Home

Rechtbank Den Haag, 31-12-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:15278, AWB - 20 _ 6641

Rechtbank Den Haag, 31-12-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:15278, AWB - 20 _ 6641

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31 december 2021
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:15278
Zaaknummer
AWB - 20 _ 6641

Inhoudsindicatie

Eiser heeft om uitstel van betaling verzocht. Verweerder heeft op 22 mei 2020 medegedeeld dat hij het verzoek inwilligt en de invordering zal stilleggen. In bezwaar heeft eiser, onder verwijzing naar het verleende uitstel van betaling, gesteld dat de boete ten onrechte is opgelegd. Eiser stelt verder dat op grond van beleid gedurende de coronacrisis geen verzuimboetes mogen worden opgelegd. Ook verzoekt eiser om een proceskostenvergoeding in bezwaar. Op 19 juni 2020 is de boetebeschikking vernietigd. Eiser heeft verweerder in gebreke gesteld op 25 augustus 2020. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen. Ook heeft verweerder het verzoek om een dwangsom afgewezen.

In geschil is of:

- verweerder terecht het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard;

- eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;

- eiser recht heeft op een dwangsom.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 20/6641

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: B. de Jong LL.B.),

en

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 28 mei 2020 aan eiser over het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020 een naheffingsaanslag omzetbelasting (de naheffingsaanslag) en bij beschikking een verzuimboete (de boetebeschikking) opgelegd omdat eiser de over dat tijdvak verschuldigde omzetbelasting niet (tijdig) heeft betaald. Eiser heeft tegen de boetebeschikking bezwaar gemaakt.

Eiser heeft op 19 oktober 2020 beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar door verweerder.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 november 2020 het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden door middel van een skype-verbinding op 28 december 2021. Namens eiser heeft zijn gemachtigde daaraan deelgenomen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr [A] .

Overwegingen

Feiten

1. De Staatssecretaris van Financiën heeft bij besluit van 6 mei 2020, nr. 2020-9594 (het Besluit) in verband met de coronacrisis het volgende goedgekeurd (de goedkeuring):

“Ik keur goed dat verzuimboeten voor betalingsverzuimen begaan in de periode van 12 maart 2020 tot aan de datum waarop het uitstel van betaling van dit besluit eindigt (zie onderdeel 3.1), worden geacht niet te zijn opgelegd. Als een verzuimboete wordt opgelegd, zorgt de ontvanger ervoor dat deze ambtshalve wordt vernietigd. (…)”

2. De belastingdienst heeft in dit kader de mogelijkheid geopend om via de website van de belastingdienst een algemeen verzoek om uitstel van betaling in te dienen. Eiser heeft daarvan op 22 mei 2020 gebruik gemaakt. In reactie op het verzoek heeft de ontvanger van de belastingdienst bij brief van 28 mei 2020 eiser meegedeeld dat hij het verzoek inwilligt en de invordering zal stilleggen vanaf 26 mei 2020 tot 20 augustus 2020.

3. Eiser heeft in het bezwaar, onder verwijzing naar het op grond van zijn verzoek van 22 mei 2020 verleende uitstel van betaling, gesteld dat de boete ten onrechte is opgelegd. In het bezwaar stelt eiser verder dat op grond van beleid gedurende de coronacrisis geen verzuimboetes mogen worden opgelegd. In het bezwaar verzoekt eiser om een proceskostenvergoeding in bezwaar.

4. Op 19 juni 2020 is de boetebeschikking vernietigd (de verminderingsbeschikking). Op de verminderingsbeschikking staat het volgende vermeld:

“U heeft eerder uitstel van betaling gekregen. Daarom hebben wij het betaalverzuim in deze naheffingsaanslag ingetrokken. U hoeft dus de verzuimboete niet te betalen.”

5. Bij brief van 25 augustus 2020 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld. Bij de uitspraak op bezwaar van 2 november 2020 heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een kostenvergoeding voor de bezwaarfase afgewezen. Verweerder heeft verder het verzoek om een dwangsom afgewezen, omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is.

Geschil 6. In geschil is of:- verweerder terecht het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard;- eiser recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;- eiser recht heeft op een dwangsom.

Niet in geschil is dat verweerder ten onrechte vóór indiening van het beroepschrift geen uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. Evenmin is in geschil dat de boetebeschikking op 19 juli 2020 is vernietigd.

Beoordeling van het geschil

Beroep niet tijdig beslissen op bezwaar

7. Vaststaat dat verweerder na indiening van het beroep alsnog uitspraak op het bezwaar heeft gedaan. Dit brengt mee dat er niet langer een processueel belang is bij het beroep wegens het niet-tijdig beslissen op bezwaar. Het beroep dient dan ook in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beroep uitspraak op bezwaar

8. Het beroep wordt op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede geacht te zijn gericht tegen de uitspraak op bezwaar van 2 november 2020.

9. Bij de uitspraak op bezwaar van 2 november 2020 heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat de boete inmiddels op grond van het Besluit automatisch en ambtshalve was verminderd. Er is geen kostenvergoeding voor het bezwaar toegekend omdat de boete is vernietigd op grond van het Besluit en niet op grond van het bezwaarschrift. Ook is vanwege de kennelijke niet-ontvankelijkverklaring geen dwangsom toegekend.

10. Gezien de verwijzing in de brief van de ontvanger van 28 mei 2020 naar het verzoek om uitstel van 22 mei 2020, de goedkeuring, de tekst op de verminderingsbeschikking en de informatie uit het zogenoemde DACAS-systeem die door verweerder is overgelegd, acht de rechtbank aannemelijk dat de verminderingsbeschikking ambtshalve heeft plaatsgevonden op grond van de goedkeuring.

11. Op het moment van de uitspraak op bezwaar had eiser weliswaar geen belang meer bij vermindering van de boete aangezien deze reeds naar nihil was verminderd en dus niet verder kon worden verlaagd, maar eiser had nog wel een belang met betrekking tot zijn verzoek om toekenning van een kostenvergoeding voor de bezwaarfase. Verweerder heeft derhalve het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

12. Niet in geschil is dat eiser het nageheven bedrag aan omzetbelasting niet tijdig op aangifte heeft voldaan. Verweerder mocht dan ook op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de onderhavige verzuimboete aan eiser opleggen.

13. Anders dan eiser stelt volgt uit het Besluit niet dat geen boete zou en mocht worden opgelegd ten tijde van de coronacrisis. De goedkeuring behelst slechts dat wanneer bijzonder uitstel van betaling is verleend, eventuele verzuimboetes geacht worden niet te zijn opgelegd en ambtshalve zullen worden vernietigd. Daarvan kan alleen sprake zijn wanneer er daadwerkelijk een verzuimboete is opgelegd. Hieruit volgt dat de gronden die eiser in bezwaar heeft aangevoerd geen doel treffen. Verweerder had het bezwaar van eiser daarom kennelijk ongegrond moeten verklaren en moeten vaststellen dat de boetebeschikking inmiddels reeds ambtshalve was verminderd. Het beroep dient in zoverre gegrond te worden verklaard.

14. De rechtbank zal gelet op het bepaalde in de artikelen 8:41a en 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het bezwaar ongegrond verklaren.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase

15. Aangezien de rechtbank het bezwaar ongegrond zal verklaren, is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase.

Dwangsom

16. Op grond van artikel 4:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op de beslissing van verweerder om geen dwangsom toe te kennen.

17. Op grond van artikel 4:17, zesde lid, onderdeel c van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Nu het bezwaar kennelijk ongegrond zal worden verklaard, is verweerder geen dwangsom aan eiser verschuldigd.

18. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 187 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 748 en een wegingsfactor 0,25 (zeer licht)). De rechtbank heeft de wegingsfactor op 0,25 bepaald, omdat ter zake van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar uitsluitend in geschil was of verweerder tijdig een besluit had genomen en eiser voor het overige inhoudelijk in het ongelijk is gesteld. Het beroep tegen de uitspraak op bezwaar is immers alleen gegrond verklaard vanwege het feit dat het bezwaar ten onrechte niet ongegrond is verklaard. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de boetebeschikking reeds op 19 juni 2020 is vernietigd.

Beslissing

Rechtsmiddel