Home

Rechtbank Den Haag, 10-02-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5204, SGR 24/6585

Rechtbank Den Haag, 10-02-2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5204, SGR 24/6585

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10 februari 2026
Datum publicatie
24 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:RBDHA:2026:5204
Zaaknummer
SGR 24/6585
Relevante informatie
Art. 27e AWR, AWR, Art. 3 BPB, BPB

Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, stakingswinst bij inbreng onderneming in B.V., inbrengwaarde dierenartspraktijk. De rechtbank oordeelt dat voor de waardebepaling op het inbrengmoment moet worden aangehaakt bij het eerdere hogere bod van ruim € 3.000.000 van een private-equity-partij; daaruit blijkt dat de hoogstbiedende gegadigde bij verkoop onder de meest gunstige omstandigheden een prijs zou hebben betaald in de ordegrootte van dat bod. De door eiser aan de inbreng ten grondslag gelegde veel lagere ondernemingswaarde van zo’n € 500.000 - gebaseerd op de zogenoemde multiple methode - is veel te laag en niet verdedigbaar. Nu eiser bewust is uitgegaan van een veel te lage inbrengwaarde, is niet de vereiste aangifte gedaan en is sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast. Eiser doet niet blijken dat de inbrengwaarde lager is. De rechtbank vermindert de aanslag wel, omdat deze berust op een te hoge (onredelijke) schatting door verweerder van de inbrengwaarde. (Beroep gegrond.)

Uitspraak

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 24/6585

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2020 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd. Daarbij is bij afzonderlijke beschikking € 84.055 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2024 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting een pleitnota ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2025.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde en drs. [naam 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] , mr. [medewerker belastingdienst 2] , drs. [medewerker belastingdienst 3] , mr. [medewerker belastingdienst 3] en drs. [medewerker belastingdienst 5] .

De zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van de echtgenote (SGR 24/6584) en zoon (SGR 24/6583) van eiser.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser, zijn echtgenote [naam 2] en zijn zoon [naam 3] (hierna gezamenlijk: de maten) vormden van 1 januari 2015 tot 8 december 2020 een maatschap, genaamd [de maatschap] (de maatschap). In de maatschap exploiteerden zij een dierenartspraktijk in [plaats 1] en [plaats 2] . Eiser had een maatschapsaandeel van 40,5%, zijn zoon (de zoon) van 55% en zijn echtgenote (de echtgenote) van 4,5%.

2. De maten zijn begin 2020 benaderd door [bedrijfsnaam 1] B .V. ( [bedrijfsnaam 1] ), een groepsmaatschappij van [bedrijfsnaam 2] . [bedrijfsnaam 2] is een internationaal opererende private equity investeerder, die is ontstaan door de fusie van vier grote Zweedse dierenklinieken in het begin van de jaren 2000 en die vervolgens met het Engelse [bedrijfsnaam 3] is gefuseerd. [bedrijfsnaam 2] drijft meer dan 300 dierenklinieken en acht dierenziekenhuizen in elf landen in Europa.

3. Op 11 maart 2020 heeft [bedrijfsnaam 1] aan de maten een presentatie gegeven over haar organisatie en hoe een overnameproces verloopt. Daaropvolgend heeft overleg plaatsgevonden tussen de maten en [bedrijfsnaam 1] over eventuele overname van de dierenkliniek van de maten. Gedurende het overlegproces hebben de maten diverse stukken aan [bedrijfsnaam 1] verstrekt, waaronder:

- een door hen ondertekende geheimhoudingsverklaring;

- een door hen beantwoorde vragenlijst over de onderneming;

- de balansen van de maatschap over de jaren 2017 tot en met 2019;

- de verlies-en winstcijfers van de maatschap over de jaren 2016 tot en met 2020;

- maand- en jaaromzetcijfers van de maatschap.

4. [bedrijfsnaam 1] heeft de maten op 27 juli 2020 en indicatief aanbod gedaan voor overname van de dierenkliniek tegen een koopsom-ineens van € 3.000.000 en maximaal € 1.400.000 aan groeibetalingen. Blijkens de in de avond van die dag toegezonden concept-intentieverklaring (‘letter of intent’) was dit bod ingegeven door de omzet, personeelskosten en EBITDA van 2019, de voor 2020 verwachtte omzetgroei en de veronderstelling dat de personeelskosten niet harder zou groeien dan de omzet.

5. In de e-mail die eiser en zijn zoon op 28 juli 2020 mede namens de echtgenote aan [bedrijfsnaam 1] zonden, is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“Zoals besproken willen wij er geen koehandel van maken.

Zeker aangezien het nog de vraag is wij emotioneel gezien besluiten tot een dergelijke overname te gaan. (...)

Het is wat voorbarig om een intentieverklaring te tekenen. Het was immers allemaal vrijblijvend. Mocht het tot een aanbod komen die onze wensen haalt én staan we achter een dergelijke overname kunnen we uiteraard onze intenties vastleggen. (...)

Misschien is het toch verstandig om alvast wat punten vooraf op de mail te zetten tot waar jullie kunnen opschuiven en onze vragen beantwoorden. (...)”

6. [bedrijfsnaam 1] heeft vervolgens haar bod verhoogd. Op 5 augustus 2020 hebben de maten en [bedrijfsnaam 1] een letter of intent getekend waarin de koopsom voor de dierenkliniek is gesteld op een betaling-ineens van € 3.300.000 op de overnamedatum plus maximaal € 1.600.000 aan groeibetalingen.

7. Op 6 augustus 2020 heeft [bedrijfsnaam 1] een e-mail gestuurd aan de maten waarin zij aangaf dat de fase van due dilligence/boekenonderzoek inging en waarbij zij vragenlijsten aan de maten meezond.

8. Bij e-mail van 22 augustus 2020 lieten de maten aan [bedrijfsnaam 1] weten:

“Gaandeweg het invullen van de vragenlijsten en het inzinken van een mogelijke overname zijn wij toch tot de conclusie gekomen om voorlopig niet het ondernemerschap uit handen te geven.”

9. Op 8 december 2020:

- hebben eiser en zijn echtgenote samen [bedrijfsnaam 4] B.V. opgericht ( [bedrijfsnaam 4] ), waarbij 90% van de aandelen zijn geplaatst bij eiser en 10% bij zijn echtgenote;

- heeft de zoon [bedrijfsnaam 5] B.V. opgericht ( [bedrijfsnaam 5] );

- hebben [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] [bedrijfsnaam 6] B.V. opgericht ( [bedrijfsnaam 6] ), waarbij 45% van de aandelen zijn geplaatst bij [bedrijfsnaam 4] en 55% bij [bedrijfsnaam 5] .

Direct na de oprichting van genoemde vennootschappen hebben eiser en zijn echtgenote hun maatschapsaandeel (exclusief het onroerend goed) ruisend ingebracht in [bedrijfsnaam 4] en heeft de zoon zijn maatschapsaandeel (exclusief het onroerend goed) ruisend ingebracht in [bedrijfsnaam 5] . Aansluitend hebben [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] hun aandeel in de onderneming ingebracht in [bedrijfsnaam 6] .

10. Bij de inbreng van de maatschapsaandelen in [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] hebben de maten de waarde van de onderneming gesteld op € 545.051. Van dit bedrag vertegenwoordigt € 400.000 de door hen in aanmerking genomen goodwill en is € 145.051 het saldo van de overige activa en passiva.

De maten hebben de door hen op € 400.000 gestelde goodwillwaarde berekend conform de methode van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde. Bij deze methode wordt de goodwill van een dierenartspraktijk berekend door de overwinst met een bepaalde factor te vermenigvuldigen. Bij hun berekening hebben de maten/de inbrengers de overwinst gesteld op € 80.000 en vermenigvuldigd met een factor 5.

11. Op 10 juni 2021 heeft de belastingadviseur van de maten de aangiften IB/PVV 2020 van eiser en zijn echtgenote ingediend, en op 21 juni 2021 die van de zoon. In deze aangiften is per saldo als stakingswinst € 417.433 verantwoord, bestaande uit € 400.000 aan goodwill en € 17.433 aan overige stille reserves.

12. De maten hebben op enig moment [naam 4] ( [naam 4] ) als adviseur in de arm genomen. [naam 4] is als register bussiness valuator verbonden aan [accountantskantoor] . Bij e-mail van 12 mei 2021 heeft [naam 4] zich tot [bedrijfsnaam 1] gericht met de vraag om contact over [bedrijfsnaam 6] . Op 25 mei 2001 vond op diens kantoor een bespreking plaats tussen [bedrijfsnaam 1] enerzijds en eiser, de zoon en [naam 4] anderzijds.

13. Op 10 juni 2021 hebben [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] een intentieovereenkomst met [bedrijfsnaam 1] gesloten. In deze letter of intent is de voorlopige koopsom voor de dierenkliniek bepaald op een betaling-ineens van € 5.300.000, een bedrag aan ‘referred payment’ van € 200.000 en groeibetalingen van maximaal € 1.500.000. Daaropvolgend is een due diligence-onderzoek gestart.

14. Bij overeenkomst van 23 augustus 2021 (de share purchase agreement, SPA) hebben [bedrijfsnaam 4] en [bedrijfsnaam 5] alle aandelen in [bedrijfsnaam 6] verkocht aan [bedrijfsnaam 1] tegen een betaling-ineens van € 4.686.004,12 en maximaal € 1.700.000 aan groeibetalingen.

Blijkens artikel 4 van de SPA zijn de groeibetalingen uitsluitend afhankelijk van de toekomstige omzetten en personeelskosten, en komen zij geheel toe aan [bedrijfsnaam 5] . Onder het kopje ‘considerations’ is in de sales purchase agreement opgenomen dat de zoon als werknemer verbonden bleef aan [bedrijfsnaam 6] .

15. Met dagtekening van 10 juni 2023 heeft verweerder aan de echtgenote de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 opgelegd, conform de door haar ingediende aangifte.

16. Bij brieven van 13 juli 2023 heeft verweerder aan eiser en de zoon vragen gesteld over hun aangiften IB/PVV voor het jaar 2020, onder andere met betrekking tot de inbreng van de onderneming en de daarbij in aanmerking genomen goodwill.

Na verdere correspondentie heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de goodwillwaarde van de onderneming ten tijde van de inbreng op € 4.686.004 moet worden gesteld.

Met dagtekening van 1 december 2023 heeft verweerder overeenkomstig dat standpunt aan eiser en de zoon de aanslagen IB/PVV voor het jaar 2020 opgelegd. Eiser en de zoon zijn daartegen bij brieven van 5 januari 2024 in bezwaar gekomen.

Met dagtekening van 10 april 2024 heeft verweerder van de echtgenote inkomstenbelasting nagevorderd over haar aandeel in het verschil tussen de door hem op € 4.686.004 gestelde goodwillwaarde en de bij de aangifte gehanteerde waarde van € 400.000. Tegen die navorderingsaanslag is door de echtgenote bezwaar aangetekend bij brief van 11 april 2024.

17. Hangende de bezwaarprocedures heeft het kantoor waaraan ook [naam 4] verbonden is in opdracht van [bedrijfsnaam 6] een waardering uitgevoerd van de dierenkliniek per 30 september 2020. Daarbij is aan de hand van de DCF-methode de totale ondernemingswaarde gewaardeerd op € 818.000, waarvan € 618.000 goodwill.

18. In antwoord op vragen van verweerder over de in de aangifte verwerkte inbrengwaarde van de dierenkliniek, is hierover in de brief van 8 maart 2024 van de accountant van de maten aan de inspecteur de volgende toelichting verstrekt:

“In de eerdere correspondentie is de waarderingsmethode van de KNMvD genoemd. Deze methode is destijds wel geraadpleegd. Omdat deze methode volledig uitgaat van de historische resultaten, deed deze berekening geen recht aan de situatie van deze onderneming. De onderneming was immers uitgebreid van 1 naar 2 praktijklocaties. Bovendien zijn in 2018 - incidenteel - slechtere cijfers gerealiseerd. lk verwijs u naar de bijlage waaruit blijkt dat deze berekening tot een negatieve goodwill leidt, hetgeen geen recht doet aan deze situatie (bijlage KNMvD berekening). Dat is de reden dat er voor de bepaling van de goodwill bij inbreng een berekening is opgesteld die is gebaseerd op de zogenoemde "Mobach methode". In deze berekening is uitgegaan van een te verwachten jaarlijkse winst van € 250.000, indien de exploitatie werd voortgezet in de vorm van een maatschap. Dit bedrag is gezien de historische cijfers aan de hoge kant, en was dus gebaseerd op een zeer gunstige ontwikkeling van de resultaten. Vervolgens zijn op dit winstbedrag gebruikelijke normalisaties doorgevoerd om tot de overwinst te komen, welke € 80.000 per jaar bedraagt. Dit bedrag is met een factor 5 vermenigvuldigd, omdat hier sprake was van een praktijk met groeipotentie. Dit heeft geleid tot de uitkomst van € 400.000 als goodwill.”

19. Bij uitspraak van 19 juni 2024 heeft verweerder de bezwaren van eiser en zijn echtgenote en zoon onder handhaving van de (navorderings)aanslagen afgewezen.

Geschil

20. In geschil is of de aanslag IB/PVV 2020 tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of verweerder terecht de goodwillwaarde per 8 december 2020 op € 4.686.004,12 heeft gesteld en een dienovereenkomstige stakingswinst in aanmerking heeft genomen. Tevens in geschil of de vereiste aangifte is gedaan en zo ja, of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard. Voorts is de (hoogte van de) belastingrente in geschil.

21. Eiser stelt zich primair op het standpunt dat de goodwillwaarde ten tijde van de inbreng op € 400.000 moet worden gesteld. Subsidiair bepleit hij een goodwillwaarde van € 618.000, meer subsidiair van € 2.970.000 en nog meer subsidiair van € 3.300.000. Volgens eiser is omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde. Voorts stelt hij dat de belastingrente ten onrechte dan wel tot een te hoog bedrag is berekend.

22. Verweerder betwist dat hij de goodwill tot een te hoog bedrag in aanmerking heeft genomen. Tevens stelt verweerder dat de vereiste aangifte niet is gedaan met als gevolg dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, en dat de belastingrente terecht en tot het juiste bedrag is berekend.

Beoordeling van het geschil

Goodwillwaarde – koopprijs

23. Verweerder heeft de waarde van de ingebrachte maatschapsaandelen gesteld op de vaste component van de prijs die in augustus 2021 met [bedrijfsnaam 1] is overeengekomen in de SPA voor de aandelen in [bedrijfsnaam 6] , van € 4.686.004,12 (zie onder 14).

24. Verweerder heeft bij de bepaling van de stakingswinst niet in aanmerking genomen dat deze koopprijs naast goodwill ook de waarde van de overige activa en passiva van de onderneming omvat. Ter zitting daarop gewezen heeft verweerder ermee ingestemd dat de waarde van het overig actief en passief, in overeenstemming met eisers aangifte, moet worden gesteld op € 145.051, waarvan € 17.433 aan stille reserves.

