Home

Rechtbank Den Haag, 14-05-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5495, AWB - 19 _ 5944

Rechtbank Den Haag, 14-05-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5495, AWB - 19 _ 5944

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14 mei 2021
Datum publicatie
3 augustus 2021
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2021:5495
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 19 _ 5944

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslagen omzetbelasting. Verzuimboete. Vergrijpboete.

Immateriële schadevergoeding. Dwangsom. De rechtbank oordeelt dat eiser voor de jaren 2011 en 2014 niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Voor die jaren wordt daarom de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar voor die jaren onjuist zijn. De correcties voor de jaren 2011 en 2014 berusten ook op een redelijke schatting. Voor de jaren 2010, 2012 en 2013 wordt de bewijslast niet omgekeerd en verzwaard. Voor die jaren zijn de accountantskosten en een deel van de overige kosten ten onrechte gecorrigeerd. De rechtbank oordeelt dat de verzuimboete terecht is opgelegd. Voor de vergrijpboete heeft verweerder opzet niet aannemelijk gemaakt maar wel grove schuld. De vergrijpboete wordt daarom verminderd tot 25%. Verder wordt aan eiser een immateriële schadevergoeding toegekend van € 3.500. Tot slot heeft verweerder terecht geen dwangsom aan eiser toegekend nu er binnen de termijn van artikel 4:17, derde lid, van de Awb uitspraak op bezwaar is gedaan.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 19/5944, SGR 19/5946, SGR 19/5948 en SGR 19/5949

(gemachtigde: mr. M.W. Huijzer),

en

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser over de volgende tijdvakken naheffingsaanslagen omzetbelasting (de naheffingsaanslagen) opgelegd:

- 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 (tijdvak 2010);

- 1 januari 2011 tot en met 31 december 2011 (tijdvak 2011);

- 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 (tijdvak 2012);

- 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 tijdvak 2013-2014).

Ook is aan eiser voor het tijdvak 2012 een verzuimboete opgelegd van 10% en is aan hem voor het tijdvak 2013-2014 een vergrijpboete opgelegd van 50% (de boetebeschikkingen). Verder is aan eiser voor alle tijdvakken heffingsrente/belastingrente in rekening gebracht (de rentebeschikkingen).

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 augustus 2019 de naheffingsaanslagen,

de boetebeschikkingen en de rentebeschikkingen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep vervolgens gesplitst in bovenvermelde zaaknummers.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2021.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [A] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [B] en mr. [C] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft onder de handelsnaam “ [handelsnaam] .” voor de omzetbelasting belaste activiteiten verricht bestaande uit advisering op het gebied van informatie en bedrijfsvoering. Verder heeft eiser werkzaamheden verricht als maat in de maatschap met de handelsnaam “ [maatschap] .”. In die maatschap heeft hij onder meer tot en met april 2011 activiteiten verricht in het kader van het beheer van een persoonsgebonden budget.

2. Over de jaren 2010 tot en met 2014 heeft eiser op zijn aangiften omzetbelasting de volgende bedragen aan omzetbelasting in aftrek gebracht (voorbelasting). Dit heeft steeds geresulteerd in per saldo terug te ontvangen bedragen.

Jaar voorbelasting teruggaaf

2010 € 9.517 € 6.323

2011 € 8.820 € 8.569

2012 € 7.926 € 7.088

2013 € 7.476 € 7.372

2014 € 9.287 € 8.679

3. In april 2015 is bij eiser een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht is, voor zover hier van belang, de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de periode

1 januari 2010 tot en met 31 december 2014.

4. Tijdens het boekenonderzoek zijn ter behoud van rechten de volgende naheffingsaanslagen opgelegd:

tijdvak belasting rente boete

2010 € 5.500 € 873 € 0

2011 € 7.500 € 1.287 € 0

2012 € 7.000 € 1.320 € 700

5. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een rapport met dagtekening 16 mei 2018, waarvan een kopie tot de gedingstukken behoort. Volgens de controlerend ambtenaar heeft eiser niet voldaan aan zijn administratie- en bewaarplicht, voor de jaren 2010 tot en met 2012 te hoge bedragen aan omzetbelasting afgetrokken en voor de jaren 2013 en 2014 onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij ondernemer is voor de omzetbelasting. De aftrekbare voorbelasting moet volgens het controlerapport als volgt worden vastgesteld:

2010 2011 2012 2013 2014

Accountantskosten € 585 € 95 € 105 € 105 € 0

Overige kosten € 342 € 57 € 273 € 0 € 0

Totaal € 927 € 152 € 378 € 105 € 0

Volgens het controlerapport moet de door eiser over deze jaren afgetrokken voorbelasting daarom worden gecorrigeerd met de volgende bedragen:

2010 € 8.590

2011 € 8.668

2012 € 7.548

2013 € 7.371

2014 € 9.287

6. Voor de verschillen tussen deze bedragen en de reeds ter behoud van rechten opgelegde naheffingsaanslagen voor de jaren 2010 tot en met 2012 zijn geen aanvullende naheffingsaanslagen opgelegd. Met dagtekening 28 augustus 2018 is de naheffingsaanslag over het tijdvak 2013-2014 opgelegd. Over deze naheffingsaanslag van € 15.946 is een vergrijpboete opgelegd van € 7.973.

7. Bij brief van 4 augustus 2019, door verweerder ontvangen op 7 augustus 2019, heeft eiser verweerder in gebreke gesteld wegens het niet doen van uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft geen dwangsom toegekend.

8. Op 5 februari 2021 heeft eiser, onder meer, een “Reconstructie Omzetbelasting 2010” toegezonden. Eiser concludeert daarin dat hij in dat jaar ongeveer € 1.000 te veel aan voorbelasting zal hebben geclaimd.

Geschil 9. In geschil is of de beroepen ontvankelijk zijn. Zo deze vraag bevestigend wordt beantwoord, is in geschil of de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen terecht aan eiser zijn opgelegd. Ook is in geschil of verweerder alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of verweerder een dwangsom heeft verbeurd.

10. Eiser stelt dat de te late indiening van de motivering van het beroep geen reden is om de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Verder stelt eiser dat hij heeft voldaan aan de aangifteplicht en dat er dus geen reden is voor omkering van de bewijslast. Eiser stelt dat hij in alle onderhavige jaren ondernemer was voor de omzetbelasting. Verder stelt eiser dat hij weliswaar te hoge bedragen aan omzetbelasting op zijn aangiften heeft afgetrokken, maar niet zoveel als verweerder stelt. Volgens eiser heeft verweerder niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en ten onrechte het verzoek om een dwangsom afgewezen. Eiser verzoekt de rechtbank om het controlerapport nietig te verklaren, dan wel te vernietigen, de naheffingsaanslagen te vernietigen, een proceskostenvergoeding toe te kennen waarbij rekening moet worden gehouden met meerwerk voor de gemachtigde vanwege het boekenonderzoek en een schadevergoeding aan eiser toe te kennen.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat de motivering van de beroepen te laat is ingediend. Indien de beroepen wel ontvankelijk worden geacht, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Daarvoor voert verweerder het volgende aan. Eiser heeft voor de jaren 2010, 2011 en 2014 niet de vereiste aangiften gedaan. Voor die jaren geldt daarom de omkering en verzwaring van de bewijslast en eiser is niet in zijn bewijslast geslaagd. Verder heeft eiser voor de jaren 2013 en 2014 niet aannemelijk gemaakt dat hij ondernemer is voor de omzetbelasting. Voor de naheffingsaanslagen over de tijdvakken 2010, 2011 en 2012 beroept verweerder zich bovendien op interne compensatie. De verzuimboete over het tijdvak 2012 is terecht aan eiser opgelegd omdat te weinig omzetbelasting op aangiften is betaald en er geen sprake is van afwezigheid van alle schuld. Ook de vergrijpboete over het tijdvak 2013-2014 is terecht aan eiser opgelegd omdat eiser wist, althans moet hebben geweten dat hij te veel omzetbelasting op zijn aangiften in aftrek bracht. Subsidiair is volgens verweerder sprake van laakbare slordigheid en daarmee van grove schuld.

Beoordeling van het geschil

12. Aangezien hier uitsluitend de naheffingsaanslagen omzetbelasting voorliggen, zal de rechtbank voorbij gaan aan wat eiser in zijn beroepschrift, de nadere stukken en de pleitnota heeft aangevoerd met betrekking tot de eveneens uit het boekenonderzoek voortvloeiende correcties voor de inkomstenbelasting.

De ontvankelijkheid van de beroepen

13. Indien een beroepschrift te laat is ingediend, moet de rechtbank dit niet-ontvankelijk verklaren indien voor die te late indiening geen rechtvaardigingsgronden zijn. Dit volgt uit de artikelen 6:8, 6:9 en 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). Vaststaat dat het beroepschrift tijdig is ingediend. De rechtbank heeft eiser op 18 september 2019 verzocht binnen vier weken de gronden van beroep in te dienen. Eiser heeft dat niet gedaan maar de gronden pas ingediend op 13 januari 2020. De rechtbank kan in dat geval op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht de beroepen niet-ontvankelijk verklaren, maar anders dan bij het te laat indienen van een beroepschrift volgt die niet-ontvankelijkverklaring niet dwingend uit de wet. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding de beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. Het enkele feit dat de door eiser ingediende beroepen inzake de inkomstenbelasting met toepassing van artikel 8:54 van de Awb niet-ontvankelijk zijn verklaard, is daarvoor onvoldoende. Niet gebleken is dat verweerder door de te late indiening van de gronden van het beroep in zijn belangen is geschaad. De beroepen zijn daarom ontvankelijk.

De op de zaken betrekking hebbende stukken

14. Eiser stelt dat verweerder niet alle op de zaken betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Zo zouden de volgende stukken ontbreken:

-

de oorspronkelijke aangiften;

-

het rapport van de besprekingen op 23 januari 2017 en op 30 januari 2017;

-

de werkwijze en de resultaten van het derdenonderzoek in Suriname;

-

de resultaten van ruggenspraak binnen de belastingdienst en de overwegingen die hebben geleid tot beslissingen;

-

de (cijfermatige) opstelling die aanleiding was om een boekenonderzoek in te stellen;

-

de stukken waar het compromisvoorstel van 1 maart 2017 deel uitmaakt;

-

het verslag van de behandeling van het compromisvoorstel;

-

de rapporten van eerdere boekenonderzoeken;

-

eventuele informatie met betrekking tot fraudeverdenking.

15. De oorspronkelijke aangiften zijn niet door verweerder overgelegd. Eiser is hierdoor echter niet in zijn belangen geschaad, aangezien hij geacht moet worden zelf over deze, van hemzelf afkomstige, stukken te beschikken. Gesteld noch gebleken is dat verweerder van andere gegevens is uitgegaan dan op de aangiften is vermeld. De rapporten van eerdere boekenonderzoeken zijn niet ten grondslag gelegd aan onderhavige naheffingsaanslagen en zijn daarom geen op de onderhavige zaken betrekking hebbende stukken. Bovendien mag worden verondersteld dat die rapporten eerder al aan eiser ter beschikking zijn gesteld zodat hij, indien hij deze relevant acht, deze zelf had kunnen overleggen. Wat betreft de resultaten van het derdenonderzoek in Suriname merkt de rechtbank op dat deze zijn vermeld in het controlerapport. Voor zover er stukken zijn die betrekking hebben op een compromisvoorstel, zijn dit geen op deze zaken betrekking hebbende stukken omdat er geen compromis tot stand is gekomen. Van de overige door eiser gestelde stukken is niet vast komen staan dat ze bestaan. Verweerder heeft ter zitting ook verklaard dat er niet meer stukken zijn dan hij heeft overgelegd. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding die verklaring in twijfel te trekken. De stelling van eiser faalt daarom.

16. De naheffingsaanslagen hebben uitsluitend betrekking op correcties van de voorbelasting. De bewijslast voor het recht op aftrek van voorbelasting rust op de belastingplichtige. In beginsel kan hij daarvoor volstaan met het overleggen van facturen die voldoen aan de eisen van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). De bewijslast dat de voorbelasting geen betrekking heeft op belaste prestaties rust op verweerder. Dat geldt ook voor verweerders stelling dat eiser in 2013 en 2014 niet langer ondernemer is in de zin van de Wet OB. Indien verweerder ten aanzien van de facturen voldoende twijfels naar voren brengt, is de belastingplichtige echter de gerede persoon om die twijfels vervolgens weg te nemen.

17. Indien de vereiste aangifte niet is gedaan, verklaart de rechtbank ingevolge artikel 27e van de Awr een beroep ongegrond tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is (omkering en verzwaring van de bewijslast).

De vereiste aangiften

18. Verweerder stelt dat eiser voor de tijdvakken 2010, 2011 en 2014 niet de vereiste aangiften heeft gedaan. Hij wijst hierbij op de door eiser in bezwaar overgelegde herberekening van de zijns inziens verschuldigde omzetbelasting. Eiser komt in zijn herberekening tot de volgende conclusies:

2010: € 1.341 teveel terug ontvangen

2011: € 2.832 teveel terug ontvangen

2012: € 555 teveel terug ontvangen

2013: € 468 teveel terug ontvangen

2014: € 7325 teveel terug ontvangen.

19. Gelet op deze herberekening van eiser zijn voor de tijdvakken 2011 en 2014 zowel absoluut als relatief aanzienlijk te hoge bedragen aan omzetbelasting in aftrek gebracht. Eiser moet zich daarvan redelijkerwijs ook bewust zijn geweest gelet op de omvang van de bedragen en het feit dat eiser in bezwaar zelf met deze berekening komt. Aldus is voor deze tijdvakken niet de vereiste aangifte gedaan.

20. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn stelling dat uit de herberekening van eiser blijkt dat ook voor 2010 niet de vereiste aangifte is gedaan. Het bedrag is in absolute zin niet aanzienlijk.

Conclusie omkering en verzwaring van de bewijslast

21. Nu eiser voor de tijdvakken 2011 en 2014 niet de vereiste aangifte heeft gedaan, wordt op grond van artikel 27e van de Awr voor die tijdvakken de bewijslast omgekeerd en verzwaard. Dat houdt in dat de uitspraken op bezwaar voor deze tijdvakken ongegrond worden verklaard, tenzij eiser overtuigend aantoont dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Voor het recht op aftrek van voorbelasting, waarvoor de bewijslast reeds op eiser rust, betekent dit dat eiser niet kan volstaan met aannemelijk maken dat en in hoeverre recht bestaat op aftrek van voorbelasting. Evenmin kan hij, nu verweerder bestrijdt dat de kosten betrekking hebben op eisers belaste prestaties, volstaan met het verwijzen naar eventueel voorhanden zijnde facturen.

22. Eiser stelt weliswaar dat hij recht heeft op een hoger bedrag aan aftrek van voorbelasting dan de aftrek die verweerder heeft toegestaan, maar hij heeft ter ondersteuning van die stelling geen bescheiden overgelegd. Eiser is daarom niet geslaagd in het bewijs dat de beslissingen op bezwaar voor de jaren 2011 en 2014 onjuist zijn voor wat betreft de nageheven belastingbedragen.

23. Ook indien sprake is van omkering van de bewijslast dienen de correcties te berusten op een redelijke schatting. Vaststaat dat eiser in 2014 geen omzet heeft gerealiseerd. Uit eisers herberekening volgt verder dat hij in ieder geval € 7.325 teveel heeft teruggekregen. Voor het jaar 2011 heeft eiser kennelijk ook kosten in aftrek gebracht die betrekking hadden op de PGB werkzaamheden. Eiser heeft ter zitting echter verklaard dat die werkzaamheden werden verricht vanuit een maatschap zodat de daarop betrekking hebbende voorbelasting niet bij eiser voor aftrek in aanmerking komt. Verweerder heeft voor de jaren 2011 en 2014 de aftrek van voorbelasting beperkt tot kosten die voor de inkomstensbelasting als zakelijke kosten zijn geaccepteerd. Naar het oordeel van de rechtbank berusten de correcties voor de jaren 2011 en 2014 gezien het voorgaande aldus op een redelijke schatting.

Correcties voor de tijdvakken 2010, 2012 en 2013

accountantskosten

24. Voor de jaren 2012 en 2013 heeft verweerder de voorbelasting die betrekking heeft op de accountantskosten slechts gedeeltelijk in aftrek toegelaten. Voor de inkomstenbelasting was voor de jaren 2012 en 2013 niet langer sprake van winst uit onderneming maar van resultaten uit overige werkzaamheden. Om die reden zijn de accountantskosten voor de inkomstenbelasting slechts voor € 500 geaccepteerd. Voor de omzetbelasting is hierbij aangesloten en is de aftrek van voorbelasting beperkt tot 21% van € 500. Dat voor de inkomstenbelasting niet langer sprake is van winst uit onderneming betekent echter niet dat er dan ook geen sprake meer is van ondernemerschap voor de omzetbelasting. Ter zitting heeft verweerder verklaard dat eiser tot en met 2012 ondernemer was voor de omzetbelasting zodat eiser voor 2012 recht heeft op volledige aftrek van de voorbelasting op de accountantskosten. Gezien het feit dat eiser in de aan 2013 voorafgaande jaren ondernemer was voor de omzetbelasting, heeft verweerder met de enkele verwijzing naar de lage gerealiseerde omzet in 2013 niet aannemelijk gemaakt dat eiser in 2013 niet langer ondernemer was. Ook voor het jaar 2013 is de voorbelasting op de accountantskosten daarom ten onrechte gecorrigeerd.

