Home

Rechtbank Gelderland, 19-04-2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1746, AWB - 18 _ 2008

Rechtbank Gelderland, 19-04-2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1746, AWB - 18 _ 2008

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19 april 2019
Datum publicatie
12 juni 2019
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2019:1746
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2008

Inhoudsindicatie

Rechtbank geeft gemachtigde een waarschuwing wegens het ongepaste, onfatsoenlijke en respectloze taalgebruik in de pleitnota en ter zitting.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/2008

in de zaak tussen

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),

en

Procesverloop

Eiser heeft op 20 juli 2017 de aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ingediend. De verschuldigde BPM is op 21 juli 2017 voldaan.

Eiser heeft een bezwaarschrift ingediend tegen de voldoening op aangifte van BPM, bij verweerder ingekomen op 23 augustus 2017.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 6 maart 2018 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen bij fax van 13 april 2018 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2019.

Namens eiser zijn verschenen gemachtigde, [A] en [B] . Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [C] .

Eiser heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank. De pleitnota is voorafgaand aan de zitting overgelegd aan verweerder.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 20 juli 2017 de aangifte BPM ingediend ter zake van de registratie van een Mercedes-Benz [D] (hierna: de auto), VIN eindigend op [000] . De verschuldigde BPM is met behulp van de koerslijst van [E] ‘btw’ berekend op € 8.741.

2. Met dagtekening 8 maart 2018 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. In de bezwaarfase heeft eiser geen nadere gegevens overgelegd.

3. Eiser heeft bij de overgelegde pleitnota een nieuwe koerslijst van [E] gevoegd. Deze koerslijst ziet op margeauto’s die vergelijkbaar zijn met de auto.

Geschil

4. In geschil zijn de volgende punten:

- de hoogte van de te betalen BPM;

- of er sprake is van een onrechtmatige overheidsdaad;

- of eiser recht heeft op rentevergoeding op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 (hierna: IW);

- of rente moet worden vergoed over terug te betalen griffierecht;

- of eiser recht heeft op vergoeding van de werkelijke proceskosten.

Beoordeling van het geschil

Opmerking vooraf

5. Alvorens inhoudelijk op de zaak in te gaan stelt de rechtbank het taalgebruik van gemachtigde zoals opgenomen in de pleitnota aan de orde. Gemachtigde stelt onder meer dat “Nederland natuurlijk een enorm gajesland is” en “niks anders is dan een enorme narcostaat”. De rechtbank Gelderland heeft volgens gemachtigde “genoegzaam en structureel aangetoond het niet zo nauw te nemen met de gerechtvaardigde belangen van belastingplichtigen” en de focus van verweerder ligt “louter en alleen op beduvelen en oplichten”. Ook merkt de gemachtigde op “dat de rechtbank zaken gaat opwerpen als tardief verklaring of ‘wir haben es nicht gewusst’ of wat er allemaal nog meer in de trukendoos zit teneinde de burger van zijn uit het hoogste recht afkomstige rechten te ontdoen”. De Hoge Raad is volgens gemachtigde “verworden tot een allerhoogst bedenkelijke club die zijn weerga niet kent in de wereld”.

6. De rechtbank heeft ter zitting haar verbazing en verontwaardiging uitgesproken over deze uitspraken van de gemachtigde. De gemachtigde heeft hier onder meer op gereageerd door te stellen dat hij bij zijn uitspaken blijft en heeft daaraan toegevoegd dat hij “Nederland een enorm kutland” vindt.

7. Omdat de gemachtigde volhardt in de naar het oordeel van de rechtbank ongepaste, onfatsoenlijke en respectloze bejegening van zijn wederpartij, de rechtbank en anderen acht de rechtbank redenen aanwezig om de gemachtigde bij deze een waarschuwing te geven. In dit verband wijst de rechtbank erop dat ingevolge artikel 8:25 van de Algemene wet bestuursrecht de rechter bijstand of vertegenwoordiging door een persoon tegen wie ernstige bezwaren bestaan, kan weigeren.

Hoogte van de BPM

8. Naar aanleiding van de stelling van eiser heeft verweerder ter zitting erkend dat de verschuldigde BPM kan worden berekend aan de hand van de zogenoemde [E] koerslijst voor margeauto’s. Dit heeft tot gevolg dat de BPM verlaagd moet worden tot€ 8.049 zodat een teruggaaf van BPM van € 692 moet volgen. Het beroep is in zoverre gegrond.

9. Eiser stelt dat het heffen van griffierecht in strijd is met bepalingen van de hoogste rechtsorde (Unierecht). Eiser heeft met een verwijzing naar het arrest Kantarev (zie: HvJ 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:807) aangevoerd dat de hoogte van het griffierecht zijn toegang tot de rechter bemoeilijkt. Feitelijk is het griffierecht in de onderhavige procedure geen onoverkomelijk obstakel voor de toegang tot de rechter gebleken. In geval van betalingsonmacht vanwege zijn financiële situatie kan eiser vrijstelling van het griffierecht worden verleend. Eiser heeft hier geen beroep op gedaan, kennelijk omdat hij niet aan de voorwaarden voldoet. De hoogte van het griffierecht acht de rechtbank niet buitenproportioneel, ook niet in verhouding tot het belang van eiser bij de procedure waardoor geen sprake kan zijn van een onrechtmatige overheidsdaad.

Rente en griffierecht

10. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij, ook zonder een specifiek verzoek daartoe, recht heeft op vergoeding van invorderingsrente op grond van artikel 28c van de IW. Verweerder heeft volgens eiser in strijd met het Unierecht gehandeld door het verzoek om rente niet te behandelen. De rechtbank kan hierover geen oordeel geven, gelet op de arresten van de Hoge Raad van 3 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:341 en 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1789. Daaruit volgt dat de omstandigheid dat een belastingplichtige zich tot de ontvanger dient te wenden ter verkrijging van invorderingsrente niet in strijd is met het Unierecht. Dit brengt mee dat de vraag of invorderingsrente vergoed dient te worden en of hiervoor als voorwaarde mag worden gesteld dat een verzoek wordt gedaan in een afzonderlijke procedure tegen de ontvanger aan de orde dient te worden gesteld en niet in de onderhavige procedure beoordeeld kan worden. Het verzoek om vergoeding van invorderingsrente kan om die reden niet in behandeling worden genomen. De rechtbank is onbevoegd.

Proceskosten

11. Eiser heeft verzocht verweerder te veroordelen in de werkelijke proceskosten in bezwaar en beroep.

12. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:45, geoordeeld dat voor de berekening van de BPM vergeleken moet worden met margeauto’s. Niet in geschil is dat eiser de aangifte heeft ingediend na deze uitspraak van de Hoge Raad. Naar het oordeel van de rechtbank had eiser bij het doen van de aangifte de mogelijkheid om de handelsinkoopwaarde te bepalen aan de hand van een koerslijst die gebaseerd is op margeauto’s. Omdat eiser de mogelijkheid had om op basis van een koerslijst voor margeauto’s aangifte te doen, is er geen sprake van een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid die een kostenvergoeding rechtvaardigt. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.

13. De rechtbank ziet geen gronden voor een integrale proceskostenvergoeding, omdat geen sprake is van tegen beter weten in procederen of anderszins zeer onzorgvuldig handelen door verweerder.

14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.024 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

15. Gezien het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2358, dient deze aanspraak te worden gehonoreerd, en dient verweerder over het aan eiser te vergoeden griffierecht van € 170 wettelijke rente te vergoeden in geval die vergoeding van griffierecht niet binnen vier weken na deze uitspraak door verweerder aan eiser wordt betaald. De wettelijke rente gaat dan lopen vanaf vier weken na de uitspraak in beroep.

Slot

16. Gelet op het voorgaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de verschuldigde BPM tot € 8.049;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.024;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 170, vermeerderd met wettelijke rente vanaf vier weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.F. Geerling, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.A.A. Pieters, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 19 april 2019

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.