Parket bij de Hoge Raad, 15-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:711, 24/02918
Parket bij de Hoge Raad, 15-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:711, 24/02918
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 15 juli 2025
- Datum publicatie
- 15 juli 2025
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2025:711
- Zaaknummer
- 24/02918
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Onderzoek Vidar. Medeplegen poging tot en daadwerkelijke uitvoer van verdovende middelen. Falende middelen over i) verwerping van verweer strekkende tot bewijsuitsluiting vanwege ‘uitlokking’ medeverdachte door criminele burgerinfiltrant, ii) ‘begin van uitvoering’ in kader van poging uitvoer verdovende middelen en iii) opzet op uitvoer verdovende middelen. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep. (Samenhang met 24/02694, 24/02748, 24/02749P 24/02802, 24/02842 en 24/02860)
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02918
Zitting 15 juli 2025
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.
1 Inleiding
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2024 door het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden1 wegens onder 1 “medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” en onder 2 “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, met aftrek van het voorarrest. Voorts heeft het hof beslist tot teruggave van een inbeslaggenomen voorwerp.
Deze zaak is één van zeven samenhangende zaken (24/02694, 24/02748, 24/02749P, 24/02802, 24/02842, 24/02860 en 24/02918) waarin ik vandaag concludeer.2 Deze zaken komen allemaal voort uit het onderzoek ‘Vidar’ dat in 2018 is opgestart vanwege een concrete verdenking van internationale drugshandel door een lid van motorclub Red Devils, een supportclub van de Hells Angels. De doelstelling van het onderzoek Vidar was het vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van leden van de Hells Angels, charter North Coast, in [plaats] bij de internationale handel in harddrugs. Gaandeweg dit onderzoek is voor het eerst sinds de totstandkoming van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (die het gevolg was van de IRT-affaire) weer een criminele burgerinfiltrant in een Nederlands opsporingsonderzoek ingezet.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
Deze zaak hangt qua feitencomplex en de voorgestelde middelen nauw samen met de zaak tegen [medeverdachte] (24/02860).
2 Het eerste middel
Het eerste middel klaagt over de verwerping door het hof van het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting in verband met de uitlokking van [medeverdachte] door de criminele burgerinfiltrant [codenaam] en de daarmee samenhangende schending van art. 6 EVRM. Volgens de toelichting heeft de verdachte belang bij deze klacht, omdat hij door [medeverdachte] zou zijn ingeschakeld in het kader van de drugstransporten en daarmee indirect ook is uitgelokt.
Zoals ik heb betoogd in randnummers 2.10 t/m 2.16 van de conclusie in de zaak van [medeverdachte] (24/02860)3 is het oordeel van het hof dat deze medeverdachte niet is uitgelokt door de [codenaam] niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd en voldoet het aan de eisen die het EHRM in het kader van art. 6 EVRM stelt aan de beoordeling van een uitlokkingsverweer. Nu de stelling dat de medeverdachte is uitgelokt in de cassatieschriftuur in de onderhavige zaak is onderbouwd met dezelfde argumenten als in cassatieschriftuur in de zaak van de medeverdachte en deze alle falen, kan in de voorliggende zaak worden volstaan met een verwijzing naar de voornoemde randnummers van de betreffende samenhangende zaak.
Het middel faalt.
3 Het tweede middel
Het tweede middel keert zich tegen het onder 1 bewezenverklaarde. Het klaagt over het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een begin van uitvoering, zoals is vereist bij een bewezenverklaring van poging tot uitvoer van verdovende middelen.
Zoals ik heb betoogd in de randnummers 3.15-3.19 van de conclusie in de zaak van [medeverdachte] (24/02860)4 is het oordeel van het hof dat sprake is van een poging tot uitvoer van verdovende middelen zoals onder 1 bewezenverklaard niet onbegrijpelijk en getuigt dit oordeel evenmin van een onjuiste rechtsopvatting. Nu in de onderhavige zaak de stelling dat het oordeel dat sprake is van een poging tot uitvoer onbegrijpelijk is dan wel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting in de schriftuur is onderbouwd met dezelfde argumenten die in de zaak van de medeverdachte tevergeefs zijn aangevoerd, kan in deze zaak worden volstaan met een verwijzing naar de voornoemde randnummers van de conclusie in de samenhangende zaak.