Home

Rechtbank Gelderland, 21-12-2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6904, AWB - 21 _ 2339

Rechtbank Gelderland, 21-12-2021, ECLI:NL:RBGEL:2021:6904, AWB - 21 _ 2339

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21 december 2021
Datum publicatie
10 januari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2021:6904
Zaaknummer
AWB - 21 _ 2339

Inhoudsindicatie

Dwangbevel na terugvorderingsbeslissing kinderopvangtoeslag 2010. Te laat beslist op het bezwaar tegen dit dwangbevel. Is de dwangsomregeling van art. 4:17 van de Awb van toepassing? Nee, want die regeling was in 2010 uitgesloten in artikel 12, tweede lid, van de Awir. Overeenkomstige toepassing van de Invorderingswet en Kostenwet op het dwangbevel in het kader van de kinderopvangtoeslag maken wel de belastingrechter bevoegd, maar leiden niet tot toepasselijkheid van art. 4:17 van de Awb.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 21/2339

in de zaak tussen

(gemachtigde: [naam gemachtigde] ),

en

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser een dwangbevel betekend met betrekking tot het niet tijdig betalen van een terugvorderingsbeschikking kinderopvangtoeslag 2010 (beschikkingsnummer: [nummer] ). Daarbij zijn betekeningskosten van € 1.201 in rekening gebracht.

Eiser heeft bij brief van 29 augustus 2018, op diezelfde datum ontvangen bij verweerder, bezwaar gemaakt tegen de kosten van het dwangbevel.

Eiser heeft bij brief van 13 november 2018, bij verweerder binnengekomen op 15 november 2018, een ingebrekestelling naar verweerder verzonden.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 27 november 2019, het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de kosten van het dwangbevel verminderd tot nihil.

Verweerder heeft bij brief met dagtekening 19 februari 2020 eisers verzoek om een dwangsom afgewezen.

Eiser heeft bij brief van 24 maart 2020, bij verweerder binnengekomen op 25 maart 2020, bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van het verzoek om een dwangsom.

Verweerder heeft dat bezwaar bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 28 april 2020, afgewezen.

Eiser heeft tijdig beroep ingesteld.

Deze zaak was eerst in behandeling bij de rechtbank Midden-Nederland. Aldaar heeft op 8 maart 2021 een zitting plaatsgevonden via beeldbellen. Op de zitting is namens eiser zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder is [persoon A] verschenen.

De rechtbank Midden-Nederland heeft de zaak vervolgens naar de rechtbank Gelderland gezonden, omdat de belastingrechter bevoegd is en de belastingrechter in Gelderland relatief bevoegd is op basis van de plaats van vestiging van verweerder (woonplaats eiser onbekend).

De griffier van rechtbank Midden-Nederland heeft het dossier en de zittingsaantekeningen naar deze rechtbank verzonden.

Partijen hebben ermee ingestemd dat niet opnieuw een zitting wordt gehouden en dat de rechtbank op basis van de dossierstukken een uitspraak doet. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Geschil

1. Deze procedure gaat over de vraag of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser geen aanspraak kan maken op een dwangsom op grond van de dwangsomregeling die is opgenomen in artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (onder paragraaf 4.1.3.2), omdat deze regeling voor het jaar 2010 nog was uitgesloten in artikel 12 van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir). Daarnaast heeft eiser verzocht om een vergoeding voor immateriële schade en om een integrale proceskostenvergoeding. Ook heeft hij tijdens de zitting aangevoerd dat de hoorplicht en daarmee het inzagerecht is geschonden door het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren zonder eiser uit te nodigen voor een hoorgesprek.

Beoordeling dwangsom

Beoordelingskader

2. In hoofdstuk 2 van de Awir, tekst 2010, staat voor zover van belang het volgende:

Artikel 11. Toepassingsgebied

1. De bepalingen van dit hoofdstuk gelden voor de inkomensafhankelijke regelingen waarvan de uitvoering bij die regeling is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.

2. Onder Belastingdienst/Toeslagen wordt verstaan: het organisatieonderdeel van de rijksbelastingdienst dat is belast met het toekennen, uitbetalen en terugvorderen van tegemoetkomingen.

Artikel 12

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk blijven titel 4.2 en artikel 4:125 van de Algemene wet bestuursrecht buiten toepassing en zijn artikel 3:40, titel 4.1 en de hoofdstukken 6 en 7 van die wet niet van toepassing op de verrekeningsbeschikking, bedoeld in artikel 30.

2. Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing op beschikkingen van de Belastingdienst/Toeslagen met uitzondering van de beschikking tot toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 14, alsmede beslissingen op bezwaarschriften tegen deze beschikkingen, met dien verstande dat: (…)

Artikel 32. Dwanginvordering bij terugvordering

1. Indien de belanghebbende het bedrag van de terugvordering, daaronder begrepen de in artikel 27 bedoelde rente alsmede bestuurlijke boeten, niet binnen de gestelde termijn betaalt, maant de Belastingdienst/Toeslagen hem schriftelijk aan om alsnog binnen twee weken na de dagtekening van de aanmaning te betalen.

2. De invordering van het bedrag van de terugvordering kan geschieden bij een door de Belastingdienst/Toeslagen uit te vaardigen dwangbevel. In afwijking van artikel 4:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kunnen bij het dwangbevel tevens de kosten van de aanmaning, de kosten van het dwangbevel en de verschuldigde renten worden ingevorderd.

3. De betekening van het dwangbevel geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 13 van de Invorderingswet 1990.

4. De artikelen 14, 15, 18 en 18a van de Invorderingswet 1990 zijn van overeenkomstige toepassing.

5. De belanghebbende kan met overeenkomstige toepassing van artikel 17 van de Invorderingswet 1990, tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel in verzet komen.

6. (…).

7. Artikel 27, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 34. Aanvullende bepalingen inzake invordering van een terugvordering

1. Tot het verrichten van de bij of krachtens een wet aan een deurwaarder opgedragen werkzaamheden is, voor zover die werkzaamheden geschieden in opdracht van de Belastingdienst/Toeslagen, uitsluitend een belastingdeurwaarder als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j, van de Invorderingswet 1990, bevoegd.

2. De Kostenwet invordering rijksbelastingen is van overeenkomstige toepassing.

3. (…).

Standpunten van partijen

3. Eiser stelt dat de algemene dwangsomregels in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing zijn. In artikel 11 van de Awir staat dat de bepalingen in het tweede hoofdstuk van de Awir alleen gelden voor de inkomensafhankelijke regelingen waarvan de uitvoering bij die regeling is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen. Volgens eiser heeft deze zaak geen betrekking op een inkomensafhankelijke regeling waarvan de uitvoering aan de Belastingdienst/Toeslagen is opgedragen. In plaats daarvan gaat deze procedure louter over de kosten van het dwangbevel. Dat niet de Awir, maar de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen (Kostenwet) van toepassing zijn, blijkt uit artikel 32, derde lid, en artikel 34, tweede lid, van de Awir. In die bepalingen staat namelijk dat de betekening van het dwangbevel geschiedt met overeenkomstige toepassing van artikel 13 van de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet. Omdat de Kostenwet van toepassing is, volgt uit artikel 7 van die wet dat hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing is. Dat laatste brengt mee dat de bepalingen over bezwaar en beroep bij de belastingrechter, waaronder afdeling 4.1.3.2 van de Awb, van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Verweerder stelt dat afdeling 4.1.3.2 van de Awb hier niet van toepassing is. Aangezien het dwangbevel door de Belastingdienst/Toeslagen is betekend en het dwangbevel betrekking heeft op een terugvordering kinderopvangtoeslag, is de dwangsomregeling niet van toepassing. Volgens verweerder brengt de zinsnede “met overeenkomstige toepassing” in artikel 32 en 34 van de Awir niet mee dat artikel 12 van die wet niet langer van toepassing is.

Oordeel rechtbank

5. Het gerechtshof Amsterdam heeft in een uitspraak van 27 oktober 20201 onder uitvoerige verwijzing naar de wetsgeschiedenis geoordeeld dat het begrip terugvorderen van tegemoetkomingen, zoals genoemd in artikel 11, tweede lid, van de Awir, zo moet worden uitgelegd dat hieronder alle handelingen vallen die nodig zijn voor de terugvordering van toeslagen, zoals onder meer het uitvaardigen van dwangbevelen met toepassing van artikel 32 van de Awir.

6. De rechtbank neemt dit oordeel over en maakt dit tot het hare. Dat brengt mee dat een dwangbevel op grond van artikel 32, tweede lid, van de Awir, dat in deze zaak aan de orde is, ook valt onder de reikwijdte van artikel 11, eerste lid van die wet. Niet in geschil is dat het dwangbevel dat in deze zaak was uitgevaardigd zijn oorzaak vond in een terugvorderingsbeschikking die genomen was op grond van een inkomensafhankelijke regeling waarvan de uitvoering bij die regeling is opgedragen aan de Belastingdienst/Toeslagen.

7. In die situatie volgt uit artikel 12, tweede lid, van de Awir dat afdeling 4.1.3.2 van de Awb (en dus artikel 4:17 van de Awb) niet van toepassing is. De uitzonderingen die in artikel 12 zijn genoemd, doen zich hier niet voor.

8. De omstandigheid dat de Kostenwet en de Invorderingswet van overeenkomstige toepassing zijn verklaard op het dwangbevel dat met toepassing van artikel 32 van de Awir is uitgevaardigd, leidt er wel toe dat de belastingrechter bevoegd is om te oordelen over geschillen in verband met de kosten van het dwangbevel, maar dit leidt niet tot het buiten toepassing blijven van de uitsluiting van de dwangsomregeling in artikel 12, tweede lid, van de Awir. Een ander oordeel zou ertoe leiden dat de uitsluiting van de dwangsomregeling feitelijk niet werkzaam zou zijn en dat kan de wetgever niet hebben bedoeld.

9. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht eisers verzoek om een dwangsom op grond van artikel 4.17 van de Awb heeft afgewezen.

Vergoeding van de immateriële schade

10. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek van eiser om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016.2 Op grond van het aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel, moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht.

11. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder het bezwaarschrift heeft ontvangen op 25 maart 2020. Gelet op de datum van deze rechtbankuitspraak is de termijn van twee jaren nog niet verstreken. Daarom kan eiser geen aanspraak maken op een vergoeding van immateriële schade.

Schending hoorplicht

12. Het beroep op schending van de hoorplicht faalt ook. Verweerder mocht met toepassing van artikel 7:3 onder b van de Awb het bezwaar kennelijk ongegrond verklaren en hoefde eiser daarom niet te horen. Overigens had eiser ook niet verzocht om te worden gehoord. Als eiser inzage had willen krijgen in de stukken, had hij daarom kunnen vragen, maar dat heeft hij niet gedaan. Het inzagerecht is dus ook niet geschonden.

Tot slot

13. Aangezien de beroepsgronden van eiser falen, moet het beroep ongegrond worden verklaard.

14. De rechtbank ziet vanwege de ongegrondheid van het beroep geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Aan een integrale proceskostenvergoeding komt de rechtbank alleen daarom al niet toe.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van mr. R.C.H. Graves, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.