Rechtbank Amsterdam, 13-03-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1846, 13/752034-19
Rechtbank Amsterdam, 13-03-2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:1846, 13/752034-19
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 maart 2020
- Datum publicatie
- 24 maart 2020
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2020:1846
- Zaaknummer
- 13/752034-19
Inhoudsindicatie
Vervolgings-EAB België. Genoegzaamheidsverweer verworpen. Lijstfeitverweer verworpen. Onschuldverweer verworpen. TKG. Art. 13 OLW. Overlevering toegestaan.
Uitspraak
Parketnummer: 13/752034-19
RK nummer: 19/6289
Datum uitspraak: 13 maart 2020
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 6 november 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 29 oktober 2019 door de Onderzoeksrechter in de rechtbank van Eerste Aanleg Antwerpen, Afdeling Antwerpen (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Libië) op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres:
[adres],
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1 Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 februari 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. G.S.J. van Gestel, advocaat te Rotterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd, omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
2 Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.
3 Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel bij verstek uitgevaardigd op
29 oktober 2019 door A. Gieselink, onderzoeksrechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Antwerpen (referentie dossier nummer: 2017/150 OR A. Gieselink; not.nr.: 45.F1.524936/17).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Belgisch recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 4 december 2019 en 27 februari 2020. Door de griffier gewaarmerkte fotokopieën zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.
Genoegzaamheid
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen. De verdenking die in het EAB wordt genoemd berust volgens de Belgische autoriteiten onder meer op een auto die zou zijn gebruikt bij de strafbare feiten en die op naam van de opgeëiste persoon staat. Uit de stukken blijkt echter niet dat de opgeëiste persoon op de genoemde data ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van deze auto. Daarnaast zou een telefoonnummer dat aan de opgeëiste persoon wordt toegeschreven op Belgisch grondgebied zijn gebruikt. Zonder nadere informatie zegt ook dit niets over de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten.
De rol en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten is aldus niet voldoende geconcretiseerd, zodat de stukken ongenoegzaam moeten worden geacht.
Oordeel van de rechtbank
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer van de raadsman niet kan slagen. De opgeëiste persoon wordt, kort gezegd, door de Belgische autoriteiten verdacht van poging tot medeplegen van invoer van en handel in verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie in de periode van 30 juni 2018 tot en met 2 juli 2018 te Duinkerke (Frankrijk) en in de periode van 28 juli 2018 tot en met 30 juli 2018 te Antwerpen (België). Het is voor de opgeëiste persoon dan ook voldoende duidelijk waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten.
Het verweer van de raadsman betreft een bewijsverweer dat in de Belgische strafprocedure aan de orde dient te komen. De waardering van het bewijs dient immers bij uitsluiting te geschieden door de Belgische rechter in de strafrechtelijke procedure met betrekking tot de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Het verweer kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering