Home

Rechtbank Breda, 22-02-2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:1712 AV4224, AWB 05/861

Rechtbank Breda, 22-02-2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:1712 AV4224, AWB 05/861

Inhoudsindicatie

naheffing loonbelasting. Tussen partijen is in geschil of belanghebbende terecht niet is gehoord in de bezwaarfase. Voorts zijn partijen verdeeld over de heffing en het tarief van loonbelasting. De rechtbank overweegt dat belanghebbende door het niet horen in haar procesvoering is benadeeld en wijst de zaak terug naar de Inspecteur nu belanghebbende hierover heeft geklaagd en niet is komen vast te staan dat omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan (uiteindelijk) geen verschil van mening meer bestaat.

Uitspraak

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/861

Uitspraakdatum: 22 februari 2006

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[X] B.V. (voorheen: [A] B.V.), gevestigd en kantoorhoudende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst [P], verweerder,

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en de inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende, met dagtekening 26 augustus 2003, over het tijdvak 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002, een naheffingsaanslag opgelegd in de loonbelasting en premie volksverzekeringen tot een bedrag aan enkelvoudige belasting van € 257.810,=, alsmede een verzuimboete van € 4.537,= en een bedrag aan heffingsrente van € 9.946,=.

1.2. Na daartegen op 3 oktober 2003 gemaakt bezwaar heeft de inspecteur, bij uitspraak op bezwaar van 10 februari 2005, de naheffingsaanslag gehandhaafd. Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 276,=. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoren tot de stukken van het geding.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2005 te Breda. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende in de persoon van haar directeur, [B], vergezeld van haar gemachtigden, [C] en [D], beiden verbonden aan [E] te [Q], alsmede, namens de inspecteur, [F].

1.5. De inspecteur heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. De rechtbank rekent deze pleitnota tot de stukken van het geding.

1.6. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Namens de Belastingdienst is [F], als vakgroepcoördinator, actief betrokken geweest bij de vaststelling van de naheffingsaanslag.

2.2. In de bezwaarfase is belanghebbende op 5 oktober 2004 gehoord. Tijdens de hoorzitting waren namens de inspecteur aanwezig [F] en [G].

3. Het geschil

3.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen.

I. Is sprake van schending van het bepaalde in artikel 7:5, lid 1 van de Awb, zodat de uitspraak op bezwaar dient te worden vernietigd?

II. Zijn de bedragen die in 2001 en 2002 aan een tweetal ex-werknemers van belanghebbende zijn uitbetaald onderworpen aan de heffing van loonbelasting en premie volksverzekeringen, en zo ja, in welk jaar?

III. Indien de tweede vraag bevestigend moet worden beantwoord, naar welk tarief dient dan loonbelasting en premie volksverzekeringen te worden geheven?

IV. Is de verzuimboete terecht opgelegd, en zo ja, dient deze te worden gematigd?

Belanghebbende is van oordeel dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord en de tweede en vierde vraag ontkennend. Als antwoord op de derde vraag stelt belanghebbende dat het 45%-tarief van toepassing is.

De inspecteur is wat betreft de eerste, tweede en vierde vraag de tegenovergestelde opvatting toegedaan. Wat betreft de derde vraag is hij van oordeel dat loonbelasting en premie volksverzekeringen dient te worden geheven naar progressief tarief.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Tijdens de hoorprocedure hadden wij de instelling om eruit te komen met de inspecteur. Het is geen goede insteek om je aan het begin van een onderhandeling moeilijk op te stellen. Daarom hebben wij toen ingestemd met de aanwezigheid van [F]. Wij beroepen ons expliciet op schending van artikel 7:5 van de Awb. Wij hebben er geen behoefte aan dat de rechtbank de zaak desondanks afdoet.

De inspecteur

Ten aanzien van de hoorprocedure merk ik op dat belanghebbende uitdrukkelijk heeft ingestemd met mijn aanwezigheid hierbij. De uitspraak op bezwaar is afgedaan door

[G]. Zij heeft het bezwaar onafhankelijk beoordeeld. Belanghebbende is niet in haar procesvoering benadeeld.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de naheffingaanslag en de boete.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:5, eerste lid, van de Awb geschiedt het horen in de bezwaarfase door een persoon die niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken is geweest dan wel door minimaal drie personen waarvan de meerderheid niet bij de betreffende voorbereiding betrokken is geweest. Vaststaat dat in het onderhavige geval het horen is geschied door twee personen waarvan er één, [F], bij de voorbereiding van de naheffingsaanslag betrokken is geweest. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van omstandigheden, als bedoeld in artikel 25, lid 5 van de AWR, die noopten tot het horen van belanghebbende in afwijking van artikel 7:5 van de Awb. De rechtbank is daarom van oordeel dat belanghebbende in strijd met het bepaalde in artikel 7:5 van de Awb is gehoord.

4.2. De rechtbank verwerpt de stelling van de inspecteur dat belanghebbende, ondanks dit gebrek, niet is benadeeld in de zin van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Belanghebbende heeft ter zitting uitdrukkelijk geklaagd dat zij door schending van artikel 7:5 van de Awb in haar procesvoering is benadeeld en bovendien is niet komen vast te staan dat omtrent de van belang zijnde feiten en de waardering daarvan tussen de inspecteur en belanghebbende (uiteindelijk) geen verschil van mening meer bestaat.

4.3. Nu belanghebbende met betrekking tot de eerste in geschil zijnde vraag in het gelijk wordt gesteld en voor dat geval uitdrukkelijk heeft verzocht dat de rechtbank de zaak niet zelf afdoet zal de rechtbank de uitspraak op bezwaar vernietigen en de inspecteur opdragen opnieuw uitspraak op bezwaar te doen met inachtneming van deze beslissing.

5. Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aan-lei-ding op grond van artikel 8:75 van de Awb de inspecteur te veroordelen in de kos-ten die belanghebbende in verband met de behande-ling van het beroep redelij-kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,= (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,= en een wegingsfactor 1,5). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt de inspecteur op om met in achtneming van deze beslissing opnieuw uitspraak op bezwaar te doen;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten tot een bedrag van € 966,=, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan belanghebbende dient te vergoeden;

- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 276,= aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. W. Brouwer, voorzitter, mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo en mr. C.A.F.M. Stassen. De beslissing is op 22 februari 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. I. van Wijk, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.