Parket bij de Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:188, 25/02747
Parket bij de Hoge Raad, 20-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:188, 25/02747
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 20 februari 2026
- Datum publicatie
- 6 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:188
- Zaaknummer
- 25/02747
Inhoudsindicatie
Bevoegdheid tot navordering, nieuw feit, kenbare fout
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02747
Datum 20 februari 2026
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverz. 2017 t/m 2019
Nr. Gerechtshof 23/920 t/m 23/922
Nr. Rechtbank 22/2681 t/m 22/2683
CONCLUSIE
R.J. Koopman
In de zaak van
staatssecretaris van Financiën
tegen
[X]
1 Inleiding
In deze zaak is in geschil of de Inspecteur mag navorderen. Het komt daarbij aan op het nieuw feitvereiste (art. 16(1)(slot) AWR) en de kenbare fout-regel (art. 16(2)(c) AWR).
Het Hof heeft geoordeeld dat aan het nieuw feitvereiste niet is voldaan. Ook oordeelde het Hof dat niet gezegd kan worden dat de (primitieve) aanslagen te laag waren als gevolg van een redelijkerwijs kenbare fout. Daardoor kwam het Hof niet toe aan behandeling van de materieelrechtelijke geschilpunten. Die betreffen de fiscale regeling voor de gepensioneerde kwalificerende buitenlandse belastingplichtige (art. 7.8 Wet IB 2001 en art. 21 bis UBIB 2001). Het ging er om of die regeling voldoet aan de eisen die het recht van de Unie stelt (de Schumacker-problematiek). Over die Schumacker-problematiek heeft de Hoge Raad op 18 juli 2025 (5.20) prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ EU).
In hoofdstuk 5 van deze conclusie ga ik in op deze materieelrechtelijke achtergrond van de zaak. Dat doe ik voor degenen die, net als ik, niet dagelijks bezig zijn met de fiscale regelingen voor gepensioneerde grensarbeiders in de Nederlandse wetgeving, het belastingverdrag met Duitsland en het recht van de Unie. Dit hoofdstuk is louter beschrijvend van aard en niet bedoeld om aan rechtsvorming te doen. Het kan daarom worden overgeslagen door degenen voor wie dit alles gesneden koek is.
In de daaraan voorafgaande hoofstukken worden de feiten en het verloop van de procedure tot dusverre beschreven (hoofdstuk 2) en het geding in cassatie (hoofdstuk 3). Daarop aansluitend sta ik in hoofdstuk 4 stil bij de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Dat doe ik omdat belanghebbende stelt dat de Staatssecretaris het beroepschrift in cassatie te laat heeft ingediend. Ik meen dat die stelling moet worden verworpen (4.9-4.10).
Hoofdstuk 6 gaat over de problematiek die de aanleiding heeft gevormd voor deze conclusie, namelijk het nieuw feitvereiste bij navordering. Ik betoog dat een inspecteur die ‘met een normale zorgvuldigheid’ wil kennisnemen van een aangifte ook de context waarin de aangifte is gedaan in ogenschouw moet nemen. Hij moet kijken naar renseignementen die betrekking hebben op posten in de aangifte (6.7) en ook naar ‘de overige omstandigheden van het geval’, waaronder de omstandigheden die blijken uit het (digitale) dossier van de belastingplichtige voor de desbetreffende belasting. In dat dossier moeten ook de gegevens worden opgenomen over voorafgaande jaren, zoals de aangiftes over die jaren.
Problematisch is wel dat de Belastingdienst op dit moment nog niet in staat is dergelijke dossiers gestructureerd aan te leggen. Daardoor is de rechtspraak over de onderzoeksplicht van de inspecteur in feitelijk opzicht gebouwd op drijfzand. Wel bewijst het ‘dossier-criterium’ uiteraard zijn dienst als normatieve afbakening van hetgeen een inspecteur moet raadplegen bij het regelen van een aanslag (6.22).
