Rechtbank Amsterdam, 24-08-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5509, 732434 / HA RK 23-121
Rechtbank Amsterdam, 24-08-2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5509, 732434 / HA RK 23-121
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 24 augustus 2023
- Datum publicatie
- 7 september 2023
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2023:5509
- Zaaknummer
- 732434 / HA RK 23-121
Inhoudsindicatie
verzoek tot verwijdering BKR-registratie afgewezen
Uitspraak
Civiel recht
Zaaknummer / rekestnummer: C/13/732434 / HA RK 23-121
Beschikking van 24 augustus 2023
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. C.B.G.M. Foolen te Tilburg,
tegen
de naamloze vennootschap
ING BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: ING,
advocaat: mr. D.J. Posthuma te Amsterdam.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met producties,
- het verweerschrift, met producties,
- de beschikking van 19 mei 2023, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de mondelinge behandeling van 14 juli 2023, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2 De feiten
In 2002 heeft [verzoeker] een doorlopend krediet van € 2.500,00 afgesloten bij (een rechtsvoorganger van) ING. Het krediet was gekoppeld aan de betaalrekening van [verzoeker] . Op grond van de kredietovereenkomst moest [verzoeker] maandelijks € 90,00 betalen. De betalingen en de rente werden geïncasseerd van zijn betaalrekening.
In 2007 is een achterstand ontstaan bij de terugbetaling van het doorlopend krediet. ING kon de termijnbedragen niet incasseren, omdat er niet voldoende saldo op de betaalrekening van [verzoeker] stond. ING heeft [verzoeker] daarom verzocht om contact op te nemen over het doorlopend krediet. Als gevolg van de achterstand is op 3 september 2007 de bijzonderheidscode A in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: CKI) van Stichting Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR) geplaatst op contractnummer [nummer] .
Op 17 september 2007 en 1 oktober 2007 heeft ING [verzoeker] verzocht het saldotekort op zijn rekening aan te vullen en de betalingsachterstand op het doorlopend krediet te betalen.
Op 22 oktober 2007 heeft ING het doorlopend krediet opgezegd vanwege de betalingsachterstand. Ook heeft ING de uitstaande schuld opgeëist, die op dat moment € 3.617,60 bedroeg.
Op 20 januari 2009 heeft ING [verzoeker] gesommeerd de schuld te betalen, die op dat moment € 4.076,86 bedroeg.
Op 24 september 2010 heeft een schuldhulpverlener aan ING geschreven dat [verzoeker] zich had aangemeld voor hulp bij zijn schulden, dat sprake was van een problematische schuldensituatie en dat een minnelijk schuldsaneringstraject zou worden opgestart. Daarbij is ING verzocht de hoogte van haar vordering door te geven. ING heeft hierop op 12 oktober 2010 gereageerd dat de hoogte van de vordering € 4.793,27 bedroeg.
Begin 2011 heeft ING het bericht ontvangen dat het minnelijke traject werd beëindigd. Hierna heeft ING haar incassomaatregelen hervat. Op 29 juli 2011 heeft ING [verzoeker] gesommeerd om de vordering van op dat moment € 5.078,21 te betalen.
In 2014 is [verzoeker] bij zijn huidige werkgever in dienst getreden. Tot die tijd is hij een aantal jaren werkloos geweest.
In 2014 heeft ING de incasso van de vordering overgedragen aan haar incassogemachtigde, Vesting Finance. Vesting Finance heeft [verzoeker] vervolgens tot betaling gesommeerd. Hierna heeft [verzoeker] bij e-mail van 28 april 2014 een betalingsvoorstel gedaan, dat inhield dat hij € 2.000,00 zou betalen tegen finale kwijting. Vesting Finance heeft dit voorstel niet in behandeling genomen.
Op 27 oktober 2015 heeft Vesting Finance [verzoeker] gesommeerd de vordering van op dat moment € 6.045,56 te betalen. Hierna heeft Vesting Finance op 11 november en 30 december 2015 opnieuw sommaties verstuurd. [verzoeker] heeft vervolgens telefonisch contact opgenomen met Vesting Finance en laten weten dat hij een voorstel wilde doen voor een eenmalige en gedeeltelijke betaling tegen finale kwijting. Vesting Finance heeft [verzoeker] vervolgens op 4 januari 2016 per e-mail verzocht om een voorstel te doen en dit met documenten te onderbouwen.
