Home

Rechtbank Gelderland, 20-03-2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:1820, AWB-12_6286

Rechtbank Gelderland, 20-03-2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:1820, AWB-12_6286

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20 maart 2014
Datum publicatie
20 maart 2014
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2014:1820
Formele relaties
Zaaknummer
AWB-12_6286

Inhoudsindicatie

Rechtbank Gelderland is van oordeel dat het in 2007 door eiseres geleverde perceel grond waarop appartementsrechten zijn gevestigd een bouwterrein is en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan slagen. De naheffingsaanslag omzetbelasting is terecht opgelegd. Ook de over het jaar 2009 aan eiseres opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting is terecht opgelegd omdat sprake is van een zogenoemde interne levering.

Uitspraak

Team belastingrecht

Zittingsplaats Arnhem

registratienummers: AWB 12/6286 en 12/6365

uitspraak van de meervoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

van 20 maart 2014

inzake

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

tegen

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Amersfoort, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft aan eiseres over het jaar 2007 met dagtekening 28 december 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].F.01.7501) omzetbelasting opgelegd van € 153.240. Tevens is bij beschikking

€ 21.064 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 7 december 2012 de naheffingsaanslag verminderd tot € 128.971 en de heffingsrente verminderd tot € 17.728.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 13 december 2012, ontvangen door de rechtbank op 14 december 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft aan eiseres over het jaar 2009 met dagtekening 28 december 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000].F.01.9502) omzetbelasting opgelegd van € 21.416. Hierbij is tevens € 1.107 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 december 2012 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 19 december 2012, ontvangen door de rechtbank op 20 december 2012, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2014 te Arnhem. Namens eiseres is daar verschenen [A], bijgestaan door de gemachtigden van eiseres, drs. [gemachtigde] en mr. [B], beiden werkzaam bij [C] te [Q]. Namens verweerder zijn verschenen

mr. [gemachtigde] en mr. [D].

Partijen hebben ter zitting pleitnota’s voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

2 Feiten

2.1

Eiseres houdt zich bezig met het ontwikkelen en beheren van onroerende zaken.

2.2

Eiseres heeft van [E] B.V. (hierna: [E] BV) een perceel grond met opstallen gekocht op de hoek [A-straat 1] te [R] met het oogmerk om daarop, na verkrijging van een onherroepelijke bouwvergunning, door [F] B.V. (hierna: [F] BV) een appartementencomplex te laten bouwen. Eind 2004 zijn de opstallen op verzoek van de gemeente Nunspeet gesloopt.

2.3

Op 1 maart 2006 heeft [F] BV een aanvraag om een reguliere bouwvergunning ingediend voor het bouwen van een winkel met zorgappartementen op voornoemd perceel.

2.4

In de brief van (de gemachtigde van) eiseres van 7 juli 2006 aan verweerder is onder meer het volgende opgenomen:

“Door cliënt is een perceel grond met opstallen aangekocht (…).De levering van genoemd perceel zou in eerste instantie plaats vinden na het onherroepelijk worden van de af te geven bouwvergunning. Inmiddels zijn partijen in gesprek om bedoelde levering eerder te laten plaatsvinden.

De vraag is wat de fiscale gevolgen zijn voor de overdrachtsbelasting. Eind 2004 zijn namelijk de opstallen op verzoek van de gemeente Nunspeet gesloopt. Dit in verband met eventueel risico van brandstichting enz. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 7 maart 2003, BNB 2003/193, is er naar mijn mening nog steeds sprake van “oud onroerend goed”, zodat een eventuele levering met overdrachtsbelasting en zonder omzetbelasting dient plaats te vinden.

De reden dat ik u deze brief schrijf is omdat ik kennis genomen heb van de uitspraak van Hof ’s-Hertogenbosch van 29 maart 2006, 04/01884, waarin onder omstandigheden na sloop toch sprake is van bouwterrein. In genoemde uitspraak was er echter naar mijn mening gesloopt met het oog op de bebouwing.

Ik verzoek u dan ook te bevestigen dat zolang er voor het bedoelde perceel geen onherroepelijk bouwvergunning is afgegeven en er overigens ook bouwactiviteiten zijn gepleegd er bestaande onroerende zaken worden geleverd zodat de vrijstelling van artikel 11 eerste lid onder a van de Wet Omzetbelasting 1968 van toepassing is.”

2.5

Op 12 oktober 2006 hebben Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nunspeet de reguliere bouwvergunning verleend.

2.6

In de brief van (de gemachtigde van) eiseres van 12 maart 2007 aan [G] (hierna: [G]), werkzaam bij verweerder, is onder meer het volgende opgenomen:

“Met dit schrijven kom ik terug op onze brief van 7 juli jl. alsmede ons telefonisch overleg van enkele weken geleden.

Inmiddels ontving ik bijgaande brief van de gemeente Nunspeet, waarin zij bevestigen dat de sloop op verzoek van de gemeente heeft plaatsgevonden.

Het is de bedoeling dat de levering deze week of volgende week gaat plaatsvinden. Kunt u mij bevestigen dat nu er nog geen sprake is van een onherroepelijke bouwvergunning en de sloop om veiligheidsredenen heeft plaatsgevonden levering in de overdrachtsbelasting kan plaatsvinden?”

De bouwvergunning is niet meegezonden.

2.7

Namens verweerder heeft [G] bij brief van 13 maart 2007 als volgt gereageerd:

“Op basis van de door u verstrekte gegevens ben ik van mening dat de levering van de onroerende zaak (…) onder de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet OB) valt.

Er is nog géén sprake van een bouwterrein omdat:

-

Op het moment van levering er nog géén bouwvergunning is verleend;

-

Uit de brief van de Gemeente Nunspeet van 12 februari 2007 (…) naar voren komt dat de sloop is gebeurd uit oogpunt van veiligheid.

-

Er ook géén activiteiten zijn verricht zoals omschreven in artikel 11, vierde lid van de Wet OB.

-

Er ook nog géén economische levering heeft plaatsgevonden.”

2.8

Bij akte van levering van 14 augustus 2007 heeft de levering van het door eiseres van [E] BV gekochte perceel grond plaatsgevonden voor een koopprijs van € 1.200.000, exclusief belastingen. Ter zake van deze verkrijging is € 72.000 overdrachtsbelasting op aangifte voldaan. Onder het kopje ‘BEDINGEN’ is in artikel 1 over de kosten en belastingen het volgende opgenomen:

“ (…)

  1. Alle kosten van de overdracht, waaronder begrepen de overdrachtsbelasting en het kadastraal recht, zijn voor rekening van koper.

  2. Wegens de verkoop en de levering van het verkochte is géén omzetbelasting verschuldigd een en ander is namens koper met de belastingdienst afgestemd waarvan blijkt uit de aan deze akte gehechte kopieën van brieven van de belastingadviseur van koper de dato twaalf maart en vijftien maart tweeduizend zeven en een brief van de belastingdienst de dato dertien maart tweeduizend zeven (…).”

2.9

Vervolgens is, eveneens op 14 augustus 2007, de akte gepasseerd waarbij voornoemd perceel is gesplitst in appartementsrechten.

2.10

Aansluitend is de akte van levering gepasseerd waarbij eiseres het appartementsrecht, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van 18 woonruimten op de eerste en tweede verdieping en dakterrassen en daktuin op de derde verdieping, heeft geleverd aan de [H] (hierna: [H]). De koopsom bedraagt € 800.000. In de akte is vermeld dat wegens de verkoop en levering geen omzetbelasting is verschuldigd.

2.11

Na deze levering heeft [F] BV in opdracht van eiseres op de begane grond drie winkelruimtes en een aantal parkeerplaatsen gerealiseerd. Eén van de winkelruimtes is met ingang van 1 november 2008 voor het eerst verhuurd, de andere twee winkelruimtes zijn met ingang van maart 2009 voor het eerst verhuurd. Twee winkelruimtes zijn belast verhuurd, één aan “[I]” en één aan een vennootschap die daarin een Italiaans restaurant exploiteert. Eén winkelruimte (hierna: winkelruimte 3) is – met ingang van maart 2009 - vrijgesteld verhuurd aan “[J]”.

2.12

In opdracht van [H] heeft [F] BV boven deze winkelruimtes zorgappartementen gerealiseerd.

2.13

Ter zake van de levering van het appartementsrecht aan [H] heeft verweerder de in het geding zijnde naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2007 opgelegd. Dit omdat volgens verweerder ten tijde van deze levering sprake is van een bouwterrein, zodat geen overdrachtsbelasting maar omzetbelasting is verschuldigd.

2.14

De in het geding zijnde naheffingsaanslag omzetbelasting over het jaar 2009 is opgelegd omdat verweerder zich op het standpunt stelt dat de vrijgestelde verhuur van winkelruimte 3 heeft geleid tot een zogenoemde interne levering. Verweerder heeft de ter zake van deze interne levering verschuldigde omzetbelasting als volgt berekend: € 400.000 (aankoopprijs grond) x 19% x 28,18% (aan winkelruimte 3 toe te rekenen grondaandeel) = € 21.416. Partijen hebben op 13 oktober 2011 in een vaststellingsovereenkomst neergelegd dat eiseres zich bij het aanwenden van rechtsmiddelen niet zal beroepen op het feit dat de naheffingsaanslag aan de verkeerde ondernemer is opgelegd.

3 Geschil

3.1

Ten aanzien van de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2007 is in geschil:

  1. of sprake is van de levering van een bouwterrein als bedoeld in artikel 11, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB); en zo ja,

  2. of eiseres aan de brief van 13 maart 2007 het in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen dat ten tijde van de levering geen sprake is van een bouwterrein.

3.2

Ten aanzien van de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2009 is in geschil of er voor wat betreft winkelruimte 3 sprake is van een zogenoemde interne levering als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, van de Wet OB. Tevens is het bedrag van de vergoeding als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de Wet OB in geschil. Indien geen sprake is van een interne levering is in geschil of, en zo ja tot welk bedrag, omzetbelasting moet worden herzien.

4 Beoordeling van het geschil

5 Proceskosten

6 Beslissing