Rechtbank Den Haag, 16-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24356, AWB - 25 _ 5207
Rechtbank Den Haag, 16-12-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24356, AWB - 25 _ 5207
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 december 2025
- Datum publicatie
- 30 december 2025
- Zaaknummer
- AWB - 25 _ 5207
- Relevante informatie
- Art. 7:15 Awb
Inhoudsindicatie
Wet OB. De vastgestelde OB en de verzuimboetes zijn in de bezwaarfase verminderd naar nihil, het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen. Er is geen sprake van een herroeping van een besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. De proceskostenvergoeding is terecht afgewezen. Beroep ongegrond.
Uitspraak
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/5207
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres over het vierde kwartaal van 2024 een naheffingsaanslag omzetbelasting (OB) opgelegd. Daarbij heeft hij ook een boete voor niet betalen en een boete voor het niet (tijdig) doen van aangifte opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 juni 2025 de naheffingsaanslag en de bijbehorende boetes verminderd naar nihil en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Hierop heeft eiseres gereageerd bij brief van 14 oktober 2025.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2025.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2] en [naam 3]. Verweerder heeft een pleitnota ingediend.
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres is sinds 2 september 2024 ondernemer voor de OB.
2. Eiseres heeft de periodieke aangifte OB over het tijdvak 1 oktober tot en met
31 december 2024 niet binnen de wettelijke termijn ingediend. Verweerder heeft daarop op
26 februari 2025 de verschuldigde OB ambtshalve vastgesteld en een naheffingsaanslag OB opgelegd. Verweerder heeft daarbij ook een boete voor het niet betalen en een boete voor het niet (tijdig) doen van aangifte opgelegd.
3. Met dagtekening 21 maart 2025 is door eiseres alsnog een nihilaangifte ingediend. Verweerder heeft vervolgens op 4 april 2025 de vastgestelde OB en de verzuimboete wegens het niet betalen verminderd naar nihil.
4. Met dagtekening 27 juni 2025 heeft verweerder in de uitspraak op bezwaar uit coulance de verzuimboete voor het niet (tijdig) doen van aangifte vernietigd en besloten eiseres geen proceskostenvergoeding toe te kennen.
Geschil
5. In geschil is of verweerder terecht het verzoek om een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase heeft afgewezen. Meer specifiek is daarbij in geschil of sprake is van een herroeping van een besluit wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid.
6. Eiseres stelt dat zij recht heeft op een proceskostenvergoeding voor de gemaakte kosten in de bezwaarfase, omdat verweerder het bestreden besluit heeft herroepen naar aanleiding van het door eiseres ingediende bezwaarschrift. De herroeping is daarmee te wijten aan een onrechtmatigheid van verweerder, aldus eiseres. Verweerder stelt dat het bestreden besluit niet onrechtmatig was en dat dit besluit enkel op basis van de alsnog ingediende aangifte en uit coulance is herroepen. Er bestaat daarom volgens verweerder geen recht op een proceskostenvergoeding.
Beoordeling van het geschil
7. Artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de kosten die eiseres, in verband met de behandeling van het bezwaar, redelijkerwijs heeft moeten maken, worden vergoed door verweerder op verzoek van eiseres voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Indien de onjuistheid van de besluiten te wijten is aan eiseres, bijvoorbeeld omdat zij niet tijdig de juiste gegevens heeft verschaft, bestaat geen recht op vergoeding.1
8. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet is herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
9. Vast staat dat eiseres de aangifte OB voor het vierde kwartaal van 2024 te laat heeft ingediend. Verweerder heeft daardoor de aanslag opgelegd aan de hand van de op dat moment aan hem beschikbare gegevens. Eiseres heeft eerst een maand later aangifte gedaan en daarmee pas de juiste informatie aan verweerder ter beschikking gesteld. Dat verweerder de naheffingsaanslag daarom later verminderd heeft en ook de boete voor het niet betalen op nihil heeft teruggebracht, is toe te schrijven aan de late gegevensverstrekking van eiseres. De boete voor het niet tijdig doen van aangifte is verminderd uit coulance. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder, naar aanleiding van het bezwaar, beoordeeld of zijns inziens sprake was van afwezigheid van alle schuld en, bij de negatieve uitkomst daarvan, vervolgens de beoordeling gemaakt of hij aanleiding zag de boete uit coulance te verminderen. Nu deze laatste beoordeling heeft geleid tot de vermindering is ook hier geen sprake van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Verweerder heeft dus terecht geen proceskostenvergoeding toegekend.
10. Hetgeen eiseres ter zitting nog nader heeft gesteld, doet aan het hiervoor vermelde oordeel niet af. Eiseres stelt dat zij mogelijk een andere afweging had gemaakt bij het inschakelen van een gemachtigde, wanneer de coulanceregels van verweerder duidelijker vastgelegd waren geweest. Voor zover eiseres hiermee een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel doet, slaagt dat niet. Verweerder heeft toegelicht dat die discretionaire bevoegdheid is ingebed in het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, de daarin opgenomen algemene kaders en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De mogelijkheden voor verweerder om coulancebeleid te voeren, is naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek een bevoegdheid die zich niet laat vastleggen in nog strakker omlijnde regels en situaties die voorafgaand aan het opleggen van een boete kenbaar moeten zijn. Ook de door eiseres ervaren bejegening door verweerder, die door verweerder is weersproken, kan, wat daar ook van zij, geen aanleiding zijn voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
11. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
Proceskosten
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.D. van Riel, rechter, in aanwezigheid van J.C.W. Wahls, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op: