Home

Parket bij de Hoge Raad, 25-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:822, 24/03166

Parket bij de Hoge Raad, 25-07-2025, ECLI:NL:PHR:2025:822, 24/03166

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25 juli 2025
Datum publicatie
22 augustus 2025
ECLI
ECLI:NL:PHR:2025:822
Zaaknummer
24/03166

Inhoudsindicatie

Artt. 11(5)a en 11(6) Wet OB. Artt. 12(2) en 135(1)j-k Btw-richtlijn. Art. 13ter Btw-uitvoeringsverordening. Vastgoedbesluit 2013 en 2023. Arresten HvJ EU Maierhofer (C-315/00) & Leichenich (C-532/11). Levering van een bouwterrein? Perceel met parkeerterrein in de vorm van klinkerbestrating met drainage en één lantaarnpaal is gesplitst in kavels, gevolgd door leveringen kavels. Zijn alle kavels 'onbebouwde grond'? Te ontlenen vertrouwen aan Vastgoedbesluit 2013? Afzonderlijke of gezamenlijke beoordeling van de kavels?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03166

Datum 25 juli 2025

Belastingkamer A

Onderwerp/tijdvak Omzetbelasting tweede kwartaal 2020

Nr. Gerechtshof 23/516

Nr. Rechtbank 21/4687

CONCLUSIE

C.M. Ettema

In de zaak van

[X] B.V. (belanghebbende)

tegen

Staatssecretaris van Financiën (Staatssecretaris)

1 Inleiding

1.1

Deze zaak gaat over zes kavels die zijn voortgekomen uit de splitsing van een perceel. Deze zes kavels (met nummers 6 tot en met 11) zijn gelegen op het deel van dat voormalige perceel dat grotendeels bedekt is met een parkeerterrein bestaande uit klinkerbestrating. De kavels zijn in ongewijzigde staat geleverd aan particuliere kopers. Op een aantal kavels zijn afwateringsputten gelegen en op een enkel kavel staat ook een lantaarnpaal (‎2.2).

1.2

Het geschil is beperkt tot de vraag of de kavels onbebouwde grond vormen in de zin van art. 11(6) Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Indien dat het geval is, is niet in geschil dat de kavels bouwterreinen zijn in de zin van die bepaling. Dat heeft dan tot gevolg dat de leveringen van die kavels niet onder de vrijstelling van art. 11(1)a(1°) Wet OB vallen. Belanghebbende bepleit dat de op de kavels aanwezige bouwwerken een ‘gebouw’ in de zin van art. 11(5)a Wet OB zijn, waardoor sprake is van bebouwde grond en dus niet van een bouwterrein. De Inspecteur en de Staatssecretaris bepleiten het tegendeel.

1.3

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (het Hof) oordeelt dat de kavels niet bebouwd zijn. Het Hof stelt voorop dat de kavels afzonderlijke onroerende zaken zijn die afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Vervolgens oordeelt het dat de klinkerbestrating geen ‘gebouw’ in de zin van art. 11(5)a Wet OB is. De klinkers zijn namelijk volgens het Hof niet op enigerlei wijze verbonden met de grond, maar liggen in een onderling verband los op het zandbed. Omdat geen sprake is van enige verbinding met de grond, is de klinkerbestrating ook niet aan te merken als een als gebouw aan te merken weg. Het Hof oordeelt voorts dat de afwateringsputten en lantaarnpaal die op een deel van de kavels staan dienstbaar zijn aan de niet als gebouw aan te merken bestrating.

1.4

Wel honoreert het Hof het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel. Het oordeelt dat de op kavel 8 aanwezige lantaarnpaal en afvoerput voldoende zijn om de klinkerbestrating op dat kavel op basis van par. 3.2.1 van het Vastgoedbesluit 20231 aan te merken als gebouw.

1.5

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Zij stelt één middel voor, dat uiteenvalt in vier klachten.

1.6

De eerste klacht houdt ten eerste in dat het Hof het arrest Maierhofer2 van het Hof van Justitie heeft miskend door de verbondenheid van de klinkerbestrating met de grond niet te toetsen aan de maatstaf ‘gemakkelijk te demonteren of verplaatsen’. De eerste klacht houdt ten tweede in dat het Hof ten onrechte is voorbijgegaan aan de wetsgeschiedenis, waaruit volgens belanghebbende blijkt dat met klinkerbestrating vergelijkbare constructies zoals straten, wegen en pleinen als ‘gebouw’ in de zin van de Wet OB moeten worden aangemerkt. De tweede klacht houdt in dat in het ten onrechte niet door het Hof toegepaste Vastgoedbesluit 20133 straten, wegen, pleinen, atletiekbanen en kunstgrasvelden als ‘gebouw’ zijn aangemerkt. Volgens belanghebbende is de onderhavige klinkerbestrating met die voorbeelden vergelijkbaar en mocht zij erop vertrouwen dat deze bestrating ook een gebouw vormt. De derde klacht houdt in dat het Hof ten onrechte bij toepassing van het beleid (ook bij toepassing van het Vastgoedbesluit 2023) niet het totale terrein waarvan de kavels deel uitmaken als geheel in aanmerking neemt. Volgens de vierde klacht is de uitspraak van het Hof ontoereikend gemotiveerd, nu het bij de toetsing of sprake is van een bouwwerk alleen heeft getoetst aan het criterium ‘vast met de grond verbonden’ en het Vastgoedbesluit 2023.

1.7

Ik kom tot de conclusie dat alle klachten falen. Inzake de eerste klacht kom ik tot de conclusie dat het Hof weliswaar niet expliciet de Maierhofer-maatstaf heeft toegepast, maar in zijn oordeel dat de klinkers in het geheel niet verbonden zijn met de grond omdat zij los op een zandbed liggen, besloten ligt dat deze gemakkelijk te demonteren of verplaatsen zijn. Het oordeel doet in ieder geval voldoende recht aan (de strekking van) deze maatstaf. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ook gaat de eerste klacht uit van een verkeerd begrip van de wetsgeschiedenis. De voorbeelden in de wetsgeschiedenis geven aan wat een ‘bouwwerk’ kan zijn, niet wat een (vast met de grond verbonden) ‘gebouw’ is.

1.8

De tweede klacht faalt eveneens. De betreffende passage uit het Vastgoedbesluit 2013 vormt wetsinterpreterend beleid dat voor meerderlei uitleg vatbaar is. Een uitleg in overeenstemming met de wet – die de voorkeur verdient – leidt ertoe dat de in het Vastgoedbesluit 2013 genoemde voorbeelden slechts als ‘gebouw’ kunnen worden aangemerkt voor zover zij vast met de grond zijn verbonden. Aangezien dat niet het geval is, kon belanghebbende aan het Vastgoedbesluit 2013 niet het vertrouwen ontlenen dat het onderhavige parkeerterrein met klinkerbestrating zonder meer als ‘gebouw’ zou worden aangemerkt.

1.9

De derde klacht faalt omdat de kavels juridisch te onderscheiden zijn en afzonderlijk kunnen worden gebruikt. Het Hof heeft daarom terecht geoordeeld dat er geen reden is de kavels niet afzonderlijk te beoordelen.

1.10

De vierde klacht faalt zover deze aanvoert dat de uitspraak van het Hof ontoereikend is gemotiveerd omdat het bij de toetsing of sprake is van een bouwwerk alleen heeft getoetst aan het criterium ‘vast met de grond verbonden’. Het heeft het oordeel dat de klinkers in het geheel niet verbonden zijn met de grond voldoende onderbouwd met de omstandigheid dat de klinkers los op een zandbed liggen. Voor zover deze klacht opkomt tegen het oordeel dat het Hof onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het beroep van belanghebbende op het Vastgoedbesluit 2013 wordt deze wel terecht voorgesteld. Tot cassatie kan dat echter niet leiden. Immers, het door belanghebbende gestelde vertrouwen wordt niet door het Vastgoedbesluit 2013 opgewekt (zie de beoordeling van de tweede klacht).

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Belanghebbende heeft in 2018 een perceel gekocht van de gemeente [Q]. Op het perceel bevonden zich twee boerderijen, een schuur, een parkeerterrein en stroken met gras of bestrating. Het parkeerterrein was voorzien van klinkerbestrating, een lantaarnpaal, stoepranden en afwateringsputten die waren aangesloten op riolering. De boerderijen, de schuur en het parkeerterrein waren ten tijde van de verkrijging door belanghebbende langer dan twee jaar geleden in gebruik genomen.

2.2

Belanghebbende heeft voor het perceel een ontwikkelingsplan gemaakt. Volgens dit plan worden onder meer zes geschakelde woningen gerealiseerd die grotendeels op het (voormalige) parkeerterrein zijn gesitueerd. Het perceel is om die reden kadastraal gesplitst. De kavels voor de zes geschakelde woningen zijn door belanghebbende genummerd als kavels 6 tot en met 11 (de kavels). Op al deze kavels lag in meer of mindere mate klinkerbestrating. De overige kenmerken van de kavels zijn, voor zover hier relevant:

Kavelnummer

Grootte (m2)

Afwateringsput

Lantaarnpaal

6

237

0

0

7

161

0

0

8

157

1

1

9

153

2

0

10

149

0

0

11

266

2

0

2.3

Belanghebbende heeft vooroverleg gevoerd met de Inspecteur over de gevolgen voor de heffing van omzet- en overdrachtsbelasting van de herontwikkeling. De Inspecteur heeft in een brief van 24 juni 2019 het standpunt ingenomen dat de kavels 'onbebouwde grond' zijn die kennelijk is bestemd om te worden bebouwd. Deze kavels zijn daarmee bouwterreinen in de zin van art. 11(6) Wet OB. De levering van die percelen door belanghebbende aan de afnemers is om die reden belast met omzetbelasting, aldus de Inspecteur.

2.4

Belanghebbende heeft in april 2020 de kavels in ongewijzigde staat geleverd aan particuliere kopers. Wel hebben er rondom de kavels werkzaamheden plaatsgevonden voor de realisatie van een nieuwe riolering. De particuliere kopers hebben voor eigen rekening en risico een aannemingsovereenkomst gesloten met een niet aan belanghebbende gelieerde aannemer. De aannemer heeft sloopwerkzaamheden uitgevoerd en woningen gerealiseerd.

2.5

De totale koopsom bedroeg € 1.420.000. De daarin opgenomen omzetbelasting bedroeg € 246.446. De aan de levering van de percelen toerekenbare voorbelasting bedroeg € 96.191.

2.6

Belanghebbende heeft ter zake van voornoemde leveringen overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur aangifte gedaan, het op aangifte verschuldigde bedrag voldaan en vervolgens tegen die voldoening bezwaar gemaakt en tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. Belanghebbende heeft voor de overdrachtsbelasting een beroep gedaan op de vrijstelling als bedoeld in art. 15(1)a Wet op de belastingen van rechtsverkeer (Wet BRV).

Rechtbank Gelderland 4

2.7

De rechtbank Gelderland (de Rechtbank) stelt voorop dat volgens de wetgever het begrip bouwwerk ruim dient te worden uitgelegd5 en dat het bewerken van een terrein met natuurlijke materialen er niet toe leidt dat een bouwwerk ontstaat6. Naar het oordeel van de Rechtbank zijn de kavels volledig aan te merken als bebouwde grond, omdat het een met klinkers bestraat parkeerterrein met stoepranden, afwateringspunten en lantaarnpalen betreft. De klinkerbestrating is een constructie van niet-natuurlijke materialen die vast met de grond is verbonden, zodat het gaat om een bouwwerk. De Rechtbank gaat niet mee in de stelling van de Inspecteur – onder verwijzing naar onder meer het arrest Maierhofer7 – dat de klinkerbestrating eenvoudig te demonteren en te verplaatsen is en daarom niet een bouwwerk is. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat voor de aanleg van het parkeerterrein de ondergrond is bewerkt, verstevigd en geëgaliseerd, de klinkers in het juiste verband zijn geplaatst en zijn voorzien van opsluitbanden. Ook is rekening gehouden met de afwatering van regenwater door afwateringspunten aan te leggen en die aan te sluiten op het rioleringsstelsel. Naar het oordeel van de Rechtbank is een dergelijk parkeerterrein niet zonder inspanningen en zonder aanzienlijke kosten te verwijderen. Het enkele kunnen hergebruiken van onbeschadigde klinkers doet niet daaraan af; eerder is van belang of het object als zodanig na demontage op een andere plaats kan worden hergebruikt. Dat is bij het parkeerterrein niet het geval.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8

2.8

Het gerechtshof-Arnhem-Leeuwarden (het Hof) stelt voorop dat de kavels als afzonderlijke onroerende zaken moeten worden aangemerkt, waarvoor afzonderlijk moet worden bepaald welke gevolgen aan de levering daarvan voor de heffing van omzetbelasting moeten worden verbonden.9 Het Hof ziet geen aanleiding om in het voorliggende geval van dit uitgangspunt af te wijken, zoals belanghebbende heeft bepleit. De individuele kavels zijn immers aan afzonderlijke kopers verkocht. Tussen partijen is niet in geschil dat indien de kavels als onbebouwde grond kunnen worden beschouwd, zij elk een bouwterrein zijn in de zin van art. 11(6) Wet OB.

2.9

Het Hof is van oordeel dat klinkerbestrating die is gelegd op een zandbed op zichzelf niet een ’gebouw’ is in de zin van art. 11(5)a Wet OB. De klinkers zijn immers niet op enigerlei wijze verbonden met de grond, maar liggen in een onderling verband los op het zandbed. Daaraan doet niet af dat de klinkers zijn opgesloten aan de zijkant door opsluitbanden om te voorkomen dat de klinkers los komen te liggen. Deze opsluitbanden zijn zelf ook niet met de grond verbonden. Evenmin doet daaraan af dat de klinkers gedeeltelijk op afschot zijn gelegd om hemelwater af te voeren naar afwateringsputten, zoals belanghebbende betoogt. Daardoor ontstaat immers evenmin een constructie die met de grond is verbonden. Nu geen sprake is van enige verbinding met de grond, kan bij klinkerbestrating in voornoemde zin evenmin worden gesproken van een als gebouw aan te merken weg.

2.10

Met dat uitgangspunt oordeelt het Hof dat kavels 6, 7 en 10 als onbebouwde grond moeten worden aangemerkt. Kavels 9 en 11 beschikken weliswaar over met de grond verbonden afwateringsputten, maar deze zijn dienstbaar aan de niet als gebouw aan te merken klinkerbestrating, en in omvang dusdanig gering dat zij als verwaarloosbaar moeten worden aangemerkt.10 Daarom kunnen deze kavels niet als bebouwde grond worden aangemerkt. Voor kavel 8 geldt hetzelfde voor de afwateringsput en de lantaarnpaal die op dat kavel aanwezig zijn.

2.11

Het subsidiaire beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt slechts met betrekking tot kavel 8. Belanghebbende heeft zich beroepen op beleid van de staatssecretaris van Financiën. Het Hof legt dit uit als een beroep op het Besluit onroerende zaken omzetbelasting 2023 (geldend sinds 1 januari 2024, hierna: Vastgoedbesluit 2023)11. In par. 3.2.1 van het Vastgoedbesluit 2023 staat onder meer dat “[k]linkerbestrating die onderdeel uitmaakt van een geheel waarbij bijvoorbeeld de toplaag is afgegraven en dat verder bestaat uit drainage en terreinverlichting, kwalificeert als een gebouw”.

2.12

Vaststaat dat op kavel 8 de toplaag is afgegraven, dat daarop klinkerbestrating is aangelegd tussen stoepranden en dat er terreinverlichting aanwezig is. Verder zijn ten dienste van deze bestrating onder de grond afvoerbuizen in de vorm van riolering aangelegd en is een afwateringsput daarop aangesloten, hetgeen volgens het Hof naar objectieve beschouwing kan worden aangemerkt als een vorm van drainage als bedoeld in het Vastgoedbesluit 2023, aangezien sprake is van specifieke voorzieningen voor het afvoeren van (regen)water. Voorts is het Hof van oordeel dat de onderhavige klinkerbestrating onderdeel is van een geheel als bedoeld in het Vastgoedbesluit 2023. De klinkerbestrating ligt namelijk op een toplaag die is afgegraven en vormt een samenhangend geheel met de aanwezige drainage en terreinverlichting. Gelet daarop kan belanghebbende aan het Vastgoedbesluit 2023 het vertrouwen ontlenen dat de klinkerbestrating op kavel 8 is aan te merken als een gebouw. Daardoor is deze kavel aan te merken als bebouwde grond in de zin van art. 11(5) Wet OB. De levering van kavel 8 is daarom vrijgesteld van de heffing van omzetbelasting.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Beroepschrift in cassatie

3.2

Het beroepschrift in cassatie bevat één middel dat uiteenvalt in vier klachten. Volgens de eerste klacht heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de klinkerbestrating geen gebouw vormt omdat deze niet vast met de grond is verbonden. Dat is volgens belanghebbende een niet-hanteerbaar criterium, omdat nagenoeg alles van de grond kan worden losgemaakt. Volgens belanghebbende dient te worden uitgegaan van het criterium ‘niet gemakkelijk te demonteren of te verplaatsen’, maar daaraan heeft het Hof niet getoetst. Bovendien moeten straten, wegen en pleinen volgens de wetgever als gebouwen worden aangemerkt; volgens belanghebbende zijn parkeerplaatsen op één lijn daarmee te stellen, zeker als atletiekbanen en kunstgrasvelden dat ook zijn.

3.3

De tweede klacht richt zich tegen de toepassing van het Hof van het Vastgoedbesluit 2023. Belanghebbende heeft een beroep gedaan op het Besluit levering en verhuur van onroerende zaken uit 201312 (Vastgoedbesluit 2013), niet het door het Hof toegepaste Vastgoedbesluit 2023. Het Hof heeft ten onrechte alleen aan dat laatste Vastgoedbesluit getoetst. De klacht heeft de strekking dat in het Vastgoedbesluit 2013 straten, wegen, pleinen, atletiekbanen en kunstgrasvelden als ‘gebouw’ zijn aangemerkt. Volgens belanghebbende is de onderhavige klinkerbestrating met die voorbeelden vergelijkbaar en mocht zij erop vertrouwen dat deze bestrating ook een gebouw vormt. In haar lezing is in het Vastgoedbesluit 2023 dat standpunt gecontinueerd, zij het dat aanvullende voorwaarden zijn gesteld. Dientengevolge is de toetsing van het Hof aan het Vastgoedbesluit 2023 voor belanghebbende nadelig, terwijl zij stelt dat onder het Vastgoedbesluit 2013 de klinkerbestrating wel als gebouw moet worden aangemerkt.

3.4

Volgens de derde klacht neemt het Hof ten onrechte niet het totale terrein waarvan de kavels deel uitmaken in aanmerking. Voor dat geheel is – ook uitgaande van het Vastgoedbesluit 2023 – immers sprake van een samenhangend geheel met drainage en verlichting in een uitgegraven toplaag. Indien op het terrein waarvan de kavels deel uitmaakten een ook in het spraakgebruik als gebouw in aanmerking te nemen bouwwerk stond, zou elke kavel als bebouwd worden aangemerkt. Ook als per kavel bezien het op de desbetreffende kavel aanwezige deel van dat gebouw als zodanig niet de functie van gebouw zou kunnen vervullen.

3.5

De vierde klacht is een motiveringsklacht. Volgens deze klacht is de uitspraak van het Hof ontoereikend gemotiveerd, nu het bij de toetsing of sprake is van een bouwwerk alleen heeft getoetst aan het criterium ‘vast met de grond verbonden’ en het Vastgoedbesluit 2023.

Verweerschrift in cassatie

3.6

De Staatssecretaris verweert aangaande de eerste en de vierde klacht dat zowel de Uniewetgever als de nationale wetgever voor de vraag of sprake is van een gebouw essentieel achten of sprake is van een bouwwerk dat met de grond is verbonden.13 Het Hof is daarmee niet van een onjuist rechtskader uitgegaan.

3.7

Over de tweede klacht merkt de Staatssecretaris op dat ook in het Vastgoedbesluit 2013 de impliciete voorvraag is of de constructie vast verbonden is met de grond. Dat besluit stelt dus niet minder voorwaarden dan het Vastgoedbesluit 2023. De Staatssecretaris wijst verder op de definitie ‘onroerend goed’ in art. 13ter(b) Btw-uitvoeringsverordening14. Daarin wordt in plaats van het begrip ‘bouwwerk’ van art. 12(2) Btw-richtlijn15 de term ‘gebouw’ zelfs gebruikt naast ‘constructie’. Ook daar wordt daarnaast geëist dat het ‘gebouw’ vast met de grond is verbonden. Tot slot wijst de Staatssecretaris in dit verband erop dat een uitleg die volgt uit de parlementaire behandeling niet in de weg staat aan een richtlijnconforme interpretatie. De rechter moet ervan uitgaan dat de nationale wetgever de bedoeling had zijn implementatieverplichting volledig na te komen. Dat dit daadwerkelijk de bedoeling van de wetgever was, staat ook buiten kijf, aldus de Staatssecretaris. In de Wet OB is de in de Btw-richtlijn gegeven definitie van het begrip ‘gebouw’ integraal overgenomen en de wetgever gaf ook expliciet aan dat hij die definitie heeft overgenomen16. Redelijkerwijs kan er geen twijfel over bestaan dat het niet de bedoeling van de wet- en de besluitgever is geweest om af te wijken van de eis dat het bouwwerk vast met de grond moet zijn verbonden. Dat de wetgever straten, wegen en pleinen noemt als bouwwerken betekent dan ook niet meer dan dat dit bouwwerken zijn die vast verbonden kunnen zijn en daarom kwalificeren als gebouw in de zin van art. 11(5)a Wet OB. De toets of een bouwwerk vast met de grond is verbonden moet dus ook bij die bouwwerken steeds onverkort plaatsvinden.

3.8

Betreffende de derde klacht verweert de Staatssecretaris dat de per kavel-benadering van het Hof in lijn is met het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 201817. In april 2020 zijn de diverse kavels geleverd, waarmee de eenheid van het parkeerterrein verloren is gegaan. Per kavel moet dan ook worden beoordeeld of hetgeen is geleverd bestaat uit een gebouw op grond van het 'klinkerbestratingstandpunt' in het Vastgoedbesluit 2023. Per kavel bezien is dit enkel het geval voor kavel 8. Daarnaast is bij een beoordeling per kavel geen sprake van een bouwwerk dat naar maatschappelijke opvattingen nog een functie als gebouw kan vervullen zodat ook in zoverre geen sprake meer is van een bebouwde kavel. Bovendien geldt voor kavel 6 (dat voor 10% met bestrating is bedekt) dat de bestrating verwaarloosbaar is ten opzichte van de rest van dat kavel.

Afbakening geschil

3.9

Voordat ik vervolg met de inhoudelijke behandeling van de zaak, merk ik op dat het geschil sterk is afgebakend. Uit de bestreden uitspraak volgt dat enkel in geschil is of de kavels bouwterreinen zijn (punt 3.1) en binnen dat vraagstuk niet in geschil is dat indien de kavels als onbebouwde grond moeten worden aangemerkt, zij een bouwterrein zijn (punt 4.5). De voorliggende rechtsvragen zien dus alleen op de vraag of sprake is van onbebouwde grond. Aan eventuele voor- en andere vragen (wordt gehandeld als ondernemer, is de grond bestemd voor bebouwing) besteed ik om die reden geen aandacht.18 Ook is kennelijk niet in geschil dat de op het terrein gelegen afvoerputten als drainage in de zin van par. 3.2.1 van het Vastgoedbesluit 2023 kunnen worden beschouwd (‎2.12).

3.10

Ik heb de conclusie opgesplitst in twee delen. In het eerste deel behandel ik – aan de hand van nationale en Uniejurisprudentie – de vraag of rechtens sprake is van onbebouwde grond. Deze vraag komt voort uit de eerste en de vierde klacht. In het tweede deel ga ik in op de tweede en de derde klacht van belanghebbende, inzake het beleid vervat in de Vastgoedbesluiten.

4 Is sprake van onbebouwde grond?

5 Beroep van belanghebbende op het Vastgoedbesluit 2013

6 Bespreking van het middel

7 Conclusie