Rechtbank Den Haag, 06-03-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, NL24.47284
Rechtbank Den Haag, 06-03-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, NL24.47284
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 maart 2025
- Datum publicatie
- 7 maart 2025
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3440
- Zaaknummer
- NL24.47284
Inhoudsindicatie
Eiser stelt vanwege zijn homoseksuele gerichtheid gevaar te lopen in Senegal en heeft daarom asiel aangevraagd. De asielaanvraag van eiser is afgewezen en daar is hij het niet mee eens. De meervoudige kamer van de rechtbank gaat in deze zaak in op de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling (Werkinstructie 2024/6) die verweerder tegenwoordig toepast in asielzaken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat met de nieuwe werkinstructie sprake is van een hogere bewijsmaatstaf. De cumulatieve voorwaarden uit artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlin mogen echter niet als een strikte checklist worden getoetst. De rechtbank zal in elke zaak moeten beoordelen of verweerder op overtuigende wijze heeft gemotiveerd waarom een asielmotief volgens hem al dan niet geloofwaardig is en daarbij rekening moeten houden met alle relevante aspecten. Verweerder heeft met de toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling in de onderhavige zaak niet in strijd met het Unierecht gehandeld. Het beroep is ongegrond.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.47284
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. S.J. Koolen),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. S. Franca).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 1 november 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 21 november 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.1
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Smits-Chatain als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Op 23 december 2024 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer.
Bij bericht van 9 januari 2025 heeft de rechtbank laten weten dat zij het niet nodig vindt om een nadere zitting te houden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld om binnen een week te laten weten of zij behoefte hebben aan een nadere zitting. Nu partijen niet hebben gereageerd, heeft de rechtbank een nadere zitting achterwege gelaten en het onderzoek gesloten.