Home

Parket bij de Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:PHR:2026:124, 25/02676

Parket bij de Hoge Raad, 30-01-2026, ECLI:NL:PHR:2026:124, 25/02676

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30 januari 2026
Datum publicatie
13 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:124
Zaaknummer
25/02676

Inhoudsindicatie

Inkomen uit aanmerkelijk belang, economisch belang, genietingstijdstip, verlengde navorderingstermijn, nieuw feit

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 25/02676

Datum 30 januari 2026

Belastingkamer A

Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverz. 2011

Nr. Gerechtshof 25/145

Nr. Rechtbank 23/3469

CONCLUSIE

R.J. Koopman

In de zaak van

[X]

tegen

staatssecretaris van Financiën

1 Inleiding

1.1

Deze conclusie hangt samen met de conclusie die ik vandaag neem in de zaak met nummer 25/02670. Die zaak gaat over dezelfde belanghebbende. Alleen betreft die zaak de belastingjaren 2008 en 2010, terwijl de zaak waarover deze conclusie gaat het belastingjaar 2011 betreft.

1.2

De feiten in beide zaken zijn grotendeels hetzelfde. Ook in deze zaak verwijt de Inspecteur belanghebbende – kort gezegd – dat hij via buitenlandse rechtspersonen dividenden van de Nederlandse vennootschap [A] BV heeft ‘omgekat’ naar leningen van de buitenlandse rechtspersonen.

1.3

Net als in de andere zaak is hier in geschil of belanghebbende kan worden aangemerkt als direct aanmerkelijkbelanghouder (ab-houder) van [A] BV. Voor een bespreking van dit geschilpunt en de daaraan verbonden rechtsvragen verwijs ik naar de conclusie in die andere zaak.

1.4

Daarnaast is in deze zaak aan de orde of de verlengde navorderingstermijn, bedoeld in art. 16(4) AWR van toepassing is. De dividenden in deze zaak zijn afkomstig van een Nederlandse vennootschap en uiteindelijk aan belanghebbende uitbetaald op zijn Nederlandse bankrekening. Toch meen ik dat het voordeel in het buitenland is opgekomen in de zin van genoemde wetsbepaling. Immers als, zoals in dit geval, voorafgaand aan het genietingsmoment de aard van een voordeel door buitenlandse transacties aan het zicht van de fiscus wordt onttrokken, is art. 16(4) AWR naar zijn strekking toepasbaar (‎4.12).

1.5

In deze zaak komt ook aan de orde de vraag op welk moment een economisch eigenaar van ab-aandelen een regulier voordeel geniet: is dat reeds het moment waarop de tussenliggende juridische eigenaar het dividend geniet, of pas het moment waarop de economisch eigenaar het dividend krijgt ‘dooruitgedeeld’? Ik meen dat dit latere moment bepalend is voor het in art. 4.43(1) Wet IB 2001 bedoelde genietingstijdstip (‎4.18-‎4.33). Deze vraag speelt ook bij certificering van aandelen.

1.6

Ik kom tot de conclusie dat de middelen falen en dat het cassatieberoep ongegrond is.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

Belanghebbende heeft op 2 september 2013 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2011. Daarbij is een eigenwoningschuld aangegeven van € 1.197.000, een negatief inkomen uit eigen woning van € 70.031 en een voordeel uit sparen en beleggen (box 3) van nihil.

2.2

In het kader van de aanslagregeling heeft de Inspecteur belanghebbende schriftelijk vragen gesteld. Op die vragen heeft belanghebbende bij brief van 18 augustus 2014 geantwoord. Dit antwoord is weergegeven in onderdeel 2.24 van de uitspraak van het Hof. Daarin staat onder meer:

“Er bestaat geen relatie tussen [belanghebbende] respectievelijk [de echtgenote van belanghebbende] en [B] Inc, anders dan die van geldgever-geldnemer.”

2.3

Belanghebbende heeft op 25 september 2014 een herziene aangifte IB/PVV 2011 gedaan, waarbij hij de eigenwoningschuld heeft gewijzigd in een bedrag van € 1.536.503.

