Home

Rechtbank Breda, 22-04-2011, BQ6152, 10/2343

Rechtbank Breda, 22-04-2011, BQ6152, 10/2343

Gegevens

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
22 april 2011
Datum publicatie
26 mei 2011
ECLI
ECLI:NL:RBBRE:2011:BQ6152
Formele relaties
Zaaknummer
10/2343

Inhoudsindicatie

BPM.

Belanghebbende heeft tot een te laag bedrag aangifte BPM gedaan. De inspecteur kan op grond van de redelijke wetstoepassing een naheffingsaanslag opleggen en hiermee de formele belastingschuld in overeenstemming met de materiële belastingschuld brengen, ook al is er op het moment van naheffen door belanghebbende nog geen bedrag op aangifte betaald. De afgifte van het fiscaal akkoord door de inspecteur aan het RDW is niet voor de hoogte van de BPM relevant en geen mededeling die is aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 26 AWR. Het is de rechter in belastingzaken derhalve niet toegestaan hieromtrent enige beslissing over te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/2343

Uitspraakdatum: 22 april 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Limburg, kantoor Roermond, verweerder.

Eiseres wordt hierna belanghebbende genoemd en verweerder inspecteur.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De in één geschrift vervatte uitspraken van de inspecteur van 1 juni 2010 op het bezwaar van belanghebbende tegen de voldoening op aangifte en de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 april 2011 te Roermond. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende, in de persoon van [X], vergezeld van de gemachtigde, [gemachtigde] verbonden aan [adviesbureau], alsmede namens de inspecteur, [gemachtigde].

1.Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

2.Gronden

2.1.Op 21 januari 2010 heeft belanghebbende nadat bij de RDW een kenteken is aangevraagd aangifte BPM gedaan ter zake van de registratie van een personenauto. Het betreft een Audi, type Q5 TDI, met voertuigidentificatienummer [de auto] (hierna: de auto). Belanghebbende heeft de auto als gebruikt aangemerkt en de BPM berekend op basis van de werkelijke afschrijving en deze berekening onderbouwd met een taxatierapport. Het aangegeven bedrag aan BPM is door belanghebbende berekend op € 14.957.

2.2.Vaststaat dat de kilometerstand ten tijde van de aangifte van de auto 747 bedroeg en het kunststof gedeelte (rooster) in het midden aan de onderkant van de bumper beschadigd is.

2.3.De inspecteur heeft de onder 2.1 genoemde personenauto als nieuw aangemerkt en de totaal verschuldigde BPM vastgesteld op € 19.244. Het verschil met de aangifte, € 4.287, is met de onderhavige naheffingsaanslag van 1 februari 2011 nageheven. Bij de naheffingsaanslag is belanghebbende meegedeeld dat zij het totale bedrag aan BPM met gebruik van een bepaald kenmerk kan overmaken naar een bankrekening van de Belastingdienst. Tevens is daarbij meegedeeld dat het fiscaal akkoord pas wordt gegeven aan de RDW als het totale bedrag aan BPM is voldaan.

2.4.In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

IHoeveel bedraagt de verschuldigde BPM?

IIIs de onderhavige naheffingsaanslag terecht opgelegd?

IIIMoet de inspecteur de werkelijke proceskosten voor bezwaar en beroep vergoeden?

Belanghebbende concludeert in beroep tot een bedrag aan BPM van € 10.594 gebaseerd op het XRAY-inruilwaardesysteem, is van mening dat de inspecteur niet de bevoegdheid heeft een naheffingsaanslag op te leggen en vindt daarin aanleiding tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten. De inspecteur is van mening dat de BPM tot het juiste bedrag is vastgesteld en dat daarbij terecht de naheffingsaanslag is opgelegd en ziet geen aanleiding voor vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten.

2.5.1.De hoogte van de belastingschuld wordt door de wet bepaald. In het onderhavige geval bepalen de artikelen 9 en 10 van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet) hoeveel belasting is verschuldigd ten aanzien van de registratie van de auto. Hierbij is de berekening als zodanig niet in geschil maar is in geschil of de auto een gebruikte auto is in de zin van artikel 10 van de Wet. Belanghebbende heeft, tegenover de betwisting door de inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een gebruikte personenauto in bovenstaande zin. Belanghebbende heeft geen bewijs daartoe overgelegd of aangeboden. De omstandigheid dat de auto 747 km op de teller had en enige schade heeft zijn daartoe onvoldoende. Te meer nu partijen verdeeld zijn over deze schade en geen bewijs daarvan is overgelegd of aangeboden.

2.5.2.Nu de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een gebruikte auto in de zin van genoemd artikel 10 is niet in geschil dat de volgens artikel 9 van de Wet verschuldigde BPM € 19.244 bedraagt.

2.6.1.Met betrekking tot de beantwoording van de tweede in geschil zijnde vraag overweegt de rechtbank als volgt.

Artikel 6 van de Wet luidt voor zover te dezen van belang:

"1.De belasting moet op aangifte worden voldaan.

2. In afwijking van artikel 10, tweede lid, en artikel 19, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen:

a.moet de belasting, indien deze verschuldigd is:

1°.ter zake van de registratie van een personenauto of motorrijwiel, worden betaald voordat het kenteken op naam is gesteld;

2°.(...);

3°.(...);

b.wordt de aangifte gelijktijdig met de betaling gedaan."

Artikel 10 van de AWR luidt:

"1.Met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur of de ontvanger die is vermeld in de uitnodiging tot het doen van aangifte.

2. Heeft de aangifte betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand na het einde van het tijdvak. Heeft de aangifte niet betrekking op een tijdvak, dan wordt zij gedaan binnen een door de inspecteur gestelde termijn van ten minste een maand.

3. De inspecteur kan onder door hem te stellen voorwaarden uitstel van het doen van aangifte verlenen. "

Artikel 19 van de AWR luidt:

"1.In de gevallen waarin de belastingwet voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden of afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de belasting binnen één maand na het einde van dat tijdvak overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen.

2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld:

a.met betrekking tot het tijdvak waarover de belasting moet worden betaald, waarbij tevens regels kunnen worden gesteld volgens welke in de loop van dat tijdvak één of meer voorlopige betalingen moeten worden gedaan;

b.krachtens welke door de inspecteur aan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, uitstel wordt verleend voor de voldoening van in een tijdvak verschuldigd geworden belasting of de afdracht van in een tijdvak ingehouden belasting, indien met betrekking tot dat tijdvak dan wel een tijdvak dat is geëindigd vóór, tegelijk met of minder dan 34 dagen na dat tijdvak een verzoek om teruggaaf van belasting is ingediend.

3.In de niet in het eerste lid bedoelde gevallen waarin de belastingwet voldoening of afdracht van belasting op aangifte voorschrijft, is de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, gehouden de belasting overeenkomstig de aangifte aan de ontvanger te betalen binnen één maand na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan.

4. Indien voor het doen van aangifte uitstel is verleend, wordt de in het eerste en in het derde lid genoemde termijn van één maand met de duur van dit uitstel verlengd.

5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en in het derde lid gestelde termijn van één maand."

Artikel 20 van de AWR luidt:

"1.Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen. Met geheel of gedeeltelijk niet betaald zijn wordt gelijkgesteld het geval waarin, naar aanleiding van een gedaan verzoek, ten onrechte of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding van belasting dan wel teruggaaf van belasting is verleend.

2. De naheffing geschiedt bij wege van naheffingsaanslag, die wordt opgelegd aan degene, die de belasting had behoren te betalen, dan wel aan degene aan wie ten onrechte, of tot een te hoog bedrag, vrijstelling of vermindering van inhouding dan wel teruggaaf is verleend. In gevallen waarin ten gevolge van het niet naleven van bepalingen van de belastingwet door een ander dan de belastingplichtige, onderscheidenlijk de inhoudingsplichtige, te weinig belasting is geheven, wordt de naheffingsaanslag aan die ander opgelegd.

3. De bevoegdheid tot naheffing vervalt door verloop van vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan of de teruggaaf is verleend.

4. (...)"

2.6.2.Nu de rechtbank van oordeel is dat de verschuldigde BPM € 19.244 bedraagt en belanghebbende slechts aangifte heeft gedaan tot een bedrag van € 14.957, is die aangifte tot een te laag bedrag gedaan. De rechtbank is van oordeel dat in het geval een aangifte voor de BPM tot een lager bedrag is gedaan dan de inspecteur de verschuldigde BPM heeft vastgesteld, de redelijke wetstoepassing van artikel 6 van de Wet in verbinding met de artikelen 19 en 20 van de AWR met zich meebrengt dat de inspecteur het verschil tussen de aangegeven BPM en de op grond van de Wet verschuldigde BPM met een naheffingsaanslag kan naheffen. Met de te lage aangifte is naar het oordeel van de rechtbank dan namelijk voldoende aannemelijk dat de voldoening niet hoger zal zijn dan het op die aangifte aangegeven bedrag. De formele belastingschuld wordt immers met de naheffingsaanslag en de aangifte tezamen overeenkomstig de materiële belastingschuld vastgesteld. Dat op het moment van naheffen daadwerkelijk nog niet is betaald maakt dit niet anders. Belanghebbendes andersluidende standpunt wordt daarom als onjuist verworpen.

Niet in geschil is dat het bezwaarschrift is ingediend voordat op de aangifte is betaald. Gezien het vorenstaande met betrekking tot de toepassing van artikel 6 van de Wet is de rechtbank van oordeel dat aan het mogelijk te vroeg indienen van het bezwaarschrift in dit geval geen gevolgen moeten worden verbonden.

2.6.3.Belanghebbendes stelling dat de inspecteur ten onrechte wacht met de afgifte van het fiscaal akkoord totdat de totale BPM is voldaan baat hem niet. Het al dan niet door de inspecteur melden aan de RDW dat de BPM is voldaan is immers niet van belang voor de hoogte van de verschuldigde BPM noch van belang voor de bevoegdheid van de inspecteur een naheffingsaanslag op te leggen. Nu die mededeling evenmin is aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 26 van de AWR is het de rechter in belastingzaken bovendien niet toegestaan enige beslissing te nemen omtrent de gegrondheid van die mededeling of de gegrondheid van het achterwege blijven van die mededeling.

2.6.4.De rechtbank is op grond van het in 2.6.1 en 2.6.2. van oordeel dat de inspecteur overeenkomstig zijn bevoegdheid de onderhavige naheffingsaanslag heeft opgelegd. Er kan dan geen sprake zijn van misbruik van die bevoegdheid zoals belanghebbende stelt. Evenmin is hier sprake van het wijzigen van de aangifte zoals belanghebbende stelt. De aangifte blijft immers ongemoeid.

2.7.Op grond van het in 2.5.1 tot en met 2.6.4 overwogene is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur de bezwaren bij de uitspraken op bezwaar terecht ongegrond heeft verklaard. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.

2.8.Nu het beroep ongegrond is ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De derde in geschil zijnde vraag behoeft dan geen beoordeling.

Aldus gedaan door mr. C.A.F.M. Stassen, rechter, en door deze en mr. T.A. Mandemakers, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 28 april 2011.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.