25. Verweerder beroept zich op interne compensatie. Daartoe heeft hij naar voren gebracht bij nader inzien van mening te zijn dat de geschatte contante waarde van de groeibetalingen tot de door [bedrijfsnaam 1] betaalde koopprijs moet worden gerekend. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De groeibetalingen zijn, vanaf het eerste bod van [bedrijfsnaam 1] van 27 juli 2020 (zie onder 4), uitsluitend gerelateerd aan de verwachte omzetgroei en beheersing van de personeelslasten. Krachtens de SPA komen zij geheel toe aan [bedrijfsnaam 5] , de houdstervennootschap van de zoon, terwijl blijkens de considerans van de SPA de zoon als werknemer aan de onderneming van [bedrijfsnaam 6] verbonden bleef. De rechtbank leidt daaruit af dat de groeibetalingen niet een onderdeel zijn van de koopprijs voor de aandelen [bedrijfsnaam 6] , als zodanig, maar een variabele beloning vormen voor de toekomstige bijdrage van de zoon aan de groei van de winstgevendheid van de onderneming. De rechtbank acht daarom niet aannemelijk dat de groeibetalingen onderdeel vormen van de kooprijs voor de aandelen [bedrijfsnaam 6] . Voorts zou de uitleg van verweerder ertoe leiden dat er voor gelijke en inwisselbare aandelen uiteenlopende prijzen zouden zijn betaald, wat een anomalie is en eraan in de weg staat de groeibetalingen als deel van de koopsom in aanmerking te nemen.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat de koopprijs die [bedrijfsnaam 1] voor de aandelen [bedrijfsnaam 6] heeft betaald dan ook uit het bedrag van € 4.686.004,12.

Vereiste aangifte – omkering en verzwaring van de bewijslast

26. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de AWR) bepaalt dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard als, onder andere, de vereiste aangifte niet is gedaan. Daarvan is sprake als de aangifte gebreken bevat die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting zowel absoluut als verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Of daarvan sprake is, moet aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast worden vastgesteld. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige zich daarvan ten tijde van het doen van aangifte bewust was dan wel redelijkerwijs bewust had moeten zijn.1 De bewijslast van het een en het ander rust op de inspecteur.

27. Eiser heeft aan de door hem op 10 juni 2021 ingediende aangifte een ondernemingswaarde per 8 december 2020 ten grondslag gelegd van € 545.051. Hij betoogt dat bij de bepaling van de waarde van de onderneming per die datum voorbij kon worden gegaan aan de biedingen van [bedrijfsnaam 1] , om de reden dat de maten op die datum niet het voornemen hadden de onderneming aan een derde te vervreemden.

Verweerder acht die argumentatie niet alleen onjuist, maar ook onverdedigbaar. Aan het grote verschil tussen de aan de inbreng voorafgaande indicatieve biedingen van [bedrijfsnaam 1] en de door eiser verantwoorde waarde verbindt hij dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, in de zin van artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), en dat daarom de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard.

De rechtbank volgt verweerder hierin, en overweegt daartoe als volgt.

28. Bij een ‘ruisende’ inbreng van een onderneming in een besloten vennootschap tegen uitreiking van aandelen, zoals in casu, moet voor de bepaling van de stakingswinst de waarde van de onderneming worden vastgesteld. Daarbij gaat het om de objectieve waarde, dat wil zeggen de waarde in het economisch verkeer. Dat begrip wordt in vaste rechtspraak omschreven als de prijs die bij aanbieding ten verkoop onder de meest gunstige omstandigheden en na de beste voorbereiding door de hoogst biedende zou worden betaald.

Uit het indicatieve bod dat [bedrijfsnaam 1] na kennisneming van de meest relevante gegevens omtrent de onderneming op 5 augustus 2020 had gedaan (zie onder 6), moet worden afgeleid dat de hoogstbiedende gegadigde bij verkoop onder de meest gunstige omstandigheden een prijs zou hebben betaald in de ordegrootte van dat bod. Aangezien niet in geschil is dat [bedrijfsnaam 1] potentiële koper en onafhankelijke derde was, zal de waarde in het economisch verkeer per 8 december 2020 daarmee niet, in ieder geval niet veel lager zijn geweest dan het bod van 5 augustus 2020 van € 3.300.000.

29. Met verweerder acht de rechtbank de door eiser aan de inbreng ten grondslag gelegde ondernemingswaarde van € 545.051 niet verdedigbaar. Door een bedrag aan veronderstelde jaarwinst te vermenigvuldigen met een kapitalisatiefactor – de zogenoemde multiple methode –, wordt ten onrechte geen rekening gehouden met de groeipotentie die [bedrijfsnaam 1] blijkens haar indicatieve bod aanwezig achtte. Als argument om dat bod bij de bepaling van de ondernemingswaarde buiten beschouwing te laten, kan niet dienen dat de maten ten tijde van de inbreng niet voornemens waren de onderneming aan een derde te vervreemden. De stakingswinst bij inbreng in een besloten vennootschap moet immers worden bepaald aan de hand van de objectieve ondernemingswaarde, zodat de bedoeling van de inbrengers om de onderneming vooralsnog niet aan een derde uit handen te geven niet van betekenis is. Evenmin kan als argument dienen dat, zoals door eiser betoogd, de prijs die private-equity-partijen bereid zijn te betalen (door hem de “PE-waarde” genoemd) niet overeenkomt met de in de branche als ‘normaal’ ervaren waarde. Ook dat argument miskent dat het nu juist gaat om de prijs die de hoogstbiedende gegadigde voor de onderneming zou betalen, die in voorkomend geval een private-equity-partij zal zijn.

30. De rechtbank verwerpt in dit verband ook het door eiser in de sleutel van een beroep op het gelijkheidsbeginsel naar voren gebrachte betoog dat “dagelijks ... schenkingen, ruisende inbrengen of toe- en uittredingen plaats[vinden] in branches waar ook private-equity aanwezig is”, terwijl “bij geen van deze gevallen ... de PE-waarde als uitgangspunt [wordt] genomen.” Eiser heeft dit betoog niet onderbouwd met enig concreet voorbeeld en/of bewijs, noch anderszins beargumenteerd dat de Belastingdienst de PE-waarde bij de bepaling van de waarde in het economisch verkeer in weerwil van vaste rechtspraak buiten aanmerking zou plegen te laten.

31. Aangezien eiser aan de in zijn aangifte verantwoorde stakingswinst een ondernemingswaarde van € 545.051 ten grondslag heeft gelegd, terwijl uit het bod van [bedrijfsnaam 1] blijkt dat de waarde in het economisch verkeer op 8 december 2020 in ieder geval niet veel lager was dan € 3.300.000, is aannemelijk dat de op grond van zijn aangifte verschuldigde belasting zowel in absoluut als relatief opzicht aanzienlijk te laag is ten opzichte van de werkelijk verschuldigde belasting. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser zich daarvan redelijkerwijs bewust moeten zijn geweest, in die zin dat hij had behoren te weten dat door bij het bepalen van de inbrengwaarde voorbij te gaan aan objectieve marktgegevens, te weten de biedingen van [bedrijfsnaam 1] , een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.

32. Uit het voorgaande volgt dat eiser voor het jaar 2020 niet de vereiste aangifte heeft gedaan, in de zin van artikel 27e, eerste lid, van de AWR. Dat betekent dat het aan eiser is om te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar niet juist is. Met hetgeen hij heeft gesteld en aangevoerd is hij daarin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd.

Redelijke schatting

33. De omkering en verzwaring van de bewijslast laat onverlet dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting.

34. Verweerder heeft de stakingswinst bepaald door de waarde van de onderneming per de inbrengdatum van 8 december 2020 te stellen op de in augustus 2021 voor de aandelen [bedrijfsnaam 6] overeengekomen prijs.

Volgens eiser is verweerder daarbij ten onrechte eraan voorbijgegaan dat – zoals door hem onweersproken naar voren is gebracht – begin 2021 bekend werd dat een nabijgelegen dierenartspraktijk per 1 juli 2021 zou stoppen, dat dit niet was voorzien en dat het wegvallen van die praktijk een significante invloed heeft gehad op de omzetprognoses.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

35. Het laatste indicatieve bod dat [bedrijfsnaam 1] voor het afbreken van de onderhandelingen in 2020 had gedaan, vier maanden voor de inbrengdatum, bedroeg € 3.300.000 (zie onder 6). Daarop volgde, vijf maanden na de inbreng, een bod van € 5.300.000, dat weer twee maanden later (na due diligence) is uitgemond in de definitieve koopprijs van € 4.686.004,12. Uit de stukken van het geding leidt de rechtbank af dat de waarde die [bedrijfsnaam 1] aan de onderneming toekende vooral is bepaald door haar verwachtingen omtrent toekomstige omzetten. Daarmee is aannemelijk dat de hogere bieding na de inbrengdatum in ieder geval deels is terug te voeren op een stijging van de omzetverwachting ten gevolge van het wegvallen van een concurrent in de nabijheid van de dierenkliniek. De rechtbank acht niet redelijk die gebeurtenis bij de schatting van de waarde van de onderneming per de inbrengdatum buiten aanmerking te laten. Naar haar oordeel is in het kader van de schatting redelijk om de helft van het verschil tussen het indicatieve bod van 2020 en de uiteindelijke koopprijs aan te merken als waardevermeerdering van de onderneming ten gevolge van het wegvallen van de concurrent. Aldus komt de rechtbank tot een schatting van de ondernemingswaarde per de inbrengdatum van – afgerond – € 4.000.000.

36. Gelet op het voorgaande berust de aanslag op een te hoge schatting door verweerder van de inbrengwaarde en moet het beroep gegrond worden verklaard. Een waarde van € 4.000.000 per de datum van inbreng, verminderd met de boekwaarde van € 127.618, resulteert in een bij eiser in aanmerking te nemen stakingswinst van 40,5% van dat bedrag, ofwel € 1.568.315. Na toepassing van de mkb-winstvrijstelling van € 196.884 bedraagt de (stakings)winstcorrectie dan uiteindelijk € 1.209.431, wat leidt tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.272.798.

Belastingrente

37. Namens eiser is ter zitting, onder verwijzing naar de lopende procedures daarover bij de Hoge Raad, gesteld dat de belastingrente ten onrechte is berekend. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad in deze kwestie op 16 januari 2026 arrest heeft gewezen en daarbij met betrekking tot het algemene tarief voor de belastingrente – wat ook in de onderhavige zaak aan de orde is – heeft geoordeeld dat de aldus berekende belastingrente niet leidt tot een inbreuk op het evenredigheidsbeginsel2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft dat oordeel ook in deze zaak te gelden. Dit betekent dat het beroep van eiser op het evenredigheidsbeginsel faalt.

38. Dat de belastingrente overigens ten onrechte of in strijd met enige wettelijke bepaling is berekend, is gesteld noch gebleken. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.

Proceskosten

39. Aangezien het beroep van eiser gegrond is, bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Daarbij merkt de rechtbank de onderhavige zaak aan als samenhangend, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit), met de zaken van de zoon (SGR 24/6583) en de echtgenote (SGR 24/6584).

40. Gesteld noch gebleken is dat eiser in de bezwaarfase aanspraak heeft gemaakt op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand. Voor vergoeding van die kosten bestaat dan ook geen aanleiding. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom enkel in de door eiser voor beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934, een wegingsfactor 1 en een factor 1 wegens samenhang). De rechtbank kent in de onderhavige zaak een derde van deze vergoeding, derhalve € 622,67, toe aan eiser.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2020 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 1.272.798;

- vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 622,67;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. R.C.H.M. Lips en

mr. P.E. Halprin, leden, in aanwezigheid van mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel