Home

Parket bij de Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:PHR:2026:123, 25/02670

Parket bij de Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:PHR:2026:123, 25/02670

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30 januari 2026
Datum publicatie
13 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:123
Zaaknummer
25/02670

Inhoudsindicatie

Inkomen uit aanmerkelijk belang, economisch belang, verlengde navorderingstermijn

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02670

Datum 30 januari 2026

Belastingkamer A

Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverz. 2008 en 2010

Nr. Gerechtshof 23/2201;23/2202

Nr. Rechtbank 22/1576;22/1577

CONCLUSIE

R.J. Koopman

In de zaak van

[X]

tegen

staatssecretaris van Financiën

1 Inleiding

1.1

Na het bekend worden van de zogenoemde Panama-papers is belanghebbende betrokken geraakt in een strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek richtte zich op financieel adviseurs en hun klanten die ervan werden verdacht juridische constructies te hebben opgezet om via buitenlandse rechtspersonen dividenden ‘om te katten’ naar leningen en/of giften bestemd voor natuurlijke personen (‎2.12).

1.2

Belanghebbende was tot begin januari 2007 directeur en enig aandeelhouder van [A] BV. Toen heeft hij de aandelen in deze vennootschap verkocht aan een buitenlandse rechtspersoon.

1.3

In 2008 heeft [A] BV twee maal € 175.000 dividend uitgekeerd. Binnen een maand na deze uitkeringen heeft belanghebbende in Luxemburg € 160.000 en € 174.000 in contanten opgenomen van bankrekeningen ten name van buitenlandse lichamen.

1.4

In 2010 heeft [A] BV € 450.000 aan dividend uitgekeerd en drie weken laten werd € 449.000 overgemaakt op de privérekening van belanghebbende door een buitenlands lichaam, met als omschrijving “Transfer [...] ”.

1.5

De Inspecteur heeft deze in 2008 en 2010 aan belanghebbende toegekomen bedragen aangemerkt als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang (ab). De Rechtbank (‎2.14-‎2.16) en het Hof (‎2.17-‎2.21) hebben de Inspecteur hierin gevolgd.

1.6

Het cassatieberoep van belanghebbende doet de vraag rijzen of en, zo ja onder welke omstandigheden, iemand die niet formeel juridisch aandeelhouder is van een vennootschap, toch kan gelden als aandeelhouder in de zin van art. 4.6(a) Wet IB 2001. Over die vraag gaat onderdeel ‎4 van deze conclusie.

1.7

Ik betoog dat een direct ab wordt gehouden door degene die het volledige economische belang bij de onderliggende aandelen houdt (‎4.12). Daardoor komt betekenis te ontvallen aan kwalificaties als stroman, bewaarder en tussenpersoon. Ik meen dat het dus ook geen zin heeft om een onderscheid te maken tussen een ‘stroman-benadering’ en een ‘economisch belang-benadering’. Dat onderscheid zorgt voor een onnodige tussenstap in de redenering (‎4.13). Verder meen ik dat de Hoge Raad kennelijk afstand heeft genomen van zijn arresten van 17 maart 19991 en 30 juni 19992, waarin belang werd toegekend aan de juridische zeggenschap (‎4.14).

1.8

In onderdeel ‎5 van deze conclusie worden de middelen van cassatie behandeld. Middel I heeft naar mijn oordeel geen zelfstandige betekenis naast middel II (‎5.7). Middel II berust onder meer op de stelling dat het Hof heeft verzuimd iets te zeggen over de juridische zeggenschap bij de aandelen die tot het ab van belanghebbende worden gerekend. Die stelling faalt naar mijn oordeel. Die juridische zeggenschap doet er niet toe (‎5.11-‎5.12).

1.9

Ook de klacht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende nog immer feitelijk economisch gerechtigd is tot de aandelen [A] BV faalt naar mijn oordeel. Ik ben het met belanghebbende eens dat een uiteindelijk belanghebbende (UBO) van een rechtspersoon niet per definitie ook kan worden aangemerkt als houder van een ab in die rechtspersoon. Een UBO heeft namelijk niet per definitie het volledige economische belang bij een aandelenpakket (‎5.16). Maar het Hof heeft ook andere omstandigheden aan zijn oordeel ten grondslag gelegd en het UBO-schap kan wel meewegen bij de beoordeling van de economische gerechtigdheid tot aandelen (‎5.18).

1.10

Ik concludeer daarom tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Aan belanghebbende zijn over de jaren 2008 en 2010 navorderingsaanslagen opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV). Deze navorderingsaanslagen zijn beide gedagtekend op 28 november 2020.

2.2

De navorderingsaanslag over 2008 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1) van € 54.295 en een belastbaar inkomen uit ab (box 2) van € 350.000.

2.3

De navorderingsaanslag over 2010 is opgelegd naar een box 2-inkomen van € 450.000.

2.4

Ten aanzien van beide navorderingsaanslagen is vanaf aanvang van deze procedure in geschil of terecht is geheven over inkomen in box 2.

2.5

Het box 2-inkomen dat in de navorderingsaanslag over 2008 is betrokken, is terug te voeren tot twee contante opnamen door belanghebbende bij een bank in Luxemburg. Op 30 oktober 2008 heeft belanghebbende in Luxemburg € 160.000 opgenomen van een rekening ten name van [B] Inc. en op 4 december 2008 heeft belanghebbende in Luxemburg € 174.000 opgenomen van een rekening ten name van [C] . [B] Inc. is op 14 januari 2008 opgericht naar het recht van de Seychellen en is gevestigd in de Verenigde Arabische Emiraten.

2.6

Het box 2-inkomen dat in de navorderingsaanslag over 2010 is betrokken heeft betrekking op de overschrijving van een bedrag van € 449.000 door [E] Ltd. naar de bankrekening van belanghebbende. Die overschrijving vond plaats op 8 december 2010 met als omschrijving “Transfer [...] ”.

2.7

De contante opnamen in 2008 en de overschrijving in 2010 zijn gedaan betrekkelijk korte tijd na ongeveer even grote dividenduitkeringen door [A] BV, een vennootschap waarvan belanghebbende tot de ontbinding in 2019 de enige bestuurder was. Tot 25 januari 2007 was belanghebbende ook enig aandeelhouder van [A] BV. Van 25 januari 2007 tot 3 augustus 2015 was [D] Ltd. enig aandeelhouder van [A] BV. Op laatstgenoemde datum werd [B] Inc. enig aandeelhouder van [A] BV.

2.8

Het verband tussen die dividenduitkeringen enerzijds en de opnames in 2008 en de overschrijving in 2010 anderzijds is in overweging 2.10 van de uitspraak van het Hof als volgt verbeeld:

Datum

Bedrag

Van

Naar

Omschrijving

14 okt. 2008

€ 175.000

[A] BV

[D] Ltd.

‘Dividend’

23 okt. 2008

€ 174.000

[D] Ltd.

[B] Inc

‘Interim dividend’

30 okt. 2008

€ 160.000

[B] Inc.

Contante opname

5 nov. 2008

€ 175.000

[A] BV

[D] Ltd

‘Interim dividend’

14 nov. 2008

€ 173.815

[D] Ltd

[B] Inc

‘Interim dividend’

25 nov. 2008

€ 174.000

[B] Inc

[C]

4 dec. 2008

€ 174.000

[C]

Contante opname

18 nov. 2010

€ 450.000

[A] BV

[D] Ltd.

‘Dividend’

3 dec. 2010

€ 449.000

[D] Ltd.

[F] Ltd.

8 dec. 2010

€ 449.000

[E] Ltd.

Belanghebbende

‘Transfer [...] ’

2.9

Per 9 december 2009 is [F] Ltd. juridisch aandeelhouder van [B] Inc. Per 19 januari 2010 is [F] Ltd. formeel aandeelhouder van [D] Ltd. De aandelen in [F] Ltd. worden gehouden door [E] Ltd. Belanghebbende is voor 2,5% aandeelhouder van [E] Ltd.

2.10

In een aantal bedrijfsdocumenten is belanghebbende aangeduid als (Ultimate) Benificial Owner (uiteindelijk belanghebbende) van [D] Ltd.3 en [B] Inc.4

2.11

Op 27 mei 2019 is belanghebbende tweemaal verhoord door de FIOD. Van deze verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt waaruit het Hof heeft geciteerd in de overwegingen 2.16 en 2.17 van zijn uitspraak.

2.12

De rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 25 januari 20245 de voormalige financieel adviseurs van belanghebbende – overeenkomstig het door het Openbaar Ministerie (OM) en de verdediging opgestelde afdoeningsvoorstel – veroordeeld voor het meermalen medeplegen van inkomstenbelastingfraude in de periode 2009 tot en met 2017. In dit vonnis staat onder meer het volgende:

“5.1 Inleiding

Onderhavige strafzaak maakt deel uit van het grootschalige Olympic-project dat is gestart na het bekend worden van de zogenaamde Panama-papers en uit verkregen restinformatie uit onderzoeken bij banken in Luxemburg. De restinformatie heeft betrekking op transactiegegevens van de rechtspersonen [C] en de ‘ [G] groep’. Op de Luxemburgse bankrekeningen van [C] kwamen transacties binnen met de omschrijving ‘interim dividend’, waarna korte tijd later vergelijkbare transacties uitgingen naar natuurlijke personen met de omschrijving ‘gift’ of ‘lening’. Tevens wordt in de restinformatie een document aangetroffen getiteld ‘Ways to get around the taxman’ waarin constructies worden omschreven die overeenkomsten vertonen met de mogelijke constructies die naar voren komen uit de analyse van de transactiegegevens van de bankrekeningen van [C] .

Door de FIOD is vervolgens verder gerechercheerd naar Nederlandse personen die betrokkenheid zouden hebben bij deze dividendconstructies die als doel hadden het ‘omkatten’ van dividendgelden naar leningen en/of giften bestemd voor natuurlijke personen. In tegenstelling tot dividend, is het ontvangen van een gift vanuit het buitenland in Nederland voor de schenkbelasting onbelast en valt buiten het toepassingsbereik van de inkomstenbelasting. Deze structuren worden aangeduid met de naam ‘ [naam 1] ’ (verder: [naam 1] ) met [bedrijf] Ltd. als topholding en met de naam ‘ [naam 2] ’. Met deze structuren wordt getracht van deze regeling te profiteren. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn de bedenkers en vormgevers van de [naam 1] -structuur en hen wordt verweten dat zij samen met anderen belastingfraude hebben gepleegd door te adviseren over en het aanbieden van deze fiscale structuur met het doel en resultaat dat dividend van een Nederlandse vennootschap via deze constructie vrijwel volledig weer aan de ondernemer wordt uitgekeerd, zonder dat deze uitkering in de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting van de belastingplichtige is vermeld.”

2.13

Het OM heeft ten laste van belanghebbende op 10 april 2024 een strafbeschikking uitgevaardigd waarin staat dat het OM meent dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat belanghebbende zich in de periode van 30 maart 2010 tot en met 25 september 2014 schuldig heeft gemaakt aan opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting, en waarin het OM aan belanghebbende een taakstraf oplegt van 155 uren en een geldboete van € 5.000. Belanghebbende heeft deze strafbeschikking getekend.

Rechtbank Gelderland 6

2.14

Na tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt tegen de navorderingsaanslagen, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Bij de Rechtbank was, voor zover in cassatie nog van belang, in geschil of de verlengde navorderingstermijn van art. 16(4) AWR van toepassing is en of belanghebbende inkomsten uit ab heeft genoten.

2.15

De Rechtbank heeft – kort samengevat7 – geoordeeld dat belanghebbende de enige gerechtigde is tot de voordelen uit [D] , dat belanghebbende daarom op grond van art. 4.3 Wet IB 2001 moet worden gelijkgesteld met een (enig) aandeelhouder van deze vennootschap, en dat om die reden de door [D] uitbetaalde bedragen als box 2-inkomen bij belanghebbende in aanmerking moeten worden genomen. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat verlengde navorderingstermijn kan worden toegepast en dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet zijn geschonden.

2.16

De Rechtbank heeft vervolgens het beroep gegrond verklaard en de navorderingsaanslagen verminderd tot aanslagen naar box 2-inkomens van € 347.815 (2008)8 en € 449.000 (2010).

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9

2.17

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof. Daarbij heeft hij als grieven aangevoerd dat de verlengde navorderingstermijn niet geldt voor het jaar 2010 en dat belanghebbende in 2008 en 2010 geen box 2-inkomen heeft genoten.

2.18

De Inspecteur heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Daarbij heeft hij aangevoerd dat niet – zoals de Rechtbank heeft geoordeeld – de door belanghebbende ontvangen bedragen van € 347.815 (2008) en € 449.000 (2010)10 als box 2-inkomen in aanmerking moeten worden genomen, maar de bruto dividenden van € 350.000 (2008) en € 450.000 (2010).

2.19

Het Hof heeft zich eerst gebogen over de toepassing van de verlengde navorderingstermijn voor 2010. Het Hof heeft de daarop betrekking hebbende grief van belanghebbende verworpen. Volgens het Hof is de oorsprong van de storting buiten het zicht van de Nederlandse fiscus gehouden door de uit Nederland stammende dividenduitkering uit te betalen op opeenvolgende buitenlandse bankrekeningen waarna deze op de Nederlandse privébankrekening van belanghebbende wordt gestort onder vermelding van gift. Dit is volgens het Hof bij uitstek een geval waarop de verlengde navorderingstermijn van art. 16(4) AWR toepassing vindt.11

2.20

Ten aanzien van het box 2-inkomen heeft het Hof de grief van belanghebbende verworpen en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gehonoreerd. Het Hof heeft daartoe overwogen dat het aannemelijk acht dat belanghebbende in 2008 en 2010 nog immer feitelijk economisch gerechtigd was tot de aandelen in [A] BV. De buitenlandse rechtspersonen zijn volgens het Hof in feite niet meer dan als tussenpersonen van belanghebbende te beschouwen. Daarvan uitgaande heeft de Inspecteur terecht geconcludeerd dat belanghebbende in die jaren nog steeds een ab in de zin van art. 4.6 Wet IB 2001 had in [A] BV en dat de (bruto) dividenduitkeringen van [A] BV, die via de buitenlandse tussenpersonen – zogenaamd als gift – zijn toegekomen aan belanghebbende, terecht als inkomen uit ab bij belanghebbende in aanmerking zijn genomen, aldus het Hof.

2.21

Op onder meer deze gronden heeft het Hof – voor zover nog van belang – het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard, het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaard, de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten. De Staatssecretaris heeft laten weten niet te zullen reageren op die schriftelijke toelichting.

3.2

Belanghebbende stelt twee middelen tot cassatie voor. Middel I klaagt over de toepassing van de verlengde navorderingstermijn. Middel II is gericht tegen het oordeel van het Hof dat belanghebbende box 2-inkomen heeft genoten.

3.3

De Staatssecretaris heeft bij verweer beide middelen bestreden. Hij concludeert tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

3.4

De namens belanghebbende is een schriftelijke toelichting ingediend die betrekking heeft op het verweer tegen middel II.

4 Beschouwing; de informele aandeelhouder

5 Beoordeling van de middelen

6 Conclusie