Home

Rechtbank Den Haag, 18-01-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:563, 21_4404

Rechtbank Den Haag, 18-01-2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:563, 21_4404

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 januari 2022
Datum publicatie
4 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2022:563
Zaaknummer
21_4404

Inhoudsindicatie

Agent X heeft bij de uitoefening van zijn beroep meerdere traumatische gebeurtenissen meegemaakt, waardoor een psychiater bij hem de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) heeft gesteld. Zijn werkgever heeft dit als beroepsziekte aangemerkt en aan hem een smartengeldvergoeding toegekend. In geschil is of de smartengeldvergoeding als loon kwalificeert en zo ja, of deze vergoeding is vrijgesteld voor de heffing van loonbelasting. De rechtbank overweegt dat de vergoeding zijn grond zozeer vindt in de vervulde dienstbetrekking dat de vergoeding als daaruit genoten moet worden aangemerkt en daarom terecht in de loonheffing is betrokken. De vergoeding ziet niet op schade of verlies van persoonlijke zaken, waardoor de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB hier niet van toepassing is. Daarnaast maakt eiseres niet aannemelijk dat de gerichte vrijstelling voor Arbovoorzieningen van toepassing is. Beroep ongegrond.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 21/4404

(gemachtigde: mr. F.R. Herreveld),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 december 2019 tot en met 30 december 2019 een naheffingsaanslag loonheffingen (de naheffingsaanslag) opgelegd. Daarbij is belastingrente in rekening gebracht.

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en de daarbij gegeven rentebeschikking en heeft verweerder verzocht om - met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht - in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter. Verweerder heeft met dit verzoek ingestemd en heeft het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2021.

Namens eiseres zijn verschenen haar gemachtigde, vergezeld door mr. [A] , mr. [B] en [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [D] , mr. [E] en mr. [F] .

Ter zitting is tegelijkertijd het beroep van eiseres met zaaknummer SGR 20/4406 behandeld.

Overwegingen

Feiten

1. Agent X is in 1975 in dienst getreden bij de Politie. Bij de uitoefening van zijn beroep heeft hij meerdere traumatische gebeurtenissen meegemaakt.

2. Met ingang van 1 januari 2013 is de Circulaire PTSS Politie (de circulaire) van kracht. In de circulaire is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

4 Beroepsziekte en PTSS inclusief procedure

(…)

De beoordeling of PTSS als beroepsziekte kan worden aangemerkt vindt binnen de politie niet op eenduidige wijze plaats.

In het Arbeidsvoorwaardenakkoord is overeengekomen, dat voor een rechtspositionele aanspraak op beroepsziekte bij PTSS, het uitgangspunt moet zijn, dat, als medisch wordt vastgesteld dat PTSS beroepsgerelateerd is, dit ook in rechtspositionele zin erkend wordt, tenzij er sprake is van schuld of onvoorzichtigheid van de betrokken ambtenaar.

(…)

Is er sprake van een causaal verband tussen het incident / de ramp / de calamiteit en de PTSS, dan geldt dat de PTSS in dat geval ook rechtspositioneel als beroepsziekte wordt erkend.

Er moet kortom dus sprake zijn van een oorzakelijk verband tussen het beroep of de werkomstandigheden en de ziekte. Is er sprake van een causaal verband, dan geldt PTSS als een rechtspositioneel te erkennen beroepsziekte.”

3. Bij agent X is op 29 november 2017 door een psychiater de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS) gesteld.

4. Op 4 januari 2018 heeft agent X aan eiseres verzocht om de vastgestelde PTSS te erkennen als beroepsziekte.

5. Met dagtekening 11 juli 2018 is de PTSS van agent X door eiseres erkend als beroepsziekte als bedoeld in artikel 1, lid 1, sub y, van het Besluit algemene rechtspositie politie (BARP).

6. Met dagtekening 4 november 2019 heeft eiseres in verband met de als beroepsziekte erkende PTSS aan agent X een smartengeldvergoeding toegekend van € 166.440 (de smartengeldvergoeding). Dit bedrag is in december 2019 netto uitgekeerd, waarbij door eiseres geen loonheffingen zijn afgedragen.

7. Verweerder heeft ter zake van de smartengeldvergoeding loonheffingen nageheven. De naheffingsaanslag is opgelegd naar een bedrag aan loonheffingen van € 102.361. De in rekening gebrachte belastingrente bedraagt € 4.143.

Geschil 8. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de smartengeldvergoeding behoort tot het loon in de zin van de Wet op de Loonbelasting 1964 (de Wet LB) en of hierover loonheffingen moeten worden afgedragen.

9. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de smartengeldvergoeding ten onrechte in de loonheffing is betrokken. Volgens eiseres kan de smartengeldvergoeding niet als loon als bedoeld in artikel 10 van de Wet LB worden aangemerkt. Indien de smartengeldvergoeding wel tot het loon moet worden gerekend, dan stelt eiseres dat deze op grond van artikel 11, eerste lid, onderdeel k, van de Wet LB is vrijgesteld, dan wel dat de gerichte vrijstelling voor Arbovoorzieningen zoals bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel h, van de Wet LB juncto artikel 8.4a van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 (de URLB) (de gerichte vrijstelling voor Arbovoorzieningen) daarop van toepassing is.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag is opgelegd.

Beoordeling van het geschil

11. Artikel 10, eerste lid, van de Wet LB luidt als volgt:

“Loon is al hetgeen uit een dienstbetrekking of een vroegere dienstbetrekking wordt genoten, daaronder mede begrepen hetgeen wordt vergoed of verstrekt in het kader van de dienstbetrekking.”

12. Artikel 11, eerste lid, van de Wet LB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Tot het loon behoren niet:

(…)

k. uitkeringen en verstrekkingen tot vergoeding van door de werknemer in verband met zijn dienstbetrekking geleden schade aan of verlies van persoonlijke zaken;

(…).”

13. Artikel 31a, tweede lid, van de Wet LB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“De verschuldigde belasting met betrekking tot vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, wordt bepaald naar een tarief van 80%, met dien verstande dat deze vergoedingen en verstrekkingen worden verminderd, (…) met vergoedingen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f en onderdeel g, ter zake of in de vorm van:

(…)

h. bij ministeriële regeling aan te wijzen voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op een bij die ministeriële regeling aan te wijzen werkplek worden gebruikt of verbruikt;

(…).”

14. Artikel 8.4a van de URLB luidt:

“1. Tot de voorzieningen, bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdeel h, van de wet, behoren, ingeval deze geheel of gedeeltelijk op de werkplek gebruikt of verbruikt worden:

a. voorzieningen die rechtstreeks voortvloeien uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert op grond van de Arbeidsomstandighedenwet;

b. hulpmiddelen die ook elders gebruikt kunnen worden en die geheel of nagenoeg geheel zakelijk gebruikt worden.

2. In afwijking in zoverre van artikel 1.2, eerste lid, onderdeel f, wordt voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, onder werkplek tevens verstaan:

a. in geval van thuiswerk in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet een werkruimte gelegen in een woning, een duurzaam aan een plaats gebonden schip of een woonwagen in de zin van artikel 1, onderdeel l, van de Wet op de huurtoeslag, de aanhorigheden daaronder begrepen, van de werknemer;

b. de plaats waar uitvoering wordt gegeven aan het arbeidsomstandighedenbeleid dat de inhoudingsplichtige voert op grond van de Arbeidsomstandighedenwet.”

15. Artikel 1, eerste lid, onderdeel y, van het BARP bepaalt dat onder een beroepsziekte moet worden verstaan:

“een ziekte, welke in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en dat niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten.”

16. Op grond van artikel 54a, eerste lid, van het BARP wordt in geval van invaliditeit die voortvloeit uit een dienstongeval of een beroepsziekte aan de betreffende ambtenaar smartengeld vergoed tot een netto maximum bedrag. Dit bedrag was in 2019 gesteld op € 166.440.

17. Uit de arresten van de Hoge Raad van 29 juni 1983 (Smeerputarrest)1 en 21 februari 20012, volgt dat een vergoeding voor immateriële schade en verlies aan arbeidskracht die door een werkgever wordt betaald op grond van zijn aansprakelijkheid voor een door een werknemer overkomen ongeval, niet zozeer zijn grond vindt in de dienstbetrekking dat deze als daaruit genoten moet worden aangemerkt, behoudens in het geval sprake is van bijzondere omstandigheden zoals bepaalde afspraken in de arbeidsovereenkomst en rechtspositionele regelingen.

18. Verweerder heeft, naar het oordeel van de rechtbank terecht, aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de genoemde arresten, omdat de smartengeldvergoeding voortvloeit uit een rechtspositionele regeling. De aanspraak van agent X is vastgesteld met inachtneming van artikel 54a, eerste lid van het BARP, het BARP is een rechtspositionele regeling en het BARP is op agent X van toepassing. De rechtbank overweegt dat het vervolgens aan eiseres is om aannemelijk te maken dat de smartengeldvergoeding, in weerwil van de erkenning van de PTSS van agent X als beroepsziekte en het bepaalde in het BARP, elders zijn grond vindt. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daarin niet geslaagd. De rechtbank kan eiseres niet volgen in haar stellingen dat de smartengeldvergoeding voortvloeit uit de publiekrechtelijke taak van de politie (het behartigen van het publieke belang) dan wel dat de smartengeldvergoeding niet in de hoedanigheid van werkgever aan agent X is uitgekeerd maar in de hoedanigheid van overheidsorgaan. In de bijzondere en vaak gevaarlijke taak die politiemensen vervullen, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de lijn die de Hoge Raad in het Smeerputarrest heeft uitgezet.

19. Het beroep van eiseres op de arresten van de Hoge Raad van 31 maart 20173 en 30 januari 20154 kan evenmin slagen. In de casus waarop het arrest van 31 maart 2017 ziet, was een vergoeding toegekend aan een voormalig politieagent in verband met immateriële schade en verlies aan arbeidskracht. Anders dan in onderhavige zaak, vloeide deze vergoeding niet voort uit een rechtspositionele regeling, maar werd deze verstrekt op initiatief van de werkgever. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijke vergoeding niet zozeer haar grond in de dienstbetrekking vindt dat zij als daaruit genoten loon dient te worden aangemerkt. In de casus waarop het arrest van 30 januari 2015 ziet, was wel sprake van een rechtspositionele regeling, op basis waarvan politieagenten hun vorderingen ter zake van door daders toegebrachte immateriële schade aan hun werkgever konden cederen tegen de nominale waarde. In tegenstelling tot onderhavige zaak, was deze vergoeding bedoeld ter compensatie van concrete financiële schade (waarvoor niet de werkgever maar degene die de schade heeft toegebracht aansprakelijk is), omdat de politieagenten hun vorderingen niet altijd succesvol op de daders konden verhalen. Gelet op dit verschil, kan naar het oordeel van de rechtbank uit dit arrest niet worden afgeleid dat (ook) in het onderhavige geval de vergoeding niet is toegekend om te belonen, maar deze vooral voortvloeit uit de opgedragen publieke dienstverlening.

20. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de smartengeldvergoeding zozeer haar grond vindt in de door agent X vervulde dienstbetrekking dat de smartengeldvergoeding als daaruit genoten moet worden aangemerkt.

21. Nu de uitkering moet worden aangemerkt als te zijn verkregen uit de vervulde dienstbetrekking van agent X, komt de rechtbank toe aan de vraag of sprake is van een uitkering of verstrekking in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel k., van de Wet LB. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag ontkennend te worden beantwoord. De smartegeldvergoeding ziet immers niet op schade aan of verlies van persoonlijke zaken. De verwijzing naar het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2015 kan eiseres ook wat dit betreft niet baten aangezien de smartegeldvergoeding naar zijn aard verschilt van de vergoeding waarop dat arrest ziet.

22. Met hetgeen zij heeft aangevoerd is eiseres er evenmin in geslaagd om aannemelijk te maken dat de gerichte vrijstelling voor Arbovoorzieningen van toepassing is op de smartengeldvergoeding. De enkele omstandigheid dat, zoals eiseres stelt, de circulaire onderdeel uitmaakt van de Arbocatalogus van de Politie, is ontoereikend om de smartengeldvergoeding aan te merken als een voorziening die rechtstreeks voortvloeit uit het arbeidsomstandighedenbeleid dat eiseres voert op grond van de Arbowet. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat de smartengeldvergoeding als hulpmiddel in de zin van artikel 8.4a, eerste lid, onderdeel b, van de URLB kan worden aangemerkt.

23. Eiseres heeft geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht rente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.

24. Gelet op wat hiervoor is overwogen is de naheffingsaanslag terecht en naar een juist bedrag opgelegd en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

25. Eiseres heeft verzocht prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad omdat het gaat om de beantwoording van rechtsvragen die spelen in meer gevallen. De rechtbank kan op grond van artikel 27ga Algemene wet inzake rijksbelastingen een rechtsvraag voorleggen ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing, indien een antwoord op deze vraag nodig is om op het beroep te beslissen en ziet in het voorgaande geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

Proceskosten

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, voorzitter, en mr. E. Kouwenhoven en mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2022.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel