Home

Rechtbank Midden-Nederland, 25-03-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1406, 1607621025

Rechtbank Midden-Nederland, 25-03-2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1406, 1607621025

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak
25 maart 2026
Datum publicatie
9 april 2026
ECLI
ECLI:NL:RBMNE:2026:1406
Zaaknummer
1607621025

Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gevaar voor goederen te duchten was. De verdachte had een aansturende rol bij het teweegbrengen van de ontploffing. Oplegging van een gevangenisstraf van 15 maanden met aftrek.

Uitspraak

Strafrecht

Zittingsplaats Utrecht

Parketnummers: 16/076210-25; 10/226932-23 (vord. tul)

Tegenspraak

Vonnis van de meervoudige kamer van 25 maart 2026 in de strafzaak van:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,

adres: [adres 1] , [postcode] in [plaats 1] ,

(hierna: de verdachte).

1 Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 11 maart 2026.

Op de zitting waren aanwezig:

-

de verdachte;

-

de advocaat van de verdachte: mr. A.E.M.C. Koudijs (hierna: de advocaat);

-

de officier van justitie: mr. R. Craenen.

2 Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:

feit 1

primair: op 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een of meer anderen, een ontploffing heeft veroorzaakt door (zwaar) vuurwerk in brand te steken, waarbij gevaar voor personen en goederen te duchten was;

Subsidiair: in de periode van 17 augustus tot en met 19 augustus 2024 in Utrecht/ Rotterdam , medeplichtig is geweest aan voornoemde ontploffing door

- [medeverdachte 1] met de auto op te halen en/of naar de locatie van de explosie te rijden en/of

- ten tijde van en/of rondom de uitvoering van het delict contact te onderhouden met [medeverdachte 1] en/of locatiegegevens te delen en/of zich in de nabijheid te houden voor (gehaast) vertrek.

De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De verdachte heeft op afstand een aansturende rol gehad ten aanzien van de ontploffing, waardoor sprake is geweest van dusdanige betrokkenheid van de verdachte bij het delict dat hij als medepleger kan worden aangemerkt.

De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Primair, omdat geen sprake is van een voltooid delict zoals is ten laste gelegd en subsidiair vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Bewijsmiddelen feit 1 primair

De rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde, medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.

3.3.2.

Bewijsoverwegingen

Inleiding

Op grond van de bewijsmiddelen en hetgeen door de verdachte op zitting is verklaard, stelt de rechtbank het volgende vast.

Op 19 augustus 2024 heeft omstreeks 02:35 uur bij de woning van aangever [aangever 1] aan de [adres 2] in [plaats 2] een explosie plaatsgevonden. Hierbij is eerst een baksteen door de ruit boven de voordeur gegooid, vervolgens is een cobra 6 die op een fles gevuld met motorbenzine was getapet aangestoken en is deze richting de ingegooide ruit gegooid. Daarbij is het gat in de ruit gemist, waardoor het explosief terug op straat is gevallen en vervolgens tot ontploffing is gekomen.

In de nabijheid van de plaats delict is later, omstreeks 02:55 uur, de verdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) aangehouden. [medeverdachte 1] heeft bekend dat hij de ontploffing teweeg heeft gebracht. Hij heeft verklaard dat hij via een vriend met iemand in contact was gekomen via snapchat die hem tegen betaling een zogenoemde C6 klus (Cobra 6) had aangeboden. Op de dag van de ontploffing is hij naar Utrecht gebracht, waar hij verdere instructies heeft ontvangen. Vlak voor de explosie is [medeverdachte 1] gebeld door het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] . In dat telefoongesprek is tegen hem gezegd: ‘doe het, doe het nu’. Het telefoonnummer waarmee [medeverdachte 1] is gebeld, is in gebruik bij de verdachte.

Telefoon met het nummer + [telefoonnummer 1]

De verdachte heeft op zitting verklaard dat het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] weliswaar aan hem toebehoort, maar dat hij de betreffende telefoon op de avond van de explosie niet in zijn bezit had en dat hij niet de persoon is die die avond met [medeverdachte 1] heeft gebeld.

De rechtbank vindt deze verklaring ongeloofwaardig en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft wisselend verklaard over waar hij was en wat hij op de avond van het delict deed. In eerste instantie heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij in Marokko was ten tijde van het delict. Vervolgens heeft hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij ten tijde van het delict snorderritjes uitvoerde en dat iemand hem in die periode belde met de vraag of hij iemand wilde ophalen, maar dat hij niet is gegaan. Daarbij heeft hij verklaard dat hij die nacht ook een paar keer expres zijn telefoon niet heeft opgenomen, omdat hij ongeveer wist wat er ging gebeuren. Hij heeft daarbij verklaard: ‘Ik wist alleen iets die kant op (...) met wat er is gebeurd met die explosie’. Tijdens dit verhoor heeft de verdachte op geen enkele wijze gesteld dat hij zijn telefoon op dat moment niet in bezit had. Integendeel, uit zijn verklaringen volgt juist dat hij zijn telefoon wel in bezit had en op momenten bewust zijn telefoon niet heeft opgenomen. Pas tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn zaak heeft de verdachte verklaard dat hij zijn telefoon die avond niet in bezit had. De rechtbank vindt het opmerkelijk dat de verdachte pas op zitting met deze verklaring komt. Daar komt bij dat de verdachte deze verklaring op geen enkele wijze heeft onderbouwd. Op vragen van de rechtbank hoe hij weet dat hij zijn telefoon niet bij zich had, wie de telefoon dan wel had en wanneer hij deze weer terug zou hebben gekregen, heeft de verdachte geen antwoord willen geven. Ook bevat het dossier geen aanknopingspunten die de verklaring van de verdachte ondersteunen.

De rechtbank acht de op zitting afgelegde verklaring, mede gelet de (eerdere) wisselende verklaringen van de verdachte en het ontbreken van enige onderbouwing, ongeloofwaardig.

Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) volgt dat hij (als gebruiker van het Snapchat-account [accountnaam 1] ) degene is geweest die de gebruiker van het Snapchat-account [accountnaam 2] (te weten: [medeverdachte 1] ), de uitvoerder van explosie, in contact heeft gebracht met een Marokkaanse jongen uit de buurt. [medeverdachte 2] bevestigt vervolgens dat het gaat om de verdachte.

De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij vlak voor de explosie is gebeld, wordt ondersteund door de historische gegevens van zijn telefoon. In de telefoon van [medeverdachte 1] is te zien dat er kort voor en na de explosie veelvuldig contact was met het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] . Zo blijkt dat er twee keer wordt ingebeld door het nummer + [telefoonnummer 1] en dat bij de derde keer om 02:27:43 uur een gesprek van 1 minuut 48 seconden plaatsvindt. Over dit telefoongesprek kort voor de ontploffing heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij op dat moment twijfelde of hij de explosie wel moest uitvoeren. Vervolgens werd [medeverdachte 1] gebeld, waarbij tegen hem werd gezegd: ‘doe het, doe het nu’. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij deze woorden heeft opgevat als druk om het (de C6-klus) uit te voeren. Vervolgens vindt slechts enkele minuten na dit telefoongesprek, omstreeks 02:32 uur, de ontploffing plaats waarbij blijkens de aangifte van [aangever 1] een harde knal en gerinkel van glas te horen zijn.

Na de ontploffing belt [medeverdachte 1] twaalf keer naar het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] , maar krijgt hij geen contact. Om 02:36:39 uur, kort na de explosie, wordt [medeverdachte 1] door het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] gebeld en is er 32 seconden contact en vervolgens is er om 02:51:45 uur 1 minuut en 22 seconden contact. Daarna is te zien dat [medeverdachte 1] meerdere malen belt naar het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] , maar dat er geen contact wordt verkregen. Hierover verklaart [medeverdachte 1] dat hij aan het rennen was en opgehaald wilde worden.

Bij dit alles komt dat uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte blijkt dat met de telefoon van de verdachte kort na de explosie is gezocht naar alarmmeldingen en nieuwsberichten over het incident. Zo bevinden zich op zijn telefoon screenshots, die om 03:36 uur en om 03:53 uur zijn gemaakt, met daarop Politie meldingen Utrecht. Uit het feit dat deze screenshots zo kort na de explosie, midden in de nacht, zijn gemaakt, terwijl de verdachte in Rotterdam woont en de explosie in Utrecht plaatsvond, leidt de rechtbank eveneens af dat de verdachte betrokken was bij de uitvoering van de explosie.

De rechtbank gaat, op basis van het voorgaande, ervan uit dat de verdachte zijn telefoon met het nummer + [telefoonnummer 1] op 19 augustus 2024 in bezit had en dat hij degene is geweest die de bewuste avond kort voor en na de ontploffing meermalen telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 1] . Tevens gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachte wetenschap had van de explosie en dat hij degene is geweest die heeft gezegd ‘doe het, doe het nu’.

Medeplegen

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld hoe de rol van de verdachte juridisch gekwalificeerd moet worden. De betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dit feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de intellectuele en/of materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn.

Uit het dossier volgt dat de verdachte een aansturende rol heeft gehad bij het teweegbrengen van de ontploffing. Hoewel de rechtbank (op basis van de historische verkeersgegevens van de telefoon van de verdachte) ervan uitgaat dat de verdachte niet fysiek aanwezig was bij de ontploffing in Utrecht, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank wel een wezenlijke bijdrage geleverd door telefonisch contact te onderhouden met [medeverdachte 1] vlak voor en kort na de ontploffing. De verdachte heeft [medeverdachte 1] telefonisch aangezet tot het teweeg brengen van de ontploffing. Het is de verdachte geweest die [medeverdachte 1] , op dat moment slechts dertien jaar oud, heeft aangespoord om ‘het te doen’, terwijl [medeverdachte 1] twijfelde. Volgens [medeverdachte 1] betrof de persoon die hem belde een soort opdrachtgever: ‘een beetje de baas die hem werk gaf’. De woorden ‘doe het, doe het nu’ van de verdachte heeft hij opgevat als druk om de explosie uit te voeren.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een aansturende rol heeft gehad bij de ontploffing die op 19 augustus 2024 heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft een belangrijke bijdrage aan de totstandkoming van de ontploffing geleverd. Er is sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en (in ieder geval) de medeverdachte [medeverdachte 1] , waarbij het aandeel van de verdachte van bepalende invloed is geweest op het verloop van het delict. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, in die zin dat de verdachte in de nabijheid van [medeverdachte 1] was op het moment dat hij de ontploffing teweeg bracht, is de bijdrage van de verdachte aan het ten laste gelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.

Poging

Anders dan door de verdediging is betoogd, volgt uit de bewijsmiddelen dat er wel degelijk sprake is van een voltooide ontploffing en niet dat er slechts sprake was van een poging. Het enkele feit dat de fles met vloeistof waarop een cobra 6 was getapet op straat is beland en niet in de woning, maakt niet dat er geen sprake is van een voltooide ontploffing.

Gevaar voor goederen

Anders dan door de verdediging aangevoerd, leidt de rechtbank uit de bewijsmiddelen af dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de aangrenzende en omliggende woningen en (passerende) auto’s. De ontploffing is veroorzaakt door het gebruik van een Cobra 6 in combinatie met een brandbare vloeistof (VBC). Het is een feit van algemene bekendheid dat een Cobra 6 zwaar en illegaal vuurwerk betreft, en dat een Cobra 6 bij ontbranding een ontploffing teweeg kan brengen met een gelijke kracht als die van een handgranaat. Nadat dit vuurwerk is aangestoken, is het ontstekingsproces onomkeerbaar en zal de Cobra 6 tot ontploffing komen. Het explosief is ter hoogte van de voordeur van de woning, gelegen aan de openbare weg, ook daadwerkelijk tot ontploffing gekomen. Gelet op de kracht van de ontploffing van een Cobra 6, de wijze waarop deze is gebruikt en de locatie waar de ontploffing heeft plaatsgevonden, alsmede het aangetroffen sporenbeeld, is de rechtbank van oordeel dat bij deze explosie gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Dat de omliggende en aangrenzende woningen, evenals (passerende) auto’s, bij de ontploffing gevaar liepen, was naar algemenen ervaringsregels voorzienbaar. Dit volgt immers ook uit het forensisch onderzoek. Het verweer van de verdediging slaagt niet.

Geen levensgevaar/ gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of er als gevolg van de ontploffing levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Daarvoor is vereist dat kan worden vastgesteld dat dat gevaar op het moment van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Uit het dossier blijkt niet dat er ten tijde van het plaatsen en/of het afgaan van het explosief, personen in de (directe) nabijheid van het explosief aanwezig waren. Gelet op het voorgaande kan niet worden vastgesteld dat er levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. De rechtbank zal de verdachte ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging vrijspreken.

Conclusie

De rechtbank vindt, op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, en gelet op wat hiervoor is overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing waarbij gevaar voor goederen te duchten was.

3.4.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

op 19 augustus 2024, te Utrecht, tezamen enin vereniging met een of meer anderen, opzettelijk een ontploffingteweeg heeft gebracht door (zwaar) vuurwerk in brand te steken,

waardoor dit vuurwerk tot ontploffing is gekomen,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten vooraangrenzende/omliggende woningen en auto’s, in elkgeval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4 Kwalificatie en strafbaarheid

5 Straf

6 Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

7 Toegepaste wetsartikelen

8 De beslissing