Ga verder naar content

Rechtbank Den Haag, 29-06-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10834, AWB - 20 _ 3618

Rechtbank Den Haag, 29-06-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:10834, AWB - 20 _ 3618

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29 juni 2021
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:10834
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3618

Inhoudsindicatie

Inspecteur maakt aannemelijk dat bij huiszoeking aangetroffen gegevens verzwegen omzetten bevatten.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/3618

(gemachtigde: R.A. Boom),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak

1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 opgelegd (de naheffingsaanslag). Bij de naheffingsaanslag is belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikking).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 april 2020 de naheffingsaanslag en de rentebeschikking verminderd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij beschikking van 31 juli 2020 heeft verweerder de naheffingsaanslag en de rentebeschikking verminderd (de verminderingsbeschikking).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2021.

Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde en [A] ( [A] ). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres exploiteert volgens het uittreksel uit de Kamer van Koophandel een groothandel in elektronische- en telecommunicatieapparatuur en bijbehorende onderdelen. [A] is enig (middellijk) aandeelhouder en bestuurder in eiseres.

2. Op 8 maart 2016 heeft de FIOD in het kader van een strafrechtelijk onderzoek het bedrijfsadres van eiseres en het woonadres van [A] doorzocht. De FIOD heeft in de woning van [A] twee sd-cards en één usb-stick aangetroffen. De FIOD heeft vervolgens, na onderzoek, geconcludeerd dat op deze gegevensdragers een schaduwboekhouding van eiseres staat.

3. Na kennisneming van de resultaten van voormeld onderzoek van de FIOD heeft verweerder bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld naar de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012. Verweerder heeft daarbij geconstateerd dat eiseres in 2012 een bedrag van € 1.608.967 aan omzet niet in de aangiften heeft aangegeven en dat op een omzetbedrag van € 675.219 ten onrechte het nultarief voor de omzetbelasting is toegepast. Verweerder heeft de uitkomsten van het boekenonderzoek neergelegd in een controlerapport van 29 november 2017. Vervolgens heeft verweerder met dagtekening 29 december 2017 de naheffingsaanslag opgelegd.

4. De naheffingsaanslag is als volgt samengesteld:

naheffing verkopen € 1.608.967,26 x 19/119 € 256.893

naheffing 0%-tarief:

1e, 2e, 3e kwartaal 2012 € 640.219 x 19/119 € 102.219

4e kwartaal 2012 € 35.000 x 21/121 € 6.074

totaal naheffing 0%-tarief € 108.293

totaal omzetbelasting € 365.186

belastingrente € 68.878

5. Bij uitspraak op bezwaar heeft verweerder de correctie inzake het 0%-tarief laten vallen en de naheffingsaanslag verminderd tot op € 256.893 en de belastingrente verminderd tot op € 48.452.

Geschil 6. In geschil is of:

- de zaak naar verweerder moet worden teruggewezen omdat niet alle stukken van het geding door verweerder zijn overgelegd;

- verweerder terecht omzetbelasting heeft nageheven wegens niet verantwoorde omzet;

- de verleggingsregeling vanaf 1 juni 2012 van toepassing is.

7. Niet in geschil is dat bij de berekening van de na te heffen belasting verweerder een bedrag van € 1.817 twee maal in aanmerking heeft genomen en dat die dubbeltelling is gecorrigeerd met de verminderingsbeschikking waarbij de naheffingsaanslag ambtshalve is verminderd tot op € 255.076 en de belastingrente tot op € 48.110.

Beoordeling van het geschil

Nader stuk

8. De rechtbank heeft verweerder ter zitting verzocht een afschrift over te leggen van de verminderingsbeschikking. Verweerder heeft dat stuk bij brief van 6 april 2021 aan de rechtbank gezonden. Dit stuk en de begeleidende brief zijn in afschrift verstrekt aan eiseres en de rechtbank heeft deze bescheiden tot de gedingstukken gerekend. Voor een heropening van het onderzoek heeft de rechtbank geen aanleiding gezien, omdat verweerder met die ambtshalve vermindering is tegemoetgekomen aan de klacht van eiseres dat in de naheffingsaanslag een dubbeltelling zit. Verder mag worden verondersteld dat eiseres die ambtshalve vermindering reeds eerder heeft ontvangen.

Terugwijzing

9. Eiseres klaagt over het feit dat zij in de bezwaarfase niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft gekregen en verzoekt daarom om terugwijzing van de zaak naar verweerder.

10. Verweerder is op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe te zenden. Artikel 8:42 van de Awb geldt echter alleen voor de beroepsfase. Niet in geschil is dat verweerder bij zijn verweerschrift van 17 juli 2020 alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Eiseres heeft sinds juli 2020 ruim de tijd gehad om desgewenst haar beroep aan te vullen. Eiseres heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt, hetgeen voor rekening en risico van eiseres komt. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de zaak naar verweerder terug te wijzen. Daarbij heeft de rechtbank mede in acht genomen de verklaring van eiseres ter zitting dat zij alleen terugwijzing wenst indien er ruimte is voor onderhandelingen en verweerder ter zitting heeft aangegeven dat die ruimte er niet is.

Omzetbijtelling

11. Niet in geschil is dat de FIOD sd-cards en een usb-stick in de woning van [A] heeft aangetroffen en dat op deze gegevensdragers informatie over eiseres stond. Verweerder heeft zich ter zake van de naheffingsaanslag op deze gegevensdragers gebaseerd. Verweerder heeft aangevoerd dat deze informatie op verzwegen omzetten bij eiseres duidt en heeft hiervoor een bedrag van (uiteindelijk) € 255.076 aan verschuldigde omzetbelasting bij eiseres nageheven. Op verweerder rust de last om aannemelijk te maken dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat eiseres te weinig omzet in haar aangiften heeft verantwoord.

12. Verweerder heeft, gelet op de inhoud van de processen-verbaal van de FIOD, aannemelijk gemaakt dat de op de sd-cards en de usb-stick aangetroffen informatie (de informatie) onder meer ziet op niet aangegeven omzetten van eiseres over het jaar 2012. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat in de informatie een aantal bankbetalingen voorkomen die aansluiten op de reguliere administratie van eiseres en dat een deel van de informatie gedetailleerde gegevens bevat over aantallen en merken van verkochte mobiele telefoons. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de informatie niet als voldoende waarheidsgetrouw aan te merken. Eiseres heeft op dit punt onvoldoende aangevoerd om daaraan de conclusie te kunnen verbinden dat de informatie onjuist dan wel onbetrouwbaar zou zijn. In het feit dat er slechts voor negen bankbetalingen aansluitingen in de reguliere administratie van eiseres te vinden zijn, er geen boete is opgelegd en voor de vennootschapsbelasting geen correcties zijn aangebracht, ziet de rechtbank op zichzelf geen aanwijzing dat de informatie onjuist dan wel onbetrouwbaar is. Ook anderszins heeft eiseres niet nader geconcretiseerd waarom de informatie onjuist dan wel onbetrouwbaar is. Het vorenstaande brengt mee dat verweerder op basis van de informatie de naheffingsaanslag heeft kunnen en mogen opleggen.

Verleggingsregeling

13. Eiseres stelt dat vanaf 1 juni 2012 de verleggingsregeling van toepassing is en heeft daartoe ter zitting een beroep gedaan op een procedure betreffende het jaar 2014, waarin verweerder na bezwaar alsnog de verleggingsregeling heeft toegepast.

14. De staatssecretaris van Financiën heeft in zijn besluit van 25 mei 2012, nr. BLKB 2012/226M, Staatscourant 2012, 10882 (het Besluit), goedgekeurd dat de heffing van omzetbelasting voor de levering van mobiele telefoons en computerchips aan ondernemers binnen Nederland onder bepaalde voorwaarden met toepassing van de verleggingsregeling plaatsvindt. Eén van de voorwaarden voor toepassing van de verleggingsregeling is dat de betreffende facturen “omzetbelasting verlegd” vermelden. Het Besluit is op 1 juni 2012 in werking getreden en is, in verband met de invoering per 1 april 2013 van een verplichte verleggingsregeling voor de in artikel 24 ba, eerste lid, onderdeel g, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 opgenomen goederen, met ingang van 28 december 2013 komen te vervallen.

15. In het onderhavige geval heeft verweerder terecht de goedkeuring uit het Besluit niet toegepast, nu de daartoe vereiste facturen ontbreken. Verder geldt voor het jaar 2014 een andere regelgeving dan voor het jaar 2012, zodat daarmee het verschil in behandeling met de procedure over 2014 voldoende is verklaard.

Aftrek van voorbelasting inkopen

16. Eiseres heeft voorts gesteld dat er alleen verkopen kunnen zijn indien er inkopen zijn en dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met aftrek van omzetbelasting die over die inkopen in rekening moet zijn gebracht (de voorbelasting). Het enkele feit dat er inkoopkosten zullen zijn gemaakt, is onvoldoende om voor een aftrek van voorbelasting in aanmerking te komen. Uit artikel 15, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 volgt immers dat alleen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, indien die belasting op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur in rekening is gebracht. Niet gebleken is dat daarvan sprake is. Eiseres heeft namelijk geen enkele factuur overgelegd. Eiseres heeft ter zitting erkend dat bij de doorzoeking van de woning van [A] door de FIOD ook geen facturen zijn aangetroffen. Aangezien het bewijs voor de aftrek van voorbelasting op eiseres rust, volgt de rechtbank eiseres niet in haar ter zitting ingenomen stelling dat de FIOD naar facturen van inkopen had moeten zoeken.

17. Verweerder heeft, met wat hij heeft aangevoerd en gelet op de in de woning van [A] aangetroffen informatie, aannemelijk gemaakt dat het door hem uiteindelijk nageheven bedrag van € 255.076 niet te hoog is vastgesteld.

18. De omstandigheid dat verweerder de naheffingsaanslag heeft opgelegd zonder dat er verkoopfacturen zijn aangetroffen, brengt niet mee dat verweerder hiermee in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld. Verweerder heeft, zoals hiervoor ook onder 12 is overwogen, de naheffingsaanslag op basis van de door de FIOD aangetroffen informatie kunnen en mogen opleggen. Ook de omstandigheid dat verweerder tijdens de bezwaarfase de stukken van de FIOD niet aan eiseres heeft verstrekt, maakt het optreden van verweerder niet zodanig onzorgvuldig dat dit tot vermindering dan wel vernietiging van de naheffingsaanslag zou moeten leiden.

Slotsom

19. Gelet op wat is overwogen bij 7, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1). Voor een kostenvergoeding voor bezwaar is geen aanleiding, nu daar in bezwaar niet om is verzocht.

Beslissing

Rechtsmiddel