Parket bij de Hoge Raad, 27-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:202, 25/02259
Parket bij de Hoge Raad, 27-02-2026, ECLI:NL:PHR:2026:202, 25/02259
Gegevens
- Instantie
- Parket bij de Hoge Raad
- Datum uitspraak
- 27 februari 2026
- Datum publicatie
- 13 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:PHR:2026:202
- Zaaknummer
- 25/02259
Inhoudsindicatie
Art. 14 EVRM; art. 2.10(2)-(3) en art. 6.7(1)(a) Wet IB 2001; art. 2 Wet VSP. Boon/Van Loon-arrest. Discriminatieverbod geschonden doordat de tariefmaatregel in art. 2.10(2) Wet IB 2001 ertoe leidt dat op belastingplichtigen die onder het Boon/Van Loon-regime vallen een hogere belastingdruk komt te rusten dan op belastingplichtigen die onder het Wet VSP-regime vallen?
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02259
Datum 27 februari 2026
Belastingkamer B
Onderwerp/tijdvak Inkomstenbelasting/premie volksverz. 2020 en 2021
Nr. Gerechtshof BK-24/657 en BK-24/658
Nr. Rechtbank SGR 23/4603 en SGR 23/4604
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
staatssecretaris van Financiën (Staatssecretaris)
tegen
[X] (belanghebbende)
1 Inleiding en overzicht
Belanghebbende heeft een deel van zijn pensioenuitkering doorbetaald aan zijn ex-echtgenoot in verband met de verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding onder het Boon/Van Loon-regime (dooruitkering). Een dergelijke dooruitkering komt als persoonsgebonden aftrekpost in mindering op het inkomen uit werk en woning. Als gevolg van de uitbreiding per 1 januari 2020 van de tariefmaatregel in art. 2.10(2) Wet IB 2001 tot (onder meer) de persoonsgebonden aftrek, is bij belanghebbende echter de dooruitkering feitelijk niet meer aftrekbaar tegen het hoogste tarief.
Belanghebbende neemt het standpunt in dat de tariefmaatregel leidt tot een ongeoorloofd verschil in behandeling tussen enerzijds een geval, zoals dat van hem, waarin de scheiding is gebeurd onder het Boon/Van Loon-regime en anderzijds een geval waarin de scheiding is geschied onder het regime van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS).
Dat standpunt heeft de volgende achtergrond. Het uitgangspunt wat betreft de wijze van pensioenverevening in de opzet van de Wet VPS is dat de ex-echtgenoot een zelfstandig recht op uitbetaling van een deel van de pensioentermijnen heeft jegens de pensioenuitvoerder (art. 2(2) Wet VPS). In het geval zo’n recht is ontstaan, vindt de pensioenuitkering gesplitst plaats door de pensioenuitvoerder. De ex-echtgenoot ontvangt een deel van de pensioenuitkering rechtstreeks van de pensioenuitvoerder en dus niet via de pensioengerechtigde. Op zijn beurt ontvangt de pensioengerechtigde in dat geval alleen het resterende deel van de pensioenuitkering (het geval van gesplitste uitkering). Aangezien de pensioengerechtigde in zo’n geval geen dooruitkering doet aan de ex-echtgenoot, wordt de pensioengerechtigde (in zoverre) dus niet ‘geraakt’ door de tariefmaatregel.
Het Hof heeft het standpunt opgevat als een beroep op schending van het discriminatieverbod zoals neergelegd in onder meer het EVRM. Het Hof heeft belanghebbende in het gelijk gesteld:
- De tariefmaatregel leidt ertoe dat op belastingplichtigen die onder het Boon/Van Loon-regime vallen een hogere belastingdruk komt te rusten dan op belastingplichtigen in overigens gelijke omstandigheden die onder het Wet VPS-regime vallen.
- Deze ongelijke behandeling is een ongelijke behandeling van gevallen die, bezien vanuit het voorwerp en doel van de toepasselijke regels, als gelijk moeten worden beschouwd.
- Voor de ongelijke behandeling van deze gelijke gevallen ontbeert evident een redelijke en objectieve rechtvaardiging.
Het Hof heeft verder geoordeeld dat rechtsherstel dient te worden geboden door de tariefmaatregel buiten toepassing te laten.
De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld en daarbij één middel voorgesteld. Het middel richt zich, blijkens zijn toelichting, in het bijzonder tegen het oordeel van het Hof dat de door het Hof genoemde gevallen als gelijke gevallen zijn te beschouwen. Verder bestrijdt de Staatssecretaris het oordeel van het Hof over het bieden van rechtsherstel.
Breder belang en daarom bredere benadering
Het is evident dat het arrest in deze zaak ook van belang is voor andere belastingplichtigen die, net zoals belanghebbende, een dooruitkering doen in het verband met de verrekening van pensioenrechten bij echtscheiding onder het Boon/Van Loon-regime.
Het arrest kan daarnaast ook van belang zijn voor pensioengerechtigde belastingplichtigen die onder het regime van de Wet VPS zijn gescheiden. De door het Hof gesignaleerde ongelijke behandeling doet zich namelijk niet alleen voor tussen – kort gezegd – Boon/Van Loon-gevallen en Wet VPS-gevallen. Zij kan zich ook voordoen tussen gevallen binnen het Wet VPS-regime, namelijk tussen de gevallen waarin art. 2(2) Wet VPS toepassing vindt en de gevallen waarin die bepaling geen toepassing vindt maar art. 2(6) Wet VPS (zie 6.7). In die laatste gevallen loopt de betaling van de uitkering aan de vereveningsgerechtigde namelijk wél via de pensioengerechtigde, net zoals onder het Boon/Van Loon-regime. Het gaat bovendien niet om een gering aantal gevallen (zie 3.32).
Aangezien daarmee de discriminatievraag ook aan de orde kan zijn voor gevallen binnen het Wet VPS-regime, heb ik mijn analyse in de beschouwing breder ingestoken. Ik richt me op de vraag of een geval van dooruitkering (hetzij onder het Boon/Van Loon-regime hetzij onder Wet VPS-regime) en een geval van gesplitste uitkering (waarbij art. 2(2) Wet VPS van toepassing is) als gelijke gevallen zijn te beschouwen in het kader van de beoordeling of de tariefmaatregel het discriminatieverbod schendt (6.10-6.11). Deze bredere benadering geeft bovendien partijen gelegenheid om daarop te reageren (6.12).
Verder merk ik nog op dat de voorliggende kwestie ook nog uitstralingseffecten kan hebben naar andere (para-)fiscale terreinen waarin de belastingdruk hoger is in het geval van dooruitkering dan in het geval van gesplitste uitkering (6.19-6.21). Ik noem daarbij twee voorbeelden, maar ik behandel die verder niet in deze conclusie.
Opbouw conclusie
Het inventariserende deel van deze conclusie bestaat uit drie, relatief op zichzelf staande, onderdelen. Onderdeel 3 is het civielrechtelijke onderdeel. Daarin ga ik in op de hoofdlijnen van verdeling van pensioenrechten bij scheiding onder het Boon/Van Loon-regime onderscheidenlijk bij scheiding onder het Wet VPS-regime. Ik richt me daarbij vooral op de ‘uitkeringstroom’ op het moment van pensioenuitkering. Onderdeel 4 gaat in op de wijze waarop beide regimes zijn ingepast in de inkomstenbelasting, waarbij de meeste aandacht uitgaat naar de inpassing onder de Wet IB 1964, nu de behandeling onder de Wet IB 2001 daarop voortbouwt. Ik richt me daarbij vooral op de fiscale behandeling van de uitkeringstroom bij pensioengerechtigde. Onderdeel 5 behandelt de uitbreiding van de tariefmaatregel tot onder meer de persoonsgebonden aftrekposten per 1 januari 2020.
Onderdeel 6 bevat mijn beschouwing. Omdat die beschouwing minder goed bruikbaar is voor de concrete beoordeling van het middel, reik ik in onderdeel 7 een mogelijke lijn van redeneren aan voor die beoordeling, uitgaande van de uitkomst van de analyse in mijn beschouwing.
Opbouw en inhoud beschouwing
De beschouwing als volgt opgebouwd:
- Ik start met een inleiding waarin ik onder meer kort het algemene kader voor toetsing aan het discriminatieverbod uiteenzet (6.1-6.3).
- In 6.4-6.12 komt aan de orde dat (i) de door het Hof gesignaleerde ongelijke behandeling zich ook tussen gevallen binnen het Wet VPS komt aan de orde dat (i) de door het Hof gesignaleerde ongelijke behandeling zich ook tussen gevallen binnen het -regime kan voordoen, en dat (ii) ik daarom mijn analyse meer in het algemeen richt op de ongelijke fiscale behandeling van het geval van dooruitkering enerzijds en het geval van gesplitste uitkering anderzijds.
- In 6.13-6.18 komt aan bod in welk opzicht deze gevallen fiscaal ongelijk worden behandeld als gevolg van de tariefmaatregel; dat is in het opzicht van de belastingdruk op de pensioenuitkering die de pensioengerechtigde belastingplichtige per saldo tot zijn beschikking krijgt (de per-saldo-pensioenuitkering).
- Vervolgens volgt een intermezzo over ongelijke behandeling van de gevallen op andere (para )fiscale vlakken (6.19-6.21).
- In 6.22-6.32 verken ik vanuit verschillende fiscale perspectieven of het geval van dooruitkering en het geval van gesplitste uitkering als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd.
- In 6.34-6.42 volgt de kern: is de wetgever binnen zijn beoordelingsvrijheid gebleven? Die beoordelingsvrijheid is in dit geval ruim (6.36). Hoezeer kritiek mogelijk is op de algemene keuze om de tariefmaatregel uit te breiden naar andere aftrekposten dan kosten met betrekking tot de eigen woning, die fiscaalbeleidsmatige keuze om dat te doen om een belastingverlaging op box 1-inkomen budgettair mogelijk te maken, valt binnen die ruime beoordelingsvrijheid (6.37). Dat geldt ook voor de keuze om ook uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, zoals partneralimentatie, onder de uitbreiding te begrijpen, hoe (draagkracht)beginselloos die keuze ook is (6.38). Binnen die categorie uitgaven vormt de dooruitkering een bijzonder geval in het kader van de tariefmaatregel, niet alleen omdat vanuit het draagkrachtbeginsel bezien de asymmetrische tariefbehandeling van het inkomen en de aftrekpost nóg problematischer is dan bij alimentatie, maar ook omdat het geval van dooruitkering een evenknie kent in het geval van gesplitste uitkering en deze gevallen vanuit het perspectief van de per-saldo-pensioenuitkering gelijke gevallen zijn (6.39). De wetgever heeft evenwel niet de keuze gemaakt om de dooruitkering uit te zonderen van de tariefmaatregel. De wetgever heeft kennelijk voor de toepassing van de tariefmaatregel het geval van dooruitkering en het geval van partneralimentatie als vergelijkbare gevallen beschouwd. Die beoordeling is niet van redelijke grond ontbloot, (i) nu deze aftrekposten beide een inkomensverschuivend karakter hebben en (ii) gelet op de wetshistorie waaruit volgt dat voor de fiscale behandeling van de dooruitkering aansluiting is gezocht bij de fiscale behandeling van (partner)alimentatie (6.40). Anders gezegd: de kennelijke keuze voor de optie om het geval van dooruitkering net zo te behandelen als partneralimentatie boven de optie om dat geval uit te zonderen van de tariefmaatregel teneinde het fiscaal zoveel mogelijk gelijk te behandelen met het geval van gesplitste uitkering, is niet van redelijke grond ontbloot (6.41). In termen van de in 6.22 e.v. verkende perspectieven komt het erop neer dat het geval van dooruitkering en het geval van gesplitste uitkering niet als gelijke gevallen zijn te beschouwen vanuit het perspectief van (het doel van) de tariefmaatregel alsmede het perspectief van het systeem van de wet; een rechtens relevant verschil is het verschil in ‘uitkeringstroom’ (6.42).
- Dit leidt tot de conclusie dat het discriminatieverbod niet is geschonden (6.43). Dat is een conclusie waartoe ik met een zekere tegenzin kom (6.44).
- In 6.45-6.48 behandel ik wat mijns inziens heeft te gelden in het geval de Hoge Raad tot een ander oordeel komt, namelijk tot het oordeel dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat de tariefmaatregel leidt tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De Staatssecretaris heeft voor dat geval geen rechtvaardiging aangevoerd voor de ongelijke behandeling – ik zie geen aanknopingspunten om het beter te weten dan de Staatssecretaris (6.46). De Staatssecretaris komt wél op tegen het verlenen van rechtsherstel door het Hof, maar dat is naar mijn mening tevergeefs uitgaande van de juistheid van de benadering van het Hof wat betreft de vraag of sprake is van gelijke gevallen (6.47-6.48).
Conclusie
Naar mijn mening is het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond.
2 Uitgangspunten, geschil, oordelen feitenrechters en geding in cassatie
Belanghebbende is op 29 januari 1992 gescheiden. In het kader van de echtscheiding is een (voorwaardelijke) uitkering aan zijn ex-partner ter verrekening van pensioenrechten overeengekomen.
In elk van de jaren 2020 en 2021 heeft belanghebbende een bedrag van € 4.078 aan de ex-partner betaald als uitkering bedoeld in 2.1 (hierna ook: de doorbetaalde pensioenuitkering).1
De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor de jaren 2020 en 2021 aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd (de aanslagen). Bij het vaststellen van de aanslagen is de doorbetaalde pensioenuitkering in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrekpost. Verder is bij het vaststellen van de aanslagen deze aftrekpost in aanmerking genomen als grondslagverminderende post als bedoeld in art. 2.10(2) en (3) Wet IB 2001, waarop de in art. 2.10(2) Wet IB 2010 neergelegde tariefmaatregel is toegepast. Bij uitspraken op bezwaar zijn de aanslagen gehandhaafd.
Aanvullend: hoewel dit niet met zoveel woorden als feit is vastgesteld in de uitspraak van het Hof, kan ervan worden uitgegaan dat voor elk van de jaren geldt dat de doorbetaalde pensioenuitkering betrekking heeft op pensioenuitkeringen die (i) belanghebbende heeft ontvangen in dat jaar en die (ii) bij het vaststellen van de aanslag tot het belastbaar inkomen uit werk en woning zijn gerekend. Dat dit zo is, ligt niet alleen in de rede, maar ligt ook besloten zowel in het juridische standpunt van belanghebbende voor het Hof “dat hij het aan zijn voormalige echtgenote toekomende deel van het pensioen niet heeft genoten en dat dit deel van het pensioen daarom buiten de heffing moet blijven” (zie rov. 5.2) als in het juridische standpunt van de Inspecteur dat, aldus het Hof (rov. 5.3), “veronderstelt dat de door belanghebbende ontvangen pensioentermijnen geheel door hem zijn genoten”, alsook in het oordeel van het Hof over die standpunten (in rov. 5.3).
Het geschil
Tussen partijen is niet in geschil dat op basis van de Wet IB 2001 de tariefmaatregel terecht is toegepast ter zake van de doorbetaalde pensioenuitkering.
Voor zover in cassatie nog van belang betoogt belanghebbende dat de tariefmaatregel leidt tot een ongeoorloofd verschil in behandeling tussen enerzijds een geval, zoals dat van belanghebbende, dat worden bestreken door het zogenoemde Boon/Van Loon-arrest en anderzijds een geval dat valt onder de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS) (vgl. Hof, rov. 5.5). De tariefmaatregel raakt namelijk wel het eerste geval maar niet het tweede geval, terwijl dit gelijke gevallen zijn en voor het verschil in behandeling geen rechtvaardiging bestaat. Zowel de Rechtbank als het Hof heeft dit betoog opgevat als een beroep op schending van het discriminatieverbod zoals neergelegd in het EVRM en het IVBPR.
Rechtbank Den Haag 2
De Rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Zij verwerpt het beroep op schending van het discriminatieverbod met de motivering dat, kort gezegd, (i) art. 2.10 Wet IB op zichzelf geen onderscheid maakt tussen belastingplichtigen, en (ii) diegene waarop het Boon/Van Loon-arrest van toepassing is, niet gelijk is aan diegene die onder de vigeur van de Wet VPS is gescheiden:
“10. De rechtbank stelt vast dat artikel 2.10 van de Wet IB 2001 op zichzelf geen onderscheid maakt tussen belastingplichtigen. Voor eenieder die de daar genoemde uitgaven in aftrek wil brengen, geldt sinds 2020 dat die uitgaven nog maar beperkt aftrekbaar zijn. Dat neemt evenwel niet weg dat eiser wordt geconfronteerd met een hogere belastingdruk dan iemand die geen uitgaven voor onderhoudsverplichtingen heeft, omdat diens ex-partner op grond van de Wet VPS een vorderingsrecht heeft jegens het pensioenfonds.
11. Eiser en de ex-echtgenote zijn gescheiden vóór 1 mei 1995 en vallen daarom voor wat betreft de verevening van pensioenrechten onder het arrest Boon-Van Loon. Op grond van dat arrest heeft de ex-echtgenote een vorderingsrecht jegens eiser. Dat brengt mee dat het gehele pensioen aan eiser wordt uitbetaald en dat hij het deel waar zijn ex-echtgenote recht op heeft aan haar dient door te betalen. Eiser mag het doorbetaalde bedrag als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in aftrek brengen. Belastingplichtigen die zijn gescheiden op of na 1 mei 1995 vallen voor wat betreft de verevening van pensioenrechten onder de Wet VPS. Indien zij de scheiding binnen twee jaar na dato doorgeven aan het pensioenfonds, dan geldt voor hen dat de vorderende partij een vorderingsrecht krijgt jegens het pensioenfonds. Van een doorbetaling van de ene ex-partner aan de andere ex-partner is dan geen sprake waardoor er geen uitgaven voor onderhoudsverplichtingen zijn. Diegene heeft dan, anders dan eiser, niet te maken met de aftrekbeperking.
12. Het regime voor de verevening van pensioenrechten volgens het arrest Boon-Van Loon verschilt aanzienlijk van het regime voor de verevening van pensioenrechten volgens de Wet VPS en niet alleen wat betreft de vorderingsrechten. Diegene waarop het zogeheten Boon-Van Loon-arrest van toepassing is, is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet gelijk aan diegene die onder de vigeur van de Wet VPS zijn gescheiden. Eisers beroep faalt dus reeds omdat geen sprake is van gelijke gevallen.”
Gerechtshof Den Haag 3
Het Hof stelt daarentegen belanghebbende wel in het gelijk. Het komt tot de slotsom dat de tariefmaatregel leidt tot een ongelijke behandeling van gelijke gevallen waarvoor evident een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt (rov. 5.13).
Het heeft daartoe in hoofdlijnen het volgende overwogen:
- (rov. 5.8) Hoewel de tariefmaatregel op zichzelf bezien geen onderscheid tussen belastingplichtigen maakt, leidt de tariefmaatregel wel ertoe dat op belastingplichtigen die onder het regime van het Boon/Van Loon-arrest vallen een hogere belastingdruk rust dan op belastingplichtigen die onder de regeling van de Wet VPS vallen. Dat levert een verschil in behandeling tussen deze gevallen op.
- (rov. 5.9-5.10). Deze gevallen moeten als gelijk worden beschouwd, bezien vanuit het voorwerp en doel van de toepasselijke regels.
- (rov. 5.11-5.12) Een rechtvaardiging voor het verschil in behandeling kan niet uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid. Ook buiten de wetsgeschiedenis heef het Hof geen rechtvaardiginggronden gevonden. Bovendien leidt de ongelijke behandeling niet tot een kwantitatief onbelangrijke benadeling.
Omdat het zwaartepunt van het geschil in cassatie is of het Hof terecht heeft geoordeeld dat de twee door het Hof onderscheiden gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, citeer ik rov. 5.9 en 5.10:
“5.9 De vervolgvraag is of deze gevallen als gelijk moeten worden beschouwd. Het Hof beantwoordt die vraag bevestigend. Aan de Inspecteur kan worden toegegeven dat het regime van het Boon/Van Loon-arrest en de regeling van de Wet VPS op diverse punten van elkaar verschillen. Naar het oordeel van het Hof brengen de verschillen tussen deze regimes echter niet mee dat sprake is van ongelijke gevallen. De vergelijkbaarheid moet in dit verband namelijk worden beoordeeld in het licht van het voorwerp en doel van de maatregel die het onderscheid in kwestie maakt (zie EHRM 5 september 2017, nr. 78117/13 (Fábián), ECLI:CE:ECHR:2017:0905JUD007811713, par. 121). Zowel de verrekening van ouderdomspensioen als bedoeld in het Boon/van Loon-arrest als de verevening van pensioenrechten op grond van de Wet VPS strekt ertoe tot de gemeenschap behorende pensioenrechten te verdelen tussen scheidende echtelieden. In zoverre is het geval van belanghebbende vergelijkbaar met gevallen die onder de Wet VPS vallen. De (voorloper van de) fiscale regeling op grond waarvan belanghebbende de door hem betaalde bedragen in aftrek brengt (artikel 6.7, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001) is tot stand gekomen in reactie op het Boon/Van Loon-arrest. De wetgever heeft met die regeling het verzorgingsrechtelijke aspect van de doorbetaling van pensioenuitkeringen na echtscheiding voorop willen stellen. Daarbij paste een systematiek waarin de doorbetaalde uitkeringen bij de pensioengerechtigde integraal aftrekbaar en bij de verrekeningsgerechtigde integraal belastbaar zouden zijn (Kamerstukken II 1981/82, 16 787, nr. 6, p. 22-24 en Kamerstukken II 1988/89, 21 198, nr. 3, p. 64). Ook in zoverre is het geval van belanghebbende vergelijkbaar met gevallen die onder de Wet VPS vallen, omdat ook het regime van de Wet VPS mede op de verzorgingsgedachte is gestoeld (Kamerstukken II 1990/91, 21 893, B, p. 4 en Kamerstukken II 1992/93, 21 893, nr. 8, p. 8) en tot gevolg heeft dat het aan de vereveningsgerechtigde toegedeelde pensioen uitsluitend bij hem in de heffing van inkomstenbelasting wordt betrokken (Kamerstukken II 1990/91, 21 893, nr. 3, p. 17-18).
Naar het oordeel van het Hof doen, bezien vanuit het voorwerp en doel van de toepasselijke regels, de door de Inspecteur benoemde verschillen tussen het regime van het Boon/Van Loon-arrest en de bepalingen uit de Wet VPS niet ter zake. Die verschillen doen immers niet af aan het feit dat de wetgever in beide gevallen voor gewezen echtgenoten wiens pensioenrechten in een verrekening of verevening worden betrokken een voor fiscale doeleinden neutrale, integrale inkomensoverheveling heeft willen bewerkstelligen.”
Belanghebbende krijgt bovendien boter bij de vis: het Hof verleent namelijk rechtsherstel. Gelet op de kennelijke doelstelling van de wetgever om pensioenverrekening fiscaal neutraal te laten verlopen voor de verrekeningsplichtige, dient de tariefmaatregel buiten toepassing te blijven ter zake van de onderhavige uitkeringen, aldus het Hof (rov. 5.13).
Het geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het middel stelt schending van een diverse wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen doordat het Hof heeft geoordeeld dat het verschil in behandeling tussen belastingplichtigen die zijn gescheiden vóór 1 mei 1995 en belastingplichtigen die zijn gescheiden op of na 1 mei 1995 een ongeoorloofde discriminatie inhoudt en het Hof zelf in het geconstateerde rechtstekort heeft voorzien, zulks ten onrechte dan wel op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen omdat vanwege de civielrechtelijke verschillen tussen beide categorieën belastingplichtigen met als gevolg een verschillende fiscale behandeling, voor de toepassing van artikel 2.10(2) en art. 2.10(3)(e) Wet IB 2001 geen sprake is van feitelijk en rechtens gelijke gevallen in de zin van de genoemde verdragsbepalingen en het gerechtvaardigd is om onderscheid te maken.
Wat betreft het oordeel van het Hof in rov. 5.9-5.10 over gelijke gevallen, voert de toelichting in de kern de volgende argumenten aan:
- (p. 9) De keuze van de wetgever om belastingplichtigen die vallen onder het Boon/Van Loon-regime en belastingplichtigen die vallen onder de Wet VPS, niet als gelijke gevallen te beschouwen, is niet evident van redelijke grond ontbloot en valt daarom binnen de ruimte beoordelingsmarge van de wetgever.
- (p. 9-10) Het oordeel van het Hof dat de gevallen als gelijk kunnen worden beschouwd is onbegrijpelijk4 gelet op de civielrechtelijke en fiscaalrechtelijke verschillen.
- (p. 10-11) De twee categorieën gevallen bevinden zich vanuit het oogpunt van toepassing van de tariefmaatregel niet in een gelijke positie. De door het Hof vastgestelde ongelijke behandeling (hogere belastingdruk bij belastingplichtigen die vallen onder het Boon/Van Loon-arrest) manifesteert zich niet door de toepassing van de tariefmaatregel maar wordt veroorzaakt doordat de twee categorieën feitelijk en rechtens niet gelijk zijn. De omstandigheid dat zowel de verrekening van pensioen ingevolge het Boon/Van Loon-arrest als de verevening van pensioenrechten ingevolge de Wet VPS ertoe strekken de tot de huwelijksgemeenschap behorende pensioenrechten te verdelen, maakt niet dat de twee categorieën in het licht van de doelstelling van de tariefmaatregel aan elkaar gelijk zijn.
De toelichting bevat verder nog twee passages. Deze zijn in die zin ten overvloede dat ze niet zijn gericht tegen een oordeel van het Hof. In de kern weergegeven:
- (p. 11) Er is geen sprake van een situatie waarin twee ongelijke gevallen overduidelijk onevenredig ongelijk worden behandeld.
- (p. 11-12) In het kader van art. 1 EP EVRM: burgers mogen niet erop vertrouwen dat het tarief voor persoonsgebonden aftrek ongewijzigd zal blijven.
Tot slot richt de Staatssecretaris zich klaarblijkelijk tegen het oordeel van het Hof in rov. 5.13 over het verlenen van rechtsherstel. Volgens de toelichting (p. 12) gebeurt dit ‘ten overvloede’, maar ik ga ervan uit dat de Staatssecretaris toch méér voor ogen heeft met de passage, namelijk dat het om een subsidiaire klacht gaat.
3 Verdeling pensioenrechten bij echtscheiding: Boon/Van Loon-arrest en de Wet VPS
Er kan veel worden gezegd over (de rechtspraak over) de verdeling van pensioenrechten bij echtscheiding onder het Boon/Van Loon-arrest onderscheidenlijk onder de Wet VPS. De literatuur daarover is dan ook overvloedig.5 Hierna ga ik slechts op de hoofdlijnen in, zij het met bijzondere aandacht hoe de ‘uitkeringstroom’ loopt op het moment van uitkering van het pensioen.
Tot het arrest Boon/Van Loon gold op grond van HR BNB 1959/3557 als regel, kort gezegd, dat een recht op pensioen een met de pensioengerechtigde verknocht goed is dat buiten de huwelijksgemeenschap valt en dat dit recht niet in de scheiding van de gemeenschapsboedel kan worden betrokken zelfs niet langs de weg van verrekening.
In het arrest Boon/Van Loon komt de civiele kamer van de Hoge Raad terug op de in HR BNB 1959/355 geformuleerde rechtsregel. De motivering is te vinden in rov. 12. Kern is dat de Hoge Raad de problematiek benadert vanuit het vermogensrecht: pensioenrechten zijn voorwaardelijke vorderingsrechten, die in de algehele gemeenschap vallen en daarom in de verdeling van die gemeenschap moeten worden betrokken. Dat is anders voor zover zij zodanig verknocht zijn met de persoon van de pensioenrechthebbende, dat deze verknochtheid zich hiertegen verzet, maar dat is niet het geval bij ouderdomspensioenen en weduwenpensioenen. Voor rechten op dergelijke pensioenen bestaat niet alleen verknochtheid met de pensioenrechthebbende, maar in de regel tevens een niet te verwaarlozen band met de persoon van de andere echtgenoot. Wel kan met dergelijke pensioenrechten bij de verdeling van de gemeenschap niet anders rekening worden gehouden dan in de vorm van een waardeverrekening ten gunste van de andere echtgenoot, omdat zij zich er naar hun aard niet toe lenen om toegedeeld te worden aan een ander dan de pensioenrechthebbende:
“12. (...) Pensioenrechten als hier bedoeld — waaronder met name niet ook aanspraken krachtens de A.O.W. of de A.W.W. vallen — zijn voorwaardelijke vorderingsrechten, die als zodanig op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap reeds bestaan, ook al is het pensioen op dat tijdstip nog niet tot uitkering gekomen. Dit brengt mee dat zij krachtens artikel 94 lid 3 van Boek 1 in de algehele gemeenschap vallen en in de verdeling van die gemeenschap moeten worden betrokken, behalve voor zover zij zodanig verknocht zijn met de persoon van de echtgenoot die rechthebbende op het pensioen is, dat deze verknochtheid zich hiertegen verzet. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat pensioenrechten als de onderhavige zich er naar hun aard niet toe lenen toegedeeld te worden aan een ander dan degene die rechthebbende op het pensioen is. Dit heeft in elk geval tot gevolg dat met deze rechten bij de verdeling niet anders rekening kan worden gehouden dan in de vorm van een waardeverrekening ten gunste van de andere echtgenoot.
Voor de vraag wanneer een zodanige verrekening op haar plaats is, is voorts van belang dat ter zake van pensioenrechten als de onderhavige niet alleen verknochtheid bestaat met de persoon van de rechthebbende op het pensioen, maar in de regel tevens een niet te verwaarlozen band met de persoon van de andere echtgenoot. Voor wat betreft de ouderdomspensioenen bestaat deze band hierin dat het pensioenrecht, zo de rechthebbende gehuwd is, uit maatschappelijk oogpunt bestemd is te voorzien in de behoeften van beide echtgenoten en dat voorts de opbouw van een zodanig pensioen, in verband met de gehele of gedeeltelijke financiering daarvan uit de gemeenschap en de bij velen bestaande taakverdeling binnen het huwelijk, in beginsel moet worden gezien als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten, voortvloeiende uit de zorg die zij krachtens artikel 81 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aan elkaar verschuldigd zijn. Voor de weduwenpensioenen geldt, voor zover zij aan de gescheiden echtgenote ten goede zullen komen, iets soortgelijks, nu ook de opbouw daarvan geheel of gedeeltelijk uit de gemeenschap is bekostigd en door gemeenschappelijke inspanning in voormelde zin is tot stand gebracht.”
Dit leidt tot de volgende conclusie in rov. 12:
“Op grond van dit een en ander moet worden aangenomen dat pensioenrechten als de onderhavige in het algemeen voor het gedeelte dat op het tijdstip van de ontbinding van de gemeenschap door echtscheiding of scheiding van tafel en bed reeds was opgebouwd, bij de verdeling van de gemeenschap door middel van verrekening in aanmerking moeten worden genomen. De verknochtheid aan de persoon van de rechthebbende verzet zich wegens de eveneens aanwezige band met de persoon van de andere echtgenoot daartegen niet. Dit is evenwel anders in geval de gemeenschap niet door echtscheiding of scheiding van tafel en bed wordt ontbonden, maar als gevolg van de dood van één der echtgenoten. (...)”
In rov. 13 zet de Hoge Raad vervolgens uiteen op welke wijze en tot welke bedragen een verrekening moet plaatsvinden:
13. Op welke wijze en tot welke bedragen in geval van echtscheiding of scheiding van tafel en bed een verrekening als bovenbedoeld moet plaatsvinden, dient te worden vastgesteld aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid, die op de verdeling van een gemeenschap van toepassing zijn. Afhankelijk van de beschikbare baten en van de waarde die voor verrekening in aanmerking komt, zullen deze eisen vaak meebrengen dat de verrekening ter zake van het ouderdomspensioen slechts kan plaatsvinden door aan de pensioengerechtigde echtgenoot een voorwaardelijke uitkering op te leggen, die aan het leven van beide echtgenoten gebonden is, opeisbaar wordt naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden en kan worden uitgedrukt in een percentage daarvan. De verschuldigde bedragen dienen te worden vastgesteld, ervan uitgaande dat recht op verrekening bestaat ten belope van de helft van de waarde van het deel van het pensioen, dat vóór de ontbinding van de gemeenschap was opgebouwd. Komt mede een weduwenpensioen voor verrekening in aanmerking, dan zal zulks in voormelde uitkering kunnen worden verwerkt door deze met een naar een overeenkomstige maatstaf te bepalen bedrag te verminderen. Naargelang van de omstandigheden, waaronder de leeftijd van elk der echtgenoten, kan echter tegen de waarde van het weduwenpensioen dat de vrouw na de dood van de man krijgt, opwegen de waarde van het vóór de ontbinding van de gemeenschap opgebouwde deel van het ouderdomspensioen dat de man bij vooroverlijden van de vrouw wegens het dan eindigen van de uitkering voor het volle bedrag zal gaan genieten. In dat geval kan verrekening van het weduwenpensioen achterwege blijven.
De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen voorts meebrengen dat de verrekening van het ouderdomspensioen op een nog andere wijze geschiedt, bijvoorbeeld in de vorm van een door de pensioengerechtigde te bekostigen lijfrenteverzekering. Tevens kunnen redelijkheid en billijkheid, in verband met de bijzondere aard van pensioenrechten als de onderhavige, eisen dat de verrekeningsvordering wordt gematigd of dat in het geheel geen vordering wordt toegekend, zoals wanneer de pensioengerechtigde reeds op andere wijze in de verzorging van de andere echtgenoot heeft voorzien of redelijkerwijs niet tot enige uitkering in staat is. Ook kunnen er omstandigheden bestaan, bijvoorbeeld indien het geen eerste huwelijk betreft, die aanleiding geven het pensioen, voor zover het voor het huwelijk reeds was gebouwd, geheel of gedeeltelijk buiten de verdeling te houden.”
Van belang voor de onderhavige conclusie is vooral de vermelding van de Hoge Raad dat (waarde)verrekening kan plaatsvinden “door aan de pensioengerechtigde echtgenoot een voorwaardelijke uitkering op te leggen, die aan het leven van beide echtgenoten gebonden is, opeisbaar wordt naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden en kan worden uitgedrukt in een percentage daarvan”. De Hoge Raad brengt zelfs tot uitdrukking dat deze wijze van waardeverrekening vaak aangewezen zal zijn op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Deze wijze van verrekening wordt in de literatuur ook wel uitgestelde verrekening genoemd.8 Dit neemt niet weg dat ook andere wijzen van waardeverrekening mogelijk zijn, zoals ook in het arrest tot uitdrukking komt. Naast de in het arrest genoemde vorm van een door de pensioengerechtigde te bekostigen lijfrenteverzekering, kan ook worden gedacht aan directe verrekening door de helft van de contante waarde van de pensioenrechten uit te betalen in contanten of door de waarde te verrekenen bij de boedelscheiding.9
Indien waardeverrekening plaatsvindt via uitgestelde verrekening als zojuist bedoeld, zal op het moment dat een pensioentermijn opeisbaar wordt, de pensioengerechtigde het volledige termijnbedrag ontvangen en een deel daarvan moeten doorbetalen aan de voormalige echtgenoot. Dat geval doet zich in deze zaak voor. Ik noem dat geval hierna ook wel het archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime.
Tot slot voorziet de Hoge Raad in rov. 14 in een vorm van rechterlijk overgangsrecht in verband met het terugkomen op HR BNB 1959/355. Hij doet dat via de band van de eisen van redelijkheid en billijkheid. Dat overgangsrecht komt in de kern erop neer dat niet een vordering geldend kan worden gemaakt met een beroep op de nieuwe regel in gevallen waarin – op het moment van het wijzen van het arrest (‘thans’) – reeds de huwelijksgemeenschap is verdeeld zonder dat met pensioenrechten rekening is gehouden.
Na het arrest Boon/Van Loon is nog veel rechtspraak gevolgd waarin het arrest verder is uitgewerkt, verfijnd en/of genuanceerd,10 maar dat laat ik hier verder onbesproken.
De wetgever heeft aanleiding gezien om de deling van pensioenrechten bij (onder meer) echtscheiding in de wet te regelen. Dat is gebeurd in de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS), die op 1 mei 1995 in werking is getreden.11 Ik schets hierna eerst de hoofdlijnen van het wettelijk systeem, voor zover relevant voor de onderhavige zaak. Daarna komt kort aan bod wat de redenen voor de wetgever waren om de Wet VPS in te voeren. Vervolgens behandel ik de belangrijkste verschillen tussen het regime van de Wet VPS en dat van het arrest Boon/Van Loon (hierna ook: Boon/Van Loon-regime).
Hoofdlijnen wettelijk systeem
De wetgever heeft met de wet waarbij de Wet VPS is ingevoerd, beoogd een afzonderlijk regime te creëren voor de (ver)deling van pensioenrechten bij scheiding. Daarbij is de directe band met het huwelijksvermogensrecht losgelaten.12 Dat is gebeurd enerzijds door vaststelling van een samenstel van bepalingen, die samen de Wet VPS vormen,13 en anderzijds door invoering van enige bepalingen in Boek 1 BW.14
De Wet VPS is van toepassing op pensioen zijnde ouderdomspensioen. De Wet VPS regelt in diverse leden van art. 1 specifiek wat onder een dergelijk pensioen (niet) wordt verstaan.
Het grote verschil met het Boon/Van Loon-regime is dat de Wet VPS niet uitgaat van pensioenverrekening (verrekening van de contante waarde van pensioenrechten) maar van pensioenverevening (deling van het pensioen van rechtswege).15 Het recht op pensioenverevening is neergelegd in art. 2 Wet VPS, dat de kern vormt van de regeling in de Wet VPS.16 Een echtgenoot heeft als regel recht op pensioenverevening in het geval, kort gezegd, de andere echtgenoot tijdens het huwelijk pensioenaanspraken heeft opgebouwd. Uitzondering op deze regel is dat de echtgenoten de toepasselijkheid van de Wet VPS hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding (een scheidingsconvenant17). Het recht op pensioenverevening houdt in dat jegens het uitvoeringsorgaan een recht op uitbetaling van een deel van elk van de uit te betalen pensioentermijnen ontstaat. Ik citeer art. 2 Wet VPS (tekst bij invoering):
“1. In geval van scheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de scheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, heeft de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht op pensioenverevening, tenzij de echtgenoten de toepasselijkheid van deze wet hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding.
2. Ingevolge het in het eerste lid bedoelde recht op verevening ontstaat jegens het uitvoeringsorgaan een recht op uitbetaling van een deel van elk van de uit te betalen termijnen van het pensioen, mits binnen twee jaar na het tijdstip van scheiding van die scheiding en van het tijdstip van scheiding door een van beide echtgenoten mededeling is gedaan aan het uitvoeringsorgaan door middel van een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en bekend gemaakt in de Staatscourant. Een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan sluit een recht op uitbetaling jegens de tot verevening verplichte echtgenoot uit. (...)
(...)”
Dat de vereveningsgerechtigde een zelfstandig (vorderings)recht18 tot uitbetaling krijgt op het uitvoeringsorgaan – dat is degene die tot uitbetaling van pensioen gehouden is (art. 1(1)(c) Wet VPS) – is tijdens de parlementaire behandeling wel aangeduid als ‘het meest wezenlijke onderdeel van het wetsvoorstel’.19 In een geval waarin een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan ontstaat, vindt de betaling van een pensioentermijn door het uitvoeringsorgaan dus gesplitst plaats: aan de vereveningsgerechtigde het deel waarop deze recht heeft, en aan de pensioengerechtigde het resterende deel. Ik noem dit hierna ook wel het archetypegeval van het Wet VPS-regime.
Anders dan in het in 3.7 vermelde archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime, ontvangt de pensioengerechtigde in het archetypegeval van het Wet VPS-regime dus niet het hele bedrag van de pensioentermijn eerst zelf. De ‘uitkeringstroom’ is dus anders. Het is dit archetypegeval waarmee het Hof het geval van belanghebbende vergelijkt in de onderhavige procedure.
Het in art. 2(2) Wet VPS vermelde recht op uitbetaling betreft overigens een afhankelijk recht in meerderlei opzichten,20 waaronder dat het recht afhankelijk is van het recht op pensioen van de vereveningsplichtige. Dit laatste brengt mee dat het recht op uitbetaling afhankelijk is van het leven van de vereveningsplichtige.21 Bij conversie (zie 3.21 hierna) is dat anders.
Zoals uit de geciteerde tekst van art. 2(2) Wet VPS volgt is een voorwaarde voor het ontstaan van het recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan dat tijdig mededeling van die scheiding wordt gedaan door middel van een modelformulier. In het geval niet aan die voorwaarde is voldaan, is niet ingevolge art. 2(2) Wet VPS een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan ontstaan. Dit betekent echter niet dat de vereveningsgerechtigde zijn recht op pensioenverevening verliest. Art. 2(6) Wet VPS bepaalt namelijk dat in dat geval “[d]e tot verevening gerechtigde echtgenoot (...) een recht op uitbetaling [heeft] jegens de andere echtgenoot”. Dit betekent dat de vereveningsplichtige enerzijds het volledige bedrag aan pensioen ontvangt van het uitvoeringsorgaan, en anderzijds een deel daarvan moet doorbetalen aan de vereveninggerechtigde. Wat betreft de ‘uitkeringstroom’ komt dit geval dus (wel) overeen met archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime.
Terzijde: uit de literatuur begrijp ik dat in het geval niet binnen de gestelde termijn van twee jaar de mededeling is gedaan, de pensioenuitvoerder erin kan toestemmen alsnog tot rechtstreekse betaling over te gaan.22
Op grond van (thans) art. 1(8) Wet VPS23 is, indien op het huwelijksvermogensregime van de echtgenoten Nederlands recht van toepassing is, de Wet VPS ook van toepassing op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling.24 Daarbij geldt wel – zo bepaalt het artikellid – dat een recht op uitbetaling als bedoeld in art. 2(2) Wet VPS slechts bestaat jegens de andere echtgenoot. Ook in zo’n geval komt de ‘uitkeringstroom’ dus overeen met archetypegeval van het Boon/Van Loon-regime.
De regels voor het bepalen van de omvang van het in art. 2(2) Wet VPS bedoelde deel van elk van de uit te betalen pensioentermijnen, zijn gegeven in art. 3 Wet VPS. Zij komen erop neer dat de vereffeningsgerechtigde aanspraak heeft op de helft van de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten. Art. 4 Wet VPS voorziet overigens in de mogelijkheid tot afwijking.25 Voor het onderwerp van deze conclusie is dit een en ander niet zo relevant.
Art. 5 Wet VPS voorziet – onder voorwaarden – in de mogelijkheid van zogenoemde conversie.26 Het artikel regelt dat echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een scheidingsconvenant kunnen overeenkomen dat art 2(2)-(6) Wet VPS buiten toepassing blijft en dat de vereveningsgerechtigde in plaats van een recht op uitbetaling van pensioen (en een aanspraak op partnerpensioen) een eigen recht op pensioen verkrijgt. Groot verschil met het recht op uitbetaling is dat de “pensioenband” met de ex-echtgenote volledig wordt doorgesneden. Het eigen recht op pensioen is niet een afhankelijk recht, dus ook niet afhankelijk van het leven van de vereveningsplichtige. Net zoals in het geval de vereveningsgerechtigde een recht op uitbetaling jegens het uitvoeringsorgaan heeft, loopt er geen ‘uitkeringstroom’ via de vereveningsplichtige naar de vereveningsgerechtigde.
De Wet VPS is niet van toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden voor 1 mei 1995, zo volgt uit art. 12(1) Wet VPS. Bij uitzondering en onder bepaalde specifieke voorwaarden is de Wet VPS op grond van art. 12(2) VPS van toepassing op een scheiding die heeft plaatsgevonden vóór 27 november 1981 (zijnde de datum van het arrest Boon/Van Loon). Verder is in art. 11 Wet VPS bepaalt dat (ook) indien de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden gemaakt voor de inwerkingtreding van de Wet VPS algehele gemeenschap van goederen tussen hen hebben uitgesloten of beperkt, verevening van pensioenrechten plaatsvindt,27 tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een scheidingsconvenant uitdrukkelijk anders hebben bepaald.
In samenhang met de invoering van de Wet VPS is – als gezegd (3.11) – ook Boek 1 BW aangepast. Ten eerste is aan art. 1:94 BW een vierde lid toegevoegd, luidende: “Onverminderd het in artikel 155 van dit boek bepaalde vallen pensioenrechten waarop de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (...) van toepassing is alsmede met die pensioenrechten verband houdende rechten op nabestaandenpensioen niet in de gemeenschap”. Thans is het uitzonderen van dergelijke pensioenrechten van de gemeenschap geregeld in onderdeel b van art. 1:94(2) BW. De genoemde aanpassing in art. 1:94 BW was volgens de memorie van toelichting nodig om te voorkomen dat in voorkomende gevallen zowel de Wet VPS als de jurisprudentiële Boon/Van Loon-regeling van toepassing zou zijn.28 Ten tweede is art. 1:155 BW ingevoegd. Dat artikel bepaalt dat “[i]n geval van echtscheiding en voor zover de ene echtgenoot na de huwelijkssluiting en voor de echtscheiding pensioenaanspraken heeft opgebouwd, (...) de andere echtgenoot overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding recht op pensioenverevening [heeft], tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in deze Wet toepasselijkheid daarvan hebben uitgesloten.”
Zoals eerder gezien (3.13) en ook tot uitdrukking komt in art. 1:155 BW, is het op grond van art. 2(1) VPS mogelijk voor echtgenoten om de toepasselijkheid van de Wet VPS uit te sluiten bij huwelijkse voorwaarden of bij een scheidingsconvenant. De vraag rijst wat heeft te gelden indien de toepasselijkheid is uitgesloten. Geldt de in art. 1:94 BW gemaakte uitzondering dan niet? En vallen de pensioenrechten dan als uitgangspunt weer onder het Boon/Van Loon-regime (tenzij de echtgenoten ook dat regime hebben uitgesloten)? De wetsgeschiedenis lijkt op een bevestigend antwoord op beide vragen te duiden.29 De literatuur is echter verdeeld over het antwoord.30 In literatuur wordt de aanbeveling aan de praktijk gedaan om indien men de Wet VPS uitsluit tevens expliciet te bepalen of men al dan niet het Boon/Van Loon-regime wil toepassen.31
Reden voor invoering Wet VPS
Uit de memorie van toelichting bij de Wet VPS volgt dat het arrest Boon/Van Loon – in de wetsgeschiedenis veelal aangeduid als ‘het pensioenarrest’ – aanleiding vormde voor invoering van deze wet. De benadering van de Hoge Raad in dat arrest kan volgens de memorie van toelichting ‘in het huidige tijdsgewricht’ niet alle gevallen meer opgeld doen. Zo ligt verrekening van pensioenrechten niet voor de hand als beide echtgenoten tijdens de huwelijksperiode hun eigen inkomen blijven verdienen en hun eigen pensioenrechten opbouwen. Dat is anders als een van beide echtgenoten geen of onvoldoende eigen pensioen heeft opgebouwd:32
“Naar onze mening kan deze benadering in het huidige tijdsgewricht in niet alle gevallen meer opgeld doen. In het licht van de ontwikkeling naar gelijke maatschappelijke posities van vrouwen en mannen en verzelfstandiging van vrouwen (...) is het streven er immers op gericht dat iedere volwassene in staat moet zijn in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. In die visie dient ieder der echtgenoten zorg te dragen voor de opbouw van een eigen pensioen.
In een situatie, waarin beide echtgenoten tijdens de huwelijksperiode hun eigen inkomen blijven verdienen en hun eigen pensioenrechten opbouwen, ligt een verrekening van de in de huwelijksperiode opgebouwde pensioenrechten bij scheiding minder voor de hand.”
De memorie van toelichting onderkent evenwel dat er gevallen zijn waarin een echtgenoot onvoldoende eigen pensioen heeft opgebouwd. Voor die gevallen is een binnen een wettelijk kader nader uitgewerkte regeling van pensioenverevening wenselijk en nodig. Dat laatste in verband met de rechtszekerheid, gelet op de juridische vragen die zijn gerezen naar aanleiding van ‘het pensioenarrest’:33
“Voor die gevallen waarin een der echtgenoten (..) niet of in onvoldoende mate eigen pensioen heeft opgebouwd, is pensioenverevening wenselijk en is een binnen een wettelijk kader nader uitgewerkte regeling van pensioenverevening ook nodig. Wenselijk omdat de situatie van een eenzijdige pensioenopbouw binnen het huwelijk thans nog veel voorkomt, gezien vooral de taakverdeling binnen het huwelijk. Nodig uit een oogpunt van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid. Immers, de Hoge Raad beoogde met het pensioenarrest pensioenverrekening tot regel te maken en gaf daartoe in zijn overwegingen gemotiveerde richtlijnen, maar de Hoge Raad was, uiteraard, in zijn mogelijkheden beperkt door het bestaand wettelijk kader én door de gegeven casuspositie. Hierdoor rees een aantal juridische vragen dat in de praktijk voor onzekerheden zorgde.
De juridische vragen die na het pensioenarrest rezen c.q. bleven bestaan betroffen de soorten aanspraken die moeten worden verrekend, de relatie tussen het huwelijksgoederenregime en verrekening, het moment en de wijze van verrekenen. In een grote stroom literatuur en een aantal procedures zijn deze vragen aan de orde gesteld. Was het voor het arrest zo dat het bestaan van pensioenaanspraken op zichzelf bij een scheiding geen complicerende factor vormde, sinds november 1981 is die situatie gewijzigd. Bij iedere scheiding waarbij aan ten minste een zijde pensioenaanspraken bestaan, moet sinds dat tijdstip in beginsel verrekening plaatsvinden. Het is derhalve van belang dat er duidelijkheid komt in de gerezen juridische vragen. Bij voorbeeld met betrekking tot de vraag welke pensioenrechten verdeeld moeten worden of hoe te handelen indien terzake tussen partijen geen overeenstemming bestaat. Soms wordt ter vermijding van problemen verevening achterwege gelaten. In die situaties moet het tot de taak van de wetgever worden gerekend bescherming te bieden en klaarheid te brengen. Dit neemt niet weg dat indien de echtgenoten terzake van pensioenverrekening in geval van scheiding zelf een regeling willen treffen, die adequaat is toegesneden op de situatie waarin zij verkeren en de pensioenregeling(en) waaronder zij vallen, hen daartoe alle vrijheid dient te worden gelaten. Echter voor die gevallen waarin geen overeenstemming kan worden bereikt tussen de beide echtgenoten of waarin tussen hen een ongelijke uitgangspositie ten aanzien van onderhandelingen over dergelijke afspraken bestaat dan wel op dit terrein tussen hen niets geregeld is, is een wettelijk geregelde pensioenverevening onmisbaar.”
Elders in de memorie van toelichting is ‘de voornaamste reden’ voor het wetsvoorstel Wet VPS kernachtig verwoordt; die reden is “de in het pensioenarrest neergelegde doelstelling te verwezenlijken en de uitvoerbaarheid van het arrest te bevorderen”.34 Tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt dat de praktische uitwerking van ‘het pensioenarrest’ problemen opleverde voor diverse betrokkenen (de scheidende partijen, pensioenuitvoerders, advocatuur en rechterlijke macht), dat de actuariële problemen legio bleken en dat rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid dreigden.35
Hoewel de benadering in het Boon/Van Loon-arrest volgens de memorie van toelichting ‘in het huidige tijdsgewricht’ niet alle gevallen meer opgeld kan doen (zie 3.25), wordt een van de uitgangspunten waarop het arrest steunt wat betreft ouderdomspensioen – te weten "dat het pensioenrecht (...) uit maatschappelijk oogpunt bestemd is te voorzien in de behoeften van beide echtgenoten en dat voorts de opbouw van een zodanig pensioen (...) in beginsel moet worden gezien als het resultaat van de gemeenschappelijke inspanning van beide echtgenoten” (zie 3.3) – wel onderschreven.36 Dit leid ik bijvoorbeeld af uit de volgende passage:37
“Als uitgangspunt voor deze wettelijke regeling is gekozen voor een pensioendeling. Met een dergelijke pensioendeling wordt naar ons oordeel het meest recht gedaan aan de gedachte dat opbouw van pensioenrechten tijdens de huwelijksperiode een inspanning is van beide huwelijkspartners, die erop gericht is te bereiken dat zij beiden kunnen genieten van een redelijke oudedagsvoorziening. Daarmee wordt dan tevens bereikt dat bij gebreke van onderlinge overeenstemming ten aanzien van de tijdens de huwelijksjaren opgebouwde pensioenrechten daarover niet meer behoeft te worden geprocedeerd. Hiermee kan een belangrijke potentiële bron van conflictstof tussen scheidende echtgenoten wegvallen.”
Verschillen met het Boon/Van Loon-regime
Siegman geeft de belangrijkste verschillen tussen het Boon/Van Loon-regime en het Wet VPS-regime op overzichtelijke wijze in een tabel weer:38

Het gaat in deze tabel om verschillen wat betreft de uitgangspunten. Met betrekking tot diverse punten gelden uitzonderingen of zijn nuanceringen te maken.
Voor deze conclusie is vooral van belang de nuancering dat hoewel onder de Wet VPS uitkering/betaling door de pensioenuitvoerder aan de vereveningsgerechtigde wel het uitgangspunt is in de opzet van de regeling (art. 2(2) VPS; zie 3.13-3.14), in voorkomende gevallen de uitkering/betaling toch door de vereveningsplichtige echtgenoot geschiedt. Dat is aan de orde:
- Indien niet (tijdig) aan de in art. 2(2) VPS gestelde voorwaarde is voldaan van mededeling van de scheiding aan de pensioenuitvoerder (zie 3.17).
- Indien de Wet VPS van toepassing is op pensioenen ingevolge een buitenlandse pensioenregeling (zie 3.19).
- En mogelijk ook indien echtgenoten de toepasselijkheid van de Wet VPS hebben uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een scheidingsconvenant (zie 3.24).
Ik wijs erop dat het niet om een gering aantal gevallen gaat waarbij de betaling van de pensioenuitkering aan de vereveningsgerechtigde niet door de pensioenuitvoerder gebeurt. De memorie van toelichting bij het hierna vermelde wetsvoorstel Wet pensioenverdeling bij scheiding 2022 vermeldt dat uit diverse onderzoeken en uit navraag bij pensioenuitvoerders volgt dat (slechts) “bij dertig tot vijftig procent van het aantal scheidingen pensioenverevening via de pensioenuitvoerders [blijkt] te zijn geregeld”.39
Mogelijk toekomstig recht: wetsvoorstel Wet pensioenverdeling bij scheiding 2022
Sinds september 2019 is aanhangig het wetsvoorstel Wet pensioenverdeling bij scheiding 202140 (inmiddels: 202241). Aanleiding voor dat wetsvoorstel is enerzijds een evaluatie van de Wet VPS waaruit volgt dat deze wet “nog altijd een meerwaarde heeft, maar dat de opzet van de wet verbetering behoeft” en anderzijds dat deze wet “vernieuwing [behoeft] om te kunnen voldoen aan de eisen van de huidige tijd.”42 Twee van de hoofdelementen van het wetsvoorstel zijn dat (i) conversie niet langer de alternatieve wijze van het verdelen van pensioen is, maar juist de standaard wordt, en – samenhangend – dat (ii) overgegaan wordt van een opt-in-systeem (actief mededeling aan de pensioenuitvoerder doen) naar een opt-out-systeem: een pensioenuitvoerder gaat over tot verdeling van het ouderdomspensioen door conversie, tenzij de ex-partners aangeven dat zij de verdeling niet willen.43 Uit informatie op de website van de Tweede Kamer leid ik af dat de behandeling van het wetsvoorstel al enige jaren stil ligt.44 In de literatuur kom ik een steeds opschuivende geplande ingangsdatum tegen.45