Home

Rechtbank Den Haag, 13-04-2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5695, AWB - 22 _ 566

Rechtbank Den Haag, 13-04-2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:5695, AWB - 22 _ 566

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13 april 2023
Datum publicatie
2 mei 2023
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2023:5695
Zaaknummer
AWB - 22 _ 566
Relevante informatie
Art. 17 lid 2 Wet WOZ, Art. 22 Wet WOZ, Art. 8:69a Awb

Inhoudsindicatie

Geen immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank oordeelt dat de redelijke termijn is overschreden, maar ziet geen aanleiding om compensatie in de vorm van een schadevergoeding toe te kennen.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 22/566

(gemachtigde: B. de Jong LL.B.),

en

Procesverloop

Verweerder heeft bij beschikking van 25 februari 2021 (de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [adres] [nummer] te [plaats] (de woning), op de voet van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) op waardepeildatum 1 januari 2020 (de waardepeildatum) voor het jaar 2021 vastgesteld op € 142.000.

Eiser heeft tegen de beschikking bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak op bezwaar van 13 december 2021 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2023.

Namens verweerder zijn mr. [naam 1] en [naam 2] verschenen. Gemachtigde van eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 27 februari 2023 aan WOZverminderen.nl, t.a.v. de heer B. de Jong LL.B. op het postbusadres Postbus [postbusnummer] te [postcode] [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 28 februari op het PostNL-punt is afgehaald, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is huurder van de woning. De woning is een etagewoning met balkon en berging. Het gebruiksoppervlak van de woning is ongeveer 59 m2.

Geschil 2. In geschil is of eiser een belang heeft bij het instellen van beroep tegen de beschikking, en zo ja, of verweerder de waarde van de woning op de waardepeildatum niet te hoog heeft vastgesteld.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder de waarde van de woning op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hiertoe voert eiser aan dat de woning verouderd is, de badkamer en keuken vies zijn en gedateerd. De kozijnen en het schilderwerk zijn aan vervanging toe. Er is geen sprake van een gemiddelde staat van onderhoud. Verder wijst eiser erop dat de woning energielabel E heeft. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder in de bezwaarfase ten onrechte heeft geweigerd de op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem toe te zenden. Ook stelt eiser zich op het standpunt dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd is genomen. Tenslotte verzoekt eiser om vergoeding van immateriële schade.

4. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen belang heeft bij onderhavige beroepsprocedure. Met betrekking tot de waarde stelt verweerder zich op het standpunt dat de waarde van de woning op het juiste bedrag is vastgesteld. Hij verwijst hiertoe naar de door hem overgelegde waardematrix waarbij de waarde van de woning op € 155.720 is getaxeerd. Hierbij is rekening gehouden met een kwaliteit/luxe van de woning van ondergemiddeld. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat hij geen verplichting heeft om in de bezwaarfase stukken aan eiser te zenden. Eiser heeft bovendien geen gebruik gemaakt van zijn inzagerecht.

Beoordeling van het geschil

5. Verweerder heeft onweersproken gesteld dat eiser, die huurder is van de woning, geen direct financieel gevolg ondervindt van een wijziging van de onderhavige vastgestelde WOZ-waarde. Dit is de rechtbank ook verder niet gebleken. Gelet hierop acht de rechtbank het niet aannemelijk dat eiser een materieel procesbelang heeft omdat niet is voldaan aan het relativiteitsvereiste (artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht).1

6. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. De rechtbank komt niet meer toe aan een beoordeling van de hoogte van de door verweerder voor de woning vastgestelde WOZ-waarde.

7. Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden aangesloten bij de uitgangspunten die zijn neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005.2 In belastingzaken wordt, indien de redelijke termijn is overschreden, behoudens bijzondere omstandigheden, verondersteld dat eiser immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie.3 Een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase wordt in dit verband als redelijk beschouwd. Hiervan komt een half jaar toe aan de bezwaarfase. De termijn vangt aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. In deze zaak is het bezwaarschrift door verweerder ontvangen op 19 maart 2021 en de uitspraak van de rechtbank is van 13 april 2023. Daarmee is sprake van een geringe overschrijding van de redelijke termijn met nog geen maand.

8. Los van het onder 5 overwogene, heeft eiser een machtiging getekend waarin hij ermee instemt dat alle vorderingen uit hoofde van vergoedingen voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, kosten voor een deskundige, dwangsommen en immateriële schadevergoedingen ter zake van overschrijding van de redelijke termijn aan zijn gemachtigde worden gecedeerd en dat de genoemde vergoedingen rechtstreeks op de rekening van gemachtigde worden overgemaakt. Voor zover deze bedragen (vanwege verrekening of anderszins) toch naar eiser worden overgemaakt, dan is hij uit hoofde van de machtiging verplicht de vergoeding over te maken naar gemachtigde. De hiervoor genoemde bepalingen in de machtiging brengen naar het oordeel van de rechtbank met zich dat eiser niet persoonlijk gecompenseerd wordt voor veronderstelde spanning en frustratie. De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om te volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en geen compensatie in de vorm van schadevergoeding toe te kennen.

Proceskosten

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Rechtsmiddel