2.4

De Inspecteur heeft op 14 november 2014 aan belanghebbende de (primitieve) aanslag IB/PVV 2011 opgelegd naar een box 1-inkomen van nihil en een box 3-inkomen van nihil.

2.5

Met dagtekening 30 juli 2022 is aan belanghebbende over het jaar 2011 een navorderingsaanslag opgelegd.

2.6

De navorderingsaanslag is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang (box 2) van € 1.279.506. Na bezwaar is deze navorderingsaanslag verminderd tot een naar een box 2-inkomen van € 639.627.

2.7

Het in de navordering betrokken box 2-inkomen heeft betrekking op een drietal overschrijvingen door in het buitenland gevestigde vennootschappen naar de privérekening van belanghebbende. Voorafgaande aan twee van deze drie overschrijvingen zijn door [A] BV dividenden overgemaakt aan haar aandeelhouder [D] Ltd.

2.8

Belanghebbende was enig bestuurder van [A] BV tot de ontbinding van deze vennootschap in 2019. Tot 25 januari 2007 was belanghebbende ook enig aandeelhouder van [A] BV. Van 25 januari 2007 tot 3 augustus 2015 was [D] Ltd. enig aandeelhouder van [A] BV. Op laatstgenoemde datum werd [B] Inc. enig aandeelhouder van [A] BV.

2.9

Het verband tussen de in ‎2.7 bedoelde dividenduitkeringen enerzijds en de overschrijvingen naar de privérekening van belanghebbende anderzijds is in overweging 2.10 van de uitspraak van het Hof als volgt verbeeld:

Datum

Bedrag

Van

Naar

Omschrijving

22 dec. 2010

€ 300.000

[A] BV

[D] Ltd

‘Interim dividend’

3 jan. 2011

€ 300.003

[D] Ltd

Belanghebbende

‘1st Loan Installment (...)

on behalf of [B]

Inc’

28 jan. 2011

€ 300.000

[A] BV

[D] Ltd

‘Interim dividend’

3 feb. 2011

€ 300.000

[D] Ltd

[B] Inc

‘interim dividend’

15 feb. 2011

€ 299.602,50

[B] Inc

Belanghebbende

‘Payment of 2nd Loan Installment to [belanghebbende] ’

5 juli 2011

€ 42.000

Belanghebbende

[D] Ltd

‘Interest payment 2011 on behalf of [B] Inc’

20 juli 2011

€ 40.000

[D] Ltd.

Belanghebbende

‘Payment of loan advance on behalf of [B] Inc’

2.10

Op 9 december 2009 is [F] Ltd. juridisch aandeelhouder geworden van [B] Inc. Op 19 januari 2010 is [F] Ltd. formeel aandeelhouder geworden van [D] Ltd. De aandelen in [F] Ltd. worden gehouden door [E] Ltd. Belanghebbende is voor 2,5% aandeelhouder van [E] Ltd.

2.11

In een aantal documenten is belanghebbende aangeduid als (Ultimate) Benificial Owner (uiteindelijk belanghebbende) van [D] Ltd.1 en [B] Inc.2

2.12

Op 27 mei 2019 is belanghebbende tweemaal verhoord door de FIOD. Van deze verhoren zijn processen-verbaal opgemaakt waaruit het Hof heeft geciteerd in de overwegingen 2.16 en 2.17 van zijn uitspraak.

2.13

De rechtbank Overijssel heeft bij vonnis van 25 januari 20243 de voormalige financieel adviseurs van belanghebbende – overeenkomstig het door het Openbaar Ministerie (OM) en de verdediging opgestelde afdoeningsvoorstel – veroordeeld voor het meermalen medeplegen van inkomstenbelastingfraude in de periode 2009 tot en met 2017. In dit vonnis staat onder meer het volgende:

“5.1 Inleiding

Onderhavige strafzaak maakt deel uit van het grootschalige Olympic-project dat is gestart na het bekend worden van de zogenaamde Panama-papers en uit verkregen restinformatie uit onderzoeken bij banken in Luxemburg. De restinformatie heeft betrekking op transactiegegevens van de rechtspersonen [C] en de ‘[G] groep’. Op de Luxemburgse bankrekeningen van [C] kwamen transacties binnen met de omschrijving ‘interim dividend’, waarna korte tijd later vergelijkbare transacties uitgingen naar natuurlijke personen met de omschrijving ‘gift’ of ‘lening’. Tevens wordt in de restinformatie een document aangetroffen getiteld ‘Ways to get around the taxman’ waarin constructies worden omschreven die overeenkomsten vertonen met de mogelijke constructies die naar voren komen uit de analyse van de transactiegegevens van de bankrekeningen van [C].

Door de FIOD is vervolgens verder gerechercheerd naar Nederlandse personen die betrokkenheid zouden hebben bij deze dividendconstructies die als doel hadden het ‘omkatten’ van dividendgelden naar leningen en/of giften bestemd voor natuurlijke personen. In tegenstelling tot dividend, is het ontvangen van een gift vanuit het buitenland in Nederland voor de schenkbelasting onbelast en valt buiten het toepassingsbereik van de inkomstenbelasting. Deze structuren worden aangeduid met de naam ‘[naam 1]’ (verder: [naam 1]) met [bedrijf] Ltd. als topholding en met de naam ‘[naam 2]’. Met deze structuren wordt getracht van deze regeling te profiteren. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn de bedenkers en vormgevers van de [naam 1]-structuur en hen wordt verweten dat zij samen met anderen belastingfraude hebben gepleegd door te adviseren over en het aanbieden van deze fiscale structuur met het doel en resultaat dat dividend van een Nederlandse vennootschap via deze constructie vrijwel volledig weer aan de ondernemer wordt uitgekeerd, zonder dat deze uitkering in de Nederlandse aangifte inkomstenbelasting van de belastingplichtige is vermeld.”

2.14

Het OM heeft ten laste van belanghebbende op 10 april 2024 een strafbeschikking uitgevaardigd waarin staat dat het OM meent dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat belanghebbende zich in de periode van 30 maart 2010 tot en met 25 september 2014 schuldig heeft gemaakt aan opzettelijk doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting, en waarin het OM aan belanghebbende een taakstraf oplegt van 155 uren en een geldboete van € 5.000. Belanghebbende heeft deze strafbeschikking getekend.

Rechtbank Gelderland 4

2.15

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar (‎2.6) beroep ingesteld bij de Rechtbank.

2.16

De Rechtbank heeft – samengevat weergegeven5 – geoordeeld dat belanghebbende gerechtigde is tot de voordelen uit [D] Ltd. en [B] Inc., dat belanghebbende daarom op grond van art. 4.6 Wet IB 2001 een ab houdt in beide vennootschappen, en dat om die reden de door [D] Ltd. uitbetaalde bedragen als Box 2-inkomen bij belanghebbende in aanmerking moeten worden genomen. Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Inspecteur beschikt over een nieuw feit om na te vorderen en dat de verlengde navorderingstermijn kan worden toegepast.

2.17

Op deze gronden heeft de Rechtbank het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6

2.18

Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof. Daarbij heeft hij – voor zover in cassatie nog van belang – als grieven aangevoerd dat (1) de Inspecteur niet beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, (2) de verlengde navorderingstermijn niet geldt en (3) belanghebbende geen Box 2-inkomen heeft genoten.

2.19

Het Hof heeft geoordeeld dat de Inspecteur met de vanaf 2019 gebleken participatie van belanghebbende in de buitenlandstructuur beschikte over een navordering rechtvaardigend nieuw feit. De herziene aangifte (‎2.3) gaf volgens het Hof geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid daarvan, omdat een niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat de gegevens in de aangifte – waaronder de vermelding van een eigenwoningschuld van € 639.503 bij [B] Inc. – juist waren. Het Hof heeft hieraan toegevoegd dat het voorgaande te meer geldt nu belanghebbende de Inspecteur heeft geantwoord (‎2.2) dat er geen andere relatie bestaat tussen hem en [B] Inc. dan die van geldgever en geldnemer in het kader van de financiering van de eigen woning.

2.20

Het Hof heeft geoordeeld dat de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. Volgens het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de oorsprong van de desbetreffende storting buiten het zicht van de Nederlandse fiscus is gehouden door uit Nederland stammende dividenduitkeringen uit te betalen op opeenvolgende buitenlandse bankrekeningen waarna deze op de Nederlandse privébankrekening van belanghebbende wordt gestort onder vermelding van lening. Dit is, aldus het Hof, bij uitstek een geval waarop de verlengde navorderingstermijn van art. 16, lid 4 AWR toepassing vindt.7

2.21

Met betrekking tot het Box 2-inkomen heeft het Hof overwogen dat het aannemelijk acht dat belanghebbende in het onderhavige jaar feitelijk economisch gerechtigd is tot de aandelen in [A] BV, [D] Ltd. en [F] Ltd.. Belanghebbende heeft volgens het Hof een aanmerkelijk belang in de zin van art. 4.6 Wet IB 2001 in [A] BV. De dividenduitkeringen van [A] BV aan [D] Ltd. van tweemaal € 300.000 zijn via zustermaatschappij [B] Inc. – zogenaamd als lening – toegekomen aan belanghebbende, en de Inspecteur heeft deze dividenduitkeringen terecht als Box 2-inkomen bij belanghebbende in aanmerking genomen, aldus het Hof.

2.22

Belanghebbende had voor het Hof betoogd dat de eerste € 300.000 (zie de tabel in ‎2.9) al bij besluit van 21 december 2010 door [D] Ltd. als dividend ter beschikking is gesteld, zodat dit bedrag niet in het belastingjaar 2011 bij belanghebbende in aanmerking kan worden genomen. Dit betoog is door het Hof verworpen. Op grond van art. 4.43(1) Wet IB 2001 wordt een regulier voordeel uit aanmerkelijk belang genoten op het tijdstip waarop het is ontvangen, en dat was in dit geval 3 januari 2011. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende daarover op een eerder moment nog niet de beschikkingsmacht gekregen. Anders dan belanghebbende betoogt, leidt het besluit van 21 december 2010 om een dividend van € 300.000 uit te keren namelijk niet ertoe dat belanghebbende deze uitkering reeds vanaf dat moment in rechte zou kunnen opeisen, aldus het Hof.

2.23

Het geschil bij het Hof ging ook over de € 40.000 die op 20 juli 2011 aan belanghebbende ter beschikking is gesteld (zie de tabel in ‎2.9). Het Hof heeft daarover geoordeeld dat belanghebbende de bewijslast draagt ter zake van zijn stelling dat dit bedrag als geldlening moet worden aangemerkt en geen inkomen betreft. Belanghebbende is er volgens het Hof niet in geslaagd dit bewijs te leveren. Volgens het Hof heeft de Inspecteur daarom terecht deze € 40.000 als Box 2-inkomen in aanmerking genomen.

2.24

Op onder meer deze gronden heeft het Hof – voor zover nog van belang - het hoger beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten. De Staatssecretaris heeft laten weten niet te zullen reageren op die schriftelijke toelichting.

3.2

Belanghebbende stelt vijf middelen tot cassatie voor. Middel I ziet op het nieuw feitvereiste, middel II op de verlengde navorderingstermijn, middel III op de aanwezigheid van een aanmerkelijk belang, middel IV op het heffingsmoment ter zake van de eerste € 300.003 en middel V op de vraag of het bedrag van € 40.000 een geldlening vormde.

3.3

De Staatssecretaris heeft bij verweerschrift de middelen bestreden. Hij concludeert tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.

3.4

In de namens belanghebbende ingediende schriftelijke toelichting wordt gereageerd op het verweer van de Staatssecretaris.

4 Beoordeling van de middelen

5 Conclusie