Op 28 februari 2016 heeft Vesting Finance [verzoeker] opnieuw een sommatie verstuurd.
Op 9 maart 2016 heeft [verzoeker] in een e-mail aan Vesting Finance een betalingsvoorstel gedaan van € 2.500,00 tegen finale kwijting. Vesting Finance heeft hierop op 23 maart 2016 gereageerd dat zij het voorstel pas in behandeling kon nemen als [verzoeker] volledige inzage in zijn financiële situatie zou geven door middel van het toezenden van een informatielijst, inclusief onderbouwing met documenten.
Op 4 juli 2016 heeft [verzoeker] een e-mail gestuurd aan Vesting Finance, waarbij hij als bijlagen bewijs van andere schulden heeft meegestuurd. Uit deze bijlagen bleek van een schuld aan de Belastingdienst van € 497,00, een schuld aan Zilveren Kruis van € 1.627,28 en een schuld aan Zorginstituut Nederland van € 6.717,92. Op 12 juli en 15 augustus 2016 heeft Vesting Finance [verzoeker] nogmaals een informatielijst toegestuurd met het verzoek deze ingevuld te retourneren.
Op 8 september 2016 heeft Vesting Finance [verzoeker] gesommeerd de vordering van ING te voldoen, die op dat moment € 6.144,82 bedroeg. Per deze datum is de bijzonderheidscode 2 in het CKI geregistreerd.
Op 3 oktober 2016 heeft [verzoeker] een e-mail gestuurd aan Vesting Finance, met als bijlage een deels ingevulde informatielijst. [verzoeker] heeft hierbij een voorstel gedaan tot betaling van € 1.500,00 tegen finale kwijting. Vesting Finance heeft hierop op 6 oktober 2016 gereageerd dat zij nog een aantal stukken nodig had om het voorstel van [verzoeker] te kunnen beoordelen. Op 25 oktober 2016 heeft Vesting Finance in een e-mail aan [verzoeker] geschreven dat zij de gevraagde stukken nog niet had ontvangen en hem opnieuw gevraagd deze stukken op te sturen. Op 9 november 2016 heeft Vesting Finance [verzoeker] een brief gestuurd, waarin zij het betalingsvoorstel van [verzoeker] heeft afgewezen en een tegenvoorstel heeft gedaan. [verzoeker] heeft hier niet op gereageerd.
In 2017 heeft Vesting Finance de incasso van de vordering overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft [verzoeker] op 29 september en 20 oktober 2017 een sommatie verstuurd. [verzoeker] heeft hierna contact opgenomen met de gerechtsdeurwaarder en een betalingsregeling afgesproken, die inhield dat hij maandelijks € 100,00 zou betalen totdat de volledige vordering van ING was betaald.
Eind 2022 heeft [verzoeker] samen met zijn partner een koopovereenkomst getekend voor een woning met een koopsom van € 400.000,00. Op 7 december 2022 heeft Aegon Hypotheken laten weten dat de hypotheekaanvraag is afgewezen, omdat de uitkomst van de BKR toets niet acceptabel is. Hierna heeft [verzoeker] de koopovereenkomst ontbonden.
Op 9 december 2022 heeft [verzoeker] de laatste betaling aan ING gedaan. Vervolgens is deze dag in het CKI als werkelijke einddatum geregistreerd.
Op 22 december 2022 heeft CoderingVrij B.V. namens [verzoeker] een verzoek tot het verwijderen van de BKR-registratie ingediend bij ING. Vesting Finance heeft hierop op 24 februari 2023 namens ING gereageerd dat geen aanleiding bestaat de BKR-registratie vroegtijdig te verwijderen, omdat de belangenafweging niet in het voordeel van [verzoeker] uitvalt.
3 Het verzoek
[verzoeker] verzoekt de rechtbank, samengevat, om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
I. primair, ING te veroordelen om de coderingen (A en 2) op contractnummer [nummer] in het CKI van BKR binnen zeven dagen na deze beschikking te (laten) verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom;
II. subsidiair, ING te veroordelen om de BKR-registraties (A en 2) op contractnummer [nummer] in het CKI van BKR in een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, te (laten) verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom;
I. ING te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[verzoeker] legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de BKR-registratie niet proportioneel is, dat de belangenafweging moet uitvallen in zijn voordeel en dat de registratie daarom vroegtijdig moet worden verwijderd.
ING voert verweer.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.