Home

Rechtbank Gelderland, 14-07-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3681, AWB - 16 _ 1417

Rechtbank Gelderland, 14-07-2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:3681, AWB - 16 _ 1417

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14 juli 2017
Datum publicatie
17 juli 2017
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2017:3681
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1417

Inhoudsindicatie

Erfbelasting. Art. 16, lid 2, aanhef en letter c, van de AWR. Navordering ter zake van aanslag waarin is uitgegaan van onjuiste tariefgroep in dit geval niet mogelijk. Niet aannemelijk geworden dat sprake is van een fout in de zin van art. 16, lid 2, aanhef en letter c, van de AWR

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/1417

in de zaak tussen

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een navorderingsaanslag erfbelasting (aanslagnummer [000] ) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 februari 2016 de navorderingsaanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 19 februari 2016, ontvangen door de rechtbank op 22 februari 2016, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2017.

Namens eiser zijn verschenen zijn gemachtigde en mr. [B] . Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] .

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Op [2012 1] is de broer van eiser, de heer [A] (hierna: erflater), overleden. Erflater was ten tijde van zijn overlijden ongehuwd.

2. Uit de verklaring van erfrecht van [2012 2] blijkt dat erflater als erfgenamen heeft achtergelaten zijn moeder, zijn twee broers en zijn zus. Erflaters moeder heeft de nalatenschap verworpen, zodat zijn beide broers en zus erfgenaam zijn, ieder voor gelijke delen (hierna: de erfgenamen).

3. De erfgenamen hebben op 5 februari 2013 in één geschrift aangifte gedaan voor de erfbelasting. Het aangegeven saldo van de nalatenschap bedroeg € 1.658.674, zodat de verkrijging per erfgenaam € 552.891 bedroeg.

4. Bij brief van 26 maart 2013 heeft verweerder medegedeeld dat hij de aanslagen erfbelasting zal opleggen zonder rekening te houden met een schuld van € 313.429 wegens buiten invordering gebleven belasting (recht van successie voortvloeiende uit de nalatenschap van de heer [C] ) als gevolg van de werking van de Natuurschoonwet. Het gecorrigeerde saldo van de nalatenschap bedroeg als gevolg daarvan € 1.972.103. De verkrijging per erfgenaam bedroeg aldus € 657.367.

5. Met dagtekening 2 juli 2013 zijn aanslagen erfbelasting opgelegd aan de erfgenamen, berekend naar het tarief dat geldt voor afstammelingen in de eerste graad en de daarbij behorende vrijstelling, zodat per erfgenaam een aanslag van € 116.079 is opgelegd en € 1.755 heffingsrente in rekening is gebracht.

6. Op 21 april 2015 wordt verweerder ermee bekend dat bij de oplegging van de aanslagen een onjuist tarief en vrijstelling zijn gehanteerd.

7. Met dagtekening 9 juni 2015 is aan eiser de navorderingsaanslag opgelegd naar een verkrijging van € 657.367 en een te betalen bedrag aan erfbelasting van € 250.570.

8. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag erfbelasting. Verweerder heeft het bezwaar van eiser afgewezen.

Geschil

9. In geschil is het antwoord op de vraag of verweerder de navorderingsaanslag erfbelasting aan eiser heeft kunnen opleggen.

Beoordeling van het geschil

10. Artikel 16, tweede lid, aanhef en letter c, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) luidt (per 1 januari 2010) als volgt:

“2. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat:

(…)

c. ten gevolge van een fout een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, hetgeen de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.”

11. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder bij het opleggen van de aanslag erfbelasting een beoordelingsfout heeft gemaakt en dat een dergelijke fout niet met toepassing van artikel 16, tweede lid, letter c, van de AWR kan worden hersteld.

12. Verweerder is van mening dat hij een fout heeft gemaakt als bedoeld in artikel 16, tweede lid, letter c, van de AWR, zodat de navorderingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Dat er sprake is van een fout in de zin van een schrijf-, reken-, overname- of intoetsfout (hierna: schrijf- of tikfout) valt volgens verweerder af leiden uit de omstandigheid dat hij aanslagen heeft willen opleggen waarbij de aangifte, op het punt van de aangebrachte correctie na, gevolgd zou worden. Wanneer hij een andere tariefgroep zou hebben willen hanteren, zou hij daar in de brief van 26 maart 2013 melding van hebben gemaakt. In het geautomatiseerde systeem waarmee de aanslagen geregeld worden heeft verweerder, in plaats van de code die hoort bij verre verwanten, die voor kinderen ingevoerd. Hiermee is sprake van een fout als bedoeld in artikel 16, tweede lid, letter c, van de AWR, aldus verweerder. Ter zitting heeft verweerder erkend dat indien sprake is van een beoordelingsfout niet wordt toegekomen aan de vraag of de fout redelijkerwijs kenbaar was en dat navordering op grond van artikel 16, tweede lid, letter c, van de AWR niet mogelijk is.

13. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het op de weg van verweerder om bewijs te leveren voor zijn stelling dat er sprake is van een fout als bedoeld in artikel 16, tweede lid, letter c, van de AWR (zie Hoge Raad 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8877). Terecht is niet in geschil dat herstel door middel van navordering niet mogelijk is als de aanslag te laag is vastgesteld door een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten of in het recht, ook niet indien dit voor de belastingplichtige kenbaar was (zie ook Hoge Raad 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1529). De wetswijziging per 1 januari 2010 heeft hierin geen wijziging gebracht.

14. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd de verwerking van de onderhavige aangifte erfbelasting door de Belastingdienst toegelicht. Bij binnenkomst is de op papier ingediende aangifte door een medewerker van de Belastingdienst ingevoerd in het computersysteem van de Belastingdienst. Deze medewerker heeft ook de tariefgroep ingevoerd door middel van een cijfercode. Na voltooiing van de invoer staat de aangifte digitaal gereed voor beoordeling. Beoordeling van deze gedigitaliseerde aangifte is door een andere medewerker van de Belastingdienst gedaan en heeft ertoe geleid dat laatstbedoelde medewerker bij brief van 26 maart 2013 aan eiser heeft medegedeeld dat de Belastingdienst bij het opleggen van de aanslag erfbelasting geen rekening zal houden met een schuld van € 313.429 wegens buiten invordering gebleven belastingbedragen als gevolg van de werking van de Natuurschoonwet. Bij het beoordelen van de aangifte is de tariefgroepindeling zichtbaar.

15. Met hetgeen verweerder in de gedingstukken en ter zitting heeft verklaard is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er sprake is van een zogenoemde schrijf- of tikfout waarop artikel 16, tweede lid, letter c, van de AWR (mede) ziet. Zo is in de aangifte geen keuze gemaakt voor een tariefgroep. Uit de aangifte blijkt slechts in welke (familie-)verhouding erflater en erfgenamen tot elkaar staan. De keuze voor een tariefgroep, middels toekenning van een cijfercode, is gemaakt door de medewerker bij invoer van de aangifte in het computersysteem van de Belastingdienst. De stelling van verweerder, dat sprake is van een schrijf- of tikfout omdat hij ten aanzien van de tariefgroep de aangifte heeft willen volgen en dat indien hij op dit punt had willen afwijken van de aangifte hij dit in de brief van 26 maart 2013 had vermeld, wordt in het licht van deze gang van zaken verworpen. Immers, de medewerker van de Belastingdienst heeft zelf bij de invoer de keuze voor de tariefgroep gemaakt. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet inzichtelijk geworden of deze medewerker een schrijf- of tikfout heeft gemaakt, dan wel dat sprake is van een onjuist inzicht in de feiten en/of het recht.

16. Anders dan verweerder is de rechtbank voorts van oordeel dat de omstandigheid dat de aangifte vervolgens door een andere medewerker is beoordeeld en alleen is gecorrigeerd ten aanzien van een opgenomen belastingschuld evenmin uitsluitsel geeft over de kwalificatie van de fout. Dit klemt te meer nu de heer [gemachtigde] bij een vraag over de aangifte inkomstenbelasting die een collega in behandeling had bijna twee jaar na het opleggen van de aanslag terstond constateerde dat de onjuiste tariefgroep was gehanteerd. De gehanteerde tariefgroep was kennelijk een in het oog springend element van de gedigitaliseerde aangifte. Dat de medewerker die ten tijde van de aanslagregeling die aangifte beoordeelde geen aanleiding heeft gezien op dit punt een correctie aan te brengen, zou dan evenzeer verklaard kunnen worden door een onjuist inzicht bij die medewerker in de feiten en/of het recht.

17. Gelet op het voorgaande heeft verweerder niet het vereiste bewijs geleverd voor zijn stelling dat er sprake is van een fout als bedoeld in artikel 16, tweede lid, letter c, van de AWR. Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard.

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.482 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het telefonisch horen met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Daarbij gaat de rechtbank uit van samenhang tussen de zaken van de erfgenamen en zal in elk van de zaken een derde gedeelte van € 1.482 toekennen. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 494;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, voorzitter, mr.drs. M.J.C. Pieterse en mr.drs. V.F.R. Woeltjes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. Bij afwezigheid van de voorzitter is deze uitspraak mede ondertekend door de oudste rechter.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 juli 2017

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.