Home

Parket bij de Hoge Raad, 06-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:152, 24/03962

Parket bij de Hoge Raad, 06-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:152, 24/03962

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
6 februari 2026
Datum publicatie
20 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:PHR:2026:152
Zaaknummer
24/03962

Inhoudsindicatie

Art. 2:14 (oud), 2:17 (oud), 3:41, 6:11 Awb. Art. 1, 2 en 7 Kostenwet invordering rijksbelastingen. Aanmaningskosten. Berichtenbox van MijnOverheid. Is het voor de beantwoording van de vraag of de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt relevant of een notificatie van plaatsing van de aanslag in de berichtenbox heeft plaatsgevonden? Is het niet-ontvangen van een notificatie anderszins relevant voor de vraag of terecht aanmaningskosten in rekening zijn gebracht ter zake van de aanmaning om de naheffingsaanslag te betalen? Bewijslast ter zake van (i) in/uitgeschakeld staan van notificatiefunctie, en (ii) de verzending van een notificatie?

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03962

Datum 6 februari 2026

Belastingkamer B

Onderwerp/tijdvak Parkeerbelasting

Nr. Gerechtshof 23/1195

Nr. Rechtbank 22/5082

CONCLUSIE

M.R.T. Pauwels

In de zaak van

[X] (belanghebbende)

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (het College)

1 Inleiding en overzicht

1.1

Deze zaak gaat over kosten van € 8 die aan belanghebbende in rekening zijn gebracht in verband met de aanmaning om een naheffingsaanslag parkeerbelasting te betalen. Deze naheffingsaanslag was geplaatst in de berichtenbox van MijnOverheid. In hoger beroep heeft belanghebbende gesteld dat hij van die plaatsing niet op de hoogte was gebracht via een e-mailnotificatie. Het Hof heeft deze stelling zo geduid dat het standpunt is dat aangezien de naheffingsaanslag niet op de juiste wijze is bekendgemaakt, de aanmaningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht. Het Hof is vervolgens tot het oordeel gekomen dat de naheffingsaanslag wél op de juiste wijze is bekendgemaakt. Daartoe heeft het geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen e-mailnotificatie naar hem is verzonden. Belanghebbende draagt volgens het Hof geen feiten en omstandigheden aan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aannemelijk is dat de functie om e-mailnotificaties te ontvangen ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag was uitgeschakeld.

1.2

Belanghebbende heeft beroep in cassatie ingesteld. Het middel stelt schending van art. 3:40 en 3:41 Awb. Het eerste onderdeel van de toelichting klaagt over de bewijslastverdeling. Het tweede onderdeel klaagt erover dat het Hof heeft miskend dat, gelet op CRvB AB 2022/270, een e-mailnotificatie verplicht is.

Reden om deze zaak (toch) te selecteren voor conclusie

1.3

Op het eerste gezicht lijkt deze zaak niet in aanmerking te komen voor het nemen van een conclusie. Afgemeten aan het in geding zijnde bedrag gaat het om een bagatelzaak. Daarnaast is de uitspraak van het Hof gebaseerd op bewijsoordelen.

1.4

Ik heb niettemin deze zaak toch geselecteerd voor conclusie omdat de Hoge Raad zich nog niet eerder over de berichtenbox van MijnOverheid heeft uitgelaten, en daarmee evenmin over de betekenis die een notificatiebericht heeft bij de bekendmaking van een besluit door plaatsing ervan in de berichtenbox.

Zaaksoverstijgend belang

1.5

Het te wijzen arrest kan een zaaksoverstijgend belang hebben voor andere, vergelijkbare geschillen. Ik merk daarbij op dat ik op basis van mijn onderzoek naar feitenrechtenspraak de indruk heb gekregen dat in toenemende mate wordt geprocedeerd (ogenschijnlijk met rechtsbijstand op no cure no pay-basis) over geschillen betreffende aanmaningskosten waarbij het verweer van de belanghebbende is dat geen notificatie is ontvangen van plaatsing van de belastingaanslag in de berichtenbox (zie ‎7.19-‎7.26). Er kan daarnaast sprake zijn van een uitstralingseffect naar een aanpalende kwestie namelijk of een overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is indien geen notificatie is ontvangen.

1.6

Daartegenover staat dat in temporeel opzicht het mogelijke zaaksoverstijgende belang beperkt kan zijn. Per 1 januari 2026 is namelijk afdeling 2.3 Awb – die specifiek betrekking heeft op elektronisch bestuurlijk verkeer, zoals verkeer via de berichtenbox – ingrijpend aangepast door de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer (WMEBV). Een van de aanpassingen is dat in diverse regels is voorzien betreffende notificaties in het kader van vergroting van de rechtsbescherming (zie ‎6.31-‎6.42). Dit roept overigens voor de Hoge Raad de rechtsvorming-strategische vraag op of het geraden is om op deze nieuwe regelgeving anticiperend vooruit te lopen dan wel om terughoudend te zijn juist omdat de wetgever voor de toekomst al in een nieuw rechtsbeschermend kader heeft voorzien.

(Verantwoording van) brede opzet conclusie

1.7

In deze zaak is het verweer van belanghebbende tegen het in rekening gebracht krijgen van aanmaningskosten dat hij geen notificatie heeft gehad van plaatsing van de naheffingsaanslag in de berichtenbox. Beoordeling van zo’n verweer heeft een feitelijke kant (is geen notificatie ontvangen?) en een juridische kant (is het überhaupt relevant of een notificatie is ontvangen?).

1.8

Het grootste deel van deze conclusie is gericht op de juridische kant. Ik heb daarbij gekozen voor een brede opzet. Die keuze hangt samen met de zojuist in ‎1.4 genoemde reden voor selectie van deze zaak voor conclusie. De keuze houdt ook ermee verband dat in de uitspraak van het Hof een rechtskader ontbreekt, zowel een kader waaruit volgt waarom de stelling over de niet-ontvangst van een notificatie relevant is voor het geschil over de aanmaningskosten, als een kader waaruit volgt waarom het Hof die stelling heeft geplaatst in de sleutel van de vraag of de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

1.9

Uiteindelijk heeft de conclusie een nog veel bredere opzet gekregen dan ik bij aanvang voor ogen had. Dat heeft ten eerste te maken met de bevinding dat de relevante regels betreffende de berichtenbox verspreid over verschillende regelingen zijn te vinden, die bovendien in de loop van de tijd zijn gewijzigd. Ik heb uiteindelijk gekozen voor een gelaagde structuur om overzicht te bieden: eerst onderdeel ‎5 met een algemeen overzicht van de ontwikkeling in de tijd van het juridisch kader van de berichtenbox, en daarna onderdeel ‎6 met specifieke aandacht voor de betekenis die aan het notificeren wordt toegekend in de verschillende regelingen en/of toelichtingen. Nadeel van deze structuur is wel dat veelvuldig met vooruit- en terugwijzingen wordt gewerkt. Gezamenlijk zijn beide onderdelen betrekkelijk lang – taaie kost, aldus een van mijn medewerkers.

1.10

Het heeft ten tweede te maken met de beschouwing. Ik heb namelijk ervoor gekozen om een algemene beschouwing op te nemen (in onderdeel ‎8), die voorafgaat aan de zaakspecifieke beschouwing (in onderdeel ‎9). Die algemene beschouwing is bovendien breed ingestoken; zij bevat een stapsgewijze analyse van wat het beoordelingskader is voor geschillen over aanmaningskosten waarbij het verweer is dat geen notificatie is ontvangen. Ik liep daarbij tegen meer vraagpunten aan dan ik had verwacht. Verder heb ik ervoor gekozen om bij die algemene beschouwing een zijstap te maken naar de eerder in ‎1.5 genoemde aanpalende kwestie wat de relevantie is van de niet-ontvangst van een notificatie in het kader van overschrijding van de bezwaartermijn. Die zijstap leek mij namelijk aangewezen voor de gedachtevorming over de vraag naar die relevantie in het kader van geschillen over aanmaningskosten.

Maatschappelijke context

1.11

Hoewel deze zaak slechts gaat over € 8 aan aanmaningskosten, heeft de juridische thematiek (de juridische betekenis van een notificatie bij verzending van een besluit via de berichtenbox) een duidelijk maatschappelijke component. Zo wijs ik in ‎8.2-‎8.5 op rapporten van de Nationale ombudsman over de berichtenbox, op de omstandigheid dat begin 2025 ongeveer 900.000 gebruikers van de berichtenbox nog geen e-mailadres hebben opgegeven, en op een recent onderzoek waaruit blijkt dat mensen die een ‘parkeerboete’ toegestuurd krijgen via de berichtenbox twee keer zo vaak een aanmaning krijgen dan mensen die een boete per post ontvangen.

Opbouw

1.12

In onderdeel ‎4 geef ik kort het algemene juridisch kader weer voor beoordeling van geschillen over aanmaningskosten die op grond van de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kw) in rekening zijn gebracht. Onderdeel ‎5 geeft een overwegend chronologisch overzicht van de inbedding van de berichtenbox van MijnOverheid in de regelgeving. Onderdeel ‎6 behandelt welke (juridische) betekenis aan een notificatie wordt toegekend in diverse regelingen en/of toelichtingen. Daarbij komt ook aan bod de aanpassing per 1 januari 2026 van afdeling 2.3 Awb door de WMEBV. Onderdeel ‎7 behandelt rechtspraak over de betekenis van (de niet-ontvangst van) een notificatie, te weten rechtspraak van andere hoogste bestuursrechters, fiscale feitenrechtspraak daarover in het algemeen en fiscale feitenrechtspraak daarover specifiek in het kader van geschillen over aanmaningskosten. Onderdeel ‎8 bevat de eerdergenoemde algemene beschouwing, waarna in onderdeel ‎9 de zaakspecifieke beschouwing volgt.

Hoofdlijnen beschouwingen

1.13

Ik kom in de algemene beschouwing tot de volgende opvattingen:

- Als een belanghebbende kenbaar heeft gemaakt ‘bereikbaar’ te zijn voor het ontvangen van berichten in de berichtenbox in de zin van art. 2(2) Regeling GDI, dan heeft de belanghebbende daarmee kenbaar gemaakt ‘voldoende bereikbaar’ te zijn in de zin van art. 2:14 (oud) Awb. Tussen ‘bereikbaar’ en ‘voldoende bereikbaar’ bestaat dus niet een verschil dat is gelegen in de aanmelding om notificaties te ontvangen van plaatsing van een bericht in de berichtenbox. (‎8.9-‎8.13)

- Linksom (“hetzelfde systeem”) of rechtsom (“systeem waarvoor het bestuursorgaan geen verantwoordelijkheid draagt”): het tijdstip van plaatsing van een besluit in de berichtenbox heeft op grond van art. 2:17(1) (oud) Awb te gelden als tijdstip van elektronische verzending van dat besluit. (‎8.14-‎8.24)

- Het moment van plaatsing van het besluit in de berichtenbox geldt daarmee ook als moment van bekendmaking van dat besluit in de zin van art. 3:41 Awb. Het is dus voor de bekendmaking niet relevant of een notificatie van de plaatsing is verstuurd en/of ontvangen. (‎8.25)

- In het kader van een zijstap: de niet-ontvangst van een notificatie kan wel meebrengen dat een daardoor veroorzaakte overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is op grond van art. 6:11 Awb. Dat zal als uitgangspunt zo zijn in het geval de belanghebbende zich heeft aangemeld voor notificaties, maar de notificatie niet is verstuurd (‎8.30-‎8.33). In het geval de notificatie wél is verstuurd maar niet is ontvangen, kan afhankelijk van de oorzaak van de niet-ontvangst en van de overige omstandigheden van het geval de termijnoverschrijding verschoonbaar zijn (‎8.34). In het geval geen notificatie is ontvangen omdat de belanghebbende zich daarvoor niet heeft aangemeld, kan de termijnoverschrijding niettemin verschoonbaar zijn, waarbij ik niet zozeer CRvB AB 2022/270 zou willen volgen maar de algemene, meer holistische, benadering van HR BNB 2024/61, in welk kader moet worden beoordeeld of de verwijtbaarheid bij de termijnoverschrijding als gering moet worden beschouwd (‎8.35-‎8.40).

- Hetgeen voor overschrijding van de bezwaartermijn geldt, is niet zonder meer mutantis mutandis van toepassing in het kader van de beoordeling of aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht, aangezien de Kw niet een met art. 6:11 Awb vergelijkbare bepaling kent (‎8.42).

- In een geval waarin de belanghebbende zich heeft aangemeld om notificaties te ontvangen, maar er geen notificatie van plaatsing van de belastingaanslag is verstuurd aan de belanghebbende waardoor deze de aanslag niet tijdig betaalt, mogen als uitgangspunt geen aanmaningskosten in rekening worden gebracht. In zo’n geval is er namelijk aanleiding om een uitzondering te aanvaarden op de regel dat een belastingplichtige in de gelegenheid is om kennis te nemen van een belastingaanslag als die op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Aanvaarding van die uitzondering voor dat geval betekent dat niet wordt voldaan aan het vereiste in art. 1 Kw dat de belastingschuldige “in gebreke is gebleven”. Daarnaast verzetten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zich ertegen om in zo’n geval aanmaningskosten in rekening te brengen. De bewijslast van verzending van een notificatie rust op het bestuursorgaan. De verweerbeperking van art. 7(2) Kw brengt daarin geen verandering. (‎8.43-‎8.48)

- Wat betreft het geval waarin wel een notificatie is verstuurd maar deze niet is ontvangen, vind ik het lastiger liggen of er een grond is om te kunnen oordelen dat geen aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht. Met enige creativiteit is zo’n grond wellicht te construeren, maar ik neig ertoe dat het verstandig is voor de Hoge Raad om voor de overgangsperiode tot het nieuwe regime per 1 januari 2026 terughoudend te zijn met rechtsvorming op dit punt, in aanmerking genomen dat art. 2:22(2) (nieuw) Awb in een specifieke regeling voorziet wat betreft de gevolgen van het niet-ontvangen van een notificatie. (‎8.49-‎8.53)

- Wat betreft het geval waarin geen notificatie is ontvangen omdat de belanghebbende zich daarvoor niet heeft aangemeld, zie ik nog minder aanknopingspunten voor een grond om te kunnen oordelen dat geen aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht. Een aanknopingspunt zou wellicht wel gevonden kunnen worden in het zorgvuldigheidsbeginsel althans indien de benadering van de CRvB AB 2022/270 wordt gevolgd én wordt doorgetrokken naar aanmaningskosten. Na een weging van argumenten adviseer ik daartoe echter niet. (‎8.54-‎8.60)

- De bewijs(leverings)last of de belanghebbende zich al dan niet had aangemeld om notificaties te ontvangen, rust op het bestuursorgaan, niet alleen in het kader van de vraag of overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar is (‎8.41), maar ook in het kader van de vraag of aanmaningskosten in rekening mogen worden gebracht (‎8.61).

1.14

De zaakspecifieke beschouwing houdt in hoofdlijnen het volgende in:

- Gelet op de vaststaande feiten is het oordeel van het Hof juist dat de naheffingsaanslag op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, al zijn ’s Hofs overwegingen daartoe in rov. 5.3 over de e-mailnotificatie niet relevant. Het middel als zodanig faalt dan ook. (‎9.1-‎9.3)

- Ik zou de klachten over die overwegingen van het Hof niettemin wel inhoudelijk willen behandelen, omdat het niet-ontvangen van een notificatie wel anderszins relevant kan zijn voor de beoordeling of terecht aanmaningskosten in rekening zijn gebracht. (‎9.4-‎9.5)

- Complicatie daarbij is hoe de bewijsoverwegingen van het Hof moeten worden gelezen. Ik sta de lezing voor dat het bewijsoordeel van het Hof niet alleen omvat het oordeel over het niet-uitgeschakeld zijn van de functie om e-mailnotificaties te ontvangen, maar ook een oordeel inhoudt over de verzending als zodanig van een e-mailnotificatie. (‎9.7-‎9.13)

- De klacht van belanghebbende over de bewijslastverdeling slaagt. Het Hof heeft miskend dat het aan de Invorderingsambtenaar is om gegevens aan te dragen op basis waarvan kan worden vastgesteld of de notificatiefunctie was ingeschakeld, en, zo dat het geval is, om bewijs te leveren dat een notificatie is verstuurd. (‎9.14-‎9.16)

- Cassatie kan niet achterwege blijven in verband met de omstandigheid dat belanghebbende een schriftelijke betalingsherinnering heeft ontvangen. Die omstandigheid brengt niet mee dat de aanmaningskosten hoe dan ook in rekening mochten worden gebracht, dus ook als geen notificatie zou zijn verstuurd hoewel daarvoor wel is aangemeld. (‎9.17-‎9.18)

- De klacht die is gebaseerd op CRvB AB 2022/270, kan niet tot cassatie leiden omdat zij berust op een verkeerde lezing van de uitspraak van het Hof. (‎9.19)

- De zaak moet verwezen worden voor onderzoek in volle omvang of de aanmaningskosten terecht in rekening zijn gebracht. Het kan dienstig zijn voor de verwijzingsrechter indien de Hoge Raad daarbij handvatten geeft wat betreft de juridische kant. (‎9.20-‎9.21)

Slotsom

1.15

Naar mijn oordeel is het beroep in cassatie gegrond en dient verwijzing te volgen.

2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

2.1

De heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd. De naheffingsaanslag is op 11 mei 2022 in belanghebbendes berichtenbox van MijnOverheid geplaatst.1 Belanghebbende heeft eerder kenbaar gemaakt langs deze weg voldoende bereikbaar te zijn.2 Met dagtekening 5 juli 2022 is aan belanghebbende een betalingsherinnering gestuurd, die als uiterste betaaldatum 19 juli 2022 vermeldt.

2.2

Omdat belanghebbende de naheffingsaanslag niet binnen de gestelde termijn heeft betaald, heeft de invorderingsambtenaar van de gemeente Rotterdam (de Invorderingsambtenaar) hem met dagtekening 26 juli 2022 schriftelijk aangemaand om uiterlijk 9 augustus 2022 de naheffingsaanslag te betalen. De Invorderingsambtenaar heeft daarbij een bedrag van € 8 aan aanmaningskosten in rekening gebracht (de kostenbeschikking).

2.3

De Invorderingsambtenaar heeft bij uitspraak op bezwaar de kostenbeschikking gehandhaafd.

Rechtbank Rotterdam 3

2.4

De Rechtbank verklaart het beroep van belanghebbende ongegrond.

2.5

Voor de Rechtbank heeft belanghebbende in de kern betoogd dat er onvoldoende bewijs is dat de naheffingsaanslag is verzonden. De Rechtbank oordeelt in de kern dat dit betoog niet ter zake doet, omdat de naheffingsaanslag is bekendgemaakt via MijnOverheid.

Gerechtshof Den Haag 4

2.6

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

2.7

Vooruitlopend op de beschouwing merk ik hier reeds op dat ik niet zo goed grip kreeg op de hierna in ‎2.10 geciteerde kernoverweging van het Hof en dat ik daarom bij de vraag hoe die kernoverweging zou moeten worden gelezen ook heb betrokken wat belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd (zie ‎9.7 e.v.). Daarom geef ik hier eerst dat laatste weer.

2.8

In hoger beroep is niet in geschil dat de naheffingsaanslag is geplaatst in de berichtenbox van MijnOverheid. Belanghebbendes grief in het hogerberoepschrift houdt in dat hij van de naheffingsaanslag niet op de hoogte is gebracht via een e-mailnotificatie, en dat – gelet op CRvB AB 2022/2705 – daarom niet kan worden gezegd dat de naheffingsaanslag hem heeft bereikt:

“Belanghebbende is niet op de hoogte gebracht via een e-mailnotificatie of vergelijkbare melding. Daarom kan niet zonder meer worden volgehouden dat de aanslag belanghebbende heet bereikt (CRvB 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174). Overigens kan van burgers niet verwacht worden dat zij elke dag inloggen, wél dat zij hun e-mail raadplegen.”

2.9

Uit het proces-verbaal van de zitting van het Hof volgt dat belanghebbende heeft verklaard dat “[u]istluitend in geschil is dat geen e-mailnotificatie of vergelijkbare melding aan belanghebbende is verzonden”. Verder volgt daaruit dat belanghebbende zich in het bijzonder beroept op CRvB AB 2022/270:

“- In het verweerschrift in hoger beroep schrijft de Invorderingsambtenaar ten onrechte: “Gemachtigde ' lijkt onder verwijzing naar de; door hem genoemde uitspraak van de CRvB te insinueren dat wij een pushmelding via de mail zouden moeten versturen, dit door bij zijn gronden in hoger beroep aan te geven dat er via de mail een pushmelding zou moeten komen, maar zo is het systeem van digitale verzending via MijnOverheid niet ingericht.” Ik verwijs naar rechtsoverweging 4.4.6. van de uitspraak van de CRvB van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174.

- De Invorderingsambtenaar stelt ten onrechte dat de zaak in de uitspraak van de CRvB van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174 niet vergelijkbaar is met het onderhavige geval, omdat de uitspraak van de CRvB geen fiscale zaak betreft. De zaken zijn wel vergelijkbaar, omdat beide gevallen bestuursrechtelijke procedures zijn.

- De Invorderingsambtenaar stelt ten onrechte dat geen verschil bestaat tussen fysieke en digitale verzending. In r.o. 4.4.3 van de uitspraak van de CRvB van 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174 is als vólgt geoordeeld: “Niet alleen moet de burger ervan op de hoogte worden gebracht dat een bericht in zijn Berichtenbox is geplaatst. Bij de notificatie moet ook informatie over aard en rechtsgevolgen van het besluit en een reactietermijn worden gegeven. Als reden voor de invoering hiervan is genoemd, dat de meeste mensen niet een zo frequent contact met de overheid hebben dat het voor de hand ligt dat zij hun elektronische postbussen nét zó vaak ‘legen’ als hun fysieke brievenbus thuis of hun privémailbox." Ik verwijs tevens naar r.o. 4.4.4.”

2.10

Het Hof heeft het betoog van belanghebbende aldus begrepen dat het uitmondt in het standpunt dat aangezien de Invorderingsambtenaar de naheffingsaanslag niet op de juiste wijze heeft bekendgemaakt, de aanmaningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht (rov. 5.1). Het Hof komt evenwel tot het oordeel dat de naheffingsaanslag wél op de juiste wijze is bekendgemaakt. Het overweegt daartoe als volgt:

“5.3. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, niet aannemelijk gemaakt dat geen e-mailnotificatie of vergelijkbare melding naar hem is verzonden. Zoals de Invorderingsambtenaar onweersproken heeft gesteld, kan uitsluitend belanghebbende zelf via MijnOverheid instellen of het systeem automatisch e-mailnotificaties naar een door belanghebbende opgegeven e-mailadres verzendt. Belanghebbende stelt dat hij geen e-mailnotificatie heeft ontvangen. Belanghebbende draagt echter geen feiten en omstandigheden aan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aannemelijk is dat de functie om e-mailnotificaties te ontvangen ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag was uitgeschakeld. Belanghebbende heeft daarmee niet voldaan aan zijn stelplicht. Voor zover belanghebbende verwijst naar CRvB 9 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2174, overweegt het Hof dat de zaak van deze uitspraak niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak, nu in die zaak, anders dan in de onderhavige zaak, is vast komen te staan dat geen e-mailnotificatie over de plaatsing van het in die zaak aan de orde zijnde besluit in de Berichtenbox van MijnOverheid is verzonden (r.o. 4.5.1 van de voornoemde uitspraak). Gelet op het voorgaande komt het Hof tot de conclusie dat de naheffingsaanslag op de juiste wijze aan belanghebbende is bekendgemaakt.”

3 Het geding in cassatie

3.1

Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Het College heeft geen verweerschrift ingediend.

3.2

Belanghebbende stelt één middel tot cassatie voor. Het middel stelt schending van art. 3:40 en 3:41 Awb. De toelichting bestaat inhoudelijk uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat belanghebbende de bewijslast draagt ter zake van het niet-ontvangen van een e-mailnotificatie (punt 2-4). Het tweede onderdeel betoogt dat gelet op CRvB AB 2022/270, anders dan het Hof heeft overwogen, een e-mailnotificatie verplicht is (punt 5-6).

4 Juridisch kader geschil over aanmaningskosten

5 Ontwikkeling in de tijd juridisch kader berichtenbox

6 Juridische betekenis notificatiebericht: regelgeving en toelichting

7 Rechtspraak over notificatie in het kader van een berichtenbox

8 Algemene beschouwing

9 Beschouwing over de zaak

10 Conclusie