Home

Rechtbank Breda, 23-09-2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BV1559, 10/3997

Rechtbank Breda, 23-09-2011, ECLI:NL:RBBRE:2011:BV1559, 10/3997

Gegevens

Instantie
Rechtbank Breda
Datum uitspraak
23 september 2011
ECLI
ECLI:NL:RBBRE:2011:BV1559
Zaaknummer
10/3997

Inhoudsindicatie

Ontvankelijjkheid beroep. Belanghebbende is in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar met dagtekening vrijdag 30 oktober 2009. De beroepstermijn vangt aan op 31 oktober 2009. De termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde dan op 11 december 2009. De rechtbank acht de verklaring van de gemachtigde van belanghebbende, dat hij de uitspraak op bezwaar pas op 9 of 10 november 2009 heeft ontvangen, ongeloofwaardig. Voorts heeft de gemachtigde van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift door hem op vrijdag 11 december 2009 bij de rechtbank ’s-Gravenhage is bezorgd. Blijkens de administratie van de rechtbank is in die periode geen ander beroepschrift ontvangen dan het met dagtekening 15 december 2009 en op dezelfde datum per fax verzonden beroepschrift. Niet aannemelijk is dat dit een tweede verzending van het beroepschrift zou betreffen, waarbij de dagtekening van 11 december 2009 gewijzigd zou zijn in 15 december 2009. Het beroepschrift is derhalve niet tijdig ingediend. Voorts is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg staat aan niet-ontvankelijkverklaring. Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 10/3997

Uitspraakdatum: 23 september 2011

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[belanghebbende], gevestigd te [plaats],

belanghebbende,

en

het hoofd van het Bureau verontreinigingsheffing rijkswateren,

het hoofd.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van de heffingsambtenaar op het bezwaar van belanghebbende tegen de aan haar opgelegde aanslag Verontreinigingsheffing Rijkswateren, aanslagnummer [nummer], gedagtekend 28 juli 2009.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, de gemachtigde van belanghebbende, [gemachtigde], verbonden aan [kantoornaam gemachtigde] te ’s-Gravenhage, alsmede namens het hoofd,

[gemachtigden].

1. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

2. Gronden

2.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de AWR aan op de dag na die van dagtekening van een uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Bekendmaking geschiedt ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb door, voor zover hier van belang, toezending. Het hoofd draagt de bewijslast van feiten die bepalend zijn voor de aanvang van de beroepstermijn. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Gezien de strekking van art. 6:9, tweede lid, van de Awb kan verzending per fax niet als een verzending per post worden aangemerkt, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 3 januari 2001, nr. 35 763, BNB 2001/90 en LJN: AA9246. De bewijslast van tijdige ontvangst rust op belanghebbende.

2.2. De dagtekening van de bestreden uitspraak op bezwaar is vrijdag 30 oktober 2009. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. Tot de stukken van het geding behoort een beroepschrift dat op 15 december 2009 per fax door rechtbank ’s-Gravenhage ontvangen is. In geschil is of belanghebbende ontvankelijk kan worden verklaard in haar beroep. De gemachtigde van belanghebbende heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij de uitspraak op bezwaar pas ongeveer 10 dagen na de dagtekening ervan heeft ontvangen. Voorts heeft hij gesteld dat belanghebbende in het buitenland verbleef en niet bereikbaar was, dat hij het beroepschrift pas (later) na overleg met belanghebbende kon opstellen en dat een en ander helaas in een kleine termijnoverschrijding heeft geresulteerd.

2.3. Vaststaat dat de uitspraak op bezwaar door de geadresseerde, zijnde de gemachtigde van belanghebbende, is ontvangen. Het hoofd heeft gemotiveerd gesteld dat de uitspraak enkele dagen vóór de dagtekening ervan is verzonden. Belanghebbende heeft dit niet expliciet betwist en de rechtbank ziet ook geen aanleiding daar anders over te oordelen. Gelet hierop vangt de beroepstermijn aan op 31 oktober 2009. De termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde dan op 11 december 2009.

2.4. Voor zover de gemachtigde van belanghebbende met zijn opmerking dat hij de uitspraak op bezwaar pas later heeft ontvangen, heeft willen stellen dat de uitspraak pas na de dagtekening is verzonden, oordeelt de rechtbank als volgt. In het beroepschrift noemt de gemachtigde van belanghebbende als ontvangstdatum van de uitspraak 9 november 2009, in het faxbericht van 14 januari 2010 stelt hij de uitspraak eerst op of rond 10 november 2009 ontvangen te hebben. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende verklaard dat hij zich nog goed kan herinneren dat hij de uitspraak op 9 november 2009 heeft ontvangen omdat er een groot verschil zat tussen de dagtekening van de uitspraak op bezwaar en de datum van ontvangst ervan. Eveneens heeft hij ter zitting verklaard dat hij de datum van ontvangst kende omdat die was aangebracht op de envelop waarin de uitspraak op bezwaar hem heeft bereikt. Echter, op de vraag van de rechtbank of hij de betreffende envelop kon tonen antwoordde de gemachtigde van belanghebbende dat enveloppen niet bewaard werden en dat dat ook in dit geval niet anders is. In het licht van deze beweringen acht de rechtbank de verklaring van gemachtigde van belanghebbende dat hij de uitspraak op bezwaar pas op 9 of 10 november 2009 heeft ontvangen ongeloofwaardig.

2.5. Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende gesteld dat hij het beroepschrift op vrijdag 11 december 2009 na sluitingstijd van de rechtbank in de brievenbus van rechtbank ’s-Gravenhage heeft gedaan en dat hij het beroep op 15 december 2009 heeft gefaxt, toen hem uit telefonisch contact intussen duidelijk was geworden dat het beroepschrift van 11 december 2009 de griffie niet had bereikt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemachtigde van belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het beroepschrift op vrijdag 11 december 2009 door hem bij rechtbank ’s-Gravenhage is bezorgd. Blijkens de administratie van de rechtbank is in die periode geen ander beroepschrift ontvangen dan het met dagtekening 15 december 2009 en op dezelfde datum per fax verzonden beroepschrift. Dat dit een tweede verzending van het beroepschrift zou betreffen, waarbij de dagtekening van 11 december 2009 gewijzigd zou zijn in 15 december 2009, acht de rechtbank niet aannemelijk. Daaraan doet niet af dat de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 17 augustus 2011 een kopie van een beroepschrift met dagtekening 11 december 2009 heeft overgelegd.

2.6. Nu het beroepschrift op 15 december 2009 bij de rechtbank is binnengekomen, is het beroepschrift niet vóór het einde van de beroepstermijn ontvangen en derhalve niet tijdig ingediend. Ook de stelling dat het beroepschrift vóór het einde van de beroepstermijn bij de rechtbank is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn ontvangen is, kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet slagen.

2.7.Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkheid van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat een eventuele termijnoverschrijding verschoonbaar is. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het beroepschrift binnen een week na 11 december 2009 is ontvangen door de rechtbank. Ook acht belanghebbende in dit verband van belang het tijdsverloop tussen de dagtekening en de datum van ontvangst van de uitspraak op bezwaar. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank geen rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding gegeven. Ook verblijf van belanghebbende in het buitenland als aangehaald in 2.2, kan belanghebbende niet baten. De gemachtigde van belanghebbende, een professioneel procesvertegenwoordiger, had door een pro-forma beroepschrift in te dienen de termijnoverschrijding kunnen voorkomen. De omstandigheid dat belanghebbende, zoals de gemachtigde van belanghebbende in zijn brief van 14 januari 2010 schrijft, meer gebaat is bij acceptatie van het beroep dan bij niet-ontvankelijkverklaring maakt de termijnoverschrijding evenmin verschoonbaar. De rechtbank zijn ook overigens geen andere feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die aanleiding zouden kunnen geven tot het oordeel dat de termijnoverschrijding aan een belanghebbende niet toe te rekenen omstandigheid is te wijten. Derhalve is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb die in de weg staat aan niet-ontvankelijkverklaring.

2.8. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Aan een inhoudelijke behandeling kan de rechtbank niet meer toekomen.

2.9. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Aldus gedaan door mr. W.A.P. van Roij, voorzitter, mr.drs. M.M. de Werd en

mr. A.W. Schep, rechters, en door de voorzitter en mr. M.D.E. Copra-Carolie, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2011.

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op: 5 oktober 2011

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,

5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.