Overige kosten

25. Voor 2010 en 2012 zijn voor de inkomstenbelasting diverse kosten gecorrigeerd omdat niet is aangetoond dat die kosten zijn gemaakt dan wel dat het hier om zakelijke kosten gaat en omdat de kosten niet in verhouding staan tot de opbrengsten. De inspecteur heeft voor de inkomstenbelasting het bedrag aan aftrekbare kosten daarom vastgesteld op 25% van de gerealiseerde omzet. Voor het jaar 2010 is dat een bedrag van € 1.800 en voor het jaar 2012 een bedrag van € 1.300. Materieel betekent dit dat voor de inkomstenbelasting alle kosten zijn geweigerd en er alleen een bedrag is geaccepteerd dat is gerelateerd aan de gerealiseerde omzet. Voor de omzetbelasting heeft verweerder de aftrek van voorbelasting voor de overige kosten beperkt tot de omzetbelasting die geacht moet worden te zijn begrepen in die voor de inkomstenbelasting geaccepteerde kosten. Hij heeft voor het jaar 2010 aldus een bedrag van € 342 (21% van € 1.800) in aftrek toegelaten en voor het jaar 2012 een bedrag van € 273 (21% van € 1.300). Voor 2013 heeft verweerder de aftrek van voorbelasting op de overige kosten geheel gecorrigeerd omdat geen sprake meer is van ondernemerschap.

26. Voor zover eiser beschikt over facturen die voldoen aan artikel 15 van de Wet OB dient verweerder, indien hij de voorbelasting op die facturen niet in aftrek wil toelaten, feiten te stellen en aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat dit kosten betreft die geen betrekking hebben op de belaste ondernemingsactiviteiten van eiser. Verweerder wijst daartoe slechts op het controlerapport en het ontbreken van ondernemerschap in 2013. In de bijlage bij het controlerapport, waarin diverse kostenposten worden genoemd, staat echter alleen expliciet iets vermeld over de hierna bij 27 vermelde posten. Voor de andere kostenposten kan op grond van het rapport daarom niet worden vastgesteld ter zake van welke concrete leveringen en diensten de voorbelasting in rekening is gebracht en is afgetrokken en in hoeverre die leveringen en diensten al dan niet betrekking hebben op de belaste prestaties van eiser.

27. Volgens de bijlage bij het controlerapport is in de jaren 2010, 2012 en 2013 voorbelasting in aftrek gebracht voor de volgende kosten:

a. in 2010 een bedrag van € 895 in verband met onderhoudskosten aan de woning van eiser;

b. in 2010 een bedrag van € 567 in verband met de huur van opslagruimte bij Citybox;

c. in 2013 een bedrag van € 1.760 in verband met externe inhuur waarvoor geen onderliggende bescheiden zijn overgelegd;

d. in 2013 een bedrag van € 19 waarvan niet duidelijk is op welke kosten dat betrekking heeft;

e. in 2013 een bedrag van € 81 waarvan niet duidelijk is op welke lasten dat betrekking heeft.

Voor de correctie inzake de huur van de opslagruimte bij Citybox staat in het controlerapport dat gezien de beperkte omvang van eisers onderneming het niet waarschijnlijk is dat die opslagruimte betrekking heeft op diens onderneming. Daarmee is voldoende twijfel gezaaid over de aftrekbaarheid van de daarmee gemoeide omzetbelasting. Het had op de weg van eiser gelegen om aanvullend bewijs te leveren voor de rechtmatigheid van deze aftrek. Dat heeft hij niet gedaan. Evenmin heeft hij stukken overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat de posten onder punten c., d. en e. zien op kosten die betrekking hebben op zijn belaste prestaties. Verder is gesteld noch gebleken is dat de woning van eiser voor de omzetbelasting tot zijn ondernemingsvermogen behoort. Verweerder heeft deze voorbelasting dan ook terecht niet in aftrek toegelaten.

28. Voor de rest van de nageheven voorbelasting heeft verweerder, met het zonder meer aansluiten bij de correcties voor de inkomstenbelasting, niet aannemelijk gemaakt dat eiser die ten onrechte heeft afgetrokken. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat eiser in 2013 geen ondernemer meer was voor de omzetbelasting. Ook die stelling kan dus niet ten grondslag worden gelegd aan het voor het overige naheffen van de voorbelasting.

29. Het voorgaande neemt echter niet weg dat eiser heeft erkend dat hij voor een deel van de kosten alleen beschikte over kassabonnen en dus niet over facturen als bedoeld in artikel 15 van de Wet OB. Dat betekent dat de voorbelasting die op die kosten betrekking heeft in ieder geval ten onrechte is afgetrokken. In het controlerapport is onvoldoende geconcretiseerd welk deel van de voorbelasting betrekking heeft op kosten waarvoor geen facturen voorhanden zijn. Eiser heeft echter verklaard dat hij voor de jaren 2010, 2012 en 2013 in ieder geval respectievelijk € 1.341, € 555 en € 468 te veel belasting heeft terugontvangen. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan. De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van eiser in zijn nadere stuk van 5 februari dat dit voor het jaar 2010 een bedrag van € 1.000 zou zijn, nu dat stuk een reconstructie behelst en eiser daarin er ten onrechte vanuit gaat dat recht bestaat op aftrek van voorbelasting voor zijn in de maatschap ondergebrachte PGB werkzaamheden.

30. Nu verweerder slechts gedeeltelijk in zijn bewijslast is geslaagd, ziet de rechtbank geen aanleiding het beroep op interne compensatie te honoreren en dienen de naheffingsaanslagen voor de jaren 2010, 2012 en 2013 te worden verminderd tot respectievelijk € 2.803 (€ 895 +€ 567 + € 1.341), € 555 en € 2.328 (€ 1.760 + € 19 + € 81 + € 468).

Boetebeschikkingen

Verzuimboete over het tijdvak 2012

31. Aan eiser is op de voet van artikel 67c, eerste lid, van de Awr een verzuimboete opgelegd van tien percent. Een dergelijke boete kan worden opgelegd wanneer de verschuldigde belasting niet is voldaan. Het enkele feit dat de naheffingsaanslag gedeeltelijk in stand blijft, betekent dat is voldaan aan de eisen van dat artikel. Uit paragraaf 4 van het Besluit Bestuurlijke Boete Belastingdienst (BBBB) volgt dat géén verzuimboete wordt opgelegd ingeval sprake is van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld. Gesteld noch gebleken is dat daarvan sprake is. Verweerder heeft bij het opleggen van de boete het bepaalde in artikel 67c van de AWR en § 24, tweede lid, van het BBBB in acht genomen. Ook overigens acht de rechtbank de boete, gelet op de aard van de overtreding en de omstandigheden van het geval, passend en geboden.

Vergrijpboete over het tijdvak 2013-2014

32. Ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Awr kan, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat omzetbelasting niet, gedeeltelijk niet, dan wel niet binnen de in de belastingwet gestelde termijn is betaald, aan de belastingplichtige een vergrijpboete worden opgelegd. Verweerder stelt primair dat sprake is van opzet, de bewijslast dienaangaande ligt bij hem. Verweerder wijst daartoe op de verklaring van eiser tijdens de controle in reactie op een vraag over de omvang van de zakelijke kosten. Eiser zou hebben verklaard “dat hij het moeilijk vindt om rond te komen van zijn inkomen en ander hoge heren ook maar raak declareren” Verder wijst verweerder op de verklaring van de adviseur van eiser dat hij van meet af aan het vermoeden had dat eiser teveel omzetbelasting aftrok. Dit zijn echter onvoldoende concrete gegevens voor de conclusie dat ten tijde van het doen van de aangiften sprake was van opzet. Vaststaat dat eiser teveel omzetbelasting heeft teruggevraagd, dat blijkt ook uit zijn eigen herberekening vermeld bij 18. Voor het jaar 2013 heeft hij op aangiften een bedrag aan voorbelasting teruggevraagd van € 7.476. Het ten onrechte afgetrokken bedrag van € 2.328 bedraagt dus 30% van het daadwerkelijk afgetrokken bedrag. Voor het jaar 2014 is op aangiften een bedrag van € 8.679 terugontvangen terwijl dit volgens eisers opgave € 1.354 had moeten zijn. Gezien die bedragen had eiser redelijkerwijs moeten begrijpen dat hij te veel belasting op aangiften terug ontving. Verweerder is daarom wel geslaagd in het bewijs dat sprake is van grove schuld waarbij volgens § 25, tweede lid, van het BBBB een boete van 25% wordt opgelegd. Dat voor het jaar 2014 de bewijslast is omgekeerd, is geen reden de boete te matigen.

