Parket bij de Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:185, 25/01614
Parket bij de Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:185, 25/01614
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 februari 2026
- Datum publicatie
- 6 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:185
- Zaaknummer
- 25/01614
Inhoudsindicatie
Dividend stripping? Art. 25(2) Wet Vpb. Buitenlandse groepsvennootschap koopt long positie cum dividend en verkoopt tegelijk corresponderende futures ex dividend aan (vermoedelijk) dezelfde wederpartij, die (vermoedelijk) minder verrekeningsgerechtigd is. De belanghebbende is opbrengstgerechtigd, maar is zij ook uiteindelijk gerechtigde en gerechtigd tot verrekening van de dividendbelasting? Uitleg van de termen ‘tegenprestatie’, ‘degene die’ en van de grondslageis in art. 25(2). Uitleg naar doel en strekking? Of fraus art. 25(2)? Is art. 25(2) ‘uitputtend’ qua misbruikbestrijding? Bewijslastverdeling; belemmering kapitaalverkeer?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/01614
Datum 20 februari 2026
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Vennootschapsbelasting 2012-2015
Nrs. Gerechtshof 23/739 t/m 23/742, 23/748 en 23/749
Nrs. Rechtbank 22/3343 t/m 22/3346
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
[X] B.V.
tegen
staatssecretaris van Financiën c.s.
1 Overzicht
De zaak betreft – volgens het Hof – gekunstelde dividend stripping in strijd met doel en strekking van art. 25(2) Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb). Het Hof heeft niet de belanghebbende, maar niet-geïdentificeerde buitenlandse wederpartijen aangemerkt als uiteindelijk gerechtigd tot Nederlands dividend. De belanghebbende heeft daarom volgens het Hof geen recht op verrekening van de ingehouden dividendbelasting. De belang-hebbende bestrijdt dat oordeel, maar ook de Staatssecretaris is niet tevreden, onder meer omdat hij meent dat lid 1 van art. 25 Wet Vpb verrekening al verhindert: het dividend valt zijns inziens niet in belanghebbendes belastbare Vpb-grondslag.
Een buitenlandse zustervennootschap van de belanghebbende heeft OTC Nederlandse beursaandelen cum dividend gekocht van Amerikaanse zakenbanken en die aandelen op belanghebbendes naam doen registreren. Tegelijk heeft die buitenlandse zuster futures op evenveel dezelfde aandelen aan die verkopers terugverkocht voor de waarde ex dividend met een opslag ad 8 à 12% van het brutodividend. De fiscus weigert verrekening van de ingehouden dividendbelasting omdat de belanghebbende zijns inziens niet uiteindelijk gerechtigd is tot het dividend in de zin van art. 25(2) Wet Vpb.
De zaak is op dezelfde Hofzitting behandeld als de eveneens bij u aanhangige zaak 25/01615 van [A] BV ( [A] ), waarin ik vandaag eveneens concludeer. De in één van beide zaken ingebrachte stukken en afgelegde verklaringen werden in de feitelijke instanties geacht ook betrekking te hebben op de andere zaak. De zaken zijn inhoudelijk vergelijkbaar, zij het dat de parallelzaak over een navorderingsaanslag 2012 gaat en deze zaak over vier jaren (twee navorderingsaanslgen en twee primitieve aanslagen), terwijl ook in geschil is of die aanslagen correct en tijdig zijn bekendgemaakt, i.e. voordat de belanghebbende zonder baten ophield te bestaan.
Beide partijen gaan in cassatie opnieuw diep in op de feiten; de belanghebbende met 15 cassatiemiddelen; de Staatssecretaris met 2. Veel middelen klagen over feitenvaststelling en bewijsoordelen. Ik ga alleen in op de volgende zeven rechtskundige of gemengde vragen:
Principaal:
1. Wie is ‘degene die’ in art. 25(2) Wet Vpb? Kan die term naar doel en strekking van die bepaling worden uitgelegd als omvattende een betrokken buitenlandse groeps-vennootschap, ondanks het ‘uitputtende’ karakter van die bepaling?
2. Zo neen, kan dan nog fraus legis worden toegepast?
3. Welke is ‘de tegenprestatie’ in art. 25(2) Wet Vpb?Is die er? Zo ja: ligt zij besloten in het (bruto) cum-deel van de prijs die belanghebbendes groep betaalt voor een long positie? Of in de ex-prijs van de futures die belanghebbendes groep tegelijk heeft verkocht?
4. Hoe moet worden vastgesteld of de wederpartij die de aandelen cum dividend verkocht minder verrekeningsgerechtigd was? Rechtvaardigt de kennelijke inprijzing van het verrekeningsrecht in de prijs van de futures – behoudens tegenbewijs – het oordeel dat de koper van die futures in een ongunstiger verrekeningspositie verkeerde?
5. Hoe moet worden vastgesteld of de verkoper van de aandelen zijn ‘positie heeft behouden’, dus dezelfde persoon is als de koper van de futures? Moet daarvoor de identiteit van de aandelenverkopers en van de futureskopers worden vastgesteld?
6. Schendt art. 25(2) Wet Vpb de vrijheid van kapitaalverkeer? Als dat in abstracto het geval is wegens overkill, moet dan toch verrekening geweigerd worden als in concreto misbruik blijkt, nu de EU-lidstaten verplicht zijn om misbruikelijk beroep op EU-recht af te wijzen?
Incidenteel:
7. Heeft het grondslagvereiste in lid 1 van art. 25 Wet Vpb zelfstandige betekenis naast het vereiste van opbrengstgerechtigdheid?
Ad 3 (tegenprestatie): uit de wetsgeschiedenis volgt mijns inziens dat de ‘tegenprestatie’ in art. 25(2) Wet Vpb is de vooruitbetaling van het verwachte dividend aan de wederpartij. Het Hof lijkt daar van af te trekken het bedrag dat die bij zijn simultane en samenhangende aankoop van futures betaalt boven de ex-waarde van de aandelen, maar ook dan is er ‘een tegenprestatie’ omdat ook dan een prestatie tegenover het dividend staat. De omvang ervan doet niet ter zake zolang zij significant is en verband houdt met (de omvang van) het dividend. De vraag is nog wel wie de tegenprestatie levert: de belanghebbende of de buitenlandse groepsvennootschap.
Ad 7 (Heffingsgrondslagincludering en opbrengstgerechtigdheid): niet in geschil is dat de belanghebbende opbrengstgerechtigde was, maar volgens de fiscus zijn de wederpartijen economisch eigenaar van de aandelen en valt het dividend daardoor niet in haar heffings-grondslag. Die stelling lijkt mij onjuist. Zou zij juist zijn, dan zou lid 2 van art. 25 Wet Vpb goeddeels overbodig zijn. Uit het (tweede) Market maker-arrest HR BNB 2001/196 volgt dat opbrengstgerechtigden in belanghebbendes omstandigheden juist wél verrekenings-gerechtigd zijn. Juist daarom is art. 25(2) Wet Vpb ingevoerd. De stelling is ook onverenigbaar met ’s Hofs vaststelling dat 8 à 12% van het brutodividendbedrag niet naar de wederpartij gaat maar bij de belanghebbende blijft. Ook het gegeven dat het om een dividendvervangende betaling gaat, impliceert dat die betaling niet het dividend is. De wetsgeschiedenis leert dat het criterium van grondslagincludering een heel andere strekking heeft, nl. voorkoming van bruto/netto- en per-saldo-discussies. Grondslagincludering heeft mijns inziens in casu dus geen zelfstandige betekenis naast opbrengstrecht.
Ad 4 en 5 (Minder verrekeningsrecht en belangbehoud: identificatie van de wederpartij?) Art. 25(2) Wet Vpb bevat geen subjectief criterium. De intenties van de belastingplichtige zijn niet relevant, evenmin als haar eventuele wetenschap van de bedoelingen of de fiscale positie van de (uiteindelijke) wederpartij. Relevant is slechts of aannemelijk is dat (i) het dividend-bedrag indirect (deels) ten goede komt aan een minder verrekeningsgerechtigde, (ii) wiens positie in de desbetreffende aandelen niet wezenlijk wijzigt. Als voldoening aan die criteria aannemelijk wordt zonder die wederpartij te identificeren, is aan art. 25(2) Wet Vpb voldaan en is identificatie niet nodig. Tot 2024 lag de bewijslast bij de Inspecteur. De wetgever ging er vanuit dat er tussenpersonen kunnen optreden en dat allerlei, al dan niet omweggelijke, vormen van dividend stripping zouden bestaan, al dan niet met behulp van uiteenlopende derivaten, die hij niet kon voorzien. Hij wilde ook al die vormen van dividend stripping onder art. 25(2) Wet Vpb begrijpen, maar realiseerde zich dat het door de bewijslastverdeling voor de inspecteur moeilijk zou kunnen zijn (tot 2024) om door die tussenpersonen en derivaten heen te kijken, en dat daardoor de maatregel ‘in zijn praktische toepassing’ (tot 2024) beperkt zou zijn tot ‘evidente gevallen’ van dividend stripping. Hij stelde dus geen normatieve beperking (alleen ‘evidente’ gevallen), maar constateerde een praktische beperking omdat de Inspecteur alleen in meer evidente gevallen in het bewijs zou slagen. ‘Evident’ is dus geen vereiste, maar een gevolg: als de inspecteur slaagt in het bewijs van dividend stripping, is het daarmee een ‘evident geval’. Nu het Hof de inspecteur in het bewijs geslaagd achtte, gaat het in casu dus om een ‘evident’ geval.
De vragen of dividend indirect (deels) ten goede komt aan minder verrekeningsgerechtigden en of die een vergelijkbare positie in dezelfde (soort) aandelen houden, zijn feitelijke vragen die in cassatie niet onderzocht kunnen worden. Onderzocht kan slechts worden of ‘s Hofs antwoord voldoende gemotiveerd is. Ik meen dat dat het geval is. Het Hof heeft de argumenten en bewijsmiddelen minutieus onderzocht en die van de inspecteur overtuigender geacht dan die van de belanghebbende. Zijn oordeel dat, behoudens tegen-bewijs, de prijsstelling van de futures erop wijst dat het om dezelfde en minder verrekenings-gerechtigde wederpartijen gaat, acht ik niet onbegrijpelijk. Het Hof heeft bewijsrechtelijk terecht geoordeeld dat het aan de belanghebbende was om het uit de bewijsmiddelen oprijzende vermoedens van minder verrekeningsrecht en positiebehoud te ontzenuwen.
Ad 1 en 2: (de verhouding tussen art. 25(2) Wet Vpb en fraus legis ; wie is ‘degene die’?): Hoewel de buitenlandse groepsvennootschap de aandelen cum dividend heeft gekocht en de futeres heeft verkocht, heeft het Hof de belanghebbende aangemerkt als ‘degene die’ de tegenprestatie jegens de wederpartijen heeft verricht, op twee gronden: (i) de aandelenkoop is onlosmakelijk verbonden met een eerdere long positie van de belanghebbende die door binnengroepse hedging met een short positie of netting door de financierende bank geen dividendrecht meer droeg, reden waarom zij opnieuw dividendgerechtigd wilde worden; (ii) het gaat evident om dividend stripping met ‘bedrijfsmodelmatige’ speculatie op grammaticale uitleg van art. 25(2) Wet Vpb door een gekunstelde ‘knip’ tussen de buitenlandse groepsvennootschap en de belanghebbende.
De eerste grond overtuigt mij niet. Uit de feiten volgt niet dat belanghebbendes eerdere long positie, die géén dividendrecht omvatte, onderdeel was van de stripping. De stripping zit in de latere samenhangende aandelenaankoop en futuresverkoop. Dan lijkt mij minder relevant welk verband – if any - bestaat met die eerdere positie, die geen strip-gelegenheid bood.
De tweede grond leidt het Hof naar een uitleg naar doel en strekking van van art. 25(2) Wet Vpb, maar hij gebruikt daarbij fraus legis-terminologie en hij verwijst naar HR BNB 2024/52, waarin u fraus art. 10a Wet Vpb aannam. Toerekening van de samenhangende aandelenkoop en futuresverkoop aan de belanghebbende lijkt mij niet mogelijk op basis van uitleg van art. 25(2) Wet Vpb, dat eist dat ‘de belastingplichtige’ (de belanghebbende) de tegenprestatie levert. Dat is niet het geval. Ik zie geen wettelijke basis voor substitutie van rechts-handelingen of personen binnen groepen of vereenzelviging van groepvennoot-schappen die geen fiscale eenheid zijn. Pas sinds 2024 kunnen samenhangende transacties van verbonden partijen worden toegerekend aan de belastingplichtige. Verandering van feiten, personen of rechtshandelingen kan mijns inziens in casu alleen bereikt worden met fraus legis. Het Hof meent dat uitleg naar doel en strekking al tot weigering van verrekening leidt en baseert zich kennelijk alleen subsidiair op fraus art. 25(2). Dat subsidiaire oordeel lijkt mij juist, nu uit ‘s Hofs vaststellingen volgt dat aan de toepassingsvoorwaarden van fraus art. 25(2) Wet Vpb is voldaan. Het Hof acht immers bewezen dat belanghebbendes groep ‘oogmerkelijk’ opbrengstrecht en tegenprestatie gekunsteld uit elkaar heeft gespeeld om art. 25(2) Wet Vpb te frustreren in strijd met diens doel en strekking, en hij constateert een ‘ontgaansmotief’, ‘gekunsteld inlassen’, ‘zonder dat (...) een ander doel dan het ontgaan van artikel 25[2, 2e volzin] aannemelijk is geworden’ en ‘volstrekt kunstmatige constructies’. Ook zijn beroep op HR BNB 2024/52 (fraus art. 10a Wet Vpb) impliceert fraus art. 25(2) Wet Vpb. Feitelijk achtte hij bewezen dat de belanghebbende en haar groep het doorslaggevende motief hadden om een kunstmatig gecreëerd verrekeningsrecht te verkopen aan derden die daarop geen recht hadden, door gekunstelde frustratie van één van de criteria in art. 25(2) Wet Vpb; rechtskundig achtte hij het beoogde resultaat onverenigbaar met doel en strekking van die bepaling. Dat feitelijke oordeel lijkt mij geenszins onbegrijpelijk en de rechtsvraag of het beoogde resultaat in strijd komt met doel en strekking van art. 25(2) Wet Vpb lijkt mij inderdaad bevestigend beantwoord te moeten worden.
Aan dat oordeel staat niet in de weg dat u in de zaak Morgan Stanley overwoog dat art. 25(2) Wet Vpb uitputtend is in de zin dat de wetgever de rechter geen aanknopingspunten heeft gegeven om de term ‘uiteindelijke gerechtigde’ verder in te vullen. Als het door het Hof vastgestelde misbruik wordt weggedacht, valt belanghebbendes geval duidelijk onder de in de wetsgeschiedenis omschreven situaties en gegeven voorbeelden. Het misbruik bestond volgens het Hof immers juist uit het gekunsteld uit elkaar spelen van de opbrengst-gerechtigde en een groepsvennootschap die de tegenover de dividendontvangst staande tegenprestatie verricht jegens minder verrekeningsgerechtigde wederpartijen.
Ad 6 (het vrije kapitaalverkeer): de belanghebbende heeft zich bij de feitenrechters niet op het kapitaalverkeer beroepen. De cassatierechter hoeft er dan niet op in te gaan als daarvoor feitelijk onderzoek nodig is. Ik betwijfel daarom of het beroep nog aan de orde kan komen, maar ga er volledigheidshalve op in. Ik acht het ongegrond om drie redenen: (i) vergelijkbare binnenlandse wederpartijen zijn onderworpen aan Nederlandse eindheffing, zodat EU-rechtelijk slechts een kwestie bestaat als de 15%-brutobronheffing in belanghebbendes grensoverschrijdende geval hoger is dan de netto-eindheffing (na verrekening) die een vergelijkbare ingezeten uiteindelijk gerechtigde betaalt. De belanghebbende heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat in zo’n vergelijkbaar binnenlands geval de uiteindelijke Nederlandse (Vpb+Divb)belastingdruk lager is dan in haar geval. (ii) Uit onder meer HvJ C-585/22, X BV, volgt dat als een grensoverschrijdende transactie een kunstmatige constructie is om belasting te ontwijken, zoals in casu, het EU-recht juist afwijzing van beroep op EU-recht eist en niet in de weg staat aan volledige weigering van de misbruikelijk beoogde belastingvoordelen, ook niet als dat kan leiden tot dubbele heffing. Voor zoveel in casu al dubbele belasting zou ontstaan, verzet het EU-recht zich daar dus niet tegen. (iii) Weigering van verrekening is in casu niet ongerechtvaardigd of onevenredig omdat het Hof feitelijk misbruik heeft vastgesteld en (subsidiair) fraus art. 25(2) Wet Vpb heeft toegepast. Hij heeft zich (dus) verdiept in belanghebbendes individuele motieven (die misbruikelijk bleken) en haar specifieke omstandigheden (die kunstmatige dividend stripping uitwezen, in strijd met doel en strekking van art. 25(2) Wet Vpb). Als belanghebbendes behandeling al ongunstiger zou zijn, wordt dat dus gerechtvaardigd door de noodzaak van misbruikbestrijding en is de evenredigheid van weigering gegeven, nu van mechanische toepassing van (te) algemene criteria bij fraus legis geen sprake is en het EU-recht het negeren van het misbruik eist. Fraus legis impliceert (i) een volstrekt kunstmatige constructie en (ii) individuele beoordeling. Art. 25(2) Wet Vpb lijkt mij overigens ook in abstracto voldoende misbruik-targeted om de evenredigheidstoets van het HvJ te doorstaan. De stelling dat tegenbewijs door de belanghebbende uitgesloten zou zijn, is onjuist. In dit pre-2014-geval ligt de bewijslast bij de inspecteur, en ook de regeling vanaf 2024 belemmert een belastingplichtige geenszins om met elk middel rechtens uiteindelijke gerechtigdheid aannemelijk te maken.
Ik geef u in overweging belanghebbendes cassatieberoep ongegrond te verklaren en het (voorwaardelijk) incidentele cassatieberoep van de Staatssecretaris buiten behandeling te laten.
2 De feiten en het geding in feitelijke instanties
De belanghebbende was in 2012-2015 onderdeel van de [B] groep, die zich met handel in aandelen bezighield. Groepshoofd was [C] Sàrl ( [C] ), gevestigd in Luxemburg. Middellijk aandeelhouder in [C] waren, ieder voor 50%, [D] en [E] , die beiden ook managers en traders van de belanghebbende waren. Zij waren van 2010 t/m 2015 ook belanghebbendes bestuurders.
Onderdeel van de bezigheid van de [B] groep was het aangaan van long posities in aandelen met daartegenover short posities1 om op groepsniveau een hedge te bewerkstelligen en aldus haar collateralverplichting jegens de haar financierende bank te beperken. Haar transacties en dier financiering werden uitgevoerd via [F] NV ( [F] ) op basis van een master clearing agreement (MCA), een collateral agreement (CA) en een joint several liability agreement (JSLA). Die overeenkomsten maakten [F] als custodian bank bevoegd om door de [B] groep ingenomen posities te gebruiken als zekerheid voor andere groepsposities (‘netto’ te maken; netting van posities). Op groepsniveau kon aldus een hedge bestaan, en daarnaast kon [F] posities netten. Die hedge of netting kon ertoe kon leiden dat de belanghebbende niet meer dividendgerechtigd was omdat de aandelen daardoor ‘terug in de markt’ waren, zodat voor dividendgerechtigdheid de desbetreffende aandelen cum dividend op groepsniveau moesten worden bijgekocht, waarbij tegelijk futures in diezelfde aandelen ex dividend werden verkocht.
Die werkwijze hebben de belanghebbende en haar zustervennootschap [A] als volgt uiteengezet in een brief van 23 juni 2017 aan de Inspecteur:2
“The trading activities of [X] as of 2010 can be summarized through the following four trading strategies:
i. Long equity portfolio: This portfolio consists of mainly Dutch shares held for a longer period. Given that the yield of the dividend remains relatively high of such a long portfolio, it has economic merit to the extent this position is allowed under the risk framework of [F] (“ [F] ”) as per the agreement between the [B] group and [F] . This risk framework is in principle based on market risk exposure. To allow for the long position held by [X] , the [B] group will build up short positions matching [X] ’s (long) exposure. [F] will measure the market exposure of [X] taking into account all other positions of [B] Group companies. This approach is applied by [F] under the Joint and Several Liability and Guarantee (“JSL Agreement”).ii. (...).
iii. (...).
iv. (...).
The first of four strategies will be discussed further as this is the strategy through which [X] ended up with the long position on Dutch shares to which DWHT [Hof: Dutch dividend withholding tax] corresponds [X] is looking to credit, which has been subject of your questions.
Long Dutch share position of [X]
For the purpose of clarity, we will describe the long Dutch share positions of [X] through a hypothetical example. Therefore, this is not an actual position of [X] and cannot be found in any of the information and/or documentation previously made available to you. Moreover, the timing of the trades as can be found below have been simplified for ease of reference.
For a certain long Dutch share position [X] will start by buying Dutch shares, in our example these are 100 Royal Dutch Shell (“Shell”) shares. To finance said shares [X] relies on a credit line under the Master Credit Agreement (“MCA”) with [F] . The credit line with [F] is shared by several group companies and in order to mitigate [F] ’s credit risk in the case of a default of a [B] entity all companies have signed the JSL agreement which allows [F] to seize any asset of the group in case of a default by one of the trading companies. Moreover, [F] , as the custodian bank, is allowed to cover a short position of one of its clients with a suitable long position of another client.
Due to the market-to-market movement on these shares [X] will be running a daily economic risk on these shares. The amount of market exposure created by the purchase of said shares has to be covered with (cash) collateral, as calculated by the haircut correlation model applied by [F] , towards the group credit line. In order to minimize the groups collateral requirements the [B] group will typically hedge the long exposure through a short share position. The securities positions of the individual entities of the [B] group that collectively entered into the credit line facility agreement (...) are from a risk management perspective netted as one by [F] . The [B] group will elect not to reduce the collateral at the level of [X] , the Dutch entity, but at the level of its German (or Luxembourg, Swiss, etc.) group company.
As a result of the group netting discussed above, [X] will on a given ex-date either receive a dividend or a compensation payment. For [X] to receive the actual dividend payment on its Shell shares it is required for the [B] group as a whole to have a position regarding the Shell shares. For this purpose the German (or Luxembourg, Swiss, etc.) group company will buy 100 Shell shares prior to an upcoming dividend date and sell a (or several) future(s) corresponding to these 100 Shell shares which are to be unwound after dividend date. This exposure over the dividend date leads [B] group as a whole to have a position regarding (...) shares during the timeframe of buying the (...) shares and the unwinding of the corresponding future(s). (...) As a result of the above transactions by German group company [X] will receive a dividend note and 15% DWHT will be withheld and paid to the Dutch tax authorities for the risk account of [X] . (...) [X] will have received a dividend note from [F] .”
In een brief van 28 september 2017 aan de Inspecteur heeft de belanghebbende verklaard dat alle Nederlandse aandelenposities in de jaren 2011 t/m 2015 in grote lijnen op deze strategie waren gebaseerd:3
“Uitleg transactie
36. Een overzicht van alle aandelentransacties die in de periode 2011 tot en met 2015 zijn verricht, zowel bij [X] als [belanghebbende] die (in grote lijnen) voldoen aan uw hypothetische beschrijving.
Wij verwijzen naar ons antwoord op uw eerste brief (d.d. 31 januari 2017) waarin wij reeds alle handelsposities uitvoerig hebben beschreven (en daarmee onderbouwd en aangetoond dat Nederlandse bronbelasting is ingehouden). Daarbij is er tevens een apart historisch overzicht gegeven van alle transacties, die in bijna alle gevallen direct op de beurs zijn gehandeld met de beurs als tegenpartij. Deze Nederlandse aandelenposities voldoen allen (in grote lijnen) aan onze hypothetische omschrijving als in onze brief van 23 juni 2017”.
In 2012-2015 hield de belanghebbende long posities in bepaalde aandelen, door het Hof aangeduid als ‘aankoop 1’, die binnengroeps hedged werden met short posities van een buitenlandse groepsmaatschappij. De long positie werd ‘formeel’ gekocht door [C] , maar op naam van de belanghebbende geregistreerd in het desbetreffende effecten(verzamel) depot.4 [F] was bevoegd om de long positie te gebruiken voor afdekking van short posities van de groep.
Het Hof heeft op basis van verklaringen van [D] geconstateerd dat de belanghebbende ofwel door die groepshedge of ofwel door [F] ’s netting van posities geen recht meer had op de dividenden op die long positie.5 Die verklaringen luidden als volgt:
“In the case that GmbH has a short position and [X] a corresponding long position, there will be no dividend payment, so there’s a so-called flat position. GmbH had a short position and long cash and [X] has long position and short cash, because they had to pay [F] for the shares. On group level there’s a dividend of zero, because GmbH has a short position and [X] a corresponding long position. [X] would only get a dividend replacement payment of 100% through the mixer but not directly.”
en:
“Het Hof vraagt of vanaf het moment van het settelen van de short, [X] geen recht meer heeft op dividend.
Hierop verklaart [D]:
If you don’t act, you don’t get any dividends. [X] gets a 100% compensation payment, minus the shares from [I] [Hof: de GmbH]. Nothing changes for [X] . [X] just stays put and gets its money anyway. For [I] something changes.”
Dat de belanghebbende niet meer dividendgerechtigd was, zag het Hof bevestigd in belanghebbendes boven (2.3) geciteerde brief van 23 juni 2017. Daaruit heeft hij opgemaakt dat een nieuwe aankoop van aandelen (met gelijktijdige verkoop van corresponderende futures) nodig was om weer dividendgerechtigd te worden.
Die nieuwe long positie cum dividend (door het Hof ‘aankoop 2’ genoemd) werd met tussenkomst van de brokers [G] en/of [H] ingenomen door een buitenlandse groepsvennootschap die tegelijk corresponderende futures ex dividend verkocht aan dezelfde wederpartij (veelal een US bank). Ook de nieuwe long positie cum dividend werd, hoewel gekocht door de buitenlandse groepsvennootschap, op belanghebbendes naam geregistreerd in het desbetreffende effecten(verzamel)depot.6 Deze gelijktijdige en samenhangende transacties, aangeduid als exchange for physicals (EFP), werden vooraf vastgelegd (pre-arranged trades). De buitenlandse groepsvennootschap liet de betrokken brokers weten hier min of meer permanent voor in de markt te zijn, begeleid door [F] .7
De Inspecteur heeft bij de broker [G] in het Verenigd Koninkrijk (VK) een derdenonderzoek ingesteld. Op verzoek van [G] is de onderzoeksvraag beperkt tot het jaar 2015.8 Uit dat onderzoek volgde onder meer dat de wederpartijen bij aankoop 2 zonder uitzondering beperkt of niet verrekeningsgerechtigde buitenlandse partijen waren, waaronder Amerikaanse zakenbanken.9 De prijs die zij voor de futures betaalden was niet de cum-prijs verminderd met het verwachte bruto dividend, maar de cum-prijs verminderd met slechts 88% tot 92% van het verwachte dividend. Dat verschil (een opslag van 8 à 12% van het verwachte dividend op de ex-dividend-prijs) duidt volgens het Hof op betaling, door de futures-kopers, aan de buitenlandse groepsvennootschap, voor dier – en daarmee belanghebbendes – bereidheid om de waarde van hun verrekening van dividendbelasting deels (3 tot 7% van het brutodividend) te gunnen aan die futures-kopers.10 Dat het verrekeningsrecht in de prijs van de futures is ingeprijsd, ziet het Hof onder meer bevestigd in een brief van 23 maart 2018 van belanghebbendes toenmalige gemachtigde in antwoord op vragen van de Inspecteur. Die brief vermeldt over haar dividendarbitrage-strategie dat de opslag op de prijs van de futures verband zou kunnen houden met de dividendbelastingpositie van de wederpartijen:11
“Question 53
During our meeting we showed you an example (based on your email dated 11 July 2017) in which 88-92% of a dividend is included in the theoretical price for a future in a Dutch share (reference made to Appendix C). You explained that this price could be clarified given the fact that certain parties will not be able to either fully or partly credit the dividend withholding tax levied (limited/non-entitlement to credit the dividend withholding tax). The mentioned parties are therefore willing to account for a compensation between 8-12% of the dividend value; such as a higher price of the future. Is this correct? Could you provide further explanation?
Our client indicates that, in principle, it is not up to them to speculate over the actual motives of opposite parties. However, during the meeting on 19 December 2017, in light of this specific example provided by the Dutch tax authorities, our client confirmed that, theoretically, a higher future price could arise due to the fact that: (i) certain parties will not be able to either fully or partly credit the (Dutch) DWHT or (ii) there is a preference for cash over vouchers (even if the seller of the shares is entitled to a full (Dutch) DWHT reclaim).”
Ter zitting van het Hof heeft [D] bevestigd dat de prijs van de futures mede aangeeft dat de belanghebbende de dividendbelasting zal verrekenen:12
“Het Hof vraagt naar de situatie waarin [X] in de positie komt dat zij dividend krijgt. Zonder dividend is er geen recht op verrekening. In geval van een dividend vervangende betaling is er geen recht op verrekening. Om een recht op verrekening te krijgen, zo begrijpt het Hof, wordt [aankoop 2] in combinatie gedaan met de verkoop van de future. Is in die future een prijs overeengekomen die mede de mogelijkheid voor [X] om de dividendbelasting te verrekenen reflecteert?
Hierop verklaart [D]: That’s right. The pricing is different. The future is cheaper than the shares. At [I] the expensive share will be replaced by the cheaper future.””.
In haar brief van 23 maart 2018 aan de Inspecteur (zie 2.9 hierboven) heeft de belanghebbende verklaard dat transacties in Nederlandse aandelen in het buitenland werden aangegaan om weg te blijven van de Nederlandse anti-dividendstrippingregels:13
“Question 56
During our meeting we asked why the cross-border trades were necessary: the transaction (long and short position) could be carried out by one and the same entity, such as (eiseres) in the Netherlands. At first you declared that this simply is [B] Group’s business model. However, after a time-out proposed by the adviser, you declared that cross border-trades relate to the dividend withholding tax legislation. Is it correct that the cross-border trades relate to the Dutch legislation on dividend stripping? Could you elaborate further?
To manage the risks related to these (Dutch) DWHT reclaims, the Dutch trades were set up as cross-border transactions to stay away from the dividend arbitrage anti-abuse legislation (such as Dutch anti-dividend stripping regulations). If all trades were entered into in the Netherlands the transactions may possibly be perceived as potential dividend stripping transactions (emphasis on perceived)”.
Tijdens een bespreking tussen de Inspecteur en [D] heeft de laatste verklaard dat hij ten tijde van de beschreven transacties nog dacht dat dividend stripping zoals in de Morgan Stanley-zaak (HR BNB 2024/36; zie 8.1 e.v. hieronder) was toegestaan, en dat hij een probleem oploste van – hem onbekende – [G] -klanten door de verrekening van 15% dividendbelasting te verdelen, waardoor de opvolgende transacties per saldo “een rondje” waren. Het verslag van dat gesprek vermeldt:14
“FB [de Inspecteur; PJW]: Uw adviseur heeft eerder aangegeven dat de transacties fiscaal vergelijkbaar zijn met de dividendstripping in de Morgan Stanley zaak. Het Gerechtshof heeft in mei 2020 uitspraak gedaan en de Belastingdienst in het gelijk gesteld. Deze zaak heeft uitgebreid aandacht gehad in de pers.
FH [ [D] ; PJW]: In 2021 ziet de wereld er anders uit dan in 2015. Op het moment dat we de transacties uitvoerden dachten we nog dat dit toegestaan was. Ik heb een handelssysteem, en in dat systeem verschijnen er gekleurde vlakken, rood, groen en neutraal. Rood kost geld en is niet interessant en neutraal ook niet. Een groen vlak betekent dat het geld oplevert en dan doe ik de trade. Ik bel dan een broker en die doet de trade voor mij. [G] zoekt klanten, ik ken die klanten niet. De klanten hebben een probleem en dat los ik op. We verdelen de 15% dividendbelasting. Ik maak gebruik van een opportunity. Aan het einde van de dag is alles een “rondje”. [J] heeft in zijn rapport gelijk, het is allemaal een rondje. Maar het is anders dan Morgan Stanley, die kende zijn tegenpartij. Bij ons is dat niet het geval geweest. Bovendien zijn het bij ons niet dezelfde aandelen die terug geleverd worden.
(...)
Maar, Delta one trading is altijd een rondje. (...) Ik zal de rechter vertellen dat dit mijn werk is, dat ik aan delta one trading doe.”
