Rechtbank Den Haag, 19-02-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5199, SGR 25/5299, SGR 25/5300, SGR 25/5301, SGR 25/5302, SGR 25/5303
Rechtbank Den Haag, 19-02-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5199, SGR 25/5299, SGR 25/5300, SGR 25/5301, SGR 25/5302, SGR 25/5303
Gegevens
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 19 februari 2026
- Datum publicatie
- 24 maart 2026
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5199
- Zaaknummer
- SGR 25/5299, SGR 25/5300, SGR 25/5301, SGR 25/5302, SGR 25/5303
Inhoudsindicatie
Omzetbelasting, boekenonderzoek vanwege het gebruik van risicoselectiemodel ‘OB Negatief’. De rechtbank komt tot het oordeel dat het gebruik van risicoselectiemodel ‘OB Negatief’ bij eiseres niet onrechtmatig is. Er bestaat geen reden het controlerapport van bewijs uit te sluiten. De op de controle gebaseerde correcties zijn voldoende onderbouwd en terecht toegepast. Ook de vergrijpboetes zijn terecht en tot de juiste bedragen aan eiseres opgelegd. (Beroep ongegrond.)
Uitspraak
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 25/52991, SGR 25/5300, SGR 25/5301, SGR 25/5302, SGR 25/5303
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2018 tot en met 2022 naheffingsaanslagen omzetbelasting (OB) opgelegd. Bij de naheffingsaanslagen over 2019 tot en met 2022 zijn tevens vergrijpboetes opgelegd en bij alle naheffingsaanslagen is belastingrente berekend.
Bij uitspraken op bezwaar van 11 juli 2025 respectievelijk 18 juli 2025 is verweerder voor het jaar 2018 gedeeltelijk aan de bezwaren tegemoetgekomen en heeft hij de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen over 2019 tot en met 2022 en de boete- en rentebeschikkingen, afgewezen.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2025.
Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2] .
Na afloop van de zitting is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het onderzoek in deze procedure niet volledig is geweest. De rechtbank is namelijk tot het oordeel gekomen dat de stelling van eiseres dat de door haar benoemde auditfiles waarop de boekenonderzoeken (en dus de naheffingsaanslagen en boetes) zijn gebaseerd, op de zaak betrekking hebbende stukken vormen en dus ten onrechte niet door verweerder zijn overgelegd, juist is. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Verweerder heeft desgevraagd de bewuste auditfiles verstrekt. Eiseres heeft daarop gereageerd.
De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Feiten
1. De activiteiten van eiseres bestaan uit het verlenen van administratieve bijstand aan ondernemingen, het verzorgen van financiële administratie en boekhouding, het verzorgen van fiscale aangiften en het verzorgen van gerelateerde diensten. De onderneming is opgericht op 14 januari 2004 en wordt gedreven in de vorm van een besloten vennootschap.
2. De aandeelhouder van eiseres is [Holding] B.V. (100%) (Holding). De heer [gemachtigde] (de dga) bezit 100% van de aandelen in Holding. De dga verzorgt tevens de dagelijkse administratie, alsmede de jaarstukken en de fiscale aangiften van de onderneming, waaronder de aangiften OB. Er wordt geen gebruik gemaakt van een externe fiscaal adviseur.
3. Eiseres verrichtte naast de met OB belaste activiteiten ook nog van omzetbelasting vrijgestelde journalistieke en onderwijskundige prestaties. De omzet die met die vrijgestelde prestaties werd behaald heeft eiseres in de jaren 2018 tot en met 2022 aangegeven onder rubriek 1e van de aangifte OB.
4. Eiseres is per 2 november 2024 ontbonden. Op 3 november 2024 zijn de activiteiten van eiseres gestaakt. Eiseres is tot op heden nog in ‘in liquidatie’.
5. Naar aanleiding van een ingediend verzoek tot teruggaaf over het 4e kwartaal
2022 door Holding is ook bij eiseres een boekenonderzoek ingesteld over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn neergelegd in een controlerapport van 14 oktober 2024 (het controlerapport). Met inachtneming van- en overeenkomstig de bevindingen van het onderzoek en de daaraan verbonden conclusies zoals weergegeven in het controlerapport zijn aan eiseres de onderhavige naheffingsaanslagen OB en boete- en rentebeschikkingen opgelegd. De aanslagen zijn daarbij als volgt opgelegd:
Aanslag Belasting Boete Belastingrente
2018 € 17.483 - € 3.377
2019 € 21.452 € 881 € 4.898
2020 € 13.697 € 510 € 2.762
2021 € 4.700 € 622 € 759
2022 € 8.720 € 123 € 1.060
6. Eiseres heeft tegen deze aanslagen en beschikkingen bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraken op bezwaar is verweerder voor het jaar 2018 gedeeltelijk aan de bezwaren tegemoetgekomen en heeft hij de bezwaren tegen de naheffingsaanslagen over
2019 tot en met 2022 afgewezen. Daarbij zijn de naheffingsaanslagen als volgt (nader) vastgesteld:
Aanslag Belasting Boete Belastingrente
2018 € 15.522 - € 2.998
2019 € 21.452 € 881 € 4.898
2020 € 13.697 € 510 € 2.762
2021 € 4.700 € 622 € 759
2022 € 8.720 € 123 € 1.060
Geschil
7. In geschil is of de naheffingsaanslagen en de bijbehorende boete- en rentebeschikkingen terecht aan eiseres zijn opgelegd.
8. Eiseres stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat de naheffingsaanslagen en nevenbeschikkingen een rechtmatige grondslag ontberen, en daarom dienen te worden vernietigd. Eiseres voert daartoe – eveneens kort gezegd – het volgende aan.
- -
-
Er is sprake van een onrechtmatige risicoselectie door verweerder. Immers, eiseres is voor controle geselecteerd op basis van het risicoselectiemodel ‘OB Negatief’. Dat betreft een volledige geautomatiseerd model, wat in strijd is met – onder meer – de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en Europese wet- en regelgeving dan wel jurisprudentie (het Schufa-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie). Hierom moet de op basis hiervan genomen selectiebeslissing en het daaropvolgende boekenonderzoek buiten beschouwing worden gelaten, waarmee de grondslag voor de opgelegde correcties en/of naheffingen komt te vervallen.
- -
-
Bij het huisbezoek dat is afgelegd voor het inleidend gesprek voor het boekenonderzoek is de controlerend ambtenaar onrechtmatig (in strijd met artikel 12 van de Grondwet alsook artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)) de woning van de dga binnengetreden, zodat het daarmee verkregen bewijs onrechtmatig is en niet mag worden gebruikt.
- -
-
Verweerder heeft de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden, met name het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel, door geen signalen, criteria of interne stukken te overleggen die de selectie van eiseres voor de controle onderbouwen.
- -
-
Verweerder heeft informatie achtergehouden en niet alle stukken overgelegd, zodat sprake is van een schending van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
- -
-
Het onderzoek is voortgezet ook nadat eiseres was ontbonden, hetgeen juridisch onmogelijk is (zie artikel 2:19 BW); ook daarom zijn de bevindingen uit het onderzoek nietig en onbruikbaar.
9. Verweerder heeft de standpunten van eiseres gemotiveerd weersproken en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
Beoordeling van het geschil
Gebruik risicoselectiemodel ‘OB Negatief’ en zorgvuldigheidsbeginsel
10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gebruik van “OB negatief” niet onrechtmatig is geweest en voert daartoe het volgende aan:
“7.2.1.1 De aangifte omzetbelasting over het vierde kwartaal 2022 is ingediend op 27 december 2022 en via OB negatief geautomatiseerd geselecteerd voor een zogenaamde kantoortoets. OB negatief maakt gebruik van een aantal selectieregels (algoritme) op basis waarvan een aangifte kan worden uitgeschoten voor een kantoortoets. Tijdens het beoordelingsproces van die aangifte waren er signalen waardoor [eiseres] is voorgedragen voor een boekenonderzoek over de jaren 2018 tot en met 2022.
7.2.1.2 [Eiseres] stelt zich op het standpunt dat de OB negatief niet in het Algoritmeregister was opgenomen ten tijde van het boekenonderzoek en dat derhalve het gebruik van OB negatief onrechtmatig was.
7.2.1.3 De allereerste versie van het Algoritmeregister is pas in december 2022 door de toenmalige Staatssecretaris van Financiën, mw. [naam] gepubliceerd. De Handreiking Algoritmeregister versie mei 2025 heb ik als bijlage 36 bij dit verweerschrift gevoegd.
