Home

Rechtbank Den Haag, 19-11-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26058, AWB - 25 _ 3202

Rechtbank Den Haag, 19-11-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:26058, AWB - 25 _ 3202

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19 november 2025
Datum publicatie
15 januari 2026
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2025:26058
Zaaknummer
AWB - 25 _ 3202
Relevante informatie
Art. 228a Gemw

Inhoudsindicatie

Verordening rioolheffing Den Haag. Directe of indirecte aansluiting op het riool. In geschil is of de aanslag rioolheffing 2025 terecht is opgelegd. Eiser stelt dat de aanslag ten onrechte is opgelegd, vanwege het feit dat door verzakking van de kade, nood gedwongen in de sloot wordt geloosd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een indirecte aansluiting, vanwege het geval dat eiser loost in een gemeentelijke watergang. Beroep gegrond. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat het betreffende open water een gemeentelijke riolering betreft zoals gedefinieerd in artikel 1 van de Verordening.

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 25/3202

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2025 aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 april 2025 de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2025.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn partner [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer [naam 2] en de heer mr. [naam 3] .

Overwegingen

Feiten

1. Aan eiser zijn met dagtekening 14 februari 2025 voor het jaar 2025 voor de woning aan de [adres] te [plaats] (adres) aanslagen afvalstoffenheffing en rioolheffing opgelegd. Het betreft een woonboot waarvan eiser de eigenaar is.

2. Wegens verzakkingen aan de kade heeft eiser sinds 2017 geen directe aansluiting meer op de riolering. Sindsdien wordt het afvalwater noodgedwongen geloosd in het open water waarin de woonboot is gelegen.

Geschil 3. In geschil is of de aanslag rioolheffing 2025 terecht is opgelegd. Ter zitting is gebleken dat de aanslag afvalstoffenheffing niet langer in geschil is.

4. Eiser stelt dat de aanslag rioolheffing onterecht is opgelegd. Eiser stelt dat de woonboot niet direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

5. Verweerder stelt dat de rioolheffing terecht is opgelegd. Volgens verweerder is sprake van een indirecte aansluiting. Eiser loost in een gemeentelijke watergang in de zin van art. 1 van de Verordening rioolheffing Den Haag 2021 (de verordening). Voldoende is dat eiser afvalwater aanbiedt op de gemeentelijke riolering, waaronder de gemeentelijke watergang. Er is sprake van een belastbaar feit in de zin van de verordening. De aanslag rioolheffing is terecht opgelegd.

Beoordeling van het geschil

6. Op grond van artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet kan onder de naam rioolheffing een belasting worden geheven. Met de verordening heeft de raad van de gemeente Den Haag van deze bevoegdheid gebruik gemaakt.

7. In de verordening is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

(…)

gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

(…)

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

a. van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en

b. van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.

(…)”

8. Ter zitting heeft eiser de huidige situatie nader toegelicht. Sinds 2017 is de woonboot van eiser als gevolg van verzakkingen van de kade en achterstallig onderhoud daaraan, niet meer direct aangesloten op het riool; die aansluiting is kapot. Als gevolg daarvan loopt het afvalwater dat vanaf de woonboot wordt geloosd, rechtstreeks in het open water waarin de woonboot is gelegen. Eiser ervaart daardoor al jaren een verslechtering van de woonsituatie aangezien deze lozingen tot vervuiling en verval leiden. Meldingen hiervan en verzoeken aan rioolbeheer voor reparatie hebben nog niet tot enige actie geleid. Verweerder heeft dit niet betwist zodat vaststaat dat de woonboot niet beschikt over een directe aansluiting op de riolering. Verweerder heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat er wel sprake is van een indirecte aansluiting. Verweerder betoogt dat het enkele feit dat eiser huishoudelijk afvalwater loost in het open water, hetgeen volgens verweerder kwalificeert als een gemeentelijke watergang, voldoende is voor de conclusie dat sprake is van een indirecte aansluiting op de gemeentelijke riolering.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, op wie de bewijslast rust, met deze stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt dat het betreffende open water een gemeentelijke riolering betreft zoals is gedefinieerd in artikel 1 van de verordening, te weten een voorziening in eigendom, beheer of onderhoud bij de gemeente. Onduidelijk is of op dit open water sprake is van inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater door de gemeente. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij van het Hoogheemraadschap brieven ontvangt waarin hij er op wordt gewezen het open water schoon te houden en er boetes dreigen bij het lozen van afvalwater vanaf zijn woonboot. Dit duidt er op dat het beheer, eigendom en/of onderhoud, zo er al sprake is van een voorziening als vorenbedoeld, in handen is van het Hoogheemraadschap. Het voorgaande leidt ertoe dat geen sprake is van een belastbaar feit in de zin van artikel 3, lid 1, sub a, van de verordening en de aanslag rioolheffing daarom ten onrechte aan eiser is opgelegd.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

Rechtsmiddel