Verder mag een inspecteur, en moet hij wellicht zelfs, in beginsel uitgaan van de goede trouw van de belastingplichtige; zolang de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de aangifte juist is, mag hij op die juistheid vertrouwen en hoeft hij geen nader onderzoek in te stellen (6.10). Dit geldt ook als er indicaties zijn die ervoor zorgen dat ‘het systeem’ de aangifte ‘uitwerpt’ voor een nadere controle (6.23).
In hoofdstuk 7 behandel ik het middel en de daarin opgenomen klachten. Het middel faalt voor zover het bedoelt te betogen dat een inspecteur in het kader van het met de nodige zorgvuldigheid kennisnemen van de aangifte, geen acht hoeft te slaan op aangiften (7.5) en aanslagen (7.9) betreffende voorafgaande jaren.
In deze zaak doet zich de bijzondere omstandigheid voor dat de (reeds conform de aangifte opgelegde) aanslag voor 2015 en de te beoordelen aangifte voor 2017 niet allebei juist konden zijn en dat de Inspecteur nog kon navorderen over 2015 toen hij de aanslag voor 2017 regelde. Ik pleit ervoor om in zo’n geval de ‘niet onwaarschijnlijke mogelijkheid-regel’ te nuanceren. Naar mijn oordeel begaat een inspecteur in zo’n geval een ambtelijk verzuim als hij nalaat een nader onderzoek in te stellen (7.15-7.17).
Het Hof heeft zijn oordeel dat niet is voldaan aan het nieuw feit-vereiste mede doen steunen op de inhoud van een hoorverslag uit 2002 dat is aangetroffen in het ‘inkomstenbelasting-opslagdossier’ van belanghebbende. Terzijde merk ik op dat ik niet eerder van dergelijke dossiers had gehoord en dat het bestaan ervan vragen oproept (7.28). Wat daarvan zij, naar mijn oordeel is de conclusie die het Hof trekt uit dat hoorverslag niet begrijpelijk (7.26-7.27).
Het oordeel van het Hof dat de aanslagen in dit geval te laag zijn als gevolg van een onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten, wordt terecht door het middel bestreden. In dit geval zijn de aanslagen geautomatiseerd opgelegd. Dan is de onjuistheid van de aanslag in beginsel toe te schrijven aan een fout als bedoeld in art. 16(2)(c) AWR (7.35). Wel moet nog worden onderzocht of de fout redelijkerwijs kenbaar was (7.36). Dat is niet het geval (7.36).
Naar mijn oordeel wordt het middel (deels) terecht voorgesteld. De Hoge Raad kan zelf beslissen dat de stukken dwingen tot de conclusie dat art. 16 AWR geen navordering toelaat (7.30 en 7.36). Wanneer de Hoge Raad echter zou oordelen dat de zaak verwezen moet worden naar een ander gerechtshof, is het naar mijn mening beter dat de beslissing in deze zaak wordt aangehouden totdat het HvJ EU de hiervoor (1.2) bedoelde prejudiciële vragen heeft beantwoord.
Ik concludeer tot ongegrondverklaring van het cassatieberoep.
2 De feiten en het geding in feitelijke instanties
Belanghebbende, geboren in 1944, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont sinds december 1997 met zijn echtgenote in Duitsland, in een eigen woning.
Belanghebbende genoot in de jaren 2017, 2018 en 2019 een AOW-uitkering en een [...] -pensioen. Op de AOW-uitkering werd over 2017 en 2018 geen loonheffing ingehouden, op de AOW-uitkering over 2019 en het [...] -pensioen over 2017, 2018 en 2019 wel.1 Tegenover die uitkering en dat pensioen stonden in die jaren het negatieve inkomen uit eigen woning en specifieke zorgkosten van het echtpaar, die zij in hun aangiften voor die jaren aan belanghebbende hebben toegedeeld. De omvang van deze positieve en negatieve inkomensbestanddelen is weergegeven in onderstaande tabel:
|
2017 |
2018 |
2019 |
|
|
AOW |
€ 8.968 (19,52%) |
€ 9.102 (19,75%) |
€ 9.401 (20,27%) |
|
[...] -pensioen |
€ 36.984 (80,48%) |
€ 36.984 (80,25%) |
€ 36.984 (79,73 %) |
|
AOW+ [...] -pensioen |
€ 45.952 |
€ 46.086 |
€ 46.385 |
|
Negatief ink uit ew |
€ 7.292 |
€ 5.122 |
€ 8.053 |
|
Specifieke zorgkosten |
€ 2.871 |
€ 4.724 |
€ 5.759 |
|
Neg ink ew + specifieke zorgkosten |
€ 10.163 |
€ 9.846 |
€ 13.812 |
Belanghebbende heeft voor de jaren 2017, 2018 en 2019 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting (IB). In die aangiften heeft hij zijn AOW-uitkering en zijn [...] -pensioen gerekend tot zijn in Nederland belastbare inkomen uit werk en woning (Box 1). Hij heeft in de aangiften het negatieve inkomen uit eigen woning en de specifieke zorgkosten als aftrekposten in aanmerking genomen. Tevens heeft hij vermeld dat hij en zijn echtgenote kwalificerende buitenlandse belastingplichtigen zijn en voldoen aan de voorwaarden voor uitbetaling van heffingskortingen.
Aan belanghebbende zijn negatieve voorlopige aanslagen opgelegd (voorlopige teruggaven verleend) van € 1.450 (over 2017), € 1.330 (over 2018) en € 3.108 (over 2019).
Voor de jaren 2017, 2018 en 2019 heeft belanghebbende van de Duitse fiscus nihilaanslagen in de Einkommenssteuer (inkomstenbelasting) ontvangen.
De Nederlandse primitieve aanslagen IB voor de jaren 2017, 2018 en 2019 zijn aan belanghebbende opgelegd op 10 september 2019 (2017), 15 juli 2021 (2018) en 24 december 2021 (2019). Deze aanslagen zijn geautomatiseerd vastgesteld conform de door belanghebbende ingediende aangiften. Na verrekening van voorheffingen en voorlopige teruggaven resteerde volgens deze aanslagen voor elk jaar een te betalen bedrag van nihil.
In een brief van 20 januari 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende geschreven dat hij over de jaren 2017, 2018 en 2019 navorderingsaanslagen zal opleggen. Als reden daarvoor heeft hij opgegeven dat belanghebbende niet als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige moet worden aangemerkt. Op grond daarvan heeft belanghebbende volgens de Inspecteur geen recht op de heffingskortingen en de aftrek van het negatieve inkomen uit eigen woning en de specifieke zorgkosten.
De navorderingsaanslagen over 2017, 2018 en 2019 zijn vervolgens opgelegd met dagtekening 5 februari 2022, steeds naar een Box 1-inkomen van € 36.984. De navorderingsaanslagen beliepen achtereenvolgens € 1.450 (2017), € 1.330 (2018) en € 2.281 (2018) aan nagevorderde belasting, verhoogd met belastingrente.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2
Na tevergeefs bezwaar te hebben gemaakt tegen de hiervoor genoemde navorderingsaanslagen, heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard.
Bij de Rechtbank was in de eerste plaats in geschil of is voldaan aan het op grond van art. 16(1) AWR geldende nieuw feitvereiste. Daarnaast was in geschil of belanghebbende recht heeft op persoonlijke tegemoetkomingen (aftrekposten) op grond van het nationale recht dan wel het Unierecht.
Met betrekking tot het nieuw feitvereiste oordeelde de Rechtbank dat de in de aangiften vermelde gegevens niet meebrengen dat de Inspecteur gehouden was een onderzoek in te stellen. De constatering naar aanleiding van de aangifte IB 2020 dat het [...] -pensioen publiekrechtelijk was opgebouwd en de AOW-uitkering daardoor ter heffing aan Duitsland is toegewezen vormt volgens de Rechtbank een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt.
Met betrekking tot de vraag of belanghebbende recht heeft op persoonlijke tegemoetkomingen (aftrekposten) oordeelde de Rechtbank dat het Nederlandse nationale recht hem dit recht niet geeft. Belanghebbende voldoet niet aan de eisen die in art. 7.8 Wet IB 2001 worden gesteld om te worden aangemerkt als kwalificerende buitenlandse belastingplichtige. Ook art. 21bis Uitvoeringsbesluit IB 2001 is volgens de Rechtbank niet op belanghebbende van toepassing. Het beroep van belanghebbende op het Unierecht is door de Rechtbank verworpen.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Bij het Hof was in geschil (I) of voldaan is aan het nieuw feitvereiste, (II) of belanghebbende een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is en (III) of de navorderingsaanslagen tot de juiste bedragen zijn opgelegd.
Het Hof heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan het nieuw feitvereiste en dat er ook niet is nagevorderd ter zake van een redelijkerwijs kenbare fout (art. 16(2)(c) AWR). Daardoor kwam het Hof niet toe aan de behandeling van de overige geschilpunten.
Het Hof heeft bij zijn toetsing aan het nieuw feitvereiste vooropgesteld dat een inspecteur in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de aangifte en niet is gehouden tot het instellen van een nader onderzoek. Wel is een inspecteur volgens het Hof verplicht de aangifte te vergelijken met de in het dossier aanwezige gegevens, zoals de aangiften van de voorafgaande jaren4.
Het Hof heeft vervolgens vastgesteld dat de Inspecteur uit de aanslag voor het jaar 2015 had kunnen afleiden dat het [...] -pensioen in Nederland belast was en dat het dus een publiekrechtelijk pensioen betrof. Daarnaast was de Inspecteur in het bezit van een hoorverslag uit 2002, waaruit volgens het Hof volgt dat belanghebbende bij Defensie had gewerkt en dat hij dus – in ieder geval gedeeltelijk – een publiekrechtelijk opgebouwd pensioen genoot. Daarom beschikte de Inspecteur naar het oordeel van het Hof niet over een nieuw feit.
Voorts heeft het Hof verworpen de stelling van de Inspecteur dat te weinig belasting was geheven ten gevolge van een kenbare fout in de zin van art. 16(2)(c) AWR. De (primitieve) aanslag was namelijk naar het oordeel van het Hof te laag als gevolg van een verwijtbaar onjuist inzicht van de Inspecteur in de feiten. De Inspecteur heeft namelijk aangenomen dat de pensioenuitkering van het [pensioenfonds] privaatrechtelijk was opgebouwd, terwijl uit de aanslag voor 2015 en het hoorverslag uit 2002 volgt dat belanghebbende een publiekrechtelijk opgebouwd pensioenrecht genoot, aldus het Hof.
Op deze gronden heeft het Hof het hoger beroep gegrond verklaard en de navorderingsaanslagen vernietigd.
3 Het geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend en belanghebbende heeft gedupliceerd.
De Staatssecretaris stelt één middel van cassatie voor. Dit middel expliciteert niet waar in de uitspraak van het Hof het door het middel bestreden oordeel terug te vinden is. Maar kennelijk is het de Staatssecretaris te doen om overweging 4.4 van die uitspraak. Het middel betoogt namelijk dat het Hof ten onrechte, of op ontoereikende gronden, heeft geoordeeld dat niet is voldaan aan de voorwaarden voor navordering. Dat oordeel is terug te vinden in overweging 4.4 van de uitspraak van het Hof.
In zijn verweerschrift stelt belanghebbende in de eerste plaats dat het beroepschrift in cassatie te laat is ingediend. Daarom moet het cassatieberoep volgens belanghebbende niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor het overige strekt het verweerschrift tot bevestiging van de uitspraak van het Hof.
Bij repliek heeft de Staatssecretaris de tijdigheid van het door hem ingestelde cassatieberoep bepleit en heeft hij het inhoudelijk verweer van belanghebbende bestreden.
In zijn conclusie van dupliek heeft belanghebbende uiteengezet dat en waarom hij persisteert bij zijn in verweer ingenomen standpunten.