Home

Rechtbank Den Haag, 09-07-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6905, 18_7218 en 18_7245

Rechtbank Den Haag, 09-07-2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:6905, 18_7218 en 18_7245

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
9 juli 2019
Datum publicatie
27 september 2019
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2019:6905
Zaaknummer
18_7218 en 18_7245

Inhoudsindicatie

Eiser is huurder van een onroerende zaak en heeft deze zaak in 2017 onderverhuurd. In 2018 is de zaak niet onderverhuurd. Voor het jaar 2017 heeft verweerder de aanslag afvalstoffenheffing naar aanleiding van het ingestelde beroep vernietigd. Voor 2018 is niet aannemelijk gemaakt dat het eiser niet was toegestaan om de onroerende zaak te gebruiken. Naar het oordeel van de rechtbank is voor 2018 dan ook terecht een aanslag afvalstoffenheffing opgelegd. Beroep voor 2017 gegrond en voor 2018 ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 18/7218 en SGR 18/7245

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor de jaren 2017 en 2018 aanslagen afvalstoffenheffing opgelegd ter zake van de onroerende zaak [ADRES] 127 te [PLAATS] .

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroep dat ziet op het jaar 2017 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer SGR 18/7245. Het beroep dat ziet op het jaar 2018 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 18/7218.

Verweerder heeft in zaak SGR 18/7218 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2019.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. Veenstra . Het onderzoek is ter zitting geschorst waarbij verweerder in de gelegenheid is gesteld intern navraag te doen over de mogelijkheid tot verhuur van [ADRES] 127 en een verweerschrift in te dienen in zaak SGR 18/7245.

Met dagtekening 28 maart 2019 heeft verweerder een reactie gegeven. Daarbij heeft verweerder laten weten dat de aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2017 alsnog is vernietigd. De rechtbank heeft eiser een termijn gesteld om te reageren op de brief van verweerder van 28 maart 2019. Daarop is door de rechtbank geen reactie ontvangen.

Bij brief van 4 juni 2019 heeft de rechtbank beide partijen in de gelegenheid gesteld om, indien zij prijs stellen op een nadere zitting, dat binnen 2 weken aan de rechtbank te laten weten. Nadat geen van partijen binnen gestelde termijn heeft aangegeven prijs te stellen op een nadere zitting heeft de rechtbank onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser drijft een onderneming aan het [ADRES] 125 te [PLAATS] . Achter [ADRES] 125 is een onroerende zaak gelegen die uitsluitend bereikbaar is via [ADRES] 125 . Sinds enige jaren is aan deze onroerende zaak huisnummer 127 toegekend.

2. Eiser is huurder van [ADRES] 127 . Gedurende 2017 heeft hij [ADRES] 127 onderverhuurd. De onderhuurder stond in 2017 in de Basisregistratie Personen (Brp) ingeschreven op het adres [ADRES] 127 .

3. In 2018 stond niemand in de Brp ingeschreven op het adres [ADRES] 127 .

Geschil

4. In geschil is of eiser ter zake van [ADRES] 127 voor het jaar 2018 terecht in de afvalstoffenheffing is betrokken. Verweerder heeft de aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2017 naar aanleiding van het beroep van eiser vernietigd. Reeds daarom zal de rechtbank het beroep dat ziet op het jaar 2017 (SGR 18/7245) gegrond verklaren en verweerder opdragen het in die zaak geheven griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

5. Eiser stelt zich op het standpunt dat ook de aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2018 ten onrechte aan hem is opgelegd. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij [ADRES] 127 niet mag verhuren en ook niet gebruikt voor opslag.

6. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2018 terecht aan eiser is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

7. Op grond van artikel 15.33 van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad ter bestrijding van de kosten verbonden aan de verwijdering van huishoudelijke afvalstoffen een heffing instellen, waaraan kunnen worden onderworpen degenen die, al dan niet krachtens een zakelijk of persoonlijk recht, gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

8. Verweerder heeft met de invoering van de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing 2008 (de Verordening), die voor het jaar 2018 van toepassing is, van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

9. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening wordt als belastingplichtige aangemerkt degene die in de gemeente gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt. Voor de term ‘gebruik maken’ wordt in artikel 3, vijfde lid, van de Verordening beslissend geacht hetgeen in de basisregistratie personen is geregistreerd, tenzij blijkt dat de gebruikssituatie anders is.

10. Door eiser is niet betwist dat [ADRES] 127 een perceel is ten aanzien waarvan een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt zoals bedoeld in de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer. Voorts staat vast dat gedurende het jaar 2018 niemand in de Brp stond ingeschreven.

11. De vraag die zich aandient is of eiser kan worden aangemerkt als degene die gebruik maakt van dit perceel. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. [ADRES] 127 heeft eiser als huurder in het jaar 2018 ter beschikking gestaan. Niet aannemelijk is geworden dat het eiser niet was toegestaan om [ADRES] 127 (onder) te verhuren of anderszins te gebruiken. Dat eiser [ADRES] 127 feitelijk niet heeft gebruikt, doet aan de mogelijkheid tot gebruik niet af. Evenmin is van belang of ter zake van [ADRES] 127 daadwerkelijk afvalstoffen zijn ontstaan. De enkele mogelijkheid dat afvalstoffen konden ontstaan resulteert reeds in inzamelplicht en de bevoegdheid om afvalstoffenheffing te heffen (vgl. Hoge Raad 30 mei 2001, ECLI:NL:HR:LJN AB1838). De aanslag afvalstoffenheffing voor het jaar 2018 is dan ook terecht opgelegd.

12. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep dat ziet op het jaar 2018 (SGR 18/7218) ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

13. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep SGR 18/7245 gegrond;

- verklaart het beroep SGR 18/7218 ongegrond;

- draagt verweerder op het in zaak SGR 18/7245 betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2019.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel