Home

Rechtbank Gelderland, 20-01-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:256, AWB - 16 _ 5948

Rechtbank Gelderland, 20-01-2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:256, AWB - 16 _ 5948

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20 januari 2020
Datum publicatie
19 februari 2020
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2020:256
Formele relaties
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5948

Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag OB.

Beroep tegen niet-tijdig beslissen is prematuur. Inmiddels is echter uitspraak op bezwaar gedaan. Eiser heeft omzetbelasting in vooraftrek gebracht maar kan de juistheid daarvan niet onderbouwen. Beroep ongegrond. Terecht een boete opgelegd voor grove schuld. Matiging vanwege overschrijding redelijke termijn. Tevens vergoeding immateriële schade.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/5948

in de zaak tussen

en

en

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 25 april 2016 over het tijdvak 1 maart 2012 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [XXX] .F.03.3501) omzetbelasting opgelegd van € 10.691, alsmede bij beschikking een boete van € 2.672. Tevens is bij beschikking € 1.158 aan belastingrente in rekening gebracht.

Eiser heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt.

Eiser heeft op 6 oktober 2016 digitaal beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2016 de naheffingsaanslag verminderd tot € 8.671 en dienovereenkomstig de beschikking belastingrente en de boetebeschikking verminderd.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2018. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn mr. [A] en mr. [B] verschenen. Eiser heeft tijdens de zitting een verzoek tot wraking ingediend. Dit verzoek is bij beslissing van 13 augustus 2018 afgewezen.

De rechtbank heeft eiser bij brief van 21 augustus 2018 in de gelegenheid gesteld aanvullende gronden in te dienen tegen de uitspraak op bezwaar. Eiser heeft daarvan gebruikgemaakt. Vervolgens hebben partijen over en weer nadere stukken ingediend. Deze zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 13 mei 2019. Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn mr. [C] en mr. [B] verschenen.

Het onderzoek is geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen op stukken van eiser te reageren. Hiervan heeft verweerder gebruikgemaakt. Vervolgens heeft eiser een aantal keren nadere stukken ingediend. Alle stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het derde onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2019. Eiser is verschenen. Namens verweerder zijn mr. [C] , mr. drs. [D] en mr. [B] verschenen.

Het beroep is telkens gezamenlijk en gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiser met zaaknummers AWB 17/698 en AWB 19/6525. Op de zitting van 10 december 2019 zijn ook de beroepen van [bedrijf E] B.V. met zaaknummers 18/4525 en 19/673 gelijktijdig behandeld.

De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juni 2014, nr 436.935, Stcrt. 2014, 20210).

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft met verweerder op 12 mei 2012 een vaststellingsovereenkomst gesloten voor de fiscale afwikkeling van diverse belastingaanslagen over de jaren 2004 tot en met 2011. Hierin is ook afgesproken dat over de fiscale afwikkeling vanaf 2012 nader overleg zou plaatsvinden. Op 10 juli 2012 heeft daarover een gesprek tussen eiser en verweerder plaatsgevonden.

2. Verweerder heeft bij eiser een boekenonderzoek verricht naar de juistheid van de aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over 2012 en de aangiften omzetbelasting over de jaren 2012 en 2013. Het onderzoek is op 20 augustus 2014 aangevangen en op 3 februari 2016 is het rapport van het boekenonderzoek opgemaakt.

3. In het rapport staat vermeld dat eiser vanaf maart 2012 onder de naam ‘ [F] ’ werkzaamheden heeft verricht op het gebied van advisering op het gebied van informatietechnologie en verkoopbemiddeling voor softwareoplossingen. Deze werkzaamheden worden verricht aan afnemers buiten Europa. De werkzaamheden bestaan uit het verlenen van assistentie bij het ontwikkelen van betaalmethoden via mobiele telefoons en bemiddeling voor de verkoop van software. Ook heeft eiser activiteiten verricht op het gebied van de jacht. Eiser heeft een jachtvergunning onder meer voor een gebied in Duitsland.

4. In het rapport is geconcludeerd dat aannemelijk is dat de omzet van de softwareactiviteiten is behaald buiten de EU en dat geen omzetbelasting verschuldigd is. Met betrekking tot de activiteiten op het gebied van de jacht is in het rapport voor de inkomstenbelasting geconcludeerd dat gelet op de geringe netto opbrengst geen sprake is van een bron van inkomen. De omzetbelasting is per saldo op nihil gesteld.

5. Omdat eiser € 10.691 aan hem in rekening gebrachte voorbelasting in aftrek had gebracht, heeft verweerder dat bedrag nageheven. De dagtekening van de naheffingsaanslag is 25 april 2016. Daarbij heeft verweerder ook een boete van 25% van de verschuldigde omzetbelasting opgelegd op grond van artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en paragraaf 25, tweede lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB).

6. Eiser heeft tegen de naheffingsaanslag bij brief van 3 juni 2016, ontvangen door verweerder op 7 juni 2016, bezwaar gemaakt. Bij brief van 5 oktober 2016, ontvangen door verweerder op 6 oktober 2016, heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en een dwangsom gevorderd voor het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag.

7. Op 6 oktober 2016 is eiser in beroep gekomen tegen de naheffingsaanslag.

8. Op 12 oktober 2016 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan en de naheffingsaanslag met € 2.020 verminderd. Bij brief van 13 oktober 2016 heeft verweerder het verzoek om een dwangsom afgewezen.

Geschil

9. Ten eerste is in geschil of het beroep tegen het niet tijdig beslissen ontvankelijk is en of verweerder een dwangsom verbeurd heeft wegens het niet tijdig doen van een uitspraak op bezwaar. Daarnaast is in geschil of verweerder de naheffingsaanslag en de boetebeschikking heeft mogen opleggen en, zo ja, of deze op de juiste bedragen zijn vastgesteld. Verder is in geschil of eiser recht heeft op schadevergoeding.

Beoordeling van het geschil

Beroep niet-tijdig

10. Bij brief van 5 oktober 2016, ontvangen door verweerder op 6 oktober 2016, heeft eiser verweerder in gebreke gesteld vanwege het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan pas beroep worden ingesteld als vervolgens twee weken zijn verstreken. Eiser heeft al op 6 oktober 2016 beroep ingesteld. Dat is te vroeg. Er is sprake van een zogeheten prematuur beroep. Dit beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Beroep uitspraak op bezwaar

11. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb wordt het beroep van eiser tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar geacht mede betrekking te hebben op de uitspraak op bezwaar van 12 oktober 2016. Daarbij wordt het formele gebrek dat te vroeg beroep is ingesteld niet tegengeworpen.1 Voor zover het beroep betrekking heeft op deze uitspraak is het daarom ontvankelijk.

12. De nageheven omzetbelasting heeft betrekking op voorbelasting die eiser in aftrek heeft gebracht. Eiser draagt de bewijslast van de juistheid van de afgetrokken bedragen. In het kader van het boekenonderzoek heeft de controleambtenaar eiser gevraagd om een aantal gegevens en boekingen nader te specificeren. Uit de gegevens die eiser heeft verstrekt volgde een recht op teruggaaf van € 2.427. In totaal heeft eiser € 13.118 omzetbelasting in vooraftrek gebracht. Het verschil van € 10.691 is nageheven. In bezwaar heeft eiser aanvullende gegevens overgelegd. Op grond daarvan is de voorbelasting ter zake van een aantal nota’s alsnog geaccepteerd. Dit heeft geleid tot een vermindering van de naheffingsaanslag met € 2.020 tot € 8.671.

13. Tegen de bij de uitspraak op bezwaar verminderde naheffingsaanslag heeft eiser geen inhoudelijke stellingen en nadere bewijsstukken ingebracht. Hij is van mening dat het onderzoek van verweerder onvolledig is geweest, maar dat ontslaat eiser niet van de verplichting de geclaimde vooraftrek met stukken te onderbouwen. Aangezien eiser dat niet heeft gedaan, heeft hij de juistheid van de naheffingsaanslag - zoals die na bezwaar is vastgesteld - niet voldoende gemotiveerd bestreden. Uit de nadere reactie van verweerder van 14 juni 2019 volgt ook dat de stukken die zich in het dossier bevinden eerder de conclusie rechtvaardigen dat al te veel aftrek is toegestaan. In zoverre is het beroep ongegrond.

14. Aangezien eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking belastingrente heeft aangevoerd, is ook het beroep daartegen ongegrond.

15. Verweerder heeft op grond van artikel 67f van de AWR een vergrijpboete opgelegd omdat het volgens hem aan de grove schuld van eiser is te wijten dat aanvankelijk te weinig omzetbelasting is voldaan. Dit heeft geresulteerd in een boete van 25% van de nageheven belasting.

16. De rechtbank is van oordeel dat eiser lichtvaardig heeft gehandeld en dat het inderdaad aan zijn grove schuld is te wijten dat hij te weinig omzetbelasting heeft voldaan. Hij had moeten begrijpen dat het alleen mogelijk is omzetbelasting in vooraftrek te brengen als hij kan onderbouwen dat hij die belasting heeft betaald. Eiser heeft verder geen feiten of omstandigheden gesteld en aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat sprake is van een pleitbaar standpunt op grond waarvan de boete zou moeten worden vernietigd dan wel verminderd. De rechtbank acht een boete van 25% oftewel € 2.167 passend en geboden.

17. Wel is sinds de aankondiging van de boete in het rapport boekenonderzoek van 3 februari 2016 een periode verstreken van drie jaar en ruim elf maanden. Dat betekent dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Deze bedraagt in de regel twee jaren. In het feit dat eiser een wrakingsverzoek heeft ingediend, dat is afgewezen, ziet de rechtbank een bijzondere omstandigheid om de redelijke termijn te verlengen. Dit wrakingsverzoek heeft tot een vertraging in de beroepsfase geleid van ruim anderhalve maand. Dit betekent dat de redelijke termijn met afgerond één jaar en tien maanden is overschreden. Gelet hierop zal de vergrijpboete met 15% worden gematigd2 tot € 1.841.

18. Al hetgeen eiser overigens heeft gesteld omtrent de communicatie met verweerder en de onzorgvuldige gang van zaken tijdens het boekenonderzoek en de bezwaarfase kan niet leiden tot een verdere vermindering of vernietiging van de naheffingsaanslag, de vergrijpboete en de beschikking belastingrente.

Schadevergoeding

19. Dat eiser voor vergoeding in aanmerking komende schade ten bedrage van € 25.000 heeft geleden is nergens uit gebleken. Dit verzoek wijst de rechtbank dan ook af.

20. Eiser heeft daarnaast verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit verzoek uit van de regels die de Hoge Raad heeft gegeven in het arrest van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252. In de kern komen die regels op het volgende neer.

21. Voor een uitspraak in eerste aanleg geldt dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In gevallen waarin de bezwaar- en beroepsfase tezamen onredelijk veel tijd in beslag hebben genomen geldt dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een halfjaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. Wanneer de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

22. Vanaf de indiening van het bezwaarschrift op 7 juni 2016 tot deze uitspraak zijn meer dan twee jaren verstreken. Ook hiervoor geldt dat de rechtbank de termijn verlengt met anderhalve maand, zodat de overschrijding net iets minder dan anderhalf jaar is. De bezwaarfase is geëindigd met het indienen van het beroepschrift op 6 oktober 2016. Dat betekent dat de overschrijding van de termijn volledig aan de beroepsfase is toe te rekenen. Daarom zal de rechtbank de Staat veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 1.500.

Conclusie en proceskosten

22. Omdat de boete wordt verminderd vanwege overschrijding van de redelijke termijn, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

23. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Zij stelt deze kosten op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) voor deze zaak vast op € 164 aan verletkosten, bestaand uit 2 uren à € 82 voor drie zittingen. Dit komt neer op een vergoeding van een half uur voor de zitting van 22 juni 2018, een uur voor de zitting van 13 mei 2019 en een half uur voor de zitting van 10 december 2019, vanwege de gelijktijdige behandeling van het onderhavige beroep met de andere beroepen van eiser en/of [bedrijf E] B.V.; in totaal rekent de rechtbank voor de eerste zitting 1 uur en voor de andere zittingen elk 2 uur (inclusief reistijd). Deze kosten worden verdeeld over de verschillende dossiers. Daarnaast komt eiser voor alle drie zittingen voor vergoeding van reiskosten in aanmerking. Deze zijn, gezien voornoemde gelijktijdige behandelingen, op de voet van het Besluit vastgesteld op 1,5 retour openbaar vervoer tweede klasse van het adres van eiser naar de rechtbank, zijnde afgerond € 14. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. In de vergoeding van voorbereidingstijd voorziet het Besluit niet.

23. Voor een vergoeding van kosten in de bezwaarfase bestaat geen aanleiding, omdat het beroep alleen gegrond is vanwege overschrijding van de redelijke termijn en geen sprake is van een onrechtmatigheid van verweerder.

Beslissing

De rechtbank:

-

verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op het bezwaar niet-ontvankelijk;

-

verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond voor zover het de boete betreft;

-

vernietigt de uitspraak op bezwaar in zoverre;

-

vermindert de boete tot € 1.841;

-

bepaalt dat deze uitspraak tot zover in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;

-

verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

-

veroordeelt de Staat tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.500;

-

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 178;

-

bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 168 aan eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel