Home

Rechtbank Gelderland, 11-03-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2052, AWB 22/3974, 22/3980, 22/4014, 22/4015 en 23/4204

Rechtbank Gelderland, 11-03-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2052, AWB 22/3974, 22/3980, 22/4014, 22/4015 en 23/4204

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11 maart 2026
Datum publicatie
27 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:2052
Zaaknummer
AWB 22/3974, 22/3980, 22/4014, 22/4015 en 23/4204
Relevante informatie
Art. 22j AWR, Art. 3:41 Awb, Art. 6:7 Awb, Art. 6:9 Awb, Art. 7:15 Awb, Awb, BPB, Art. 9.5 Wet IB 2001

Inhoudsindicatie

De inspecteur heeft aan belanghebbende aanslagen IB/PVV opgelegd voor de jaren 2009 tot en met 2012. De inspecteur heeft voor alle jaren een verkapte dividenduitkering in aanmerking genomen vanwege de leningen die belanghebbende bij zijn vennootschap(pen) had en enkele rechtshandelingen die de vennootschap(pen) hebben verricht. Voor de jaren 2011 en 2012 heeft de inspecteur de leningen bij de vennootschap(pen) niet in aanmerking genomen als box 3 schuld, omdat de leningen fiscaal zijn geherkwalificeerd als winstuitkering. De rechtbank is van oordeel dat voor de jaren 2009 en 2011 de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard vanwege een onherroepelijke informatiebeschikking. Belanghebbende heeft onvoldoende gedaan om alsnog de gevraagde informatie aan de inspecteur te overleggen en daardoor is deze bewijsrechtelijke sanctie ook proportioneel. De redelijke schatting van de inspecteur voor 2009 laat de rechtbank in stand. Voor 2011 is de rechtbank van oordeel dat geen sprake kan zijn van een verkapte dividenduitkering omdat geen sprake is van winst, winstreserves of te verwachte winst in de vennootschap(pen). Het in aanmerking nemen van een verkapte winstuitdeling is dan niet redelijk. De schatting van het box 3 inkomen blijft wel in stand. Voor 2012 is geen sprake van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat de inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij belanghebbende heeft uitgenodigd en aangemaand voor het doen van aangifte IB/PVV over dat jaar. Van een verkapte dividenduitkering is in 2012 geen sprake, omdat in dat jaar geen onttrekking heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft wel aannemelijk gemaakt dat het box 3 inkomen hoger moet worden vastgesteld. De beroepen betreffende de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 zijn gegrond. Het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2009 is ongegrond. Het beroep betreffende de aanslag IB/PVV 2010 is eveneens ongegrond. De inspecteur heeft het bezwaar tegen die aanslag niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: ARN 22/3974, 22/3980, 22/4014, 22/4015 en 23/4204

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 11 maart 2026

in de zaken tussen

[curator] , curator in het faillissement van [belanghebbende] , kantoorhoudend in [plaats] , de curator

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Almelo, de inspecteur.

Inleiding

De inspecteur heeft aan [belanghebbende] (belanghebbende) de volgende aanslagen opgelegd:

-

Een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over het jaar 2009 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 331.477 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 64.050.000. Daarnaast is een bedrag van € 1.891.472 aan heffingsrente in rekening gebracht (22/3974).

-

Een voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 332.000 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453. Daarnaast is een bedrag van € 455.799 aan heffingsrente in rekening gebracht (22/3980).

-

Een aanslag IB/PVV over het jaar 2010 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 262.072, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 45.940.453 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257 (23/4204).

-

Een aanslag IB/PVV over het jaar 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 312.374, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 81.329.338 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 800.462. Daarnaast is een bedrag van € 976.038 aan heffingsrente in rekening gebracht (22/4014).

-

Een aanslag IB/PVV over het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.063, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 56.412.810 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 173.257. Daarnaast is een bedrag van € 2.035.279 aan heffingsrente in rekening gebracht (22/4015).

Bij uitspraken op bezwaar van 28 juni 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de voorlopige aanslag IB/PVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak op bezwaar van 12 juli 2022 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2009 gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang verminderd tot € 50.000.000. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is gehandhaafd.

Bij uitspraak op bezwaar van 4 april 2023 heeft de inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010 niet-ontvankelijk verklaard.

De inspecteur heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft de beroepen op 3 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] , [persoon C] , [persoon D] en [persoon E] .

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen er onderling middels een compromis uit te komen.

Belanghebbende heeft, zonder tussenkomst van de curator, naar aanleiding van het voorgenomen compromis nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn door de rechtbank teruggestuurd, omdat hij geen procespartij bij deze zaak is en dus niet zonder tussenkomst van de curator stukken kan indienen.

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 17 januari 2025 geen toestemming gegeven voor het compromis zoals door partijen werd beoogd. De gemachtigde heeft de rechtbank op 13 februari 2025 verzocht om het onderzoek ter zitting te heropenen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek heropend en de beroepen op 30 september 2025 op een nadere zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de curator, bijgestaan door de gemachtigde, en namens de inspecteur [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] .

Feiten

Beoordeling door de rechtbank

Conclusie en gevolgen

Beslissing

Informatie over hoger beroep