Home

Rechtbank Gelderland, 12-06-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2577, AWB - 16 _ 6715

Rechtbank Gelderland, 12-06-2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:2577, AWB - 16 _ 6715

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12 juni 2018
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2018:2577
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6715

Inhoudsindicatie

Schenking van aandelen die een aanmerkelijk belang vormen; begrip ‘tegenprestatie’ in artikel 4.17c lid 2 Wet IB 2001.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/6715

in de zaak tussen

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.16) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 363.033, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 5.309.986 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 32.191. Tevens is bij beschikking € 44.287 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 oktober 2016 de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 263.759, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 5.301.886 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.287, en de beschikking heffingsrente verminderd tot € 42.276.

Eiser heeft daartegen bij brief van 8 november 2016, ontvangen door de rechtbank op 9 november 2016, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote en de gemachtigden [gemachtigde] en [A] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [B] en [C] .

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is bestuurder van [D] B.V. (hierna: de Holding). Alle aandelen van de Holding worden gehouden door de Stichting [E] . Het gaat om 99 aandelen A en 81 aandelen B. Eiser bezit op 1 januari 2011 alle certificaten van de aandelen A (hierna: certificaten A) en van de aandelen B (hierna: certificaten B) en daarmee een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 4.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

2. De waarde in het economisch verkeer van de aandelen per 31 december 2010 is in overleg met de Belastingdienst vastgesteld op € 77.500.000. De certificaten B vertegenwoordigen 45% van de totale waarde van de Holding, oftewel € 34.875.000. De verkrijgingsprijs van de certificaten B bedraagt € 8.100.

3. De Holding drijft via haar 100% deelneming [F] B.V. (hierna: [F] ) een onderneming. Eisers zoon [G] (hierna: zoon A) is sinds 1 januari 2008 in dienstbetrekking werkzaam bij [F] .

4. Op [2011] heeft eiser alle certificaten B aan zoon A geschonken, onder een last ten gunste van diens broer [H] (zoon M).

5. De schenking is vastgelegd in een notariële akte van schenking en levering van certificaten van aandelen van [2011] . In artikel 3 van deze akte, handelend over de last, is – verkort weergegeven – vermeld dat zoon A aan zoon M € 4.909.986 moet betalen in tien jaarlijkse termijnen, te verhogen met een rente van 5%. Gestreefd wordt naar een jaarlijkse betaling van € 480.000. In jaar één is dat bedrag verhoogd met € 969.120 om zoon M in de gelegenheid te stellen de schenkbelasting te voldoen.

6. Zoon A is alleen dan gehouden tot betaling aan zoon M voor zover het resultaat uit de onderneming van de Holding voldoende is om het daartoe benodigde dividend uit te keren. Een eventueel in enig jaar niet betaald gedeelte moet in een daaropvolgend jaar worden voldaan. De opschorting mag ten hoogste drie jaar duren en de opgeschorte betaling is rentedragend. Voorts is geregeld in welke situaties het bedrag van de last en de te betalen rente of het nog niet betaalde gedeelte daarvan terstond en ineens geheel door zoon M opeisbaar zijn. Na 1 januari 2020 is het (resterende deel van het) bedrag altijd opeisbaar.

7. Zoon A heeft verklaard de schenking onder de hiervoor beschreven last te aanvaarden. Zoon M heeft verklaard het bedrag van € 4.909.986 en de bijbehorende voorwaarden te aanvaarden.

8. Eiser heeft twee aangiften schenkbelasting ingediend, één voor de schenking van de certificaten B verminderd met € 4.909.986 aan zoon A en één voor de schenking van € 4.909.986 aan zoon M.

9. Voor de inkomstenbelasting heeft eiser voor het jaar 2011 geen vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang aangegeven.

10. In de aangiften van zoon A is vanaf 2011 de doorgeschoven verkrijgingsprijs van de certificaten B (€ 8.100) opgenomen als verkrijgingsprijs voor zoon A.

Geschil

11. In geschil is of er bij de schenking van de certificaten B aan zoon A bij eiser een belastbaar vervreemdingsvoordeel is opgekomen. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of door de verplichting van zoon A om het bedrag van € 4.909.986 aan zoon M te betalen sprake is van een tegenprestatie zoals genoemd in artikel 4.17c, tweede lid, van de Wet IB 2001.

12. Volgens eiser is hiervan geen sprake. De schenking van de certificaten B valt daardoor volgens eiser geheel onder de faciliteit van artikel 4.17c van de Wet IB 2001, zodat deze niet als een vervreemding wordt aangemerkt en eiser onder toepassing van artikel 4.39c van de Wet IB 2001 de verkrijgingsprijs kan doorschuiven.

13. Verweerder is de tegengestelde mening toegedaan. Volgens verweerder bedraagt het vervreemdingsvoordeel € 4.901.886, zijnde het bedrag van de schenking aan zoon M verminderd met de verkrijgingsprijs van de certificaten B.

Beoordeling van het geschil

14. Ingevolge artikel 4.17c, tweede lid, van de Wet IB 2001 wordt in geval van een overdracht tijdens leven van aandelen die deel uitmaken van een aanmerkelijk belang en waarbij artikel 4.22 van de Wet IB 2001 wordt toegepast, onder een aantal voorwaarden vermeld in het eerste lid van artikel 4.17c, niet als vervreemding aangemerkt het deel van de overdrachtsprijs dat toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap waarop de aandelen betrekking hebben, doch nooit meer dan de overdrachtsprijs verminderd met de tegenprestatie.

15. Ingevolge artikel 4.20 van de Wet IB 2001 wordt onder overdrachtsprijs verstaan de tegenprestatie bij de vervreemding, verminderd met de te laste van de vervreemder komende kosten.

16. Ingevolge artikel 4.22, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt, indien bij een vervreemding of verkrijging een tegenprestatie ontbreekt of is bedongen bij een niet onder normale omstandigheden gesloten overeenkomst, als tegenprestatie aangemerkt de waarde die ten tijde van de vervreemding, respectievelijk de verkrijging, in het economische verkeer aan de aandelen kan worden toegekend.

17. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat artikel 4.22 van de Wet IB 2001 moet worden toegepast en dat aan de voorwaarden vermeld in het eerste lid van artikel 4.17c van de Wet IB 2001 wordt voldaan. Eveneens is niet in geschil dat als sprake is van een vervreemdingsvoordeel, dit voordeel € 4.901.886 bedraagt.

18. De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of sprake is van een tegenprestatie zoals genoemd in artikel 4.17c, tweede lid, van de Wet IB 2001. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser bij de schenking van de certificaten B aan zoon A bedongen heeft dat deze het bedrag van € 4.909.986 aan zoon M zal betalen. Zoon M kan dit ook afdwingen. Zoon A moet daarom een prestatie verrichten om de certificaten B te verkrijgen. Deze prestatie staat tegenover de verkrijging van de certificaten.

19. Dat deze tegenprestatie niet rechtstreeks aan eiser als vervreemder van de certificaten B ten goede komt, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Het is eiser die de tegenprestatie bedongen heeft. Ook het beroep op de ratio van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten kan eiser niet baten. De bedoeling van de wetgever achter artikel 4.17c van de Wet IB 2001 is daarin gelegen dat – kort gezegd – geen belaste vervreemding wordt geconstateerd die de continuïteit van de onderneming – wegens het niet-vrijkomen van liquiditeiten waaruit de verschuldigde belasting zou kunnen worden voldaan – in gevaar zou kunnen brengen. In dit geval is het de keuze van eiser om via zoon A een schenking van een bedrag in contanten te doen aan zoon M, terwijl zoon M niet de bedrijfsopvolger is. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet een situatie die de wetgever heeft willen faciliteren.

20. Artikel 4.17c in samenhang met artikel 4.22 Wet IB 2001 bepaalt dat niet meer kan worden doorgeschoven dan de waarde in het economisch verkeer van de geschonken certificaten verminderd met de tegenprestatie. Niet in geschil is dat het vervreemdingsvoordeel dan € 4.901.886 bedraagt. Het beroep van eiser kan dan ook niet slagen.

21. Nu eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking heffingsrente heeft aangevoerd, moet ook het beroep tegen de beschikking heffingsrente ongegrond worden verklaard.

22. Gelet op het voorgaande moet het beroep ongegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Westerbaan, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr.drs. M.J.C. Pieterse, rechters, in tegenwoordigheid van M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 12 juni 2018

griffier

voorzitter

De griffier is buiten staat om deze

uitspraak mede te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.