33. Aangezien de naheffingsaanslagen waarover de boeten zijn opgelegd worden verminderd, dienen de boetebeschikkingen dienovereenkomstig te worden verminderd tot € 55 (verzuimboete van 10%) en € 2.751 (vergrijpboete van 25%). De rechtbank ziet verder aanleiding de boetes ambtshalve te verminderen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De verzuimboete is opgelegd op

27 december 2017. Gezien het feit dat tijdens de controle op 23 januari 2017 de cautie is gesteld, was vanaf dat moment voor eiser duidelijk dat hem een vergrijpboete zou kunnen worden opgelegd. Op het moment van deze uitspraak van de rechtbank zijn er dus sedertdien meer dan twee jaar verstreken. De overschrijding bedraagt voor de verzuimboete 1 jaar en vijf maanden en voor de vergrijpboete twee jaar en vier maanden. De verzuimboete wordt om die reden ambtshalve verminderd met 10% tot € 49 en de vergrijpboete met 15% tot € 2.338.

Rentebeschikkingen

34. Tegen de rentebeschikkingen heeft eiser geen afzonderlijke gronden aangevoerd. Niet is gebleken dat de rente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht. Wel dienen de rentebeschikkingen te worden verminderd overeenkomstig de verminderingen van de naheffingsaanslagen.

Schadevergoeding

35. De rechtbank vat het verzoek om schadevergoeding op als een verzoek om vergoeding van de immateriële schade die is veroorzaakt doordat de redelijke termijn van behandeling in bezwaar en beroep is overschreden. Die redelijke termijn bedraagt in beginsel twee jaar tussen de datum van ontvangst van een bezwaar en de uitspraak van de rechtbank daarover, waarbij aan de bezwaarfase een half jaar en aan de beroepsfase anderhalf jaar toekomt. Het oudste bezwaarschrift (gericht tegen de naheffingsaanslag voor het jaar 2010) is door verweerder ontvangen op 6 januari 2016. Nu de rechtbank uitspraak doet op 14 mei 2021, heeft de behandeling van bezwaar en beroep in totaal vijf jaar en vier maanden geduurd. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die de redelijke termijn van twee jaar kunnen verlengen. De redelijke termijn is dus overschreden met drie jaar en vier maanden. Eiser heeft daarom recht op een vergoeding van immateriële schade van in totaal € 3.500.Tussen de ontvangst van het beroepschrift op 13 september 2019 en de uitspraak van de rechtbank is een periode van 1 jaar en acht maanden verstreken zodat de termijnoverschrijding voor drie maanden voor rekening van de rechtbank komt en voor het overige voor rekening van verweerder.

Dwangsombeschikking

36. Eiser heeft verweerder bij brief van 4 augustus 2019, door verweerder ontvangen op 7 augustus 2019, in gebreke gesteld wegens het niet doen van uitspraak op bezwaar. Verweerder heeft vervolgens op 20 augustus 2019 uitspraak gedaan op de bezwaren. Dat is binnen de termijn van artikel 4:17, derde lid, van de Awb. Verweerder heeft dan ook terecht geen dwangsom toegekend.

Slotsom

37. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep met zaaknummer

SGR 19/5946 (tijdvak 2011) ongegrond te worden verklaard en dienen de overige beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

38. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.602 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor 1,5 wegens vier samenhangende zaken). De rechtbank ziet geen aanleiding om een hogere vergoeding toe te kennen. Dat de gemachtigde meer werk heeft gehad als gevolg van het boekenonderzoek is geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb. Voor een kostenvergoeding voor bezwaar is geen aanleiding omdat hierom in bezwaar niet is verzocht.

Beslissing

Rechtsmiddel