april 2011 tot en met 9 april 201310 (artikel 69 AWR) op basis waarvan is te weinig belasting afgedragen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Ontvanger door te wijzen op dit onherroepelijke strafvonnis en de voor dit vonnis gebezigde onderbouwing feiten of omstandigheden overtuigend aangetoond die de conclusie kunnen dragen dat het aan belanghebbende te wijten is dat de vergrijpboetes zijn belopen.
Op grond van art. 5:44 Awb heeft het Hof ambtshalve getoetst of het una via-beginsel werd geschonden. Het Hof heeft eerst getoetst of de BV en de belanghebbende dezelfde persoon zijn. Het Hof overwoog dat omdat de vergrijpboete haar preventieve en bestraffende karakter niet verliest vanwege het feit dat een bestuurder aansprakelijk wordt gesteld voor die vergrijpboete, wordt, door belanghebbende aansprakelijk te stellen, feitelijk een tweede strafvervolging ingesteld ten aanzien van dezelfde persoon.
De vergrijpboete is opgelegd wegens overtreding van art. 67f AWR en belanghebbende is strafrechtelijk vervolgd vanwege overtreding van (onder meer) art. 69 AWR. Art. 69(2) AWR stelt strafbaar diegene die opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doet, indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. Belanghebbende is veroordeeld voor het opzettelijk leiding geven aan dit delict. Op grond van art. 67f AWR kan de inspecteur een vergrijpboete van maximaal 100% opleggen indien het aan opzet van de inhoudingsplichtige is te wijten dat belasting welke op aangifte moet worden afgedragen niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald. Belanghebbende is thans aansprakelijk gesteld voor een vergrijpboete die is opgelegd voor dit beboetbare feit. Naar het oordeel van het Hof werd hiermee dezelfde gedraging twee maal bestraft. Het Hof vond steun voor dit oordeel in de omstandigheid dat de Ontvanger het verwijt van grove schuld of opzet voor belanghebbende met betrekking tot de vergrijpboete heeft onderbouwd met het strafvonnis waarin belanghebbende is veroordeeld voor overtreding van art. 69 AWR. Op grond hiervan oordeelde het Hof dat het una via-beginsel wordt geschonden door belanghebbende aansprakelijk te stellen voor de vergrijpboete.
Bij brieven van 11 april 2023 heeft de Ontvanger met betrekking tot alle in geschil zijnde naheffingsaanslagen een schriftelijke mededeling gedaan waarin hij zich ondubbelzinnig zijn recht op betaling voorhoudt. Het Hof heeft hieruit geconcludeerd dat de rechtsvorderingen tot betaling van de naheffingsaanslagen niet zijn verjaard, zodat de aansprakelijkstellingen niet op die grond voor vernietiging in aanmerking komen.
3 Het geding in cassatie
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft zijn zienswijze over het incidenteel beroep in cassatie ingediend. Belanghebbende heeft verder een conclusie van repliek ingediend.
Principaal beroep in cassatie
Belanghebbende komt in cassatie met vier middelen.
In het eerste middel stelt belanghebbende dat het Hof de verwijzingsopdracht te eng heeft uitgelegd. Belanghebbende stelt dat het Hof de vragen die de Hoge Raad in de verwijzingsopdracht heeft gesteld had moeten behandelen. De Ontvanger is niet zelfstandig in hoger beroep of cassatie gegaan. Indien de Ontvanger van mening was dat haar stellingen niet zijn besproken dan had het op de weg van de Ontvanger gelegen op zelfstandig beroep in te dienen.
In het tweede middel stelt belanghebbende ten eerste dat hij om aanhouding van de inhoudelijke behandeling heeft verzocht en het Hof dat ten onrechte heeft afgewezen. De verwijzingsopdracht van de Hoge Raad was niet duidelijk zodat het uitstelverzoek had moeten worden toegewezen. Door de afwijzing van het aanhoudingsverzoek heeft belanghebbende geen een eerlijk proces gehad, aldus belanghebbende. Ten tweede stelt belanghebbende dat de belastingschulden zijn verjaard. In repliek stelt belanghebbende echter dat er geen sprake is van verjaring.
In het derde middel stelt belanghebbende dat het Hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door te oordelen dat de Ontvanger in beroep en in hoger beroep haar stellingen niet nadrukkelijk had prijsgegeven. Doordat de Ontvanger niet in (incidenteel) hoger beroep en niet in (incidenteel) beroep in cassatie is gegaan, stelt belanghebbende dat de Ontvanger haar (niet besproken) stellingen heeft prijsgegeven.
In het vierde middel stelt belanghebbende dat het Hof zijn standpunt over het Europeesrechtelijke evenredigheidsbeginsel niet heeft behandeld. Zo heeft het Hof verzuimd te oordelen of belanghebbende voor elk belastingtijdvak als bestuurder te goeder trouw heeft gehandeld en of belanghebbende alles heeft gedaan wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden lag om tijdig te melden. Eveneens heeft het Hof niet geoordeeld dat het besluit van de Ontvanger tot aansprakelijkstelling van een niet-meldende of te laat meldende bestuur per definitie evenredig was.
Verweerschrift in cassatie
Ten aanzien van het eerste middel stelt de Staatssecretaris dat het gerechtshof ’s-Hertogenbosch in eerdere instantie op basis van een deel van de argumenten van de Ontvanger geoordeeld heeft dat sprake is geweest van kennelijk onbehoorlijk bestuur. Voor een deel van de door dat gerechtshof gegeven oordelen heeft de Hoge Raad in het verwijzingsarrest aangegeven dat sprake is van een motiveringsgebrek. Het verwijzingshof kan ook beslissen op basis van de eerder niet behandelde argumenten.
Anders dan belanghebbende acht het Hof de verwijzingsopdracht voldoende duidelijk, zodat het tweede middel volgens de Staatssecretaris niet kan slagen. De stukken van de Ontvanger na verwijzing zijn voldoende duidelijk om daarop tijdig een verweer te kunnen voeren. Het Hof heeft verder de verjaring uitgebreid behandeld en geoordeeld dat de rechtsvorderingen tot betaling niet zijn verjaard.
Ten aanzien van het derde middel stelt de Staatssecretaris dat het Hof een uitgebreide uitleg van het procesrecht heeft gegeven. Indien er niet nadrukkelijk en ondubbelzinnig eerder ingenomen standpunten worden ingetrokken en over die standpunten nog niet is geoordeeld, dan kunnen deze standpunten herleven indien het oordeel op de eerder wel gebruikte gronden als onvoldoende gemotiveerd wordt aangemerkt. Het Hof heeft volgens de Staatssecretaris terecht geoordeeld dat in dit geval aan die voorwaarden is voldaan.
Ten aanzien van het vierde middel stelt de Staatssecretaris dat de opzet en/of grove schuld ter zake van de boete en het niet-melden van de betalingsonmacht niet meer ter discussie stond in de fase waarin de Hoge Raad zijn verwijzingsarrest wees. Volgens de Staatssecretaris staat daarom onherroepelijk vast dat er sprake is van opzet/grove schuld zodat niet rechtsgeldig gemeld kon worden.
Incidenteel beroep in cassatie
Na verwijzing was bij het Hof aan de orde of belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld voor de over het jaar 2013 opgelegde vergrijpboete wegens ‘opzet’ op grond van art. 67f AWR. In de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad werd dit meegenomen omdat het Hof diende te beoordelen of de Ontvanger geslaagd was in de verzwaarde bewijslast ‘overtuigend aantonen’.
Het Hof heeft terecht geconcludeerd dat de Ontvanger geslaagd is in het overtuigend aantonen van de opzet aan de zijde van belanghebbende. Het Hof is in rechtsoverweging 4.14 volgens de Staatssecretaris echter uitgegaan van een onjuiste interpretatie van de vastgestelde feiten. De strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant heeft belanghebbende namelijk veroordeeld voor het opzettelijk leiding geven aan het onjuist of onvolledig doen van de aangiften loonheffingen in de periode van 4 april 2011 tot en met 9 april 2013 (art. 69 AWR), op basis waarvan te weinig belasting is afgedragen over de tijdvakken januari 2011 tot en met december 2012.
Volgens de Staatssecretaris is er geen schending van het una via-beginsel aan de orde omdat belanghebbende in de strafzaak is veroordeeld voor het doen van onjuiste aangiften 2011 en 2012 en de vergrijpboete op het jaar 2013 ziet. Er is mogelijk wel sprake van dezelfde gedragingen maar niet van hetzelfde tijdvak.
Zienswijze belanghebbende
Belanghebbende stelt dat het niet van belang is dat de gedragingen hebben plaatsgevonden in andere tijdvakken. Het gaat immers om de gedragingen en die gedragingen strekken zich ook uit over 2013. Verder heeft er volgens belanghebbende geen afstemming tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie plaatsgevonden.