Ga verder naar content

Rechtbank Breda, 23-06-2005, ECLI:NL:RBBRE:2005:AT7930, AWB 05/00371

Rechtbank Breda, 23-06-2005, ECLI:NL:RBBRE:2005:AT7930, AWB 05/00371

Gegevens

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23 juni 2005
ECLI
ECLI:NL:RBBRE:2005:AT7930
Zaaknummer
AWB 05/00371

Inhoudsindicatie

Belastingplichtige wil op grond van het gelijkheidsbeginsel dezelfde fiscale behandeling hebben als de mensen van ondermeer "Vinkenslag". Voor partijen is duidelijk dat de belastingdienst, de inspecteur, bij het toepassen van ondermeer de "Vinkenslagregeling" niet de bedoeling had die mensen een gunstigere behandeling te geven dan alle andere belastingplichtigen. De rechtbank wijst het beroep op het gelijkheidsbeginsel dus af omdat dit beroep enkel kan slagen als die inspecteur met de toepassing van dat begunstigend beleid, onder meer de "Vinkenslagregeling", belastingplichtige een gunstiger behandeling heeft willen geven. En dit was niet het geval.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/00371

Uitspraakdatum: 23 juni 2005

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[[X]],

Wonende te [Z], eiser,

gemachtigde, de heer [A], verbonden aan [C.] [ B.]V. te [Z],

en

de inspecteur van de Belastingdienst [ te P.],

verweerder,

gemachtigde, de heer [A.] en de heer [B.].

Betreft:

De uitspraak van verweerder van 10 februari 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan haar voor het jaar 2003 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen naar een belastbaar inkomen uit werk en wonen van € 12.067,=.

Onderzoek ter zitting:

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2005. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens eiser, de heer [A], verbonden aan [C.] B.V. te [Z], alsmede, namens verweerder, de heer [A.] en de heer [B.].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2. Gronden

Vooraf en ambtshalve

Eiser heeft ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat haar grieven met betrekking tot de schending van de hoorplicht als bedoeld in artikel 7:2 van de Awb juncto artikel 25, vierde lid van de AWR, uitsluitend van belang zijn voor de veroordeling in de proceskosten en daarmee niet is bedoeld in geval van vernietiging van de bestreden uitspraak de zaak terug te wijzen. Eiser wil dat, in het geval zij in het gelijk wordt gesteld, de rechtbank de zaak zelf afdoet. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat eiser is benadeeld door de schending van de hoorplicht zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien.

2.1. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is in geschil het antwoord op de vraag of de verschuldigde inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2003, ten bedrage van € 1.590,=, op grond van het gelijkheidsbeginsel moet worden verminderd tot nihil.

Eiser is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

2.2. Eiser heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat zij uitsluitend een beroep doet op toepassing van het gelijkheidsbeginsel voorzover dit begunstigend beleid betreft. Zij beroept zich daarbij op de volgende regelingen c.q. praktijken, afzonderlijk dan wel in onderlinge samenhang bezien:

- De zogenaamde “Vinkenslag-regeling”;

- De algemene instructie, inzake de zogenaamde kwade posten, uit 1983;

- De praktijk van de contra legem afspraken;

- Het sinds 1997 gevoerde vrijplaatsenbeleid.

2.3. Ter zitting heeft eiser uitdrukkelijk verklaard dat zij geen beroep doet op toepassing van het gelijkheidsbeginsel voorzover dit het oogmerk van begunstiging betreft aangezien verweerder met het uitvoeren van bovenstaande regelingen c.q. praktijken haars inziens nooit het oogmerk heeft gehad belastingplichtigen te begunstigen.

Tevens heeft belanghebbende in de stukken en ter zitting verklaard dat haar beroep op het gelijkheidsbeginsel niet de toepassing van de meerderheidsregel inhoudt.

2.4. Op grond van vaste jurisprudentie moet voor de toepassing van het gelijkheidsbeginsel op grond van begunstigend beleid aan een drietal vereisten worden voldaan:

- er moet sprake zijn van vergelijkbare gevallen die gunstiger zijn behandeld;

- de gunstiger behandeling moet berusten op een beleid van de belastingdienst; en

- het beleid van de belastingdienst moet een begunstigend karakter hebben.

In aanvulling hierop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 23 april 2004, nr. 38 262, onder meer gepubliceerd in BNB 2004/392, in rechtsoverweging 3.8. het volgende overwogen:

“(…) Met dit betoog wordt miskend dat indien sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen, voor toepassing van het gelijkheidsbeginsel buiten de situatie waarin de meerderheidsregel toepassing kan vinden, nodig is dat die ongelijke behandeling berust op een begunstigend beleid of op een oogmerk van begunstiging. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging is beslissend het oogmerk van de inspecteur toen hij de aanslag(en) regelde zoals hij heeft gedaan, niet, zoals het middel bepleit, welke voorstelling de belastingplichtige zich heeft gemaakt van het oogmerk van de inspecteur. Ook wat deze onderdelen betreft faalt derhalve het middel.”

2.5. Op pagina twee van zijn pleitnota stelt eiser:

“De stelling onder 6.3.1. en 6.3.3. verweerschrift dat er geen oogmerk van begunstiging zou zijn geweest, doet aan de begunstiging – als vereiste voor het onderhavige beroep op het gelijkheidsbeginsel – niet af. Met andere woorden: een oogmerk is niet vereist.”.

Zoals blijkt uit het in 2.4. aangehaalde arrest is dit een onjuiste zienswijze.

2.6. Verweerder heeft uitdrukkelijk en gemotiveerd verklaard, voorzover de – hierboven in 2.2. – vermelde regelingen c.q. praktijken als beleid zijn aan te merken, deze niet zijn uitgevoerd met het oogmerk van begunstiging en dat dit oogmerk ook niet bestond ten tijde van het opleggen van de aanslagen. Eiser is met verweerder van mening dat met de uitvoering van de onder 2.2. vermelde regelingen c.q. praktijken verweerder nooit het oogmerk heeft gehad te begunstigen.

2.7. Op grond van voornoemd arrest van de Hoge Raad is voor een geslaagd beroep op toepassing van het gelijkheidsbeginsel op grond van begunstigend beleid onder meer vereist dat verweerder ten tijde van het opleggen van de aanslag een oogmerk van begunstiging had. Nu verweerder heeft gesteld dat dit oogmerk van begunstiging niet bestond en dit door eiser wordt bevestigd is de rechtbank van oordeel dat het onderhavige beroep op toepassing van het gelijkheidsbeginsel reeds op die grond faalt.

Nu het beroep reeds op grond van het vorenstaande niet kan slagen, gaat de rechtbank voorbij aan de vraag of aan de overige vereisten voor de toepassing van het gelijkheidbeginsel op grond van begunstigend beleid wordt voldaan.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene moet het beroep ongegrond worden verklaard.

3. Proceskosten

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. C.A.F.M. Stassen, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. A.J. Kromhout. De beslissing is op 23 juni 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L. Abbing-van Kleef, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.