Home

Rechtbank Den Haag, 05-03-2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3029, AWB - 19 _ 107

Rechtbank Den Haag, 05-03-2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:3029, AWB - 19 _ 107

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
5 maart 2020
Datum publicatie
6 april 2020
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2020:3029
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 19 _ 107

Inhoudsindicatie

Aan eiseres zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd. De activiteiten van eiseres bestaan uit bewindvoering. In geschil is of de diensten van eiseres zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet OB in combinatie met artikel 7, eerste lid, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UB) en post b33 van Bijlage B bij het UB. Volgens vaste jurisprudentie dienen de bewoordingen van een vrijstelling strikt te worden uitgelegd. Nu eiseres een beroep doet op de vrijstelling rust de bewijslast voor toepassing van deze vrijstelling op haar. Eiseres verwijst onder andere naar de Nota van Toelichting bij het Besluit van 15 december 2005 tot wijziging van het UB en stelt dat haar werkzaamheden identiek zijn aan de werkzaamheden zoals vermeld in die Nota. De rechtbank oordeelt dat eiseres niet inzichtelijk heeft gemaakt waaruit haar werkzaamheden in het kader van schuldenbewindvoering bestaan. Zij heeft evenmin stukken overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 van de Wet op het consumentenkrediet treft evenmin doel. Ook beroept eiseres zich op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de btw-richtlijn. Dit subsidiaire standpunt slaagt niet. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel faalt eveneens. Alleen al omdat niet duidelijk waaruit de prestaties van eiseres bestaan, is er geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen. Aangezien verweerder heeft aangekondigd de boetes te zullen vernietigen uit het oogpunt van consistentie worden de zaken waarin door verweerder boetebeschikkingen waren opgelegd gegrond verklaard. De zaak waarin geen boetebeschikking was opgelegd wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/107, SGR 19/152, SGR 19/155, SGR 19/160, SGR 19/162 en SGR 19/180

(gemachtigde: mr. I.P. van Rossen),

en

Procesverloop

SGR 19/180

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 26 november 2015 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak juli 2015 tot en met september 2015 (naheffingsaanslag Q3 2015) opgelegd, alsmede bij beschikking een verzuimboete.

Bij beschikking van 2 januari 2016 heeft verweerder de boetebeschikking vernietigd.

Bij uitspraak op bezwaar van 18 januari 2019 heeft verweerder de naheffingsaanslag Q3 2015 gehandhaafd.

SGR 19/107

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 25 augustus 2016 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak april 2016 tot en met juni 2016 (naheffingsaanslag Q2 2016) opgelegd, alsmede bij beschikking een verzuimboete.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2018 heeft verweerder de naheffingsaanslag Q2 2016 en de daarmee samenhangende boetebeschikking gehandhaafd.

SGR 19/152

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 25 februari 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak oktober 2016 tot en met december 2016 (naheffingsaanslag Q4 2016) opgelegd, alsmede bij beschikking een verzuimboete.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2018 heeft verweerder de naheffingsaanslag Q4 2016 en de daarmee samenhangende boetebeschikking gehandhaafd.

SGR 19/155

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 29 mei 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak januari 2017 tot en met maart 2017 (naheffingsaanslag Q1 2017) opgelegd, alsmede bij beschikking een verzuimboete.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2018 heeft verweerder de naheffingsaanslag Q1 2017 en de daarmee samenhangende boetebeschikking gehandhaafd.

SGR 19/160

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 26 augustus 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak april 2017 tot en met juni 2017 (naheffingsaanslag Q2 2017) opgelegd, alsmede bij beschikking een verzuimboete.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2018 heeft verweerder de naheffingsaanslag Q2 2017 en de daarmee samenhangende boetebeschikking gehandhaafd.

SGR 19/162

Verweerder heeft aan eiseres met dagtekening 25 november 2017 een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak juli 2017 tot en met september 2017 (naheffingsaanslag Q3 2017) opgelegd, alsmede bij beschikking een verzuimboete

Bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2018 heeft verweerder de naheffingsaanslag Q3 2017 en de daarmee samenhangende boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft met dagtekening 7 januari 2019 beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraken op bezwaar.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2019.

Namens eiseres zijn haar directeur [A] en haar gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn mr. M.C. de Jong en [C] verschenen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op 21 november 2016 opgericht. Haar activiteiten bestaan uit bewindvoering en zij is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB).

2. Op grond van artikel 1:431 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer goederen van een persoon die niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen a) als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand of b) als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden. De bewindvoering ingevolge letter b wordt hierna aangeduid als schuldenbewindvoering. Eiseres wordt bij beschikking door de kantonrechter aangewezen als bewindvoerder (de aanwijzingsbeschikking) en ontvangt voor haar werkzaamheden een vergoeding.

3. Eiseres heeft aan verweerder op 27 februari 2015 verzocht een standpunt in te nemen over de vraag of haar activiteiten al dan niet vrijgesteld zijn van omzetbelasting. Partijen hebben daarover overleg gevoerd waarna verweerder bij brief van 26 november 2015 het standpunt heeft ingenomen dat de activiteiten van eiseres voor de omzetbelasting belaste prestaties zijn en niet kunnen worden aangemerkt als vrijgestelde prestaties in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet OB in samenhang met artikel 7 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (UB) en post b33 van Bijlage B bij het UB.

4. Eiseres heeft over de tijdvakken Q3 2015, Q2 2016, Q4 2016 en Q1 tot en met Q3 2017 aangiften omzetbelasting ingediend, die resulteerden in te betalen bedragen aan omzetbelasting. Eiseres heeft de volgens die aangiften verschuldigde omzetbelasting niet betaald. Verweerder heeft met de hier in geschil zijnde naheffingsaanslagen (de naheffingsaanslagen) de volgens de aangiften verschuldigde omzetbelasting nageheven.

Geschil 5. In geschil is of de diensten van eiseres zijn vrijgesteld op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de Wet OB in combinatie met artikel 7, eerste lid, UB en post b33 van Bijlage B bij het UB (de vrijstelling).

6. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat haar werkzaamheden op het gebied van schuldenbewindvoering onder de vrijstelling vallen. Subsidiair beroept eiseres zich op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van de Europese Unie van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (Btw-richtlijn). Meer subsidiair stelt eiseres dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. In haar nadere stuk verzoekt eiseres de rechtbank prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de diensten van eiseres met omzetbelasting zijn belast. Aan bewindvoering kunnen weliswaar aspecten van schuldhulpverlening zitten, maar dat maakt de bewindvoering op zichzelf geen schuldhulpverlening. Er is geen sprake van strijd met de doelstellingen van de Btw-richtlijn als omzetbelasting wordt geheven over deze diensten. Evenmin is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Beoordeling van het geschil

Verzoek tot aanhouding

8. Eiseres heeft op 11 december 2019 verzocht om aanhouding van onderhavige zaken en dit verzoek op zitting herhaald. Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij op 10 december 2019 een beslissing heeft ontvangen op een door haar ingediend verzoek op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur (het WOB-verzoek). Zij wil daartegen bezwaar maken en stelt in haar procespositie te worden geschaad als de uitkomsten daarvan niet in onderhavige zaken kunnen worden betrokken. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 2 februari 2019 het WOB-verzoek heeft ingediend en dat op 9 september 2019, de datum waarop de rechtbank de zittingsdatum, 12 december 2019, aan eiseres bekend heeft gemaakt, nog niet was beslist op het WOB-verzoek. Eiseres had toen kunnen verzoeken om uitstel van de zitting c.q. aanhouding van onderhavige zaken totdat het WOB-verzoek zou zijn afgehandeld. Dat heeft zij echter niet gedaan. De rechtbank acht het in strijd met de goede procesorde om het pas daags voor de zitting ingediende verzoek te honoreren.

Ontvankelijkheid bezwaren

9. Ingevolge artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) kan, voor zover hier van belang, slechts bezwaar worden gemaakt tegen een belastingaanslag, tegen een voor bezwaar vatbare beschikking of tegen de voldoening op aangifte. Eiseres heeft bezwaarschriften ingediend tegen de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken Q3 2015, Q2 2016, Q4 2016 en Q1 tot met Q3 2017. Een aangifte is echter geen voor bezwaar vatbare beschikking. De bezwaren kunnen evenmin worden aangemerkt als bezwaarschriften tegen de voldoening op aangiften aangezien eiseres de volgens de aangiften verschuldigde belasting niet heeft betaald en dus geen sprake is van enige voldoening. Aangezien verweerder voor deze tijdvakken naheffingsaanslagen heeft opgelegd, merkt de rechtbank de bezwaarschriften aan als gericht tegen die naheffingsaanslagen. De bezwaarschriften voor de tijdvakken Q2 2016, Q4 2016 en Q3 2017 zijn ingediend voordat de naheffingsaanslagen ten aanzien van die tijdvakken zijn opgelegd. Gelet op het feit dat het niet betalen van de volgens een aangifte verschuldigde omzetbelasting doorgaans tot een naheffingsaanslag leidt en de standpuntbepaling van verweerder van 26 november 2015 kon eiseres echter menen dat het besluit om naheffingsaanslagen over die tijdvakken op te leggen ten tijde van het indienen van deze bezwaarschriften reeds was genomen. Verweerder heeft dan ook terecht onder verwijzing naar artikel 6:10, eerste lid, onder b van de Algemene Wet Bestuursrecht ook de bezwaarschriften voor de tijdvakken Q2 2016, Q4 2016 en Q3 2017 ontvankelijk geacht.

Wettelijk kader

10. Artikel 11, eerste lid, onderdeel f. van de Wet OB luidt:

“1. Onder bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen voorwaarden zijn van de belasting vrijgesteld:

(…)

f. de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen leveringen en diensten van sociale of culturele aard, mits de ondernemer geen winst beoogt en niet een ernstige verstoring van concurrentieverhoudingen optreedt ten opzichte van ondernemers die winst beogen;”

11. Artikel 7 van het UB luidt, voor zover hier van belang:

“1. Als leveringen en diensten van sociale of culturele aard als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel f, van de wet, worden aangewezen de leveringen en diensten, genoemd in de bij dit besluit behorende bijlage B.”

12. Bijlage B. bij het UB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“b. de leveringen en diensten als bedoeld in artikel 7 van het besluit, die als zodanig worden verricht door de hierna genoemde instellingen:

(…)

33. instellingen die werkzaam zijn op het gebied van schuldhulpverlening, met uitzondering van bewindvoering in het kader van de wettelijke schuldregeling, (…);”

In de algemene aantekening behorende bij bijlage B van het UB is, voor zover van belang, het volgende opgenomen: “De in onderdeel b bedoelde instellingen, behoudens die bedoeld in de posten (…) en 33 van onderdeel b, mogen niet systematisch het maken van winst beogen en, zo er wel winst wordt gemaakt, mogen zij deze niet uitkeren, maar moet die winst worden aangewend voor de instandhouding of verbetering van de leveringen en diensten die worden verleend.”

13. Artikel 1:431 BW luidt:

“1. Indien een meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke

belangen behoorlijk waar te nemen, als gevolg van

a. zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel

b. verkwisting of het hebben van problematische schulden,

kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Onder aan de meerderjarige toebehorende goederen zijn in deze titel begrepen goederen die behoren tot zijn huwelijksgemeenschap of gemeenschap van geregistreerd partnerschap en die niet uitsluitend onder het bestuur van zijn echtgenoot dan wel geregistreerd partner staan.

2. Indien te verwachten is dat een minderjarige op het tijdstip waarop hij meerderjarig zal worden, in de in het vorige lid bedoelde toestand zal verkeren, kan het bewind reeds voor de meerderjarigheid worden ingesteld.3. Het bewind kan eveneens worden ingesteld indien te verwachten is dat de rechthebbende binnen afzienbare tijd in de in het eerste lid bedoelde toestand zal verkeren.4. De rechter bij wie een verzoek tot het verlenen van een voorlopige of voorwaardelijke machtiging, een observatiemachtiging of een machtiging tot voortgezet verblijf als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, dan wel een machtiging als bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die wet aanhangig is, is tevens bevoegd tot de kennisneming van een verzoek tot instelling van het bewind.”

14. Volgens vaste jurisprudentie dienen de bewoordingen van een vrijstelling strikt te worden uitgelegd. Nu eiseres een beroep doet op de vrijstelling rust de bewijslast voor toepassing van deze vrijstelling op haar. Dat betekent dat zij aannemelijk moet maken dat haar activiteiten zijn te beschouwen als werkzaamheden op het gebied van schuldhulpverlening als bedoeld in post 33 van bijlage B bij het UB en, indien dit aannemelijk is gemaakt, dat toepassing van de vrijstelling niet leidt tot ernstige verstoring van de concurrentieverhoudingen.

15. Eiseres stelt dat haar werkzaamheden in het kader van schuldenbewindvoering identiek zijn aan de werkzaamheden die staan vermeld in de Nota van Toelichting bij het Besluit van 15 december 2005 tot wijziging van het UB in het bijzonder de budgetbegeleiding, budgetadvisering, budgetbeheer, schuldregeling in het kader van het minnelijk traject en van de afgifte van de WSNP-verklaring. Dergelijke werkzaamheden kunnen volgens die Nota van Toelichting weliswaar deel uitmaken van de schuldhulpverlening, maar in die Nota worden ook nog andere werkzaamheden vermeld zoals het oplossen van problematische schuldsituaties, het voorkomen dat bij de betrokkenen wederom een problematische schuldsituatie ontstaat en het vinden van een financiële oplossing voor problematische schuldsituaties. De enkele stelling dat eiseres een deel van de in de Nota van Toelichting vermelde werkzaamheden verricht, is onvoldoende voor de conclusie dat haar werkzaamheden in het kader van de schuldenbewindvoering gelijk gesteld kunnen worden met schuldhulpverlening Eiseres heeft niet inzichtelijk gemaakt waaruit haar werkzaamheden in het kader van schuldenbewindvoering bestaan. Zij heeft evenmin stukken overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid, zoals een plan van aanpak. Ter onderbouwing van haar standpunt dat op haar dienstverlening de vrijstelling van toepassing is, heeft eiseres ter zitting verder gewezen op het schuldbemiddelingsverbod zoals opgenomen in artikel 47, eerste lid van de Wet op het consumentenkrediet (Wck) en de uitzondering op dit verbod voor schuldbemiddeling door onder andere aangewezen bewindvoerders in de zin van de Faillisementswet dan wel een bewindvoerder die op grond van artikel 1:383, zevende lid, BW of 1:435, zevende lid, BW is benoemd. Het enkele feit dat eiseres op grond van de hiervoor genoemde bepalingen als bewindvoerder kan worden aangesteld en het schuldbemiddelingsverbod van de Wck in dat geval niet op haar van toepassing is, brengt echter niet mee dat haar werkzaamheden moeten worden aangemerkt als schuldhulpverlening of dat daarmee automatisch de vrijstelling op haar dienstverlening van toepassing is.

16. Dat uit de aanwijzingsbeschikkingen zou kunnen worden afgeleid dat de diensten van eiseres in hoofdzaak betrekking hebben op cliënten met een schuldenproblematiek, brengt evenmin mee dat schuldenbewindvoering als schuldhulpverlening moet worden beschouwd.

17. Verweerder heeft aangevoerd dat toepassing van de vrijstelling op bewindvoering als verricht door eiseres zou leiden tot concurrentieverstoring omdat ook advocaten en notarissen optreden als bewindvoerder op de voet van artikel 1:431, van het BW en zij geen aanspraak kunnen maken op de vrijstelling omdat zij deze werkzaamheden niet “als zodanig” verrichten als bedoeld in post 33 van bijlage B bij het UB. Zo al gesteld zou kunnen worden dat schuldenbewindvoering als schuldhulpverlening moet worden aangemerkt, is ook om die reden de vrijstelling niet van toepassing op de werkzaamheden van eiseres. De enkele stelling van eiseres dat advocaten en notarissen op hun bewindvoeringsactiviteiten de vrijstelling toepassen, leidt niet tot een ander oordeel. Zij heeft daarmee niet aannemelijk gemaakt dat, zo die advocaten en notarissen de vrijstelling inderdaad toepassen, dat gebeurt met instemming van de belastingdienst.

18. Gezien het voorgaande heeft eiseres dan ook niet aannemelijk gemaakt dat haar werkzaamheden in het kader van de schuldenbewindvoering alleen zien op schuldhulpverlening in de zin van de vrijstelling. De vraag of de werkzaamheden hoofdzakelijk bestaan uit schuldenbewindvoering behoeft daarom geen behandeling.

19. Subsidiair beroept eiseres zich op artikel 132, eerste lid, onderdeel g, van de btw-richtlijn en stelt zij dat de nationale regeling in strijd is met de doelstelling van die richtlijnbepaling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres onvoldoende aangevoerd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat sprake is van een onjuiste implementatie van die richtlijnbepaling. Ook het subsidiaire standpunt van eiseres slaagt derhalve niet.

20. Meer subsidiair heeft eiseres een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Dit beroep faalt. Eiseres heeft aangevoerd dat bij andere belastingplichtigen, die vergelijkbare prestaties verrichten, de vrijstelling wel wordt toegepast. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat, zo dit het geval is, dat niet gebeurt op basis van begunstigend beleid ten aanzien van andere belastingplichtigen. Eiseres heeft tegenover deze weerspreking door verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging bij andere belastingplichtigen. De enkele stelling dat er één of meer belastingplichtigen zijn die vergelijkbare prestaties verrichten en die de vrijstelling toepassen, is daartoe onvoldoende. Evenmin heeft eiseres aannemelijk gemaakt dat sprake is van een expliciete standpuntbepaling van verweerder ten aanzien van andere belastingplichtigen.

Verzoek prejudiciële vragen

21. Eiseres heeft de rechtbank verzocht prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad. Nu onvoldoende duidelijk is waaruit de prestaties van eiseres bestaan, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om op dit verzoek van eiseres in te gaan.

Boetebeschikkingen

22. In het verweerschrift heeft verweerder meegedeeld dat hij uit het oogpunt van consistentie c.q. van pleitbaarheid van het standpunt van eiseres de boetes zal vernietigen. De beroepen met de zaaksnummers SGR 19/107, SGR 19/152, SGR 19/155, SGR 19/160 en SGR 19/162 zijn dus in zoverre gegrond.

Proceskosten

23. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.358 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1 en een factor 1,5 wegens samenhangende zaken).

Beslissing

Rechtsmiddel