Home

Rechtbank Gelderland, 10-07-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5461, AWB 24/156

Rechtbank Gelderland, 10-07-2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5461, AWB 24/156

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10 juli 2025
Datum publicatie
4 februari 2026
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2025:5461
Zaaknummer
AWB 24/156
Relevante informatie
Art. 8 Wet Vpb 1969

Inhoudsindicatie

Onzakelijke lening. Belanghebbende heeft gelden uitgeleend aan (uiteindelijk) een gelieerde Maltese vennootschap die zich bezighoudt met online gokactiviteiten. De lening is door belanghebbende afgewaardeerd. Belanghebbende heeft niet weersproken dat de debiteur in het geheel met vreemd vermogen is gefinancierd, en heeft evenmin weersproken dat de solvabiliteit van de debiteur vanaf het begin negatief was, en ook is gebleven. De opbrengsten uit de activiteiten van de debiteur komen ook niet toe aan belanghebbende, maar aan anderen. Het voorgaande wettigt naar het oordeel van de rechtbank het bewijsvermoeden dat er geen onafhankelijke derde te vinden is die de gelden met een grote(re) risico-opslag – bijvoorbeeld een hoge(re) rente – aan de debiteur zou hebben uitgeleend. De blote stelling van belanghebbende dat de reden dat de banken geen financieringstoezegging hebben willen doen, niet is gelegen in de ‘business case’ van belanghebbende, maar dat dit haar grond vindt in bancaire regels die het financieren van online gokken verbieden, is onvoldoende om dit (bewijs)vermoeden te weerleggen. Omdat de lening als onzakelijk heeft te gelden kan deze niet worden afgewaardeerd (Hoge Raad, 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN3442). Beroep ongegrond.

Uitspraak

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/156

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van

in de zaak tussen

[belanghebbende] B.V., uit [plaats], belanghebbende

(gemachtigde: [gemachtigde]),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 28 oktober 2023.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2019 een aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 443.061.

Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur belanghebbende € 7.404 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verminderd naar een belastbaar bedrag van € 289.379 (€ 443.061 minus € 28.928 en minus een verlies uit een ander jaar van € 124.754). De inspecteur heeft de belastingrentebeschikking dienovereenkomstig verminderd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en ter meerdere bijstand

[persoon A]. Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon B],

[persoon C] en [persoon D].

Feiten

1. De aandelen in belanghebbende worden gehouden door [naam stichting]. Economisch rechthebbenden van die aandelen zijn [naam bedrijf 1], [naam bedrijf 2] en [naam bedrijf 3] (de economisch rechthebbenden). De economisch rechthebbenden houden daarnaast een belang van 90% in [naam bedrijf 4] ([naam bedrijf 4]).

2. Belanghebbende is hoofd van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Tot die fiscale eenheid behoort onder meer [naam bedrijf 5] ([naam bedrijf 5]), een 100% dochtervennootschap van belanghebbende.

3. [naam bedrijf 5] heeft gedurende de periode 1 oktober 2015 tot en met 23 december 2019 gelden uitgeleend aan [naam bedrijf 4]. [naam bedrijf 4] heeft deze gelden vervolgens doorgeleend aan haar 100% dochtervennootschap [naam bedrijf 6] ([naam bedrijf 6]). De uitgeleende gelden zijn gebruikt om allerhande kosten van [naam bedrijf 6] te dekken. Er hebben geen aflossingen plaatsgevonden. De rente is bijgeschreven op de hoofdsom van de lening en is niet daadwerkelijk betaald.

4. [naam bedrijf 6] is per 31 maart 2020 ontbonden.

5. Op 26 november 2020 heeft belanghebbende aangifte Vpb 2019 gedaan naar een belastbaar bedrag van € 176.044. In die aangifte heeft belanghebbende een ‘bijzondere waardevermindering vlottende activa’ aangegeven van € 267.017.

6. Bij brief van 3 december 2021 heeft de inspecteur vragen gesteld aan belanghebbende aangaande de bijzondere waardevermindering vlottende activa. Belanghebbende heeft bij brief van 7 februari 2022 geantwoord dat dit bedrag ziet op de afwaardering van een door [naam bedrijf 5] aan [naam bedrijf 4] verstrekte lening.

7. Bij brief van 4 maart 2022 heeft de inspecteur aanvullende vragen gesteld. De aanvullende vragen hebben onder andere betrekking op de gekozen manier van exploitatie, de reden om de afwaardering te laten plaatsvinden in 2019, de vergelijking tussen de aangifte Vpb 2019 op naam van belanghebbende en [naam bedrijf 4], en wie de uiteindelijke kosten heeft betaald. Belanghebbende heeft in reactie hierop bij e-mailbericht van 12 mei 2022 onder meer laten weten dat de ter leen verstrekte gelden in rekening-courant zijn verwerkt. Belanghebbende heeft een overzicht van de ter leen verstrekte gelden en een ‘loan facility agreement’, aangegaan tussen [naam bedrijf 5] en [naam bedrijf 4], bijgevoegd. Daarna heeft op 21 juli 2022 een bespreking tussen partijen plaatsgevonden.

8. Met dagtekening 3 september 2022 heeft de inspecteur een aanslag Vpb 2019 aan belanghebbende opgelegd naar een belastbaar bedrag € 443.061 (€ 176.044 plus € 267.017). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 14 september 2022. Daarna heeft overleg, zowel per e-mail als in de vorm van een hoorgesprek, tussen partijen plaatsgevonden.

9. Bij uitspraak op bezwaar van 28 oktober 2023 heeft de inspecteur alsnog een afwaardering van de vordering van [naam bedrijf 5] op [naam bedrijf 4] van € 28.928 geaccepteerd (zijnde de tot en met 31 januari 2016 ter leen verstrekte bedragen).

10. Partijen hebben onder meer de volgende op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd:

a. een loan facility agreement met datum 4 september 2019, aangegaan tussen [naam bedrijf 5] als geldgever en [naam bedrijf 4] als geldnemer. In die overeenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

LOAN FACILITY AGREEMENT

This agreement is made on the 4th day of September 2019 and is entered by and between:

(...) [naam bedrijf 5] (...) (hereinafter referred to as the “Lender”)

and

(...) [naam bedrijf 4] (...) (hereinafter referred to as the “Borrower”)

The Lender and the Borrower are hereinafter referred to as the “Parties” and individually as a “Party”.

RECITALS

WHEREAS the Borrower requires financial resources for business purposes;

WHEREAS the Lender is willing to provide a loan facility to the Borrower for this purpose;

WHEREAS the transfer of funds was effected on the 1st of October 2017; and

WHEREAS the Parties wish to regulate their position through this Agreement.

IT IS HEREBY AGREED AS FOLLOWS:

1 LOAN

1.1

Lender agrees to advance to the Borrower, who accepts, a facility of a maximum amount of three hundred thousand Euro (€ 300.000) (hereinafter referred to as “the Loan”).

1.2

The Loan shall be delivered to the Borrower in one or several installments or as decided in writing by the Parties.

2 TERMS AND CONDITIONS

2.1

The Loan shall become due and payable by the Borrower to the Lender within ten (10) years from the date of this Agreement.

2.2

Repayment of the Loan shall be made in whole or in part in accordance with the provisions of this Agreement or in such form as the Parties may agree upon from time to time.

2.3

Notwithstanding the above and without prejudice thereto, the Borrower may in its sole discretion and at any time as it may deem fit and appropriate, anticipate the repayment of all or part of the amount of the Loan.

Repayment of the Loan shall be made to the Lender’s bank account as may be indicated by the Lender to the Borrower.

3 SECURITY

3.1

The Loan shall be unsecured

3.2

The Loan shall bear 5.0% annual interest.

4 REPRESENTATIONS AND WARRENTIES