De belanghebbende ontving in 2012-2015 dividend op haar long posities. Zij heeft de ingehouden dividendbelasting verrekend in haar Vpb-aangifte voor elk van die jaren. Ter zake van 2012 en 2013 is dividendbelasting ad € 1.270.430 respectievelijk € 965.305 aan haar teruggegeven. De Inspecteur heeft die teruggaaf echter teruggenomen bij navorderingsaanslagen van 2 december 2017 (2012) en 5 oktober 2019 (2013). Ter zake van 2014 en 2015 heeft hij verrekening geweigerd bij primitieve aanslagen van 3 november 2018 (2014) en van 28 september 2019 (2015).
Op 1 mei 2019 is de belanghebbende opgehouden te bestaan omdat zij geen zichtbare baten meer had. Een vereffenaar is niet aangewezen.
De Rechtbank Noord-Holland 15
Voor zover in cassatie nog relevant was bij de Rechtbank in geschil (i) of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken had overgelegd, (ii) of de belastingaanslagen 2013 en 2015 op de juiste wijze en daarmee tijdig zijn bekendgemaakt, (iii) of de belanghebbende opbrengstgerechtigde was en de litigieuze dividenden onderdeel waren van haar fiscale winst in de zin van art. 25(1) Wet Vpb en, zo ja, (iv) of zij ook uiteindelijk gerechtigde was tot die dividenden in de zin van art. 25(2) Wet Vpb en, zo ja, (v) of de belanghebbende desondanks geen recht op verrekening of teruggaaf van dividendbelasting had omdat zij in fraudem legis zou hebben gehandeld.
Ad (i) overwoog de Rechtbank dat tot de zaakbetrekkelijke stukken alle stukken behoren die de Inspecteur ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de geschilpunten. Zij zag geen reden om aan te nemen dat de Inspecteur meer stukken ter beschikking stonden of hadden gestaan dan de al in geding gebrachte stukken, met uitzondering van één bericht van de Inspecteur aan de broker [G] , dat zou vermelden dat zijn informatieverzoek vooralsnog beperkt was tot 2015. De Rechtbank achtte echter aannemelijk dat de Inspecteur niet meer beschikte over dat bericht en zij achtte de belanghebbende niet geschaad in haar door art. 8:42 Awb beschermde belangen. De Rechtbank heeft daarom op grond van art. 8:31 Awb geen gevolgen verbonden aan het ontbreken van dat bericht.
Ad (ii) overwoog de Rechtbank dat de aanslagen 2013 en 2015 zijn vastgesteld met dagtekening 5 oktober en 28 september 2019, terwijl de belanghebbende is ontbonden op 1 mei 2019 en haar vereffening niet is heropend. Wel kan de ontvanger sinds 1 januari 2019 een belastingaanslag bekend maken aan een rechtspersoon die is opgehouden te bestaan met toepassing van art. 8(2) IW 1990 door het aanslagbiljet te verzenden of uit te reiken aan – kort gezegd – het Openbaar Ministerie. Dat is in casu niet gebeurd: de aanslagbiljetten zijn alleen verzonden naar belanghebbendes laatst bekende adres. Dat betekent volgens de Rechtbank dat de aanslagen 2013 en 2015 niet correct zijn bekendgemaakt en dat zij beide moeten worden vernietigd omdat inmiddels de wettelijke aanslagtermijn is verstreken.
Ad (iii) overwoog de Rechtbank dat de dividendgenererende aandelen op naam van de belanghebbende waren geregistreerd en dat daaraan niet afdeed dat groepshoofd [C] het face to the market was. Dat de belanghebbende de aandelen uitgeleend zou hebben aan een buitenlandse groepsmaatschappij en vervolgens weer als aflossing op de daardoor ontstane schuld terug zou hebben ontvangen van die groepsmaatschappij voordat het dividend werd uitgekeerd, nam volgens de Rechtbank evenmin weg dat zij ten tijde van de dividenduitkering opbrengstgerechtigd was. Dat die buitenlandse groepsmaatschappij futures op soortgelijke aandelen verkocht aan een derde, waarbij de verrekende dividendbelasting werd verdeeld tussen de belanghebbende, [C] en die derde, maakte de belanghebbende geen lasthebber of vertegenwoordiger van een ander. De Rechtbank achtte de belanghebbende daarom opbrengstgerechtigde en de dividenden onderdeel van haar winst in de zin van art. 25(1) Wet Vpb.
Ad (iv) oordeelde de Rechtbank echter dat de belanghebbende niet uiteindelijk gerechtigd was tot de dividenden. Uit de wetsgeschiedenis van de term ‘uiteindelijk gerechtigde’ (‘beneficial owner’) in art. 25(2) Wet Vpb maakte zij op dat de wetgever geen uitputtende omschrijving van die term wilde geven, maar slechts bepaalde situaties wilde aangeven waarin de opbrengstgerechtigde in geen geval uiteindelijk gerechtigd is. De wetgever wilde verdere invulling aan uiteindelijke gerechtigdheid overlaten aan de rechter, die volgens de Rechtbank niet alleen moet beoordelen of de belanghebbende op de dividenddatum juridisch of economisch gerechtigd was tot de opbrengst, maar ook of haar feitelijke omstandigheden, in samenhang met die van andere vennootschappen, aan verrekening in de weg staat. De bewijslast van ontbreken van uiteindelijke gerechtigdheid heeft zij bij de Inspecteur gelegd. Die heeft volgens de Rechtbank bewezen dat een buitenlandse groepsmaatschappij cum dividend aandelen in Nederlandse vennootschappen heeft gekocht en tegelijk een future ex dividend ter zake van dezelfde aandelen is aangegaan waarbij het verwachte dividend slechts deels werd afgeprijsd in de uitoefenprijs van die future. De transacties werden met dezelfde minder verrekeningsgerechtigde wederpartijen aangegaan en via dezelfde broker [G] . Dat het onderzoek bij [G] alleen op 2015 zag, maakte volgens de Rechtbank niet uit, nu zij aannemelijk achtte dat belanghebbendes handelswijze in de jaren 2012 t/m 2015 steeds dezelfde was.
Op die basis concludeerde de Rechtbank dat het om een samenstel van transacties ging waarbij de belanghebbende het dividend genoot en de wederpartij de door haar verrekende dividendbelasting deels ontving in de prijs van de future. De Rechtbank heeft belanghebbendes stelling verworpen dat in die prijs geen ‘tegenprestatie’ als bedoeld in art. 25(2) Wet Vpb besloten lag. Dat de transacties met die wederpartij niet door de belanghebbende zelf, maar door buitenlandse groepsvennootschappen werden aangegaan, maakte dat volgens de Rechtbank niet anders omdat die rechtshandelingen volgens de Rechtbank niet los konden worden gezien van het totale samenstel van transacties.
De Rechtbank concludeerde dat de belanghebbende geen recht heeft op verrekening of teruggaaf van de in 2012 en 2014 ingehouden dividendbelasting op het desbetreffende dividend. De subsidiaire stelling van de fiscus dat het om fraus legis gaat, kwam daardoor niet meer aan snee. De Rechtbank heeft het beroep tegen de aanslagen 2012 en 2014 ongegrond verklaard, het beroep tegen de aanslagen 2013 en 2015 gegrond verklaard en die laatste twee aanslagen vernietigd.
Het Gerechtshof Amsterdam 16
Ook bij het Hof was in geschil (i) of de belastingaanslagen 2013 en 2015 correct en daarmee tijdig zijn bekendgemaakt, (ii) of de belanghebbende recht heeft op verrekening van de litigieuze dividendbelasting en (iii) of de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.
Ad (i)17 is het Hof ervan uitgegaan dat de belanghebbende een turboliquidatie wilde, waarvoor art. 2:19(4) BW eist dat zij op het tijdstip van ontbinding geen baten meer heeft. Het Hof achtte echter aannemelijk dat zij op dat tijdstip nog beschikte over aanzienlijke baten, nl. een door haar gesteld recht op verrekening van dividendbelasting en daarmee een vordering op Nederland en Luxemburg ter zake van dividendbelasting. Hoewel op 1 mei 2019 niet onherroepelijk vaststond dat zij die verrekeningsrechten had, kon zij er volgens het Hof niet van uitgaan dat zij geen baten meer zou hebben. Dit wordt niet anders doordat de Inspecteur verrekening van Nederlandse dividendbelasting betwistte, nu ook potentiële baten baten zijn als bedoeld in art. 2:19(4) BW, met name als zij van substantiële omvang zijn en de kans op verwezenlijking niet verwaarloosbaar is. Dat zo zijnde, is ten onrechte uitgegaan van een turboliquidatie en is de belanghebbende na 1 mei 2019 blijven bestaan, aldus het Hof. Alle belastingaanslagen zijn dan correct en tijdig bekendgemaakt.
Ad (ii) is het Hof ervan uitgegaan dat de dividendgenererende aandelen ten tijde van de dividenduitkering op belanghebbendes naam geregistreerd waren in een verzameldepot en dat zij daarom de opbrengstgerechtigde was.
Ook het Hof achtte de belanghebbende echter niet uiteindelijk gerechtigd zoals bedoeld in art. 25(2) Wet Vpb. Hij baseerde dat op de wetsgeschiedenis en op HR BNB 2024/36 (Morgan Stanley; zie 8.1 e.v. hieronder). Uit die wetsgeschiedenis leidde hij af dat art. 25(2) Wet Vpb is gericht tegen evidente gevallen van dividend stripping waarin met een samenstel van transacties de adressant van het recht op verrekening, teruggaaf of vermindering van dividendbelasting wordt gemanipuleerd. Het Hof heeft de criteria voor toepassing van art. 25(2) Wet Vpb nagelopen, dat als uiteindelijk gerechtigde diskwalificeert (zie 5.1 hieronder) ‘degene die’ in samenhang met het door haar genoten dividend een tegenprestatie verricht als onderdeel van een samenstel van transacties waarbij (a) het dividend feitelijk (deels) ten goede komt aan een minder verrekeningsgerechtigde, (b) wiens positie in de desbetreffende aandelen niet wezenlijk wijzigt door het samenstel van transacties. Volgens het Hof is de belanghebbende zowel naar de tekst van art. 25(2) Wet Vpb als naar diens doel en strekking ‘degene die (...) een tegenprestatie heeft verricht’ in de zin van die bepaling. Hij realiseerde zich dat dat volgens de tekst niet direct het geval lijkt, omdat niet de belanghebbende, maar de buitenlandse groepsvennootschap de EFP (‘aankoop 2’) aanging, maar het Hof achtte de EFP onlosmakelijk verbonden met belanghebbendes eerdere long positie (‘aankoop 1’) en haar wens om (opnieuw) dividendgerechtigd te worden, zodat zij daarom toch beschouwd kan worden als ‘degene die’ een tegenprestatie verricht tegenover het ontvangen dividend.
Ook zag het Hof belanghebbendes geval als evidente dividend stripping zoals bedoeld in de wetsgeschiedenis, omdat zij bedrijfsmodelmatig speculeerde op grammaticale uitleg van art. 25(2) Wet Vpb door kunstmatig een ‘knip’ aan te brengen tussen de buitenlandse groepsvennootschap die de EFP aanging en haarzelf als dividendontvangster. Voor zover zij in die omstandigheden al rechtszekerheid zou kunnen ontlenen aan de wettekst, komt die haar in casu niet toe omdat in haar geval van evidente dividend stripping uitleg naar doel en strekking van de wet prevaleert. Dat wordt volgens het Hof niet anders door uw overweging in HR BNB 2024/36 (Morgan Stanley; zie 8.1 e.v. hieronder) dat art. 25(2) Wet Vpb een uitputtende regeling is. Die uitputting betekent volgens het Hof slechts dat gevallen buiten de reikwijdte van art. 25(2) Wet Vpb daar niet binnen kunnen worden gebracht, maar sluit niet uit dat volstrekt kunstmatige constructies waarmee de toepassingsvoorwaarden van die uitputtende regeling kunstmatig worden ontgaan, zoals de genoemde ‘knip’, worden gepasseerd met een uitleg naar doel en strekking van de wet. Het Hof zag daarvoor steun in r.o. 4.3.5 van HR BNB 2024/52 (zie 8.14 hieronder) over het kunstmatig ontgaan van een toepassingsvoorwaarde (het verbondenheidscriterium) van de antimisbruikregeling in art. 10a Wet Vpb (tegen winstdrainage).
De door art. 25(2) Wet Vpb vereiste tegenprestatie van de belanghebbende was volgens het Hof de korting in de prijs van de future ten opzichte van de prijs voor de aandelen cum dividend. In de prijs van de future was een vergoeding ingeprijsd overeenkomende met het netto dividend verhoogd met slechts een deel van de ingehouden dividendbelasting. Die vergoeding hing samen met het door de belanghebbende genoten dividend omdat de EFP voor de belanghebbende noodzakelijk was en zij de aandelen kreeg toegerekend. Het Hof zag aldus een samenstel van transacties dat het dividend deels en indirect ten goede deed komen aan buitenlandse, minder verrekeningsgerechtigde partijen die via de futures hun posities in de desbetreffende aandelen behielden. Dat die wederpartijen minder verrekeningsgerechtigd waren dan de belanghebbende blijkt volgens het Hof uit de prijsstelling van de futures, die aannemelijk maakt dat de betrokken zakenbanken of hun cliënten niet of beperkt verrekeningsgerechtigd waren.
Ook het Hof achtte de derdenonderzoeksgegevens over 2015 mede representatief voor 2012-2014 omdat belanghebbendes ransacties in eerdere jaren niet anders waren dan in 2015, gezien de constante modus operandi van de groep.
Het Hof achtte de Inspecteur aldus geslaagd in het bewijs dat aan de toepassings-voorwaarden van art. 25(2) Wet Vpb was voldaan en concludeerde dat de belanghebbende niet uiteindelijk gerechtigd was tot de dividenden en daarom geen recht had op verrekening van de dividendbelasting.
Het Hof heeft – anders dan de Rechtbank - niet overwogen dat fraus legis dan niet meer aan de orde komt en zijn rechtskundige oordeel is ook nogal hybride: het lijkt enerzijds teleologische uitleg van art. 25(2) Wet Vpb, maar roept ook sterk het beeld op van toepassing van fraus legis, nl. fraus art. 25(2) Wet Vpb, door antificale gekunstelde omzeiling van één van de toepassingsvoorwaarden van die bepaling.
Ad geschilpunt (iii) heeft het Hof geoordeeld dat alle zaakbetrekkelijke stukken zijn overgelegd. Het gestelde ontbreken van stukken inzake een vaststellingsovereenkomst schendt belanghebbendes procesbelang niet omdat die stukken volgens het Hof niet relevant kunnen zijn voor het geschil.
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd ter zake van 2012 en 2014, die uitspraak vernietigd ter zake van 2013 en 2015 en belanghebbendes hoger beroep ongegrond verklaard.
3 Het geding in cassatie
De belanghebbende heeft tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend en daarnaast voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. De partijen hebben elkaar in het principale beroep van re- en dupliek gediend. De belanghebbende heeft het voorwaardelijk incidentele beroep schriftelijk beantwoord, waarna de partijen elkaar ook in het incidentele cassatieberoep van re- en dupliek hebben gediend.
Principaal cassatieberoep (de belanghebbende)
De belanghebbende zegt zich te realiseren dat u geen feitenrechter bent, maar begint met 7 pagina’s feiten over haar bedrijfsvoering. Volgens haar heeft de initiële long positie haar depot nooit verlaten omdat het matching algoritme van de clearing-omgeving van [F] tot dekking van de short positie van de buitenlandse groepsvennootschap eerder aandelen van andere, willekeurige klanten zou gebruiken dan van de belanghebbende. Zij stelt dat de posities van aankoop 2 niet zijn aangegaan met dezelfde wederpartij, althans dat dat niet is vastgesteld. De buitenlandse groepsvennootschap [I] GmbH heeft de long positie verworven via de executing broker [G] en was niet bekend met de uiteindelijke wederpartij, terwijl de aandelen van het depot van de verkoper naar het depot van [I] GmbH zijn overgeschreven. De verkoop van futures verloopt zelfs via zes tussenliggende partijen en volgens de belanghebbende heeft [I] GmbH civielrechtelijk verkocht aan een centrale wederpartij, niet aan de uiteindelijke koper. Uit bijlage 1 bij het controlerapport van 1 februari 2021 blijkt volgens de belanghebbende dat [I] GmbH in een bepaald geval aandelen kocht van [K] terwijl een future werd aangegaan met [L] . Ten slotte wijst de belanghebbende op haar niet-fiscale redenen voor dividendarbitrage. Verkoop van aandelen tegen koop van futures is zakelijk als cash nodig is én kan lucratief zijn als de prijs van een aandeel ver boven de prijs van de future ligt. Daarnaast kan verkoop van aandelen tegen koop van futures uit oogpunt van risicomanagement zakelijk zijn omdat niet gegarandeerd is dat een aangekondigd dividend in de aangekondigde omvang wordt betaald, zoals bijvoorbeeld in 2010 het geval was bij [M] , dat besloot toch geen dividend uit te keren na de olieramp in de Golf van Mexico.18 Steun voor de zakelijkheid van dividendarbitrage ziet de belanghebbende in een uitspraak van het Hof Amsterdam19.
De belanghebbende stelt 15 cassatiemiddelen voor, met veel motiveringsklachten. Ik vat de middelen samen, maar behandel hen slechts waar zij rechtskundige of gemengde oordelen bestrijden.
Middel I stelt verkeerde feitenvaststelling inzake de long en short posities omdat belanghebbendes initiële long positie haar depot nooit zou hebben verlaten, gegeven de gestelde werkwijze van [F] . Ook ’s Hofs oordeel dat aankoop 2 voor de belanghebbende noodzaak zou zijn, acht zij daarom onjuist. Middel II stelt verkeerde feitenvaststelling inzake de EFP omdat (i) de futures in cash werden afgewikkeld, zodat geen physical exchange plaatsvond en (ii) gegeven belanghebbendes werkwijze, niet is aangetoond dat de posities ex aankoop 2 zijn aangegaan met dezelfde wederpartij.
De middelen III t/m VIII klagen over ’s Hofs toepassing van elk van de criteria in art. 25(2) Wet Vpb, dus van de termen ‘tegenprestatie’, ‘degene die’, ‘samenstel van transacties’, ‘een vergelijkbare positie in aandelen wordt behouden of verkregen’, en ‘een buitenlandse, beperkt verrekeningsgerechtigde partij’. Het gaat wezenlijk veelal om motiveringsklachten. Rechtskundig is alleen het volgende relevant.
De ‘tegenprestatie’ die de belanghebbende levert, kan volgens middel III niet bestaan uit de korting die de wederpartij krijgt door inprijzing van dividendbelastingverrekening in de prijs die die partij betaalt voor de future. Het gaat om een transactie tussen onafhankelijke partijen, zodat de prijsstelling per definitie zakelijk is en de belanghebbende per saldo niet ‘te veel’ vergoedt. De belanghebbende verwijst naar r.o. 4.7 van een uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 23 januari 2025 (zie 8.12 hieronder).
Middel IV acht ’s Hofs uitleg van de term ‘degene die’ rechtens onjuist omdat hij transacties van [I] GmbH (de buitenlandse groepsvennootschap) vereenzelvigt of combineert met transacties van de belanghebbende. Daarmee wordt de facto op concernniveau beoordeeld of sprake is van het vereiste ‘samenstel van transacties,’ hoewel art. 25 Wet Vpb het pas sinds 1 januari 2024 mogelijk maakt om transacties van verbonden personen toe te rekenen aan de belastingplichtige.
Ook middel V bestrijdt ’s Hofs uitleg van de term ‘degene die’. Volgens dit middel prevaleert de tekst van art. 25(2) Wet Vpb boven diens mogelijke doel en strekking omdat het om een antimisbruikbepaling gaat. Met verwijzing naar literatuur en rechtspraak betoogt de belanghebbende dat bij een antimisbruikbepaling de tekst van de wet van uitzonderlijk gewicht is en dat alleen als grammaticale interpretatie niet tot een bepaalde uitkomst noopt, andere interpretatiemethoden kunnen worden gehanteerd. Volgens de tekst van art. 25(2) Wet Vpb is ‘degene die’ de tegenprestatie verricht de persoon die niet als uiteindelijk gerechtigde wordt beschouwd. Het Hof heeft zelf overwogen dat niet de belanghebbende, maar een buitenlandse groepsvennootschap de EFP is aangegaan, zodat de belanghebbende volgens de tekst van de wet niet is ‘degene die’ een tegenprestatie heeft verricht jegens derden, zodat zij evenmin gediskwalificeerd kan worden als uiteindelijk gerechtigde. ’s Hofs andersluidende oordeel acht de belanghebbende rechtskundig onjuist.
Volgens middel VI moet het bestaan van ‘een samenstel van transacties’ worden bezien vanuit de positie van de (gesteld niet-verrekeningsgerechtigde) verkoper van de aandelen. De Inspecteur heeft niet aangetoond dat de wederpartij van de aandelenkoop en die van de futuresverkoop dezelfde zijn, waardoor die transacties op zichzelf staan en ’s Hofs oordeel dat zich het vereiste ‘samenstel van transacties’ voordoet onjuist of onbegrijpelijk is.
Op dezelfde grond acht middel VII ook onjuist of onbegrijpelijk ’s Hofs oordeel dat de wederpartij ‘een vergelijkbare positie in de aandelen hebben behouden of verkregen’.
Ook middel VIII wraakt het ontbreken van de volgens de belanghebbende voor toepassing van art. 25(2) Wet Vpb vereiste identificatie van de kopers van de futures. Het Hof heeft uit de prijs die de kopers van de futures betalen, afgeleid dat zij in een slechtere verrekenings-positie verkeren dan de belanghebbende en hij heeft daarom in het midden gelaten of de futures kopende buitenlandse zakenbanken voor zichzelf of voor anderen optraden. Volgens de belanghebbende had het Hof echter de achterliggende partijen moeten identificeren om hun verrekeningspositie te beoordelen. Volgens de wetsgeschiedenis moet vergeleken worden tussen de belastingdruk op een hypothetische dividendbetaling aan die partijen en de belastingdruk op de werkelijke uitkering aan de belastingplichtige. Zonder identificatie van die partijen kan die rechtens vereiste vergelijking niet plaatsvinden, aldus de belanghebbende.
Middel IX stelt dat de onderzoeksbevindingen van de fiscus voor 2015 niet representatief zijn voor transacties in andere jaren, onder meer niet omdat de kopers van de futures niet zijn geïdentificeerd.
Middel X constateert dat volgens de wetsgeschiedenis art. 25(2) Wet Vpb alleen geldt in ‘evidente’ gevallen van dividend stripping en stelt dat daarvan in casu geen sprake is. Dat volgt volgens de belanghebbende uit het feit dat de zaak die nu aan u wordt voorgelegd, voor de wetgever aanleiding was om art. 25(2) Wet Vpb aan te scherpen. Pas sinds 1 januari 2024 vallen daardoor ook transacties aangegaan door verbonden partijen onder het te beoordelen ‘samenstel van rechtshandelingen’ (zie ook middel IV in 3.7 hierboven). De wetgever heeft die wijziging doorgevoerd omdat daarover in de praktijk discussie bestond. Daaruit volgt dat belanghebbendes geval, waarin een buitenlandse groepsvennootschap is betrokken, geen ‘evident’ geval is. Het Hof heeft bovendien ten onrechte vermeende subjectieve bedoelingen relevant geacht, zoals blijkende uit door hem gebruikte termen als ‘oogmerkelijk’, ‘intentie’ en ‘ontgaansmotief’, hoewel uit de wetsgeschiedenis volgt dat oogmerken irrelevant zijn.
Onbewustheid van stripping acht de belanghebbende daarentegen wel relevant. Middel XI stelt dat, gegeven de ratio van art. 25(2) Wet Vpb, die bepaling niet bedoeld is voor belanghebbendes geval omdat (i) de belanghebbende zich niet bewust was van dividend stripping door anderen, (ii) de belanghebbende een koersrisico op haar long positie liep, ongeacht eventuele afdekking daarvan op groepsniveau, en (iii) de belanghebbende geen zaken deed met de volgens het Hof uiteindelijk gerechtigde wederpartijen bij de EFP.
Middel XII betoogt dat uit HR BNB 2024/36 volgt dat art. 25(2) Wet Vpb uitputtend bedoeld is, zodat het Hof die bepaling niet zo extensief kon uitleggen als hij deed. Het Hof miskent met zijn verwijzing naar HR BNB 2024/52 (waarin fraus art. 10a Wet Vpb werd aangenomen; zie 8.14 hieronder) dat u in HR BNB 2012/21320 expliciet heeft geoordeeld dat art. 10a Wet Vpb géén uitputtende regeling bevat, terwijl dat bij art. 25(2) Wet Vpb wél het geval is. Ook het gegeven dat de wetgever alleen ‘evidente’ gevallen wilde bestrijden, pleit tegen extensieve uitleg.
Middel XIII stelt dat art. 25(2) Wet Vpb de EU-rechtelijke vrijheid van kapitaalverkeer schendt omdat interne en grensoverschrijdende gevallen zonder rechtvaardiging verschillend worden behandeld. Die gevallen zijn volgens de belanghebbende objectief vergelijkbaar zowel naar doel als voorwerp en inhoud van art. 25(1) Wet Vpb, nl. voorkoming van dubbele belasting. Voor toegang tot het vrije kapitaalverkeer is grensoverschrijdende (economische) activiteit nodig. Uit HvJ Xella Magyarország21 volgt dat die zich voordoet als een nationale bepaling wordt toegepast op een grensoverschrijdend element in de structuur, zoals in casu doordat art. 25(2) Wet Vpb wordt toegepast mede op de transacties van [I] GmbH (de buitenlandse groepsvennootschap). Hoewel art. 25(2) Wet Vpb geen onderscheid maakt naar nationaliteit of inwonerschap, benadeelt het de facto alleen grensoverschrijdende situaties. De beweerdelijk strippende buitenlandse wederpartijen bij de EFP kunnen door art. 25(1) Wet Vpb geen dividendbelasting verrekenen, terwijl in Nederland gevestigde wederpartijen dat wel kunnen. Ook wordt de belanghebbende dubbel belast als over het door haar ontvangen dividend Vpb wordt geheven en de ingehouden dividendbelasting niet mag worden verrekend. De belanghebbende acht die belemmering niet gerechtvaardigd omdat art. 25(2) Wet Vpb volgens haar niet specifiek is gericht op volstrekt kunstmatige constructies bedoeld om belasting te ontwijken, onder meer omdat geen tegenbewijs mogelijk is. De belanghebbende acht toepassing van art. 25(2) Wet Vpb ook niet evenredig omdat die volgens haar verder gaat dan nodig om overall het Nederlandse belastingniveau te realiseren.22
Middel XIV bestrijdt in twee onderdelen dat de aanslagen 2013 en 2015 correct en tijdig zijn bekendgemaakt: (a) ’s Hofs oordeel dat er baten waren op 1 mei 2019 is niet begrijpelijk. Het recht op verrekening van Nederlandse dividendbelasting kan geen bate zijn want ter zake van 2013 was dat recht al verleend vóór belanghebbendes ontbinding, en ter zake van 2015 is dat recht ná dat tijdstip geweigerd. Ook het recht op verrekening van Luxemburge dividendbelasting kan geen bate zijn. Het bestaan ervan volgt althans niet uit de geding-stukken waar het Hof het op baseert. Daaruit blijkt juist dat de belanghebbende geen baten had; (b) het Hof miskent dat een later blijkende bate, zoals een verrekeningsrecht, meebrengt dat de vereffening moet worden heropend, maar niet dat de belanghebbende niet is ontbonden en zou zijn blijven bestaan.
Volgens Middel XV miskent het Hof dat de Inspecteur ook stukken die hem niet meer ter beschikking staan moet inbrengen. Uit HR BNB 2018/16423 leidt de belanghebbende af dat ook stukken die hem ter beschikking hebben gestaan zaakbetrekkelijke stukken zijn. Zij wijst ook op HR BNB 2022/5824, waaruit zij afleidt dat het Hof had moeten onderzoeken of de Inspecteur over de stukken beschikte. Zo ja, dan had de Inspecteur die moeten verstrekken.
Verweer principaal (de Staatssecretaris)
Volgens de Staatssecretaris bestrijdt de belanghebbende feitelijke oordelen die in cassatie niet met vrucht bestreden kunnen worden en voert zij bovendien selectief feiten aan, soms zelfs haaks op feiten zij eerder zelf als vaststaand heeft ingebracht.
Ook de Staatssecretaris acht de feiten van zodanig belang dat hij er vrij diep op ingaat. [C] deed volgens hem aankoop 1 en rekende die long positie toe aan de belanghebbende, terwijl [C] tegelijkertijd eenzelfde pakket aandelen bezitloos verkocht en die short positie toerekende aan haar Duitse groepsvennootschap [I] GmbH. De custodian bank [F] kwam [I] ’s uit die short positie voortvloeiende leveringsverplichting na met de aan de belanghebbende toegerekende aandelen. Daarna had de belanghebbende een vordering op [F] en GmbH een even grote schuld aan [F] , beide luidend in aandelen. De aandelen waren terug in de markt en als er een dividend op zou worden uitgekeerd, zou [I] GmbH over haar aandelenschuld aan [F] een dividendvervangende betaling aan [F] moeten doen ter grootte van dat (bruto)dividend, terwijl de belanghebbende dezelfde dividendvervangende vergoeding van [F] kon vorderen, aldus de Staatssecretaris. Om te voorkomen dat [I] GmbH moest betalen zonder zelf dividend te ontvangen, moest de groep de desbetreffende aandelen weer in bezit krijgen, zodat [I] GmbH met die aandelen haar schuld aan [F] kon aflossen. Daarom ging [C] vlak voor dividenddatum de EFPs aan met de UK banken (aankoop long positie cum dividend en verkoop futures ex dividend), die zij toerekende aan [I] GmbH. Voor [I] GmbH zou dit voorzienbaar tot een verlies leiden, nl. het verschil tussen de hogere aankoopsom van de long positie cum dividend en de lagere verkoopopbrengst van de futures ex dividend. Door de EFP kon [I] GmbH wel haar schuld aan [F] voldoen, waardoor [F] weer aandelen kon aanhouden voor de belanghebbende en op dividenddatum een nettodividend met dividendnota kon ontvangen. Daardoor werd uiteindelijk op groepsniveau winst gemaakt op het samenstel van transacties, aldus de Staatssecretaris.
Ik behandel ook het verweer van de Staatssecretaris slechts voor zover van belang voor de beoordeling van rechtskundige of gemengde oordelen.
De Staatssecretaris acht ad middel III ’s Hofs oordeel over de tegenprestatie deugdelijk gemotiveerd. Wel meent hij dat de omvang van de tegenprestatie onjuist is vastgesteld, niet – zoals de belanghebbende meent – doordat er een onzakelijk element in zou zitten, maar omdat belanghebbendes tegenprestatie al in de koopsom van de long positie cum dividend zit; volgens hem volgt dat ook uit de r.o. 5.20.1 en 5.23 van het Hof. Het Hof heeft volgens hem ten overvloede maar onjuist overwogen dat de netto tegenprestatie moet worden bepaald op basis van de aandelenprijs cum dividend tezamen met de futures-prijs ex dividend (r.o. 5.19.3). De Staatssecretaris meent dat de wederpartijen als tegenprestatie het meeverkochte brutodividend vrij van dividendbelasting hebben verkregen en dat zij daarom bereid waren meer te betalen voor de futures en dat dat meerdere een vergoeding was voor belanghebbendes belastingbesparende dienstverlening. De Staatssecretaris wijst op HR BNB 2017/164 (exploitatie Bosal-gat) in welke zaak hij hetzelfde feitenpatroon ziet.25 Hij ziet geen grond voor het in mindering brengen van de vergoeding voor belanghebbendes fiscale dienstverlening op wat hij ziet als de werkelijke tegenprestatie: de vooruitbetaling van het dividend als onderdeel van de prijs van de long positie cum dividend. De Staatssecretaris wijst erop dat de bepaling van de ‘tegenprestatie’ ook van belang is voor de beoordeling van principaal middel XIII (beroep op EU-recht) en incidenteel middel I over het grondslagvereiste in art. 25(1) Vpb (zie 3.41 hieronder).
Bepaling van de ‘tegenprestatie’ acht de Staatssecretaris ook noodzakelijk voor de beoordeling van de middelen IV en V over de term ‘degene die’, en van zijn verweer daartegen.
Als u ’s Hofs oordeel volgt dat de belanghebbende ‘degene’ is die de ‘tegenprestatie’ heeft verricht, dan onderschrijft de Staatssecretaris ’s Hofs oordeel dat de tegenprestatie zit in de EFP-transacties die de buitenlandse groepsvennootschap (volgens de Staatssecretaris [C] ) aanging met – volgens de Staatssecretaris – de “in het VK gevestigde zakenbanken”.
Als u ’s Hofs oordeel over ‘degene die’ niet volgt, dan nog acht de Staatssecretaris de belanghebbende niet de uiteindelijk gerechtigde. Hij meent dat in dat geval de tegenprestatie niet zit in de vooruitbetaling van de waarde van het verwachte dividend aan de zakenbanken, maar in belanghebbendes doorbetaling van het dividend aan [I] GmbH door de netting van groepsposities op basis van de contractuele afspraken tussen [F] en de [B] groep. De belanghebbende is dan ‘degene die’ een ‘tegenprestatie’ levert aan [I] GmbH, die minder verrekeningsgerechtigd is en die na toerekening van de nieuwe long positie aan de belanghebbende haar belang bij die positie behield doordat [I] GmbH wist dat contractueel de gekochte long positie zou worden gebruikt om haar leveringsverplichting uit hoofde van de futures te voldoen.
Ad de verrekeningspositie van de banken of dier klanten en de representativiteit van 2015- transacties voor eerdere jaren (middelen VIII en IX) betoogt de Staatssecretaris dat rechtskundig de wederpartijen niet geïdentificeerd hoeven te worden om hun verrekening-positie bij specifieke transacties te beoordelen. Aannemelijk hoeft slechts te worden gemaakt dat die wederpartijen minder verrekeningsgerechtigd zijn; dat heeft de Inspecteur gedaan.
Nu het Hof heeft geoordeeld dat aan alle toepassingsvoorwaarden van art. 25(2) Wet Vpb is voldaan, gaat het volgens de Staatssecretaris om een evident geval van dividend stripping, zodat zijns inziens ook middel X strandt. De strategie van belanghebbendes groep bestaat er volgens hem uit dat aan een evident dividendstrippend samenstel van transacties nog wat economisch betekenisloze transacties worden toegevoegd om daarmee te verdedigen dat er dan geen sprake zou zijn van een evident dividendstrippend samenstel van transacties.
Middel XII (te extensieve interpretatie van art. 25(2) Wet Vpb) berust volgens hem op verkeerde lezing van ’s Hofs oordeel. Het Hof heeft volgens hem geen wetsontduiking aangenomen, maar art. 25(2) teleologisch uitgelegd. De Staatssecretaris begrijpt uw term ‘uitputtend’ in HR BNB 2024/36 aldus dat uiteindelijke gerechtigdheid alleen getoetst wordt aan de zeven criteria in die bepaling; niet dat elk criterium grammaticaal moet worden uitgelegd. Het Hof heeft art. 25(2) Wet Vpb zijns inziens correct teleologisch uitgelegd.
De vrijheid van kapitaalverkeer (middel XIII) wordt volgens de Staatssecretaris niet belemmerd door weigering van verrekening. Primair heeft de belanghebbende zijns inziens geen toegang tot het EU-recht omdat zij poogt misbruik van recht te maken. Subsidiair bestrijdt hij de gestelde belemmering van grensoverschrijdend kapitaalverkeer omdat art. 25(2) Wet Vpb ook geldt bij transacties met binnenlandse minder verrekeningsgerechtigde wederpartijen en geen verkapt onderscheid maakt tussen interne en grensoverschrijdende situaties. Uit het beslissende belang dat het Hof hecht aan de futures-prijsstelling volgt dat zijn oordeel hetzelfde was geweest als de banken Nederlands zouden zijn geweest. De belanghebbende wordt ook niet dubbel belast: tegenover het dividend staat een even grote waardedaling van de door haar te leveren aandelen ex dividend; zij wordt slechts (éénmaal) belast voor de fee voor haar fiscale dienstverlening.
Als u toch een verkapt onderscheid ziet, meent de Staatssecretaris meer subsidiair dat (i) de belanghebbende objectief verschilt van uiteindelijk gerechtigden omdat het dividend niet in haar heffingsgrondslag valt; daarin valt alleen de genoemde fee en (ii) het onderscheid gerechtvaardigd wordt door de noodzaak misbruik te bestrijden. Art. 25(2) Wet Vpb treft zijns inziens alleen volstrekt kunstmatige constructies zoals bedoeld in HvJ Nordcurrent group26 en HR BNB 2025/95, nu het is gericht tegen evidente gevallen van dividend stripping.27 Uit punt 118 van HvJ T Danmark en Y Denmark28 volgt dat evidente dividend stripping misbruik van recht is, ongeacht of de inspecteur aannemelijk weet te maken wie dan wél de uiteindelijk gerechtigde is.
Als art. 25(2) Wet Vpb op regelniveau niet gerechtvaardigd zou zijn door de noodzaak van misbruikbestrijding, meent de Staatssecretaris meest subsidiair dat dat niet uitsluit dat EU-recht in concreto buiten toepassing moet blijven als aan de criteria van het HvJ voor rechtsmisbruik is voldaan, nu de lidstaten EU-rechtelijk verplicht zijn misbruik van recht te voorkomen. De Staatssecretaris verwijst naar r.o. 3.3 van HR BNB 2009/26229 en de punten 45 en 47 van HvJ Nordcurrent group en punt 97 van HvJ T Danmark en Y Denmark. Het Hof heeft in r.o. 5.20.3, 5.20.4 en 5.15.17 geoordeeld dat (i) het motief voor het samenstel van rechtshandelingen lag in ontwijking van art. 25(2) Wet Vpb, (ii) verrekening evident in strijd zou komen met het doel van die bepaling en (iii) het samenstel van rechtshandelingen gekunsteld was, en zinloos zonder belanghebbendes (verrekenings)betrokkenheid. Als aan de criteria van art. 25(2) Wet Vpb is voldaan, volgt daaruit in elk geval een vermoeden van misbruik, aldus de Staatssecretaris. De belanghebbende heeft dat vermoeden zijns inziens niet ontzenuwd.
Ad middel XIV betoogt de Staatssecretaris dat een mededeling aan het handelsregister dat er geen baten zijn het bestaan van de belanghebbende niet beëindigt. ‘s Hofs uitgangspunt dat zij, als er baten waren op haar ontbindingstijdstip, is blijven bestaan tot de beëindiging van haar vereffening, acht hij juist. Het recht op verrekening van Nederlandse dividendbelasting kan zijns inziens wel degelijk een bate kan zijn, zodat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de aanslagen 2013 en 2015 correct en tijdig zijn bekendgemaakt.
Ad middel XV meent de Staatssecretaris dat wél alle zaakbetrekkelijke stukken zijn ingebracht.
Repliek principaal (de belanghebbende)
In repliek herhaalt de belanghebbende vooral – grotendeels feitelijke – zetten. Vaak klaagt zij dat de Staatssecretaris niet is ingegaan op stellingen of argumenten van de belanghebbende. Rechtskundig lijkt mij het volgende van belang.
Ter zake van de uitleg van de termen ‘tegenprestatie’ en ‘degene die’ (principale middelen IV en V) meent de belanghebbende dat de Staatssecretaris in cassatie een nieuw feitelijk standpunt inneemt met zijn betoog dat mogelijk [I] GmbH de minder gerechtigde wederpartij is en de doorbetaling van dividend door de belanghebbende aan de GmbH de tegenprestatie is.
Wat betreft de haars inziens onjuiste extensieve uitleg van art. 25a Wet Vpb (middel XII) onderscheidt de belanghebbende twee soorten beroep op wetsontduiking: binnen de reikwijdte van de desbetreffende antimisbruikbepaling door extensieve interpretatie ervan, zoals u volgens haar deed in HR BNB 2008/26630, of naast die antimisbruikbepaling, ter zake van rechtshandelingen die niet onder haar bereik vallen, zoals u volgens haar deed in HR BNB 2012/213. Zij ziet in ’s Hofs oordeel de bedoelde extensieve interpretatie van art. 25(2) Wet Vpb, die haars inziens echter niet mogelijk is bij een uitputtende bepaling zoals art. 25(2) Wet Vpb. ’s Hofs verwijzing naar HR BNB 2024/52 (zie 8.14 hieronder) over art. 10a Wet Vpb is onzuiver omdat fraus legis daar naast art. 10a Wet Vpb werd toegepast, niet binnen die bepaling door extensieve interpretatie.
Anders dan de Staatssecretaris, meent de belanghebbende toegang te hebben tot het EU-recht omdat mogelijk rechtsmisbruik pas als rechtvaardiging voor een belemmering aan de orde komt en niet reeds als toegangsvoorwaarde. Art. 25(2) Wet Vpb is van toepassing als zij handelt met niet-ingezeten wederpartijen en mist toepassing als zij handelt met ingezetenen, zodat deze bepaling de vrijheid van kapitaalverkeer belemmert doordat vooral grensoverschrijdende gevallen worden getroffen. Art. 25(2) Wet Vpb leidt tot overkill omdat er geen tegenbewijsregeling is voor transacties om commerciële redenen. Het misbruikverbod of de noodzaak tot bestrijding van belastingontwijking kan daarom de belemmering niet rechtvaardigen. HvJ T Danmark en Y Denmark maakt dat niet anders omdat die zaken geen internrechtelijk belastingvoordeel, maar een Unierechtelijk voordeel betroffen. Dat staat althans niet buiten redelijke twijfel, zodat u vragen zou moeten stellen aan het HvJ, aldus de belanghebbende.
Wat betreft de bekendmaking van de aanslagen 2013 en 2015 betoogt de belanghebbende dat speculatieve proceskansen geen bate zijn als bedoeld in art. 2:19 BW, zodat een mogelijke aanspraak op verrekening van Nederlandse of Luxemburgse dividendbelasting er niet toe kan leiden dat zij voortbestond na haar ontbinding op 1 mei 2019. Dat betekent dat geen van beide aanslagen op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Dupliek principaal (de Staatssecretaris)
Voor zover de belanghebbendes repliek zetten herhaalt, heeft de Staatssecretaris niets toe te voegen aan zijn verweer. Hij persisteert dat zij geen toegang heeft tot het EU-recht, nu uit HvJ C-585/22, X BV, volgt dat beroep op de vrijheid van kapitaalverkeer niet mogelijk is bij misbruik van recht. Dit doet zich hier voor: de belanghebbende poogt zich gekunsteld te onttrekken aan art. 25(2) Wet Vpb, waardoor verrekening in strijd met doel en strekking van die bepaling zou komen. Hij persisteert subsidiair dat die bepaling het kapitaalverkeer niet belemmert omdat niet elke ingezeten wederpartij onbeperkt verrekeningsgerechtigd is. Zelfs als die bepaling het kapitaalverkeer zou belemmeren, is dat gerechtvaardigd met het oog op de noodzaak misbruik en belastingontwijking te voorkomen. Art. 25(2) Wet Vpb treft alleen evidente gevallen van dividend stripping, dus volstrekt kunstmatige constructies. Die bepaling vestigt op basis van objectieve en geschikte criteria een vermoeden van zo’n constructie, dat vatbaar is voor tegenbewijs, dat de belanghebbende echter niet heeft geleverd. In casu staat misbruik vast, zodat het EU-recht zich in haar geval niet verzet tegen verrekeningsweigering. Volgens de Staatssecretaris staat dit buiten redelijke twijfel en zijn principiële vragen dus niet nodig..
Incidenteel cassatieberoep (de Staatssecretaris)
De Staatssecretaris heeft bij verweer ook (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. Hij stelt twee middelen voor, één impliciet en één expliciet voorwaardelijk. Middel I betoogt dat het Hof ten onrechte voorbijgegaan is aan, of impliciet verworpen heeft, de stellingen van de Inspecteur dat het dividend geen bestanddeel van belanghebbendes winst was en zij er niet vrijelijk over kon beschikken, wat wel vereist is voor verrekening. Middel II stelt expliciet voorwaardelijk dat de belanghebbende in fraudem legis heeft gehandeld, zoals ook door de Inspecteur in eerste aanleg gesteld.
Incidenteel middel I: de Staatssecretaris telt vijf voorwaarden voor verrekening in art. 25 Wet Vpb. Lid 1 eist (i) een opbrengstgerechtigde, (ii) voor wie het dividend een belastbare bate vormt. Lid 2(1e volzin) eist dat die opbrengstgerechtigde (3) vrijelijk kan beschikken over het dividend en (4) het niet ontvangt als zaakwaarnemer of lasthebber. Pas de tweede volzin van lid 2 eist (5) uiteindelijke gerechtigdheid tot het dividend. Opbrengstgerechtigdheid was en is niet in geschil, maar dat betekent niet dat de belanghebbende het dividend als belastbare winst ontving, noch dat zij er vrijelijk over kon beschikken, noch dat zij geen zaakwaarnemer of lasthebber was. Die eisen gaan vooraf aan de vraag naar uiteindelijke gerechtigdheid, aldus de Staatssecretaris, zodat het Hof eerst de stelling had moeten onderzoeken dat het dividend geen bestanddeel van belanghebbendes winst was. Dat was het volgens hem niet omdat de belanghebbende (i) geen economisch eigenaar van de aandelen was, althans (ii) er geen feitelijke beschikkingsmacht over had en (iii) optrad als zaakwaarnemer. Uit het Lease-arrest HR BNB 1986/7531, volgt dat vruchten zoals dividenden bestanddeel zijn van de winst van de fiscale eigenaar van de bron ervan. In casu kochten de verkopers van de aandelen cum dividend tegelijkertijd corresponderende futures ex dividend, waardoor zij het volle economische belang bij die aandelen behielden. Op de dividenddatum waren zij economisch eigenaar van de aandelen en was het dividend dus bestanddeel van hun winst, niet van die van de belanghebbende, die slechts juridisch eigenaar van de aandelen was. Evenmin kon de belanghebbende vrijelijk beschikken over de dividenden omdat groepshoofd [C] had beslist dat zij dienden als aflossing van de future-gerelateerde schulden van de andere groepsvennootschappen. De Staatssecretaris ziet eenzelfde oordeel in uw recente Belgische-houdsterarresten.32 De belanghebbende kan volgens de Staatssecretaris ook aangemerkt worden als zaakwaarnemer in de zin van art. 6:198 BW omdat zij bewust, maar niet op basis van een in de wet geregelde rechtsverhouding, de belangen van de [B] -groep diende.
Incidenteel middel II: voor het geval u belanghebbendes cassatieberoep (deels) gegrond acht, stelt de Staatssecretaris dat de belanghebbende in fraudem legis handelde. Voor de argumentatie verwijst hij naar de motivering van dat standpunt bij verweer van de Inspecteur in eerste aanleg. De [B] -groep en diens bestuurders waren bekend met de mogelijkheden tot dividend stripping en de daaraan verbonden risico’s en hebben bewust gestructureerd om art. 25(2) Wet Vpb te frustreren. Het samenstel van transacties had afgezien van het fiscale voordeel geen economische ratio. Doel en strekking van de Wet Vpb verzetten zich tegen dergelijk willekeurig en voortdurend verijdelen van correcte vennootschapsbelastingheffing, aldus de Staatssecretaris.
Verweer incidenteel (de belanghebbende)
De belanghebbende herhaalt ad incidenteel middel I dat de samenhangende transacties niet door haar zijn verricht, zodat het economisch belang bij haar aandelen niet kan zijn overgegaan op een ander. Voor zover dat anders zou zijn, geldt dat volgens haar slechts voor de aandelen ex dividend; niet voor het dividend zelf. Zo het economisch belang bij de aandelen al zou zijn achtergebleven bij de verkopers van de aandelen, betekent dat niet dat de belanghebbende het dividend niet kan ontvangen: ook bij securities lending blijft het economische belang bij de uitlener, maar ontvangt de inlener (de juridische eigenaar) het dividend. De belanghebbende leidt uit de literatuur af dat ‘bestanddelen van de winst’ ruim moet worden uitgelegd en dat ook met de long positie ‘meegekocht dividend’ daartoe behoort.33De belanghebbende acht niet van belang of [C] al dan niet aandelen aan haar heeft toegerekend, als zij de aandelen op de dividenddatum maar in bezit had. Dat was het geval en dan is irrelevant hoe zij aan die aandelen is gekomen.
Volgens de belanghebbende haalt de Staatssecretaris uw rechtspraak over vrije beschikking door elkaar. De Belgische-houdsterzaken gaan in op de vraag in hoeverre de mate van beschikkingsmacht als aanwijzing van misbruik kan gelden. Dat is een andere vraag dan die naar uiteindelijk gerechtigdheid, waarvoor moet worden beoordeeld of de opbrengst-gerechtigde verplicht is tot doorbetaling, wat uiteindelijk gerechtigdheid uitsluit.34 De eventuele omstandigheid dat een dividend moet worden dooruitgedeeld is wel een misbruik-aanwijzing als het om de inhoudingsvrijstelling gaat (die in casu niet relevant is), maar dat doet geen afbreuk aan uiteindelijk gerechtigdheid. In het Market maker-arrest HR BNB 1994/21735 sloot u aan bij het OESO-commentaar op art. 10 OESO-Modelbelastingverdrag, waaruit de belanghebbende afleidt dat de opbrengstgerechtigde slechts dan geen uiteindelijk gerechtigde is als zij tot doorbetaling verplicht is, wat in haar geval niet zo is. Dat OESO-commentaar luidt als volgt:
“In these various examples (agent, nominee, conduit company acting as a fiduciary or administrator), the direct recipient of the dividend is not the "beneficial owner" because that recipient's right to use and enjoy the dividend is constrained by a contractual or legal obligation to pass on the payment received to another person. (...). This type of obligation would not include contractual or legal obligations that are not dependent on the receipt of the payment by the direct recipient, such as an obligation that is not dependent on the receipt of the payment and which the direct recipient has as a debtor or as a party to financial transactions, or typical distribution obligations of pension schemes and of collective investment vehicles entitled to treaty benefits under the principles of paragraphs 6.8 to 6.34 of the Commentary on Article 1.”
Zij verwijst voor de invulling van beneficial ownership verder naar een uitspraak van het Tax Court of Canada in een zaak Velcro.36
Gegeven dat de belanghebbende niet tot doorbetaling verplicht was en dus vrijelijk kon beschikken, was volgens haar ook geen sprake van zaakwaarneming. Aan de criteria van art. 6:198 BW is volgens haar ook niet voldaan: zij heeft alleen haar eigen belang behartigd, zeker niet bewust dat van een ander.
Ad incidenteel middel II acht de belanghebbende niet voldaan aan de criteria van fraus legis. Zij leidt uit HR BNB 1985/3237 drie cumulatieve voorwaarden af: (1) aanzienlijke belastingbesparing is het enige, althans volstrekt overwegende motief voor de transacties; (2) de transacties hadden voor de belastingplichtige geen reële praktische betekenis buiten het beoogde fiscale voordeel; en (3) doel en strekking van de wet zouden worden miskend als het verlangde rechtsgevolg zou intreden. Aan de eerste tweede voorwaarden is volgens haar niet voldaan omdat de [B] -strategie niet was gericht op verijdeling van dividendbelasting, maar op een transactieresultaat in de prijsstelling van de futures. Wat betreft doel en strekking van de wet moet volgens de belanghebbende worden nagegaan of de wetgever (i) een bepaalde ontgaansmogelijkheid heeft onderkend en heeft aanvaard, of (ii) geacht moet worden een ontgaansmogelijkheid te hebben aanvaard tijdens de parlementaire behandeling of door langdurig stilzitten bij later blijkende wegen om heffing te ontgaan.38 De wetgever heeft meer malen aangegeven dat de anti-dividend stripping maatregel is beperkt tot evidente gevallen, waaruit de belanghebbende afleidt dat fraus legis in casu niet kan worden toegepast. Zij wijst op een conclusie van mijn voormalig ambtgenoot IJzerman, die zegt dat als de wetgever al heeft voorzien in sancties op het ontgaan van belasting, de mogelijkheid van toepassing van fraus legis beperkt is.39 De wetgever heeft voor een geval als het onderhavige specifieke en uitputtende wetgeving opgesteld, wat toepassing van fraus legis volgens de belanghebbende uitsluit. Dat volgt ook uit een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland40 (zie 8.7 hieronder) in het volgens haar vergelijkbare geval van Morgan Stanley (zie 8.1 e.v. hieronder).
Repliek incidenteel (de Staatssecretaris)
De Staatssecretaris herhaalt dat het dividend waartoe de belanghebbende juridisch opbrengstgerechtigd was, geen bestanddeel van haar winst was. Hij acht belanghebbendes beschrijving van securities lending incorrect. Ook bij securities lending is het dividend geen bestanddeel van de winst van de inlener. Voor zover het feitelijke dividend groter is dan het doorbetaalde dividend is ook dat verschil een vergoeding voor dienstverlening. Het ‘vrijelijk kunnen beschikken’ is rechtersrecht, waardoor de betekenis ervan niet afhankelijk is van een wettelijke context. De belanghebbende heeft volgens de Staatssecretaris minder beschikkingsmacht dan de belanghebbenden in de Belgische-houdsterzaken.41 Anders dan de belanghebbende leidt de Staatssecretaris uit het Market maker-arrest HR BNB 1994/217 niet af dat een partij vrijelijk over het dividend kan beschikken zolang geen juridische verplichting tot doorbetaling bestaat. Hoe dan ook brengen de concernstrategie en de afspraken met [F] volgens de Staatssecretaris een contractuele constellatie mee die ertoe leidt dat de belanghebbende niet vrijelijk kon beschikken over het ontvangen dividend.
De Staatssecretaris ziet wél ruimte voor toepassing van fraus legis door uitleg naar doel en strekking van de in art. 25(2) Wet Vpb geformuleerde bewijselementen.
Dupliek incidenteel (de belanghebbende)
Volgens de belanghebbende miskent de Staatssecretaris dat de economische eigenaar van aandelen niet per se ook economische eigenaar is van het dividend: het recht daarop kan afgesplitst zijn door vruchtgebruik of doordat het dividendrecht anderszins bij een ander ligt. Ook het economische belang bij de vruchten is relevant bij de lokalisering van de economische eigendom van de aandelen, zodat die economische eigendom niet per se bij de koper van de futures ligt: wordt het verwachte dividend geannuleerd, dan gaat dat verlies enkel de belanghebbende aan. De belanghebbende herhaalt dat meegekocht dividend in de heffingsgrondslag van de koper valt. Zij verwijst naar een conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Van den Berge.42