Home

Rechtbank Den Haag, 31-10-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12874, AWB - 17 _ 6882

Rechtbank Den Haag, 31-10-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:12874, AWB - 17 _ 6882

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31 oktober 2019
Datum publicatie
13 december 2019
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:12874
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6882

Inhoudsindicatie

‘De resultaten op valutatermijncontracten die eiseres is aangegaan in verband met een vordering van haar op een met haar gevoegde dochtervennootschap, dienen te worden toegerekend aan eiseres zelf en niet aan de vaste inrichting van de gevoegde dochtervennootschap aan wie de dochtervennootschap ze heeft toegerekend. De resultaten vormen dus geen onderdeel van de buitenlandse winst uit een andere mogendheid die is vrijgesteld op grond van het bepaalde in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Voor zover de rentelasten op de schuld van de gevoegde dochtervennootschap ten laste van de buitenlandse belastbare grondslag van de vaste inrichting zijn gekomen, dient bij de bepaling van de omvang van de voorkomingswinst van de fiscale eenheid de vrijgestelde winst uit de vaste inrichtring op grond van artikel 15ac, lid 5, Wet Vpb te worden verminderd met deze aan de vaste inrichting toegerekende rentelasten.’

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 17/6882 tot en met SGR 17/6886

(gemachtigde: mr. J.H. Asbreuk),

en

Procesverloop

Met dagtekening 14 januari 2012 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2007 een aanslag Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 26.793.000. De aftrek elders belast is daarbij vastgesteld op € 352.558. Bij gelijktijdig genomen beschikking is € 40.301 aan heffingsrente aan eiseres vergoed.

Met dagtekening 28 december 2012 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2008 een aanslag Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 56.122.000. De aftrek elders belast is daarbij vastgesteld op nihil. Bij gelijktijdig genomen beschikking is € 1.567.062 aan heffingsrente aan eiseres in rekening gebracht.

Met dagtekening 12 december 2013 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2009 een aanslag Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 12.876.564. De aftrek elders belast is daarbij vastgesteld op nihil. Bij gelijktijdig genomen beschikking is € 391.884 aan heffingsrente aan eiseres in rekening gebracht.

Met dagtekening 14 juni 2014 heeft verweerder aan eiseres voor het jaar 2010 een aanslag Vpb opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.619.000. De aftrek elders belast is daarbij vastgesteld op nihil. Daarbij is geen heffingsrente berekend.

Bij de “Beschikking stallingswinsten en inhaalverliezen” van 16 maart 2017 heeft verweerder de [buitenlands] resultaten voor de jaren 2006 tot en met 2010 als volgt vastgesteld:

-

2006: € 11.931.000 negatief (de beschikking 2006);

-

2007: € 15.082.000 negatief (de beschikking 2007);

-

2008: € 19.060.000 negatief (de beschikking 2008);

-

2009: € 19.400.000 negatief (de beschikking 2009);

-

2010: € 22.196.000 negatief (de beschikking 2010).

Eiseres heeft tegen de aanslagen Vpb over de jaren 2007 tot en met 2010 (de aanslagen) alsmede tegen al de vorengenoemde beschikkingen bezwaar gemaakt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 29 augustus 2017 de aanslagen en de beschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 september 2019.

Eiseres is vertegenwoordigd door [A] , bijgestaan door mr. J.H. Asbreuk,

mr. J.K.H. van Dam en mr. drs. J.W. Dijkstra. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] , [C] en [D] .

Overwegingen

Feiten

1. [eiser] is een [buitenlands] concern dat zich bezighoudt met de productie van [producten] . Het hoofdkantoor van het concern is [eiser] [soort onderneming] (gevestigd in [buitenland] ).

2. De handelsactiviteiten in Nederland zijn ondergebracht in [eiser] [BBV] ( [BBV] ), een - vanaf 2004 - gevoegde dochtervennootschap van eiseres.

3. Eiseres is opgericht in 1987 als een 100%-dochtermaatschappij van [eiser] [soort onderneming] en functioneert als de internationale houdstervennootschap van de [eiser] -groep.

4. In het kader van een structuurwijziging zijn concernvorderingen en -schulden door eiseres overgedragen aan [BBV] . Als gevolg van deze overdacht is een vordering van eiseres op [BBV] ontstaan ter grootte van een bedrag van [buitenlandse valuta] , overeenkomend met het verschil tussen de overgedragen concernvorderingen en -schulden. De concernvorderingen en -schulden zijn vervolgens door [BBV] gestort op de aandelen in [eiser] Treasury [soort onderneming] (Treasury [soort onderneming] ), een in [buitenland] gevestigde dochtervennootschap van [BBV] .

5. [BBV] heeft haar schuld aan eiseres en de gehouden aandelen in Treasury [soort onderneming] toegerekend aan een tot stand gebrachte [buitenlands] vaste inrichting (de vi). De vi is tot stand gebracht op 15 juni 2004 en op die datum ingeschreven in het [buitenlands] handelsregister.

6. Om het valutarisico op de vordering van eiseres op [BBV] van [buitenlandse valuta] te elimineren zijn door eiseres vanaf 2005 valutatermijncontracten aangegaan met Treasury [soort onderneming] . Als gevolg van dit afdekkingsinstrument wordt het koersrisico op de vordering in [buitenlands] [buitenlandse valuta] bij valutawijzigingen gedragen door Treasury [soort onderneming] , die dit risico op haar beurt heeft geëlimineerd door valutatermijncontracten aan te gaan met een bank.

7. Gedurende het bestaan van de diverse valutatermijncontracten wordt op het niveau van eiseres een stijging of daling van de [buitenlandse valuta] ten opzichte van de euro geneutraliseerd door een tegenovergesteld resultaat op de valutatermijncontracten.

8. In 2009 is, nadat was geconstateerd dat er geen noodzaak was tot het aanhouden van de valutatermijncontracten, begonnen met de afwikkeling daarvan. Gedurende het bestaan en de afwikkeling van de valutatermijncontracten is in de periode 2006 tot en met 2010 een winst behaald op valutatermijncontracten voor een bedrag van in totaal € 59.827.801. Per jaar zijn ter zake van de valutatermijncontracten de volgende resultaten behaald:

2006 € 18.386.000 -/-

2007 € 18.624.000

2008 € 45.222.801

2009 € 13.529.000

2010 € 838.000

9. De resultaten op de valutatermijncontracten komen niet tot uitdrukking in de jaarrekening van de vi en zijn in [buitenland] niet in de heffing betrokken.

10. [BBV] is gedurende de jaren 2006 tot en met 2010 de onderstaande bedragen aan rente verschuldigd aan eiseres vanwege de onder 4 genoemde schuld van [buitenlandse valuta] :

2006 € 12.153.000

2007 € 15.072.000

2008 € 17.745.000

2009 € 18.540.000

2010 € 21.192.000

11. De rentelasten zijn ten laste van het resultaat van de vi gebracht. Voor de jaren 2008, 2009 en 2010 is de renteaftrek in [buitenland] geweigerd. Voor de jaren 2006 en 2007 is de geclaimde renteaftrek in [buitenland] niet gecorrigeerd.

Geschil

12. In geschil is of de resultaten op de valutatermijncontracten dienen te worden toegerekend aan eiseres of aan de vi, en daarmee of de resultaten onderdeel vormen van de buitenlandse winst uit een andere mogendheid die is vrijgesteld op grond van het bepaalde in het Besluit voorkoming dubbele belasting 2001. Daarnaast is met betrekking tot de jaren 2006 tot en met 2008 in geschil of de vrijgestelde winst uit de vi op grond van artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (de Wet) dient te worden verminderd met de aan de vi toegerekende rentelasten op de schuld van [BBV] aan eiseres. In dit verband is tevens in geschil of, en zo ja hoe, artikel 10a van de Wet hierbij van toepassing is. Voor de jaren 2008, 2009 en 2010 is niet meer in geschil dat de rente in [buitenland] niet in aftrek is toegelaten zodat op grond van artikel 15ac, zesde lid, van de Wet voor die jaren bij het vaststellen van de voorkomingswinst geen rekening dient te worden gehouden met die rentelasten.

13. Eiseres stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de resultaten op de valutatermijncontracten door de werking van de fiscale eenheid dienen te worden toegerekend aan de vi. Daarnaast stelt eiseres zich op het standpunt dat de resultaten van de vi voor de berekening van de voorkoming van dubbele belasting voor alle jaren niet verminderd dienen te worden met de aan de vi toegerekende rentelasten op de schuld van [BBV] aan eiseres, enerzijds op grond van artikel 15ac, zesde lid, van de Wet alsook door toepassing van artikel 10a van de Wet.

14. Verweerder stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat de resultaten op de valutatermijncontracten dienen te worden toegerekend aan eiseres. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat, voor de jaren waarvoor de bij de vi in aanmerking genomen rentelasten op de schuld van [BBV] aan eiseres in [buitenland] wel in aftrek zijn gekomen, op grond van artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet, de resultaten van de vi voor de voorkoming van dubbele belasting verminderd dienen te worden met die rentelasten. Toepassing van artikel 10a van de Wet is daarbij niet aan de orde, aldus verweerder.

Beoordeling van het geschil

De toerekening van (de winst op) de valutatermijncontracten

15. Vaststaat dat de bewuste valutatermijncontracten zijn aangegaan op naam van eiseres, alsook dat de reden om de valutatermijncontracten aan te gaan was gelegen in de wens om een (vermeend) valutarisico op de vordering van eiseres op [BBV] af te dekken.

Naar het oordeel van de rechtbank laten deze omstandigheden geen andere conclusie toe dan dat sprake is van een oorzakelijk en functioneel-economisch verband tussen de vordering van eiseres op [BBV] enerzijds en de bewuste valutatermijncontracten anderzijds. Dat heeft, zoals door verweerder ook wordt bepleit, tot gevolg dat naast de vordering van eiseres op [BBV] ook de valutatermijncontracten - en dus ook de daarop behaalde winsten - aan eiseres dienen te worden toegerekend. Dat sprake is van een fiscale eenheid tussen eiseres en [BBV] , waardoor de onderlinge schuldverhouding tussen hen fiscaal niet zichtbaar is en waardoor de vi fiscaal wordt gezien als een vaste inrichting van eiseres en niet als één van [BBV] , maakt dit niet anders. Dat doet immers aan het hiervoor geconstateerde verband tussen de vordering van eiseres op [BBV] en de valutatermijncontracten niet af. Anders dan eiseres meent, verdwijnt dat verband ook niet door de omstandigheid dat er volgens eiseres in feite nooit sprake is geweest van een reëel koersrisico op de bewuste vordering van eiseres waardoor de valutatermijncontracten geen daadwerkelijk koersrisico hebben afgedekt.

16. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar stelling dat in dit geval bij de toerekening van de valutatermijncontracten moet worden aangehaakt bij het zogenoemde ‘significant people functions’-criterium en dat dat ertoe leidt dat de (winsten op de) valutatermijncontracten aan de vi kunnen worden toegerekend. In een geval als dit, waarbij naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een (duidelijk) oorzakelijk en functioneel-economisch verband tussen de vordering van eiseres op [BBV] enerzijds en de bewuste valutatermijncontracten anderzijds (zie hiervoor), is toerekening op basis van het ‘significant people functions’-criterium niet aan de orde. Dat de valutatermijncontracten zijn afgesloten op initiatief van werknemers van de vi, is daarom in dit verband niet relevant. In het door eiseres aangehaalde Besluit ‘Winstallocatie vaste inrichtingen’ van de staatssecretaris van Financiën van 15 januari 2011 (nr. IFZ 2010/457M, Stcrt. 2011, 1375) vindt de rechtbank ook geen aanknopingspunten voor de conclusie dat in een geval als dit kan worden voorbijgegaan aan het geconstateerde oorzakelijk en functioneel-economisch verband en in plaats daarvan mag worden aangehaakt bij het ‘significant people functions’- criterium. Om die reden wordt ook het door eiseres in dit verband gedane beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen.

17. Het vorenstaande betekent dat verweerder terecht het standpunt heeft ingenomen dat de (winsten op de) valutatermijncontracten niet aan de vi maar aan eiseres moeten worden toegerekend. In zoverre zijn de beroepen ongegrond.

Toepassing van artikel 15ac, vijfde en zesde lid, van de Wet i.v.m. de renteaftrek bij de vi

18. Op grond van artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet wordt de rente op de schuld van [BBV] aan eiseres in mindering gebracht op de omvang van de voorkomingswinst. Op grond van het bepaalde in artikel 15ac, zesde lid, van de Wet, hoeft deze correctie niet plaats te vinden indien eiseres aannemelijk maakt dat de bewuste rentelasten in [buitenland] niet in aftrek worden toegelaten.

19. Voor de jaren 2008, 2009 en 2010 staat inmiddels vast dat de bewuste rentelasten in [buitenland] niet in aftrek zijn toegelaten. Voor die jaren hoeft de correctie op grond van artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet, gelet op het zesde lid dus niet plaats te vinden. In zoverre is het gelijk aan eiseres en zijn de beroepen betreffende de beschikkingen 2008, 2009 en 2010 gegrond en dienen deze nader te worden vastgesteld met inachtneming van het hiervoor overwogene.

20. Ter zitting is vast komen te staan dat de bewuste rentelasten voor de jaren 2006 en 2007 in [buitenland] wel ten laste van de belastbare grondslag van de vi zijn gekomen. Dat betekent dat de uitzondering van artikel 15ac, zesde lid, van de Wet, voor die jaren geen toepassing vindt. De rechtbank volgt eiseres in dit verband niet in haar standpunt dat deze uitzondering ook voor die jaren heeft te gelden, omdat de rente op grond van de [buitenlands] regelgeving ook in die jaren in [buitenland] formeel niet aftrekbaar was. Anders dan eiseres acht de rechtbank in dit verband bepalend of de rente feitelijk ten laste van de belastbare grondslag in [buitenland] is gekomen, hetgeen voor deze jaren het geval is.

21. Het vorenstaande betekent dat voor de jaren 2006 en 2007 de hoofdregel uit artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet geldt, zodat voor die jaren de in [buitenland] in aftrek gebrachte rentelasten op de schuld van [BBV] aan eiseres, bij de bepaling van de omvang van de voorkomingswinst van de fiscale eenheid daarop in aftrek moeten worden gebracht.

22. Eiseres stelt zich voor dat geval nog op het standpunt dat dan toepassing van artikel 10a van de Wet als gevolg van het bestaan van een fiscale eenheid ertoe leidt dat moet worden uitgegaan van de winst zonder renteaftrek, zodat artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet in dit geval geen effect sorteert. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit verband geen plaats voor toepassing van artikel 10a van de Wet. Artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet, dat ziet op het bepalen van de winst in het kader van de voorkoming van dubbele belasting, verzet zich naar zijn aard tegen toepassing van artikel 10a van de Wet, zijnde een antimisbruikbepaling die ziet op de winstbepaling. Zoals verweerder terecht opmerkt in zijn verweerschrift, is artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet in het leven geroepen om te voorkomen dat in Nederland bij het bepalen van de vrij te stellen winst geen rekening wordt gehouden met aftrekbare rente, terwijl deze in het vi-land wel ten laste van de winst kan worden gebracht. Het op de door eiseres voorgestane wijze rekening houden met de in artikel 10a van de Wet neergelegde antimisbruikbepaling komt daarmee in strijd met doel en strekking van artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet.

23. Uit het vorenstaande volgt dat verweerder terecht voor de jaren 2006 en 2007 de hoofdregel uit artikel 15ac, vijfde lid, van de Wet heeft toegepast. In zoverre zijn de beroepen ongegrond.

24. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen betreffende de beschikkingen 2008, 2009 en 2010 gegrond te worden verklaard en dienen, ook omdat tegen de beschikkingen heffingsrente geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd en ook overigens niet is gebleken dat die niet volgens de wettelijke bepalingen is berekend, de beroepen voor het overige ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.532 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 254, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512, een wegingsfactor 1 en een factor 1 wegens samenhang tussen de twee gegronde beroepen).

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart de beroepen betreffende de aanslagen Vpb voor de jaren 2007 tot en met 2010 en de daarbij vastgestelde beschikkingen heffingsrente ongegrond;

-

verklaart de beroepen betreffende de beschikkingen 2006 en 2007 ongegrond;

-

verklaart de beroepen betreffende de beschikkingen 2008, 2009 en 2010 gegrond;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover betrekking hebbend op de beschikkingen 2008, 2009 en 2010;

-

gelast verweerder de beschikkingen 2008, 2009 en 2010 nader vast te stellen met inachtneming van deze uitspraak;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.532;

-

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, voorzitter, en mr. T.A. de Hek en

mr. E.E. Schotte, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019.

De griffier is verhinderd

deze uitspraak te ondertekenen.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel