Home

Rechtbank Breda, 06-04-2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:1695 BI4169, AWB 05/803

Rechtbank Breda, 06-04-2006, ECLI:NL:RBBRE:2006:1695 BI4169, AWB 05/803

Gegevens

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
6 april 2006
Datum publicatie
18 mei 2009
ECLI
ECLI:NL:RBBRE:2006:BI4169
Zaaknummer
AWB 05/803

Inhoudsindicatie

geen samenvatting

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/803

Uitspraakdatum: 6 april 2006

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en Inspecteur.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de Inspecteur van 4 februari 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan belanghebbende voor het tijdvak 1 januari 1999 tot en met 31 december 2000 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting te bedrage van ? 46.802.

1. Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2006 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

2. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht ad € 138 aan hem vergoedt.

3. Gronden

3.1. Belanghebbende heeft over de jaren 1999 en 2000 aangifte gedaan naar de volgende bedragen aan omzetbelasting:

1999:

omzetbelasting over omzet ? 4.882

voorbelasting ? 18.910

2000:

omzetbelasting over omzet ? --

voorbelasting ? 32.774

3.2. De Inspecteur heeft naar aanleiding van een bij belanghebbende gehouden boekenonderzoek een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van ? 46.802, zijnde het totaal te restitueren bedrag aan omzetbelasting dat uit de aangiften van belanghebbende voortvloeide.

3.3. De Inspecteur stelt dat belanghebbende voor de onderhavige jaren niet als ondernemer in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) kan worden aangemerkt. Voor de onderbouwing van zijn stelling verwijst hij naar onderdelen van het rapport van het bij belanghebbende gehouden boekenonderzoek.

3.4. Blijkens het rapport boekenonderzoek heeft belanghebbende over de jaren 1999 en 2000 geen omzet gegenereerd. Belanghebbende heeft in 1999 weliswaar enige bedragen ontvangen doch de Inspecteur heeft gemotiveerd gesteld dat deze bedragen betrekking hadden op activiteiten van belanghebbende in voorgaande jaren. Niet is aannemelijk geworden dat belanghebbende in het onderhavige tijdvakken enige omzet heeft gehad, noch dat belanghebbende in deze tijdvakken in het kader van enige (eventueel te starten of af te wikkelen) onderneming heeft geopereerd. Uit het niet genereren van omzet in de onderhavige jaren leidt de rechtbank af dat belanghebbende in deze jaren niet heeft deelgenomen aan het economische verkeer, zodat hij niet als ondernemer in de zin van de Wet kan worden aangemerkt. Met hetgeen hij heeft aangevoerd heeft belanghebbende het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De enkele stellingen van belanghebbende dat hij projectontwikkelaar is en dat hij van alle lopende projecten een overzicht heeft verstrekt aan de Inspecteur zijn hiertoe onvoldoende. Het gelijk is derhalve aan de zijde van de Inspecteur.

3.5. De stelling van belanghebbende dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het verbod op détournement de pouvoir moet worden afgewezen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt en de rechtbank is evenmin gebleken dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbendes stelling dat de uitspraak op het bezwaarschrift langer op zich heeft doen wachten dan is voorzien in artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, juncto artikel 25 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is juist, evenwel dit leidt niet tot het rechtsgevolg dat de uitspraak of de aanslag zou moeten worden vernietigd.

Belanghebbende heeft tevens gesteld, dat de Inspecteur bij het doen van de uitspraak op het bezwaar het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Gelet op de brief van de Inspecteur van 26 januari 2005 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de uitspraak op bezwaar onvoldoende is gemotiveerd. Afgezien van het niet in de gelegenheid stellen van belanghebbende om te worden gehoord, heeft de rechtbank onvoldoende grond om eraan te twijfelen dat de bestreden uitspraak met de daartoe vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

3.6. Belanghebbende heeft ter zitting gesteld dat hij zijn stelling dat de zaak moet worden teruggewezen naar de Inspecteur omdat belanghebbende niet op zijn bezwaar is gehoord, laat vallen. In dat kader zijn partijen ter zitting overeengekomen dat de Inspecteur aan belanghebbende het griffierecht ad € 138 zal vergoeden wegens de omstandigheid dat belanghebbende niet is gehoord, nu belanghebbende in de onderhavige zaak in het kader van het treffen van een voorlopige voorziening door Hof ’s-Hertogenbosch niet expliciet te kennen heeft gegeven af te zien van zijn recht om te worden gehoord.

3.7. Gelet op al het vorenoverwogene dient te worden beslist als voormeld.

4. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

5. Schadevergoeding

Nu het beroep ongegrond is, zijn geen termen aanwezig om belanghebbendes verzoek om vergoeding van schade toe te kennen.

Deze uitspraak is gedaan op 6 april 2006 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van drs. J.M.C. Hendriks, griffier.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,

2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.