7.2.1.4 De Belastingdienst ontvangt jaarlijks zo’n 2,6 miljoen negatieve aangiften (verzoeken tot teruggaaf omzetbelasting). Niet alle negatieve aangiften omzetbelasting kunnen handmatig worden beoordeeld. Daarvoor is het aantal te groot. Ook wil de Belastingdienst de ondernemers niet onnodig belasten met het aanleveren van bewijsstukken. Om die reden richt de handmatige beoordeling zich vooral op de aangiften waarvan door middel van het algoritme OB negatief is ingeschat dat ze een hogere kans hebben onjuist te zijn.
7.2.1.5 Het algoritme OB negatief maakt optimaal gebruik van de relevante gegevens, zoals de ingevulde bedragen in de aangifte. De selectie door OB negatief vindt altijd op dezelfde wijze plaats. Dat zorgt voor een efficiënte en consistente selectie.
7.2.1.6 Door OB negatief worden de volgende gegevens verwerkt:
Gebruikte gegevens Bron
Aangiftegegevens Belastingdienst
Betalingsgegevens Belastingdienst
Bedrijfsgegevens Kamer van Koophandel en Belastingdienst
Eerdere handmatige beoordelingen Belastingdienst
7.2.1.7 Wettelijke basis
Het verzamelen en het gebruik van de hierboven beschreven gegevens is geregeld in de volgende wetten en richtlijnen en uitvoeringsregelingen:
- Algemene Wet Bestuursrecht (AWB)
- Algemene wet inzake Rijksbelastingen (AWR)
- Archiefwet 1995
- Hoofdstuk IX van de Rijksbegroting
- Richtlijn 2006/112/EG
- Uitvoeringsregeling AWR
- Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003
- Verordening (EU) nr. 904/2010
7.2.1.8 Privacy en AVG Privacy en
De gegevensverwerkingen door OB negatief worden getoetst aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Als er risico’s worden gevonden, worden er maatregelen genomen om de privacy en veiligheid te waarborgen. De AVG schrijft voor dat er niet meer gegevens gebruikt mogen worden dan noodzakelijk is (dataminimalisatie). De Belastingdienst onderzoekt regelmatig of de gebruikte gegevens nog nodig zijn en dus gebruikt mogen worden.
7.2.1.9 Gelijkheid en non-discriminatie
OB negatief wordt getoetst aan non-discriminatie-wetgeving. Door OB negatief worden geen bijzondere persoonsgegevens, zoals etnische afkomst verwerkt. Er worden alleen noodzakelijke persoonsgegevens verwerkt. Hierdoor wordt het risico op discriminatie beperkt. Medewerkers die betrokken zijn bij de ontwikkeling en het beheer van de algoritmen krijgen training over gegevensbescherming en vooroordelen.
7.2.1.10 Menselijke tussenkomst
Menselijke tussenkomst in de context van de Belastingdienst houdt in dat een bevoegde en deskundige medewerker een wezenlijke rol speelt in de besluitvorming.
OB negatief bepaalt of de negatieve aangifte wordt geselecteerd voor handmatige beoordeling. In dat geval beoordeeld een medewerker na onderzoek de juistheid van de aangifte. Een eventuele correctie volgt pas na deze handmatige beoordeling. Hierdoor is sprake van wezenlijke menselijke tussenkomst in de besluitvorming wanneer daar rechtsgevolgen aan zijn verbonden.
7 2.1.11 Conclusie rechtmatigheid gebruik OB negatief
Het gebruik van OB negatief is geregeld in de verschillende wetten, richtlijnen en uitvoeringsregelingen. Daarnaast wordt de gegevensverwerking regelmatig getoetst aan de AVG. Het gebruik van OB negatief heeft nooit rechtstreekse gevolgen voor belastingplichtigen. Besluitvorming zal altijd voorafgegaan worden door menselijke tussenkomst. Ik ben dan ook van mening dat het gebruik van OB negatief om te komen tot een snellere en adequate wijze van selecteren van negatieve aangiften niet onrechtmatig is.”
11. De rechtbank stelt voorop dat zij geen enkele aanleiding heeft om te twijfelen aan hetgeen verweerder aanvoert ten aanzien van de wettelijke basis en inrichting van het risicoselectiemodel ‘OB Negatief’, en dat dit model wordt gebruikt zoals hiervoor door verweerder weergegeven. Ook in alles wat eiseres heeft aangevoerd, vindt de rechtbank geen aanleiding daaraan te twijfelen. Eiseres heeft geen concrete feiten of omstandigheden benoemd, laat staan aannemelijk gemaakt, op grond waarvan wel aan de juistheid van het door verweerder aangevoerde zou moeten worden getwijfeld. De (niet geconcretiseerde) algemeenheden en aannames die eiseres aanvoert en waarop zij wijst, vindt de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank sluit zich dan ook aan bij het betoog van verweerder en de daaraan ten grondslag liggende uitgangspunten alsmede de daaraan door verweerder verbonden conclusie dat het gebruik van risicoselectiemodel ‘OB Negatief’ bij eiseres niet onrechtmatig is. Het andersluidende standpunt van eiseres wordt dus door de rechtbank verworpen.
12. Voor zover eiseres meent dat verweerder haar over (het gebruik van) dit risicoselectieprofiel meer informatie had moeten verstrekken, zoals signalen, criteria of interne stukken dienaangaande, volgt de rechtbank haar ook daarin niet. Voor die claim van eiseres bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen wettelijke grondslag. Ook maken de beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, niet dat een dergelijke verplichting voor verweerder bestaat. Het gaat erom dat verweerder het risicoselectiemodel niet onrechtmatig inzet en gebruikt. Daarvoor heeft eiseres al de door haar gevraagde nadere informatie niet nodig, en daarom is verweerder ook niet gehouden – zo hij daar al over beschikt – daarover meer informatie te verstrekken. De rechtbank benadrukt hierbij nogmaals dat eiseres geen enkel concreet feit of concrete omstandigheid heeft aangevoerd op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat in haar geval of in het geval van de dga sprake is van discriminatie dan wel enig ander onoorbaar selectiecriterium is toegepast.
Onrechtmatig binnentreden woning
13. Verweerder heeft met betrekking tot het standpunt van eiseres over het onrechtmatig binnentreden van de woning van de dga op 23 augustus 2023 aangevoerd dat hij tijdens het bezwaarproces navraag heeft gedaan bij de betreffende controlemedewerker en dat die daarop als volgt heeft gereageerd:
“Ik heb hem slechts eenmaal bezocht op zijn woonadres ten behoeve van het inleidende gesprek. Dit vond met diens goedkeuring plaats in zijn woning te [plaats] . Het betreft een seniorenwoning, met naar mijn weten twee woonlagen. Ik behoefde mij niet te legitimeren, werd ook niet naar gevraagd door [de dga]. We zijn direct vanuit de hal na de voordeur de trap opgelopen naar zijn werkruimte welke zich op de zolderetage bevindt. Andere ruimten zijn door mij absoluut niet betreden.”
14. De rechtbank heeft geen reden aan deze verklaring van (de controlemedewerker van) verweerder te twijfelen. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onrechtmatig binnetreden door de controleambtenaar. Voor de conclusie dat het anders is verlopen en dat de controlemedewerker ongevraagd (en ongewenst) de woning heeft betreden, vindt de rechtbank in de gedingstukken geen, althans onvoldoende aanknopingspunten. Die enkele stelling van eiseres acht de rechtbank daartoe, gegeven ook de concrete en gemotiveerde betwisting daarvan van verweerder, onvoldoende om dat aannemelijk te achten. Dat het bezoek – en de inlichtingen en gegevens die daarbij zijn dan wel zouden kunnen worden verkregen – ook van invloed kon zijn op een latere boeteoplegging, maakt dit niet anders. Dat maakt ook niet dat de controlemedewerker meer dan wel andere mededelingen aan eiseres/de dga had moeten doen omtrent de aard en strekking van zijn bezoek. De controlemedewerker bezocht eiseres immers voor het inleidende gesprek van het boekenonderzoek, zoals vooraf ook was aangekondigd en afgesproken. Daarbij komen de door verweerder gemaakte correcties en opgelegde boetes voort uit de administratie die de dga heeft overgelegd op grond van artikel 47 van de AWR. Dergelijk wilsonafhankelijk materiaal mag in een later stadium voor boeteoplegging worden gebruikt. Ook deze beroepsgrond treft dus geen doel.
Informatieverstrekking en gegevensverstrekking; schending van artikel 8:42 Awb?
15. De rechtbank stelt voorop dat inmiddels de door eiseres benoemde auditfiles waarop de boekenonderzoeken (en dus de naheffingsaanslagen en boetes) zijn gebaseerd,
door verweerder zijn overgelegd. In zoverre is dus geen sprake (meer) van een schending van artikel 8:42 Awb.
16. Voor het overige heeft verweerder gemotiveerd aangevoerd dat hij geen informatie heeft achtergehouden en ook geen onjuiste of onvolledige inlichtingen verstrekt, alsook dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Daarbij heeft verweerder er tevens op gewezen dat eiseres in de bezwaarfase voorafgaande aan het hoorgesprek erop gewezen is dat de stukken ter inzage lagen, van welk inzagerecht zij geen gebruik heeft gemaakt. Verder wijst verweerder erop dat in de bezwaarfase uitvoerig en zorgvuldig is ingegaan op de vragen en standpunten van eiseres en dat eiseres daarbij tevens is gewezen op een beslissing op het Wet open overheid (Woo)-verzoek met betrekking tot ‘OB negatief’ waarbij is aangegeven dat een aantal onderdelen van ‘OB negatief’ niet openbaar gemaakt worden in verband met de toezicht strategie die wordt gebruikt voor aangiften omzetbelasting van het MKB. Gegeven dit alles, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geconcludeerd dat verweerder informatie heeft achtergehouden of onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft verstrekt. Eiseres heeft ook geen expliciete voorbeelden van achtergehouden informatie en onjuiste en onvolledige inlichtingen aangevoerd. Ook heeft eiseres – anders dan de inmiddels reeds overgelegde auditfiles (zie hiervoor) – geen concrete gegevens of stukken benoemd die tot de gedingstukken zouden behoren en die verweerder desondanks niet heeft overgelegd. Van het bestaan van dergelijke – dus niet overgelegde – stukken is de rechtbank ook overigens niet gebleken. De rechtbank vindt daarom ook geen aanleiding te concluderen dat sprake is van een schending van artikel 8:42 Awb.
Voortzetting onderzoek na ontbinding van eiseres
17. De rechtbank overweegt verder nog dat, anders dan eiseres meent en bepleit, het feit dat zij per 2 november 2024 formeel is ontbonden niet maakt dat het boekenonderzoek niet langer rechtmatig kon worden voortgezet. Een dergelijke juridische consequentie is niet aan de ontbinding verbonden, ook niet in het door eiseres aangehaalde artikel 2:19 Burgerlijk Wetboek. Dat eiseres zelf vanaf de ontbinding niet meer vrijelijk rechtshandelingen kan aangaan, maakt dat niet anders. De rechtbank merkt hierbij nog op dat ingevolge artikel 2:19 Burgerlijk Wetboek een rechtspersoon na ontbinding blijft voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is. Die vereffening was in ieder geval lopende het onderzoek (nog) niet afgerond. Dat blijkt reeds uit het feit dat op de (nieuwe) machtiging van eiseres aan haar naam is toegevoegd ‘in liquidatie’.
De naheffingsaanslagen/omzetcorrecties
18. De rechtbank stelt vast dat de inhoudelijke correcties waarop de onderhavige naheffingsaanslagen zijn gebaseerd en de cijfermatige uitwerking daarvan uitgebreid zijn weergegeven en gemotiveerd in het controlerapport van het bij eiseres ingestelde boekenonderzoek. Ook in de brieven ‘voorgenomen uitspraak op bezwaar tegen naheffingsaanslagen 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022’ van 9 april 2025’ en ‘toelichting bij uitspraak op bezwaar tegen naheffingsaanslagen 2018, 2019, 2020, 2021 en 2022’ van 25 juni 2025 (hierna gezamenlijk te noemen: de brieven) zijn die correcties benoemd en toegelicht. Gelet op alles wat in deze stukken – waarvan afschriften tot de gedingstukken behoren – naar voren is gebracht over de bewuste correcties, acht de rechtbank de door verweerder bij de naheffingsaanslagen toegepaste correcties voldoende onderbouwd en daarmee is voor de rechtbank aannemelijk gemaakt dat de correcties terecht zijn toegepast. De rechtbank neemt daarbij tevens in aanmerking dat eiseres in beroep – ook niet uiteindelijk ter zitting – tegen de specifieke correcties geen concrete stellingen heeft aangevoerd, maar in feite volstaat met de algemene stelling dat de correcties zijn gebaseerd op onjuiste/ondeugdelijke administratieve bescheiden en daarom niet juist zijn. Dat is voor de rechtbank onvoldoende om de correcties toch niet juist en aannemelijk te vinden.
19. De rechtbank vindt ook in de alsnog door verweerder overgelegde auditfiles geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Immers, de onderwerpelijke correcties zijn juist specifiek op die auditfiles gebaseerd. Eiseres heeft, anders dan haar stelling dat die auditfiles onjuist dan wel onvolledig zijn, niet geconcretiseerd en/of inzichtelijk gemaakt dat, waarom en in hoeverre de auditfiles en dus de daarop gebaseerde correcties, onjuist zijn. Zij heeft, ook na in staat te zijn gesteld op die auditfiles te reageren, in feite niet meer aangevoerd dan dat zij volhardt in haar stelling dat die auditfiles onjuist en onvolledig zijn. Zij heeft daarbij geen concrete onjuistheden of onvolledigheden benoemd, en ook geen andere, meer volledige auditfiles of andersoortige administratieve bescheiden overgelegd waaruit de gestelde onjuistheid en/of onvolledigheid zouden (kunnen) blijken. Onder die omstandigheden vindt de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de auditfiles waarop de controle en dus de omzetzetcorrecties zijn gebaseerd.
20. Verder overweegt de rechtbank nog dat, voor zover eiseres (nog steeds) meent dat verweerder bij het toepassen van een of meerdere correcties het vertrouwensbeginsel heeft geschonden, eiseres dat, tegenover de gemotiveerde betwisting door verweerder zoals die blijkt uit de gedingstukken, met name de hiervoor onder 18. genoemde brieven, niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft onvoldoende geconcretiseerd dat en waarom desondanks wel sprake zou zijn van een schending van het vertrouwensbeginsel. Eiseres heeft ter zitting in dit verband gewezen op het feit dat eerder wel teruggaafbeschikkingen zijn vastgesteld conform de door haar ingediende (en inmiddels betwiste) aangifte(s), zonder dus dat daarop enige correctie is toegepast. Verweerder heeft dienaangaande ter zitting verklaard dat dergelijke teruggaven juist snel en zonder (uitgebreide) controle worden verleend, omdat de belastingplichtigen (de ondernemers) vaak wachten op het geld, en er daarom ook altijd bij wordt vermeld: ‘onder voorbehoud’. De rechtbank heeft geen aanleiding daaraan te twijfelen en is met verweerder van oordeel dat eiseres onder die omstandigheden aan dergelijke teruggaafbeschikkingen geen vertrouwen omtrent de juistheid van haar aangiften kan ontlenen. Dat verder ooit enige toezegging of uitlating door verweerder is gedaan waaraan wel een in rechte te beschermen vertrouwen kan zijn ontleend, is verder niet gesteld.
Verder vindt de rechtbank in de gedingstukken ook geen ondersteuning voor de conclusie dat verweerder bij de aanslagregeling of hangende de bezwaarprocedure enig ander beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, daaronder begrepen het zorgvuldigheidsbeginsel.
De vergrijpboetes
21. Verder is de rechtbank van oordeel dat ook de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen aan eiseres zijn opgelegd. Verweerder heeft met alles wat hij heeft overgelegd, met name alles wat blijkt uit- en wordt aangevoerd in het controlerapport en de brieven, bewezen dat 1) de boete is opgelegd over voorbelasting die in aftrek is gebracht in relatie tot bestedingen die zonder twijfel kunnen worden aangemerkt als privé-uitgaven (tijdens het onderzoek is niet aangetoond dat deze betreffende uitgaven een zakelijk motief hebben in relatie tot de ondernomen activiteiten), en dat 2) ter zake hiervan, mede gegeven de bedrijfsactiviteiten van Holding (waaronder fiscale- en administratieve dienstverlening), sprake is van een dusdanig nalatig handelen door eiseres dat sprake is van grove schuld (laakbaar handelen grenzend aan opzet) in de zin van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.. Eiseres heeft daartegenover niets aangevoerd of overgelegd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat daarvan géén sprake is. De rechtbank acht de opgelegde vergrijpboetes van 25% van de na te heffen omzetbelasting ook passend en geboden. De rechtbank overweegt hierbij tevens dat uit de gedingstukken blijkt dat ook aan de formele eisen voor het opleggen van een boete – zoals het aankondigen (mededeling en kennisgeving) van de vergrijpboete en inzage verlenen in het boetedossier – is voldaan.
Belastingrente
22. Eiseres heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. De belastingrente is berekend conform de wettelijke bepalingen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding kunnen geven om de belastingrente te matigen.
23. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.