Home

Rechtbank Gelderland, 25-03-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2380, AWB 24/6904

Rechtbank Gelderland, 25-03-2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2380, AWB 24/6904

Gegevens

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25 maart 2026
Datum publicatie
31 maart 2026
ECLI
ECLI:NL:RBGEL:2026:2380
Zaaknummer
AWB 24/6904
Relevante informatie
Art. 15 Wet OB 1968, Wet OB 1968, Art. 11 Uitv.besch. OB, Art. 12 Uitv.besch. OB, Art. 13 Uitv.besch. OB, Uitv.besch. OB, Art. 7:15 Awb, BPB, WMO, Jw, Wlz

Inhoudsindicatie

Gemengd gebruik onroerende zaken. Omzet pro-rata. Vertrouwensbeginsel. Belanghebbende is een instelling die zich richt op het tegen vergoeding bieden van opvang en ondersteuning aan mensen met een verstandelijke beperking (de cliënten). Belanghebbende ontvangt daarvoor een vergoeding uit publieke middelen. Daarnaast houdt belanghebbende zich bezig met het tegen een zakelijke vergoeding verkopen en leveren van goederen en het verrichten van diensten aan derden. Belanghebbende heeft een nieuw gebouwencomplex laten realiseren. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten in het complex wenst belanghebbende volledig in aftrek te brengen, omdat volgens haar de zelfstandige productieruimten uitsluitend worden gebezigd voor belaste prestaties. De inspecteur staat aftrek op basis van de omzet pro-rata toe. De rechtbank is van oordeel dat volledige aftrek van voorbelasting op de bouwkosten wettelijk gezien niet mogelijk is omdat de zelfstandige productieruimten worden gebruikt voor zowel vrijgestelde prestaties (dagopvang van cliënten) als belaste prestaties (verkoop van goederen en het verlenen van diensten aan derden). Er is dus sprake van gemengd gebruik van de ruimten. Aangezien het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel slaagt, heeft belanghebbende toch recht op volledige aftrek van de voorbelasting op de bouwkosten. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/6904

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 maart 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende] , uit [plaats 1], belanghebbende

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]),

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Enschede, de inspecteur,

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 17 mei 2024.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een teruggaafbeschikking omzetbelasting (OB) voor het tweede kwartaal 2023 gegeven van € 31.041.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de teruggaafbeschikking gehandhaafd.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Hierop heeft belanghebbende gereageerd bij nader stuk van 15 februari 2026.

De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende [persoon A], alsmede haar gemachtigden. Namens de inspecteur hebben deelgenomen, [persoon B], [persoon C] en [persoon D].

Feiten

1. Belanghebbende is een instelling die zich richt op het tegen vergoeding bieden van opvang en ondersteuning aan mensen met een verstandelijke beperking (de cliënten). Belanghebbende houdt zich tevens bezig met het tegen een zakelijke vergoeding verkopen en leveren van goederen aan derden, bijvoorbeeld vogelhuisjes, tassen, sjaals, en bakkerijproducten. Daarnaast verricht belanghebbende tegen een zakelijke vergoeding diensten aan derden, zoals verpakkings-, montage- en sorteerwerkzaamheden. Belanghebbende ontplooit haar activiteiten (zowel de opvang- als de commerciële activiteiten) vanuit diverse locaties. Dit kunnen zowel gehuurde locaties zijn, als locaties die zij in eigendom heeft.

2. Belanghebbende heeft in 2021 opdracht gegeven aan [naam bedrijf 1] voor het ontwikkelen en realiseren van een nieuw gebouwencomplex aan de [locatie 1] in [plaats 2] (het complex). Voor de ontwikkelings- en realisatiekosten, waaronder de kosten voor de ingeschakelde aannemer, notaris, ontwerpkosten en sloopkosten (in totaliteit: de bouwkosten) heeft belanghebbende inkoopfacturen ontvangen vermeerderd met OB. De oplevering en eerste ingebruikname van het complex stond gepland voor november 2024.

3. Het complex is vervaardigd op een perceel van belanghebbende en heeft een totale (binnen) vloeroppervlakte van 2.162 m2. Tijdens de bouw van het complex was het de bedoeling om ruimtes voor de volgende afdelingen te bouwen:

Afdeling

Oppervlakte in m2

Percentage

Zelfstandig?

1

Industrieel werk

411,80

19,04

Ja

2

Op Maat (incl. balkon)

445,30

20,59

Ja

3

Kleurmeesters

341,90

15,81

Ja

4

Textielatelier

87,50

4,05

Ja

5

Servicebureau

518,70

23,99

Nee

6

Algemene ruimten

357,30

16,52

Nee

Totaal

2.162,50

100,00

Buitenruimten

7,30

De afdelingen Industrieel werk, Kleurmeesters en Textielatelier (nummers 1, 3 en 4) (de zelfstandige productieruimten) waren bestemd om de cliënten bij wijze van hun dagbesteding goederen te laten produceren voor de verkoop en/of diensten aan derden te laten verrichten.1 Op de afdeling ‘Op Maat’ (nummer 2) verblijven de cliënten die zich niet bezig houden met het produceren van goederen bestemd voor de verkoop en/of het verrichten van dienstverlening. Die cliënten hebben in deze ruimte een andere wijze van dagbesteding.

4. Op 31 juli 2023 heeft belanghebbende aangifte OB over het tweede kwartaal 2023 gedaan. In die aangifte is een bedrag aan voorbelasting vermeld van € 56.561. Dit bedrag is bepaald aan de hand van de zogenoemde ‘omzet pro rata’. De aangifte resulteert in een verzoek om teruggaaf van € 31.041.

5. Bij beschikking met dagtekening 25 augustus 2023 heeft de inspecteur de gevraagde teruggaaf verleend. Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt bij brief ontvangen door de inspecteur op 6 oktober 2023. In haar motivering van het bezwaar van 6 december 2023 heeft belanghebbende de inspecteur verzocht om de teruggaaf OB over het tweede kwartaal 2023 op € 32.285 vast te stellen. Dit op basis van de in het verleden met de Belastingdienst gemaakte afspraken over de btw-handelwijze ten aanzien van andere locaties van waaruit belanghebbende haar activiteiten verrichtte. Vervolgens hebben partijen hun standpunten uitgewisseld.

6. Op 28 maart 2024 heeft het hoorgesprek in bezwaar plaatsgevonden. Hiervan is een verslag met datum 11 april 2024 opgemaakt. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 18 april 2024.

7. Partijen hebben de volgende op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd:

a. Een voorstel van belanghebbende van 18 maart 1996 inzake de aftrek van voorbelasting op de kosten van de verschillende panden van belanghebbende. Hierin is het volgende vermeld:

“Geachte heer [persoon E],

Hierbij doen wij u een voorstel inzake de verdeling van de kosten i.v.m. de BTW toekenning naar m2 in de verschillende panden van de Stichting "[belanghebbende]"

[naam bedrijf 2] te [plaats 3]

- locatie [locatie 2], totaal 690 m2

produktieruimten 270 m2 is dus 39%

- locatie [locatie 3],

volledig produktieruimte is dus 100%

[naam bedrijf 3] te [plaats 1]

- locatie [locatie 4] totaal 1302 m2

produktieruimten 272 m2 is dus 21%

- locatie [locatie 5] totaal 440 m2

produktieruimten 222 m2 is dus 50%

Op dit moment zijn wij druk doende met een opzet van 1994 en 1995 zodat wij over deze jaren zo spoedig mogelijk aangifte kunnen doen. In afwachting van uw berichten, teken ik, met vriendelijke groeten,

[persoon F]

directeur”

Een akkoord van de Belastingdienst Ondernemingen, kantoor [plaats 4], van

21 maart 1996 in reactie op het hiervoor genoemde voorstel. Hierin is het volgende vermeld:

“Geachte heer [persoon F],

Naar aanleiding van uw brief van 18 maart 1996 deel ik u het volgende mede.

Ondanks dat ik niet alle onroerende zaken van de stichting zelf in ogenschouw heb genomen ga ik onder voorbehoud van correctie bij later onderzoek akkoord met de voorgestelde percentages.

(...)”

Een rapport van het onderzoek van de Belastingdienst Ondernemingen, kantoor [plaats 4], van 19 september 1996, naar de suppletie-aangiften OB over de tijdvakken 1994 en 1995 van belanghebbende. In dit rapport is onder meer het volgende vermeld:

“(...)

De cijfers van de aangiften omzetbelasting over de periode van 1 januari 1994 t/m 31 december 1995 sloten geheel aan met de vervaardigde recapitulaties van de voorbelasting over de jaren 1994 en 1995. Steekproefgewijze controle op de in mindering gebrachte voorbelasting en de aanwezige facturen gaf geen aanleiding tot correcties. Met de voorgestelde aftrekpercentages die bij het gemengd gebruik werden gehanteerd kan accoord worden gegaan.

(...)”

Een voorstel van belanghebbende van 12 november 2007 inzake de aftrekpercentages bij gemengd gebruik. In dit voorstel is het volgende vermeld:

“Geachte heer, mevrouw,

In een rapport van uw dienst d.d. 19 september 1996 opgesteld door de heer [persoon G] is aangegeven dat akkoord kon worden gegaan met de door ons voorgestelde aftrekpercentages van de voorbelasting die bij gemengd gebruik worden gehanteerd. Deze aftrekpercentages zijn gebaseerd op het percentage van het vloeroppervlak op een locatie die gebruikt wordt voor de belaste activiteiten en is van toepassing op de indirecte kosten die gemaakt zijn ten behoeve van zowel de belaste als niet belaste activiteiten.

Inmiddels zijn er meer dan tien jaren verstreken en hebben er een aantal wijzigingen voorgedaan bij [belanghebbende]. Er zijn met name een aantal belaste activiteiten verhuist naar een eigen locatie. Voor zover de wijzigingen van invloed waren op de aftrekbaarheid van de voorbelasting is dit verwerkt in onze administratie en de daaruit voortvloeiende aangiftes.

Uit hoofde van mijn verantwoordelijkheid als hoofdadministratie zou ik het prettig vinden als u opnieuw een akkoord zou willen geven voor onze huidige manier van aftrekken van voorbelasting. Als bijlage stuur ik u daarvoor een overzicht van grootboekrekeningen en kostenplaatsen (locaties) met de gehanteerde percentages van aftrek van voorbelasting.

De belaste activiteiten vinden plaats op de volgende locaties:

Adres

Plaats

Kst.pl

Activiteit

aftrek

voor-

belasting

[locatie 3]

[plaats 3]

[perceelnr. 1]

Zuivelboerderij

100%

[locatie 6]

[plaats 3]

[perceelnr. 2]

Winkel met koffie corner

100%

[locatie 2]

[plaats 3]

[perceelnr. 3]

Winkel

100%

""

""

[perceelnr. 4]

Papierschepperij

100%

""

""

[perceelnr. 5]

Kaarsenmakerij

100%

[locatie 7]

[plaats 5]

[perceelnr. 6]

Houtwerkplaats

100%

[locatie 8]

[plaats 5]

[perceelnr. 7]

Textielatelier

100%

[locatie 9]

[plaats 6]

[perceelnr. 8]

Bakkerij en winkel

100%

[locatie 10]

[plaats 1]

[perceelnr. 9]

Kwekerij [naam kwekerij]

100%

[locatie 11]

[plaats 1]

[perceelnr. 10]

Industrieel werk

100%

[locatie 4]

[plaats 1]

[perceelnr. 11]

Winkel

34%

""

""

[perceelnr. 12]

Creatief atelier

34%

""

""

[perceelnr. 13]

Stofbedrukken

34%

""

""

[perceelnr. 14]

Wasserette

34%

[naam bedrijf 2] aan de [locatie 2] te [plaats 3] is gesplitst in een logeerhuis, productieruimten en een winkeltje. In het dagactiviteitencentrum vinden geen onbelaste activiteiten meer plaats.

Hoogachtend,

[persoon H]

Hoofd administratie

Bijlagen:

- Overzicht grootboekrekeningen

- Berekening 34% oppervlakte locatie [locatie 4] is t.b.v. productie

- Rapport Belastingdienst d.d. 19 september 1996 akkoord percentages

- Brief Belastingdienst d.d. 21 maart 1996 akkoord onder voorbehoud

- Brief [belanghebbende] d.d. 18 maart 1996 met voorstel percentages

- Brief Belastingdienst d.d. 29 september 1995 vaststelling belastingplicht”

Een controlerapport van een boekenonderzoek onder belanghebbende. Het rapport is van de Belastingdienst Oost, kantoor [plaats 4], en heeft datum 18 maart 2009. In het rapport is onder meer het volgende vermeld:

“(...)

2 Beperkingen boekenonderzoek

Voor de omzetbelasting heeft het boekenonderzoek zich beperkt tot het:

- Waarnemen van de actuele bedrijfsactiviteiten;

- Inwinnen van informatie die van belang is voor de beoordeling van het percentage van aftrekbaarheid van de voorbelasting.

De juistheid van de voorbelasting en de volledigheid van de afgedragen omzetbelasting is derhalve niet beoordeeld.

2.1 Rechtsvorm

Het betreft een stichting, genaamd [belanghebbende] met als doelstelling de opvang en begeleiding van verstandelijk gehandicapten in zuidwest [plaats 7]. In het kader van deze opvang worden diverse bedrijfjes geëxploiteerd, zowel op de hoofdvestiging in [plaats 1] als in de regio. Hierna is een opsomming van de verschillende locaties met haar hoofdactiviteit opgenomen. Voor meer informatie wordt verwezen naar de website van de Stichting, [website].

(...)

3 Omzetbelasting

De hoofdactiviteiten van de stichting, de opvang en begeleiding van verstandelijk gehandicapten, zijn vrijgesteld ingevolge artikel 11 lid 1, letter f, Wet Omzetbelasting samen met artikel 7 lid 1 besluit bijlage B post b12. Het produceren, verkopen en bezorgen van allerlei producten aan diverse afnemers is geen prestatie die valt onder de vrijstelling. Dit standpunt van de Belastingdienst is verwoord in de brief van 29 september 1995 aan de Stichting t.a.v. de heer [persoon F].

3.1

Verzoek

In de brief van 12 november 2007 verzoekt de Stichting om bevestiging van de toentertijd gemaakte afspraak voor wat betreft het aftrekbare deel voorbelasting met betrekking tot het gemengd gebruik. De aftrekpercentages zijn hierbij gebaseerd op het vloeroppervlak van een locatie met belaste activiteiten. Ter toelichting zijn volgende bescheiden door de Stichting verstrekt:

- Jaarrekening 2007;

- Btw-berekening 2007;

- Gedetailleerde "aansluiting afdracht BTW met omzet 2007";

- "Overzicht voor bepaling voorbelasting [belanghebbende]".

3.2

Conclusie

Op basis van bovengenoemde specificaties en de gepresenteerde cijfers wordt toegestaan dat de toegepaste percentages bij ongewijzigde omstandigheden tot nadere afspraak worden gehanteerd.

(...)”

Een plattegrond van het complex met oppervlakten en benamingen van de diverse ruimten (bijlage 15 bij het verweerschrift).

De jaarrekening 2023 van belanghebbende. De toelichting op de resultaatsrekening bij die jaarrekening luidt voor zover relevant als volgt:

“(...)

BEDRIJFSOPBRENGSTEN

13 Netto omzet 2023 2022

De specificatie is als volgt: € €

Wet langdurige zorg 19.795.617 17.991.371

Wet maatschappelijke ondersteuning 1.824.048 2.060.882

Jeugdwet 1.786.735 1.546.393

Zorggerelateerde coronacompensatie 0 479.223

Baten uit onderaanneming 89.133 93.763

Overige baten uit beroeps- of bedrijfsmatige zorgverlening 80.994 90.976

Totaal 23.576.527 22.262.608

(...)

14 Overige bedrijfsopbrengsten

De specificatie is als volgt: 2023 2022

€ €

Opbrengsten uit Winkelverkopen 757.752 736.849

Verhuuropbrengsten 5.772 2.774

Overige baten 7.864 188

Beschikbaarheidsbijdragen Opleidingen 79.575 49.903

Overige subsidies 109.354 29.799

Totaal 960.317 819.513

(...)”

Beoordeling door de rechtbank

8. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een hogere teruggaaf dan de teruggaaf die is verleend naar aanleiding van de aangifte over het tweede kwartaal van 2023. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende. De hoogte van de pro rata is in geschil, waarbij in de kern de vraag is of de zelfstandige productieruimten uitsluitend voor belaste prestaties worden gebruikt en dus volledig recht geven op aftrek van de omzetbelasting op de bouwkosten daarvan.

Vooraf

9. Belanghebbende maakt een onderscheid tussen de zelfstandige productieruimten ‘Industrieel werk’, ‘Kleurmeesters’ en ‘Textielatelier’ (de nummers 1,3 en 4 op de lijst bij punt 3.) en de niet-zelfstandige ruimten, ‘Service bureau’ en ‘Algemene ruimten’ (de nummers 5 en 6 op de lijst bij punt 3.). De inspecteur volgt het door belanghebbende gemaakte onderscheid tussen zelfstandige productieruimten en niet-zelfstandige ruimten. De kwalificaties ‘zelfstandig’ en ‘niet-zelfstandig’ zijn voor de toepassing van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet OB) ook niet in geschil. Evenmin is in geschil dat voor de afdeling ‘Op Maat’ (nummer 2 op die lijst) in het geheel geen recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten bestaat. Die ruimte wordt volledig gebezigd voor vrijgestelde prestaties. Ten slotte is niet in geschil dat de niet-zelfstandige ruimten als ‘gemengde’ ruimten in de zin van de Wet OB en de daarop gebaseerde regelgeving dienen te worden aangemerkt.

10. In haar nader stuk van 15 februari 2026 heeft belanghebbende aangegeven dat (in afwijking van het beoogd gebruik) na oplevering en ingebruikneming van het complex het ‘Textielatelier’ is veranderd in ‘Medialab’ en dat deze ruimte vooralsnog niet wordt gebruikt voor belaste (commerciële) prestaties. Voor de voorliggende procedure is die wijziging echter niet van belang, omdat het bij de beoordeling van de hoogte van het teruggaafverzoek gaat om het beoogd gebruik ten tijde van het doen van aangifte OB over het tweede kwartaal 2023.

Wettelijk kader

11. Artikel 168, aanhef en onderdeel a, van de BTW-richtlijn2 bepaalt als volgt:

“Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van een belastingplichtige, is deze gerechtigd in de lidstaat waar hij deze handelingen verricht, van het door hem verschuldigde belastingbedrag de volgende bedragen af te trekken:

a) de BTW die in die lidstaat verschuldigd of voldaan is voor de goederenleveringen of de diensten die een andere belastingplichtige voor hem heeft verricht;

(...)”

12. Artikel 173, eerste lid, van de BTW-richtlijn bepaalt als volgt:

“Voor goederen en diensten die door een belastingplichtige zowel worden gebruikt voor de in de artikelen 168, 169 en 170 bedoelde handelingen, waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat, wordt aftrek slechts toegestaan voor het gedeelte van de BTW dat evenredig is aan het bedrag van de eerstbedoelde handelingen (evenredige aftrek).

Het aftrekbare gedeelte wordt overeenkomstig de artikelen 174 en 175 bepaald voor het totaal van de door de belastingplichtige verrichte handelingen.”

13. Artikel 15 van de Wet OB luidt, voor zover relevant, als volgt:

“1. De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:

a. de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur; (...) een en ander voor zover de goederen en de diensten door de ondernemer worden gebruikt voor belaste handelingen.

(...)

6. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld omtrent de aftrek van belasting, ingeval goederen en diensten door de ondernemer mede worden gebruikt anders dan voor belaste handelingen of anders dan voor de handelingen, bedoeld in het tweede lid. Daarbij wordt tevens rekening gehouden met wijzigingen in het gebruik van onroerende zaken, bedoeld in het eerste lid, laatste alinea. Voorts kan daarbij worden bepaald dat het afstoten van goederen welke de ondernemer in zijn bedrijf heeft gebruikt, buiten aanmerking wordt gelaten.”

14. Artikel 11 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 (de uitvoeringsbeschikking) luidt, voor zover relevant, als volgt:

“1. De aftrek van de in artikel 15 van de wet bedoelde belasting (voorbelasting) geschiedt, ingeval de ondernemer zowel handelingen verricht waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat als handelingen verricht waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, met inachtneming van het volgende:

a. van goederen en diensten, die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor recht op aftrek van voorbelasting bestaat, komt de voorbelasting geheel voor aftrek in aanmerking;

b. van goederen en diensten, die uitsluitend worden gebruikt voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek van voorbelasting bestaat, komt de voorbelasting in het geheel niet voor aftrek in aanmerking;

c. met betrekking tot goederen en diensten die zowel voor de onder a als voor de onder b bedoelde handelingen worden gebruikt, komt voor aftrek in aanmerking het gedeelte van de voorbelasting dat in dezelfde verhouding staat tot die belasting als het totaal van de vergoedingen voor de handelingen bedoeld onder a staat tot het totaal van de vergoedingen voor de handelingen bedoeld onder a en onder b.

2. Indien aannemelijk is dat het werkelijke gebruik van de in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde goederen en diensten, als geheel genomen, niet overeenkomt met de aldaar bedoelde verhouding, wordt het voor aftrek in aanmerking komende gedeelte van de voorbelasting van die goederen en diensten berekend op basis van het werkelijke gebruik.

(...)”

15. Artikel 12 van de uitvoeringsbeschikking luidt:

“1. De in artikel 11 voorgeschreven berekeningswijze geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de belasting aan de ondernemer in rekening wordt gebracht dan wel de belasting wordt verschuldigd.

2. De herziening, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van de wet, geschiedt op basis van de gegevens van het belastingtijdvak waarin de ondernemer de goederen of diensten is gaan gebruiken.

3. Bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van het boekjaar vindt herziening van de aftrek plaats op basis van de voor het gehele boekjaar geldende gegevens.”

16. Artikel 13, eerste lid, van de uitvoeringsbeschikking luidt:

“In afwijking van artikel 11 worden voor de toepassing van de aftrek afzonderlijk in aanmerking genomen:

a. onroerende zaken en rechten waaraan deze zijn onderworpen;

b. roerende zaken waarop de ondernemer voor de inkomstenbelasting of de vennootschapsbelasting afschrijft, of waarop hij zou kunnen afschrijven indien hij aan een zodanige belasting zou zijn onderworpen;

c. investeringsdiensten waarvan de vergoeding ten minste € 30.000 bedraagt.”

Zelfstandige productieruimten

17. De rechtbank zal hierna eerst de standpunten van partijen over de omvang van het recht op aftrek van voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten (de nummers 1,3 en 4 op de lijst bij punt 3.) behandelen en een oordeel daarover geven.

Primaire standpunt belanghebbende – volledig recht op aftrek

18. Volgens belanghebbende worden de zelfstandige productieruimten gebruikt met als doel het verrichten van belaste activiteiten, zijnde het tegen vergoeding verkopen en leveren van goederen, zoals vogelhuisjes, tassen, sjaals, en bakkerijproducten, en het tegen vergoeding verrichten van diensten, zoals montage-, sorteer-, en verpakkingswerkzaamheden. De productieruimten zijn volgens belanghebbende ontworpen en ingericht om deze belaste activiteiten te kunnen uitvoeren en worden ook als zodanig feitelijk gebruikt. Volgens belanghebbende worden de bouwkosten van de productieruimten bovendien feitelijk doorberekend in de vergoedingen aan derden-afnemers die belanghebbende voor deze commerciële activiteiten ontvangt van die derden. Gelet op het voorgaande is belanghebbende van mening dat er een rechtstreeks en onmiddellijk verband bestaat tussen de gemaakte bouwkosten van de zelfstandige productieruimten en de belaste prestaties die vanuit deze productieruimten worden verricht. De desbetreffende bouwkosten zouden door belanghebbende niet zijn gemaakt, indien de belaste commerciële activiteiten niet (vrijwillig) door haar zouden zijn ontplooid. Dat er cliënten werkzaam zijn in die ruimten maakt niet uit, aldus belanghebbende.

19. De inspecteur betwist dat belanghebbende de productielocaties uitsluitend gebruikt met als doel het verrichten van belaste activiteiten. Het hoofddoel van de productieruimten is immers de dagbesteding van cliënten. De voorbelasting op de bouwkosten van de zelfstandige productieruimten is zowel toerekenbaar aan belaste prestaties, als aan vrijgestelde prestaties en daarom is die voorbelasting slechts gedeeltelijk aftrekbaar, aldus de inspecteur. Die aftrek is door de inspecteur berekend op 4% op basis van de pro rata naar omzetverhoudingen.

20 In zijn arrest van 15 juni 20123heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (r.o. 3.3):