Home

Rechtbank Arnhem, 24-06-2008, ECLI:NL:RBARN:2008:1543 BD7747, AWB 06/6483

Rechtbank Arnhem, 24-06-2008, ECLI:NL:RBARN:2008:1543 BD7747, AWB 06/6483

Gegevens

Instantie
Rechtbank Arnhem
Datum uitspraak
24 juni 2008
Datum publicatie
21 juli 2008
ECLI
ECLI:NL:RBARN:2008:BD7747
Zaaknummer
AWB 06/6483

Inhoudsindicatie

Schenkingsrechte. Successiewet.

Overdracht panden aan kinderen voor te lage prijs. Nieuw feit. Oud taxatierapport geen ambtelijk verzuim. Vragenbrief in ander boekenonderzoek ook niet. Geen eis van dubbele bewustheid voor schenkingsbegrip. Bewustheid en wil tot bevoordelen bij schenker nodig, niet bij de begiftigde.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

registratienummer: AWB 06/6483

uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 24 juni 2008

inzake

[X], wonende te [Z], eiser,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost Brabant, kantoor ‘s-Hertogenbosch, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiser op 14 december 2005 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [1]) recht van schenking opgelegd betreffende de schenking door [A] op 29 december 2000. Daarbij is de belaste verkrijging vastgesteld op ƒ 2.253.272.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 december 2006 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 13 december 2006, ontvangen bij de rechtbank op 14 december 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2008 te Arnhem. Daarbij zijn ook de samenhangende zaken met de nummers 06/6486 en 06/6489 behandeld.

Namens eiser is daar verschenen zijn gemachtigde mr. [B] bijgestaan door mw. [C]. Namens verweerder is verschenen mr. [D], bijgestaan door mw. [E] en [F]. Eisers gemachtigde heeft voorafgaand aan de zitting een pleitnota opgestuurd, die met instemming van partijen geacht wordt ter zitting te zijn voorgedragen. Verweerder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2. Feiten

De heer [A], vader van eiser, was (samen met een aantal van zijn vennootschappen) eigenaar van vijf onroerende zaken, gelegen aan de [a straat 1], de [b straat 1], de [c straat 1], de [d straat 1] en de [d straat 2], alle te [Z] (hierna: de vijf panden).

De vijf panden zijn op 29 december 2000 in eigendom overgedragen aan de drie kinderen van de heer [A], waaronder eiser. De koopsom voor de vijf panden bedroeg ƒ 5.100.000. Die koopprijs is gebaseerd op een minnelijke taxatie van eind 1999, neergelegd in rapporten d.d. 20 januari 2000.

Van de koopsom is door [A] aan ieder van zijn kinderen ƒ 1.000.000 kwijtgescholden. Voor dat bedrag is aangifte recht van schenking gedaan. Het aangiftebiljet was uitgereikt op 12 april 2001; de aangifte werd gedaan bij brief van notaris [G] van 16 december 2002.

De aanslagen recht van schenking zijn conform de aangifte opgelegd op 12 februari 2003.

Verweerder heeft vanaf 1 juli 2002 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften vennootschapsbelasting van [H] B.V. (een vennootschap waarvan [A] alle aandelen bezit) en de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van [A]. Mw. [E] trad daarbij op als controlerend ambtenaar.

Op 3 december 2002 heeft mw. [E] in het kader van het onderzoek een brief verzonden aan [I] Belastingadviseurs, de toenmalige adviseur van [A]. In deze brief wordt informatie opgevraagd, ondermeer over de leveringsakte van 29 december 2000 betreffende de vijf panden.

Notaris [G] heeft bij brief van 16 december 2002 op die vragenbrief gereageerd. Die brief van 16 december 2002 is aangemerkt als de (hiervoor genoemde) aangifte schenkingsrecht. In de brief wordt verwezen naar de minnelijke taxatie van de vijf panden op het bedrag van ƒ 5.100.000.

In een brief van 16 januari 2003 heeft mw. [E] nadere vragen gesteld. Op pagina 11 van die brief wordt specifiek de vraag gesteld of er na 1999 nog taxaties zijn uitgebracht.

Bij brief van 1 mei 2003, dus na het opleggen van de aanslag schenkingsrecht, wordt op de vraag van mw. [E] geantwoord dat er geen nadere taxaties zijn verricht, met uitzondering van een taxatie voor de OZB.

Vanaf september 2004 is de Fiod betrokken bij het boekenonderzoek.

De Fiod heeft tijdens een huiszoeking in de woning van [A] een taxatierapport aangetroffen betreffende de vijf panden, opgemaakt op 29 juni 2000 door de heer [J] ten behoeve van de financiering van het restant van de koopsom voor de kinderen. De heer [J] heeft de waarde van de vijf panden getaxeerd op ƒ 8.885.000.

De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 20 september 2005, opgesteld door mw. [E].

Met dagtekening 14 december 2005 is aan eiser een navorderingsaanslag voor het recht van schenking opgelegd, uitgaande van het verschil in waarde van de vijf panden tussen de aangifte en de taxatie van de heer [J].

3. Geschil

De waarde van de vijf panden op 29 december 2000 is niet langer in geschil. Partijen hebben hierover vrij kort voor de zitting een compromis bereikt. Zij hebben de waarde van de vijf panden gezamenlijk vastgesteld op ƒ 7.988.448, ofwel € 3.625.000.

Evenmin is in geschil dat de belaste verkrijging als gevolg hiervan moet worden vastgesteld op ƒ 1.954.422 en dat het bedrag van de belasting uitkomt op ƒ 293.331, ofwel € 133.107. Het bedrag van de primitieve aanslag moet daarop in mindering worden gebracht, zodat de navorderingsaanslag een bij te betalen bedrag oplevert van ƒ 174.703, ofwel € 79.277.

Eiser betoogt echter dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd omdat het voor de navordering vereiste nieuwe feit in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) ontbreekt. Volgens eiser is sprake van een ambtelijk verzuim.

Verweerder voert aan dat het nieuwe feit is gelegen in het taxatierapport van de heer [J] dat pas na september 2004 aan verweerder bekend werd. Er is volgens verweerder geen sprake van een ambtelijk verzuim.

Eiser beroept zich er verder nog op dat er een eis van dubbele bewustheid geldt bij een schenking. Volgens eiser brengt dit mee dat het noodzakelijk is dat hij zich bewust is geweest van de hoogte van de schenking. Nu eiser geen idee had van de waarde van de vijf panden, hetgeen wordt ondersteund door de afgelegde verklaringen bij de politie en door het vonnis van de strafkamer van de rechtbank, is die bewustheid niet aanwezig geweest.

Verweerder heeft in dit kader aangevoerd dat eiser zich wel ervan bewust was dat hij een schenking kreeg en dat het niet nodig is dat eiser zich bewust was van de hoogte van de schenking.

4. Beoordeling van het geschil

Nieuw feit

De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval een nieuw feit aanwezig is in de vorm van de na de aanslag ontdekte taxatierapporten van de heer [J], waaruit een veel hogere waarde van de vijf panden bleek dan de tussen [A] en zijn kinderen overeengekomen koopsom.

Er is geen sprake van een ambtelijk verzuim aan de zijde van verweerder. De vraag in de brief van 16 januari 2003 of er nog een ander taxatierapport was van de vijf panden dan de minnelijke taxatie van eind 1999, was gesteld in een ander kader, namelijk ter beoordeling van de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen van de heer [A] en de aangiften vennootschapsbelasting van [H] B.V. De juistheid van de hoogte van de koopsom voor de vijf panden was geen onderwerp van het onderzoek en de juistheid van de aangifte schenkingsrecht werd evenmin onderzocht. De rechtbank acht aannemelijk dat mw. [E] de vraag alleen heeft gesteld om een zo goed mogelijk totaalbeeld te krijgen. Overigens valt nog op dat het wachten op het antwoord niets zou hebben opgeleverd; in het antwoord op de vragenbrief werd immers opnieuw verwezen naar de minnelijke taxatie. De taxatie van de heer [J] werd ook toen niet vermeld.

De omstandigheid dat de waardebepaling van het minnelijke taxatierapport een jaar oud was ten tijde van de overdracht van de vijf panden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om een ambtelijk verzuim aan te nemen. Verweerder mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte, zeker nu daarbij het minnelijke taxatierapport was gevoegd en er bij verweerder op dat moment nog geen feiten of omstandigheden bekend waren die erop wezen dat de waarde van de vijf panden in de tussenliggende periode aanzienlijk was gestegen.

De stelling van eiser dat mw. [E] persoonlijk betrokken is geweest bij de oplegging van de aanslag schenkingsrecht, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu dit ter zitting door mw. [E] zelf gemotiveerd is weersproken en door eiser ook op geen enkele wijze is onderbouwd.

Geen eis van dubbele bewustheid

Onder het begrip schenking in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Successiewet 1956 (zoals dat artikel luidde in het jaar 2000), wordt begrepen de schenking zoals beschreven in artikel 1703 e.v. van het (oude) Burgerlijk Wetboek (boek 7A, titel 11), alsmede “elke andere bevoordeling uit vrijgevigheid”. In de sinds 1 januari 2003 geldende tekst van deze bepaling (nu opgenomen in het derde lid) wordt verwezen naar artikel 7:186, tweede lid, van het (nieuwe) Burgerlijk Wetboek betreffende de gift. De gift wordt daar omschreven als “iedere handeling die ertoe strekt dat degeen die de handeling verricht, een ander ten koste van eigen vermogen verrijkt.”

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 28 januari 1959, BNB 1959/122, overwogen:

“Door de woorden 'elke andere bevoordeling uit vrijgevigheid' legt de wet aan de heffing van het recht van schenking ten grondslag een schenkingsbegrip dat zich hierdoor kenmerkt, dat iemand met de bedoeling om een ander te bevoordelen (uit vrijgevigheid) uit het eigen vermogen, in het vermogen van de ander enige waarde om niet doet overgaan (de ander bevoordeelt).”

Voorts heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 12 juli 2002, BNB 2002/317, overwogen dat naast de bewustheid van bevoordeling ook de wil tot bevoordelen een afzonderlijk vereiste is voor de aanwezigheid van een schenking in de zin van artikel 1, tweede lid, van de Successiewet 1956.

Naar het oordeel van de rechtbank is voor het schenkingsbegrip uit de Successiewet 1956 voldoende dat de schenker ten koste van zijn vermogen de begiftigde verrijkt, dat de schenker zich hiervan bewust is en dat zijn wil er ook op gericht is om de begiftigde te bevoordelen.

Niet nodig is dat de begiftigde zich van de hoogte van de bevoordeling bewust is.

Naar het oordeel van de rechtbank geldt dus in zoverre geen eis van dubbele bewustheid; de bewustheid hoeft alleen bij de schenker te bestaan.

Dat sprake is van verrijking van eiser ten koste van het vermogen van de schenker, [A], is niet in geschil. Ook acht de rechtbank het, gelet op alle omstandigheden van het geval, aannemelijk dat de schenker zich bewust was van de bevoordeling, ook ten aanzien van het gedeelte van de hogere waarde van de panden ten opzichte van de koopsom, en dat zijn wil ook op die bevoordeling was gericht. De bewustheid volgt uit de verklaringen van [A] bij de Fiod waarin hij toegeeft dat hij wel wist dat de panden meer waard waren. Zijn wil tot bevoordelen is af te leiden uit de gang van zaken zoals die uit het dossier blijkt, maar ook uit de verklaring van de gemachtigde van eiser ter zitting over de door [A] gewenste “estate planning”, die mede was ingegeven door de slechte gezondheidstoestand van zijn echtgenote.

Gelet op het bovenstaande kon verweerder een navorderingsaanslag opleggen. Het beroep

dient echter wel gegrond te worden verklaard, omdat partijen een lagere waarde van de vijf panden zijn overeengekomen dan de waarde waarop de navorderingsaanslag was gebaseerd.

5. Proceskosten

De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiser in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken.

Er is geen aanleiding om een integrale kostenvergoeding toe te kennen, nu geen sprake is van de daarvoor in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) vereiste bijzondere omstandigheden.

Op de voet van artikel 2, eerste lid, van het Besluit zijn de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.127 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde per punt van € 161 en een wegingsfactor 1, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1). Van overige proceskosten is niet gebleken.

Nu sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit voor wat betreft de zaken met nummers 06/6486 en 06/6489, zal slechts één maal proceskostenvergoeding worden toegekend voor alle drie de zaken. In de onderhavige zaak zal daarom een derde van de proceskostenvergoeding worden toegewezen, ofwel € 375,67.

Voor zover eiser met de vermelding van artikel 8:73 van de Awb bedoeld heeft schadevergoeding te vragen, komt dit verzoek niet voor toewijzing in aanmerking nu niet is gesteld dat eiser schade heeft geleden, anders dan de onder artikel 8:75 van de Awb vallende proceskosten.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een berekend naar een belaste verkrijging van ƒ 1.954.442/€ 886.887 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 375,67, en wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan dit bedrag aan eiser te voldoen;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 38 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 24 juni 2008

en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. F.M. Smit, voorzitter,

mr. A.M.F. Geerling en mr. I. Linssen, rechters, in tegenwoordigheid van

mr. P.P.J. Leenders, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.