Home

Rechtbank Gelderland, 13-01-2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:117, AWB - 19 _ 6199

Rechtbank Gelderland, 13-01-2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:117, AWB - 19 _ 6199

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13 januari 2022
Datum publicatie
9 februari 2022
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2022:117
Zaaknummer
AWB - 19 _ 6199

Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Beschikking aansprakelijkstelling. In geschil is of eiser op grond van artikel 36 van de Invorderingswet 1990 terecht als bestuurder aansprakelijk is gesteld voor de onbetaald gebleven belastingschulden, inclusief de belastingrente, de boeten en de vervolgingskosten van de B.V. Beroep gegrond. Vermindering beschikking aansprakelijkstelling. Vermindering van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn. Toekenning immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Proceskostenvergoeding. Geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan een hogere vergoeding dan een forfaitaire vergoeding moet worden toegekend. Verzoek om vergoeding van de integrale proceskosten daarom afgewezen.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 19/6199

in de zaak tussen

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

en

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Verweerder heeft eiser bij beschikking van 30 november 2018 aansprakelijk gesteld voor een bedrag van € 62.583.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 september 2019 de beschikking gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 30 oktober 2019, ontvangen door de rechtbank op diezelfde datum, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brief van 4 november 2021, ontvangen door de rechtbank op 5 november 2021, gereageerd op het verweerschrift. Bij deze reactie zijn een aantal bijlagen gevoegd.

Verweerder heeft op 11 november 2021, op verzoek van de rechtbank, nadere stukken ingediend.

Partijen hebben over en weer van elkaars nadere stukken kennisgenomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2021.

Eiser is verschenen met de gemachtigde en [persoon A] . Namens verweerder zijn verschenen [persoon B] , [persoon C] en [persoon D] .

Ter zitting hebben beide partijen een pleitnota overgelegd en voorgelezen. De pleitnota’s worden tot de gedingstukken gerekend.

Het beroep is met instemming van partijen gelijktijdig behandeld met het beroep van [naam persoon E] ( [persoon E] ). Het beroep van [persoon E] is bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 19/6279. In die zaak zal afzonderlijk uitspraak worden gedaan.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser en [naam persoon E] ( [persoon E] ) zijn beiden 50%-aandeelhouder van [naam Holding] (de Holding). De Holding is op haar beurt enig aandeelhouder van [naam B.V.] (de B.V.).

2. De ondernemingsactiviteiten van de B.V. bestaan in ICT-consultancy. [persoon E] doet de acquisitie en verzorgt de administratie, daarbij wordt hij ondersteund door de boekhouder1. Eiser is de IT-specialist, die veelal het inhoudelijke werk uitvoert. In de periode 2010 tot 2013 exploiteerde de B.V. ook een computerwinkel in [plaatsnaam] (onder de naam [naam bedrijf] ). [persoon E] heeft de aangiften Omzetbelasting (OB) namens de B.V. ingediend.

3. In 2016 heeft de Belastingdienst bij de B.V. een boekenonderzoek ingesteld. Onderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften OB over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2015. Van het boekenonderzoek is, met dagtekening 27 juli 2016, een rapport opgemaakt (het Rapport). In het Rapport staat, onder meer, dat de aangiften OB over de genoemde tijdvakken niet aansluiten bij de gevoerde administratie en dat er ten onrechte geen suppletieaangiften zijn gedaan door de B.V. Over de tijdvakken 2010 tot en met 2015 gaat het in totaal om een BTW-correctie van € 38.9502.

4. Met betrekking tot de boete staat in het Rapport het volgende:

“5.1. Boete omzetbelasting

Boete artikel 67f AWR:

(…)

Motivering boete:

Bij het onderzoek is gebleken dat in de jaren 2011 tot en met 2015 stelselmatig onjuiste periodieke aangiften omzetbelasting zijn gedaan. Er is te weinig omzetbelasting betaald.

Het is niet aannemelijk dat deze gedragingen niet meer zijn dan een vergissing of ernstige nalatigheid. Er is sprake van een bewust handelen. De belastingplichtige moet zich bewust zijn geweest dat haar handelen tot gevolg zou hebben dat er te weinig omzetbelasting werd betaald.

Het is daarom aan belastingplichtige zijn opzet te wijten dat er te weinig omzetbelasting is betaald.

Boete artikel 10a AWR

(…)

Motivering boete art. 10a AWR:

Ingaande 2012 is art 10a opgenomen in de AWR. In dat artikel is de verplichting opgenomen om zodra men kennis neemt van onjuistheden of onvolledigheden in de voor de belastingheffing van belang zijnde gegevens, de inspecteur daarvan in kennis te stellen. Bij het opmaken van de jaarrekeningen over 2011 tot en met 2015 bleek uit de herrekening omzetbelasting dat er aanvullende afdrachten nodig waren. Toch is daarvan geen aangifte gedaan. De schuld werd gepassiveerd op de balansen. Het is niet aannemelijk dat het belastingplichtige is ontgaan dat er nog substantiële bedragen afgedragen dienden te worden. De adviseur geeft ook aan dat de belastingplichtige is meegedeeld dat er aanvullende afdrachten noodzakelijk waren. Toch zijn de suppleties blijven liggen: de belastingplichtige onderneemt niet de in eerder genoemd wetsartikel vereiste actie. De belastingplichtige heeft willens en wetens de reële kans aanvaard dat er te weinig omzetbelasting zou worden betaald. Er is sprake van (voorwaardelijke) opzet.

De grondslag voor de boete is het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet nakomen van de eerder genoemde verplichting niet of niet tijdig is geheven.

Matiging:

Beslissing